OOK VROUWEN PRIESTER? JAZEKER!header

Responsive image

BEGIN

REDEN GENOEG

TEGEN DE PAUS?

DEBAT

MENU

Nederlands/Vlaams Deutsch Francais English language Spanish language Portuguese language Catalan Chinese Czech Malayalam Finnish Igbo
Japanese Korean Romanian Malay language Norwegian Swedish Polish Swahili Chichewa Tagalog Urdu
------------------------------------------------------------------------------------
Claire Daurelle

Claire Daurelle

Dit interview gaf Claire tijdens een symposium dat ging over ‘Dans les églises, les femmes sont aussi ministres’ (‘in de kerk zijn vrouwen ook ambtsdragers’), Actes du Séminaire, Femmes et Hommes en Église (vrouwen en mannen in de Kerk ), 68 Rue de Babylone, 75007 Paris, 1996, pp. 48-52. Vertaald door Corrie Wolters en gepubliceerd op www.womenpriests.org met toestemming van de organisatoren van het symposium.

Ik kom uit Lyon. Ik ben pastoraal werkster sinds 1978, bijna 20 jaar dus. Eigenlijk was ik al pastoraal werkster voordat ik ook maar de kans had gekregen na te denken over de theologie van het ambt.

De kerk moet open staan voor vrouwelijke priesters.

Na een periode van ernstige twijfel tussen mijn 18e en 28e levensjaar ontdekte ik het geloof weer in 1973. Omdat ik veel over wilde weten was ik terechtgekomen in het Instituut voor pastorale en religieuze studies aan de katholieke faculteit van Lyon, dat in die tijd totaal gericht was op de vorming van catecheten. Ik had de directeur van het instituut voorzichtig gevraagd of ik me kon laten inschrijven zonder er voor mijn gevoel zeker van te zijn of ik wel catecheet zou worden, en daar reageerde hij positief op.

Ik vond dat ik terdege na moest denken over de betekenis van wat wordt gezegd: ‘ik geloof in de God van de Christenen.’ Ik studeerde hier twee jaar. Vervolgens zocht ik werk; ik was lerares van beroep. Ik vond geen enkele baan en na een half jaar werkeloos te zijn geweest had ik er genoeg van. Daarom zocht ik contact met de bisschop en vroeg hem: ‘Ik heb een religieus-pastorale cursus gevolgd. Heeft u werk voor mij?’ Ik ging ervan uit dat hij me gewoon als catecheet naar de een of andere uithoek van zijn bisdom zou sturen. Tot mijn grote verbazing hoorde ik hem zeggen: ‘Ik wil je wel een aanstelling geven als pastoraal werkster aan een school voor voortgezet onderwijs.’

Ik had in die tijd geen flauw idee wat dat betekende en dus begon ik mijn werk in het studentenpastoraat zonder duidelijke voorstelling van zaken. Concrete informatie had ik niet gekregen. Bij aankomst ontdekte ik dat het een co-aanstelling was met een man die van het groot seminarie kwam, en die voor zijn wijding enig praktisch werk moest doen. Toen ontdekte ik geleidelijk aan wat het betekende een gemeenschappelijke verantwoordelijkheid te dragen. Het was verschrikkelijk.

Het was erg moeilijk het werk te verdelen want mij collega hield er aan andere visie op na dan ik, een gegeven dat ik pas enkele maanden door kreeg. Hij dacht bij zichzelf: ‘ik ben een man. Ik kom van het seminarie en daarom ben ik verantwoordelijk voor het pastoraat.’ Maar in mijn hoofd zat datgene wat de bisschop had gezegd: ‘Jij hebt de leiding van het pastorale werk.’

Het ging niet goed. Soms liet hij me iets doen door een bevel te geven, een andere keer door de verantwoording op mijn bord te leggen -----, en dat terwijl ik degene was die de eindverantwoording droeg. Ik heb dat een paar keer laten gebeuren, maar de vierde keer nam ik het niet meer. Ik zei hem: ‘Ik ben het er niet mee eens, zo gaat het niet.’

Daardoor realiseerde ik me plotseling dat ik terdege na moest denken over het thema ‘verantwoordelijkheid in de kerk’. Ik vond dat ik mij niet hoefde te laten gebruiken, maar besloot mijn eigen taak zo goed mogelijk te vervullen, en waar en wanneer dan ook mijn eigen verantwoording te nemen, zonder mij te laten onderdrukken. Het is zeker waar dat je je waardigheid, je respect kunt verliezen. Ik ken een aantal vrouwen in de kerk die het accepteren dat anderen hun waardigheid afnemen, niet vanwege het werk, maar vanwege de verantwoordelijkheid, onder het mom dat zij niet gewijd zijn.

Verantwoordelijkheid en pastoraat

Omdat ik een van de eerste vrouwen was met een aanstelling op een verantwoordelijke post in het pastoraat op hogescholen kreeg ik de kans deel uit te maken van het Nationaal Comité van pastorale werkers in het Openbaar Onderwijs, een plaats waar serieus en diepgaand wordt nagedacht over de vraag van lekenpastores. Voor mij was het enorm belangrijk om me bewust te worden van het feit dat de katholiek opnieuw de verscheidenheid van het ambt dient te ontdekken, dat hij begrijpt dat het niet langer te accepteren is dat iedere pastorale taak in bezit genomen wordt door de drie kerkelijke standen: het episcopaat, het priesterschap en het diaconaat; in beslag genomen door mannen, door celibataire mannen.

Ik begon in te zien dat er ruimte moest komen voor andere vormen van pastoraat, en dat we daarvoor dienden te zorgen zelfs al had dat het nemen van risico’s en het blootgesteld worden aan tegenstellingen tot gevolg. Ik heb heel wat met die gedachte gestoeid, en dat heeft me de kans gegeven nog serieuzer en dieper na te denken over de theologie van het ambt.

Ik werkte als pastoraal werkster tot 1990, maar al in 1986 gaf ik de bisschop te kennen: ‘De wereld van jonge mensen is heel interessant en biedt veel uitdagingen. Het is een plaats van ongelooflijke creativiteit, maar ik zou niet mijn hele leven verantwoordelijk voor het studentenpastoraat willen zijn.’ Dat betekende dat ik, zonder me daar totaal van bewust te zijn, al vertrouwd was geraakt met de gedachte dat pastoraat mijn levenswerk zou zijn. Toen ik vroeg: ‘Wat kunt u me aanbieden met betrekking tot andere taken in de kerk, op andere plaatsen?’ realiseerde ik me wat dit voor mij betekende.

Ik hoorde hem antwoorden: ‘Waarom ga je niet in een parochie werken?’ Het was me duidelijk dat een parochie een gepasseerd station was; daar zat geen toekomst in, dat was een plek waar je je zou vervelen. Ik zou niet weten wat ik daar moest beginnen. Maar toch was mijn antwoord direct: ‘Ja!’. Ik weet niet eens waarom, mijn bisschop moet net zo verbaasd zijn geweest als ikzelf.

Hij stelde me aan als pastoraal werkster in een parochie in de buitenwijken van Lyon, niet die waarover we dikwijls op de t.v. horen, maar in een volkswijk van de stad, met grote torenflats en een grote groep bewoners die met de dag armer werd, en die omringd was door parochies van de dorpen waar de middenklasse leefde. Wij vormen een eiland te midden van een oceaan van de middenklasse, wat behoorlijk moeilijk is en maar tegelijk interessant voor het parochieleven.

Bewustwording van mijn priesterroeping

Gedurende drie jaar had ik de dubbele verantwoordelijkheid voor zowel het studentenpastoraat als de parochie, en ik probeerde me op beide plaatsen te laten zien, wat niet bepaald gemakkelijk was. Tijdens de zomer voorafgaand aan mijn komst in de parochie, die van 1987, kwam er een totaal nieuwe vraag in me op waarover ik nog nooit bewust over had nagedacht: ‘Waarom kun je geen priester worden?’ Aanvankelijk probeerde ik deze vraag uit de weg te gaan. Ik meende dat het een zinloze vraag was omdat de kerk er geen oplossing voor kende. Maar omdat de vraag sterker werd schreef ik naar de bisschop en vroeg hem om de wijding.

Het antwoord kwam per kerende post. Ik ken het van buiten. Het luidt als volgt: ‘Ik weet dat jij op de hoogte bent van wat de kerk m.b.t. deze kwestie zegt. Ik wil dat antwoord hier niet nog eens aan toevoegen, maar ik vraag je er in geloof naar te leven.’ Dat probeer ik te doen. Ik doe wat ik kan. En ik kan eerlijk zeggen dat deze bisschop gedurende de zeven jaar, vanaf dat moment tot zijn dood – Mgr. Decourtray is vorig jaar overleden – me echt pastoraal heeft ondersteund ten aanzien van deze vraag. Hij heeft me altijd serieus genomen. Telkens als ik hem opbelde om een afspraak te maken ging hij er direct op in. Hij vond het belangrijk mij in verband met deze kwestie te ondersteunen. Hij heeft nooit geprobeerd mij deze vraag uit het hoofd te praten. Hij heeft nooit gezegd: ‘vergeet het maar en denk maar ergens anders aan’.

In de parochie

Sinds 1987 ben ik verantwoordelijk voor de parochie. Ik kreeg daartoe een officiële benoemingsbrief, die ik altijd bij me heb voor het geval iemand die wil zien. Ik ben ook in aanwezigheid van de bisschop officieel voorgesteld tijdens drie vieringen in een weekend. Eigenlijk was het best komisch. We moesten een liturgisch gebaar bedenken waarmee hij de benoeming zou bevestigen.

Ik vertelde de bisschop: ‘Ik zou het op prijs zou stellen wanneer u mij de handen zou opleggen.’ Hij antwoordde glimlachend: ‘Dat is nu precies het gebaar dat ik niet kan maken.’ Daarom hebben we geprobeerd het gebaar dat hij zou kunnen maken, te vermijden. Tenslotte kwamen we overeen dat ik, aangezien er in de parochie twee priesters waren, uit handen van de bisschop de bijbel zou ontvangen zodat we dat samen, met de beide priesters en ik, die konden dragen naar de vier windstreken van de parochie, en zelfs tot buiten de kerk toe naar diegenen die er niet bij waren. Dit gebaar maakten we gedurende dat weekend drie keer achter elkaar, tijdens elk van de drie zondagsvieringen. De bisschop hield dit vol tot het eind, en herhaalde dit gebaar zelf drie maal.

Een maand na mijn komst kreeg een van priesters longkanker. We bleven bij hem in zijn pijn. Zijn afwezigheid maakte dat ik veel sneller dan ik dacht en voor zover mijn pastorale verantwoordelijkheid reikte, taken op me moest nemen waarop ik absoluut niet bedacht was. Ik was me natuurlijk bewust van het feit dat er geen statuut bestond, geen precieze beschrijving van wat het betekende belast te zijn met de leiding van een parochie, zoals we dat zien voor bepaalde taken onder de orthodoxen gelovigen. Ik feite wilde ik me niet beperken tot enkele specifieke functies.

Tijdens mijn langdurige verantwoordelijkheid voor het studentenpastoraat was het b.v. mijn taak te zorgen voor de jeugd. Ik weigerde dat en maakte duidelijk dat ik daartoe slechts bereid was op voorwaarde dat de priesters dat ook zouden doen. En ik van mijn kant wilde betrokken worden in hun pastorale taken, omdat ik het vak moest leren.

De afwezigheid van de tweede priester maakte duidelijk dat ik al gauw te maken zou krijgen met specifieke taken, zoals de pastorale zorg bij uitvaarten. Vijftien dagen na mijn komst in de parochie moest ik de zorg voor uitvaarten op me nemen. Ik had nog maar net mijn moeder verloren. En nu kwam ik tegenover een man te zitten die zijn vrouw had verloren die net zo oud was als mijn moeder. Vanuit mijn eigen ervaring iemand van zeer nabij door de dood te verliezen had ik iets belangrijks beleefd waardoor ik pastorale ondersteuning kon bieden aan deze man en zijn kinderen.

Ik kan eerlijk zeggen dat ik overal absoluut mijn plaats inneem. Ik doe precies hetzelfde als de parochiepriester. We verdelen het werk beslist op basis van gelijkwaardigheid, zij het met uitzondering van de bediening van de sacramenten.

Ik bereid paren voor op het huwelijk en op het doopsel van hun kind. Ík ga voor met de priester, ofschoon zijn aanwezigheid vereist is. Ik weet niet of we beiden ons charisma respecteren, maar uiteindelijk moet je als het je taak is de parochie tot leven te brengen ook dié taken ter hand nemen die je minder gemakkelijk afgaan.

Wat te doen met de preek?

Gedurende mijn officiële aanstelling heb ik met betrekking tot de preek heel wat onderhandelingen gevoerd. Bisschop Decourtray zei aanvankelijk ‘Nee’. Maar ik ging de strijd met hem aan: Hoe kun je nou iemand op een bepaalde plaats benoemen en hem verantwoordelijkheid te dragen geven zonder toestemming tot spreken? Het klopte niet. Daarom was het een grote verrassing toen ik de bisschop tijdens de viering ter gelegenheid van mijn aanstelling hoorde zeggen: ‘Ik zend jou voor de dienst van het Woord’. Hij schreef het niet op, maar hij zei het ten overstaan van 6 á 700 mensen. Ik sprak er hem later in de sacristie op aan en vroeg hem wat dat betekende. Hij antwoordde: ‘Het betekent dat ik je toestemming geef om te preken.’

Gedurende de afgelopen acht jaar heb ik regelmatig als het mijn beurt was gepreekt, eens per twee weken. En dat is niet niets: het is een belangrijke plaats van zichtbaarheid in het pastoraat. Het is niet altijd gemakkelijk, maar ik zie het als een manier van deelname waar ik in mijn positie als vrouw wordt gezien en gehoord.

In de relatie met de priester met wie ik samenwerk is in acht jaar veel veranderd. De eerste jaren eisten veel van mij. Ik zei steeds opnieuw: ‘Leg het me uit. Ik begrijp niet hoe je werkt. Ik begrijp niet wat dat betekent.’ Ik probeerde alles te begrijpen en door me telkens van de domme te houden dwong ik hem mij te vertellen hoe hij de dingen beleefde en ervoer. Omdat hij al 25 jaar priester was, was hij het pastorale werk gewend. Ik daagde hem constant uit door hem vragen te stellen over zijn werk, misschien waren het heel naïeve en onnozele vragen, maar ik had antwoorden nodig om me voor te bereiden op mijn eigen pastorale taak. Ik denk dat er juist in deze oefenperiode een groot vertrouwen tussen ons groeide. We functioneren nu zeker op een niveau dat we eerlijk zijn in alles, zelfs in die dingen waarin we van mening verschillen. De mensen merken dit: ‘je voelt het dat jullie samen voor het pastorale werk staan.’

We nemen ook werkelijk samen onze beslissingen in een sfeer van pastorale bezieling. Het feit dat een vrouw deze pastorale verantwoordelijkheid draagt heeft veel leken uitgedaagd hun eigen verantwoordelijkheid in de parochie te nemen.

Voor deze tijd hadden we alleen maar priesters. En ik durf te zeggen dat het er te veel waren. In de parochie waar ik werk waren op een gegeven ogenblik vier full time priesters. We zij nu nog maar met zijn tweeën: een priester en een vrouw, beide full time en met een zelfde taak. Waren er destijds teveel priesters, in de kerk van vandaag is het omgekeerde het geval. We kunnen slechts hopen dat het een uitdaging zal zijn voor veel leken om díe verantwoordelijkheden op zich te nemen waartoe ze in staat zijn.

Liefde voor het pastoraat tot het einde

Leken kunnen hun eigen plaats uitdrukkelijk innemen als het gaat om de voorbereiding van de sacramenten. Het feit dat ik benoemd ben als pastoraal werkster, samen met twee priesters, heeft gewerkt als een uitdaging, als een stimulans voor velen om ook mee te gaan doen.

Sinds mijn ervaringen als studentenpastor heb ik het besluit genomen om met het pastoraat tot het uiterste te gaan. Ik ervaar de roeping in mij om priester te worden maar ik weet niet of ik dat ooit zal zijn. Misschien moeten we dromen van het visioen dat we dat in ons leven nog zullen meemaken. Maar wat mijzelf betreft: ik BEN al priester. Zelfs al word ik nooit gewijd dan nog zeg ik tegen mijzelf: Waarom doet het ertoe?

Ik wil mijn pastorale werk gelovig beleven, en dat zoveel mogelijk uitdragen. Dat is een voortdurende strijd, niet in het minst met mijzelf. Op bepaalde momenten denk ik: ‘Het is genoeg geweest! Ik moet nu maar eens mijn eigen bloementuin gaan onderhouden.’ Het is ook een strijd met een gemeenschap met zoveel vooroordelen. Het is een strijd met gelovigen met weinig achtergrondinformatie die de traditionele rolpatronen willen behouden. Het is een strijd met de priesters met wie ik te maken heb en het is een strijd tegen een verstikkende kerkelijke structuur.

Ik vind dat ieder plaats in de kerk recht heeft op pastorale zorg en dat het niet goed is, zoals tegenwoordig gebeurt, parochies samen te voegen of 15 – 20 parochies toe te vertrouwen aan een overwerkte en dikwijls oudere mannelijke priester, terwijl zoveel mannen en vrouwen, al dan niet getrouwd, in staat zijn deze gemeenschappen nieuw leven in te blazen omdat zij er de opleiding voor hebben.

Kerkleiders dienen te erkennen dat het ambt op een andere manier kan worden uitgeoefend, en dat elke gemeenschap recht heeft op haar eigen pastor. Zeker, dat vereist bekwaamheid, vaardigheden, opleiding, affiniteit met het pastorale werk, maar het vereist ook de erkenning door het instituut. Je kunt jezelf niet tot priester of pastorale werk-st-er benoemen. Daar heb je een verbinding voor nodig met het bisdom en met de wereldkerk.

Ik had het zojuist over de preek. Een jonge vrouw gaf me een interessant antwoord. ‘Toen ik je hoorde preken’, zo vertelde ze mij, ‘kwam het voor het eerst in me op dat ook ik het evangelie zou kunnen verkondigen.’ Dat bemoedigde mij omdat het belangrijk is dat ook vrouwen de moed dienen op te brengen God op hun eigen manier te verkondigen.

Iemand vroeg me onlangs of ik wilde spreken over een onderwerp dat me ergert: over ‘onze moeder de kerk’. Ik heb er een grote hekel aan de kerk ‘moeder’ te noemen. Ik krijg dat niet langer door mijn keel. Het is een effectieve manier om vrouwen af te schepen. De kerk is de plaats waar we elkaar ontmoeten als broeders en zusters. We moeten leren opnieuw kerk te zijn. Mijn ervaringen van de afgelopen acht jaar maken dat ik de kerk op een nieuwe manier beleef. Voor mij is een priester niet op de eerste plaats priester, maar mijn broeder in Christus. Ik merk dat ik niet de enig ben die deze nieuwe werkelijkheid beleef. Veel mannen en vrouwen in mijn parochie die vroeger de priester met ‘mijnheer pastoor’ aanspraken noemen hem nu gewoon bij de voornaam.

En nu over mijn vreugde en hoop.

Het meest plezier heb ik in het werk met mensen van allerlei leeftijden; kinderen, jongelui, volwassenen en grootouders; te spreken over God die het leven schept, een God die liefde ademt, een bevrijdende God.

Mijn diepste hoop is het dat de kerk een toekomst zal hebben, niet een kunstmatige toekomst bepaald door deze of gene, zeker niet een vastomlijnde toekomst, een gevangenschap in de traditie, maar een open toekomst waarin de Heilige Geest ons nieuwe wegen toont.

Claire Daurelle, 30 sept. 1995

Claire Durelle overleed in november 1999 (zie de bijdrage in La Croix)

Vertaling: Corrie Wolters

Overzicht vrouwen met een roeping Tekenen van roeping De weg van een vrouws Stappen die je moet nemen Kritiek beantwoorden Je verhaal schrijven

Klik hier als U onze campagne voor de wijding van vrouwen aktief wilt steunen..

historische overzichten


This website is maintained by the Wijngaards Institute for Catholic Research.

John Wijngaards Catholic Research

since 11 Jan 2014 . . .

John Wijngaards Catholic Research