|
|
|---|
Dit interview gaf Claire tijdens een symposium dat
ging over Dans les églises, les femmes sont aussi ministres
(in de kerk zijn vrouwen ook ambtsdragers), Actes du
Séminaire, Femmes et Hommes en Église (vrouwen en mannen in
de Kerk ), 68 Rue de Babylone, 75007 Paris, 1996, pp. 48-52. Vertaald door
Corrie Wolters en gepubliceerd op www.womenpriests.org met toestemming van de
organisatoren van het symposium.
Ik kom uit Lyon. Ik ben pastoraal werkster sinds 1978, bijna 20 jaar
dus. Eigenlijk was ik al pastoraal werkster voordat ik ook maar de kans had
gekregen na te denken over de theologie van het ambt.
Na een periode van ernstige twijfel tussen mijn 18e en
28e levensjaar ontdekte ik het geloof weer in 1973. Omdat ik veel
over wilde weten was ik terechtgekomen in het Instituut voor pastorale en
religieuze studies aan de katholieke faculteit van Lyon, dat in die tijd totaal
gericht was op de vorming van catecheten. Ik had de directeur van het instituut
voorzichtig gevraagd of ik me kon laten inschrijven zonder er voor mijn gevoel
zeker van te zijn of ik wel catecheet zou worden, en daar reageerde hij
positief op.
Ik vond dat ik terdege na moest denken over de betekenis van wat wordt
gezegd: ik geloof in de God van de Christenen. Ik studeerde hier
twee jaar. Vervolgens zocht ik werk; ik was lerares van beroep. Ik vond geen
enkele baan en na een half jaar werkeloos te zijn geweest had ik er genoeg van.
Daarom zocht ik contact met de bisschop en vroeg hem: Ik heb een
religieus-pastorale cursus gevolgd. Heeft u werk voor mij? Ik ging ervan
uit dat hij me gewoon als catecheet naar de een of andere uithoek van zijn
bisdom zou sturen. Tot mijn grote verbazing hoorde ik hem zeggen: Ik wil
je wel een aanstelling geven als pastoraal werkster aan een school voor
voortgezet onderwijs.
Ik had in die tijd geen flauw idee wat dat betekende en dus begon ik
mijn werk in het studentenpastoraat zonder duidelijke voorstelling van zaken.
Concrete informatie had ik niet gekregen. Bij aankomst ontdekte ik dat het een
co-aanstelling was met een man die van het groot seminarie kwam, en die voor
zijn wijding enig praktisch werk moest doen. Toen ontdekte ik geleidelijk aan
wat het betekende een gemeenschappelijke verantwoordelijkheid te dragen. Het
was verschrikkelijk.
Het was erg moeilijk het werk te verdelen want mij collega hield er aan
andere visie op na dan ik, een gegeven dat ik pas enkele maanden door kreeg.
Hij dacht bij zichzelf: ik ben een man. Ik kom van het seminarie
en daarom ben ik verantwoordelijk voor het pastoraat. Maar in mijn hoofd
zat datgene wat de bisschop had gezegd: Jij hebt de leiding van het
pastorale werk.
Het ging niet goed. Soms liet hij me iets doen door een bevel te geven,
een andere keer door de verantwoording op mijn bord te leggen -----, en dat
terwijl ik degene was die de eindverantwoording droeg. Ik heb dat een paar keer
laten gebeuren, maar de vierde keer nam ik het niet meer. Ik zei hem: Ik
ben het er niet mee eens, zo gaat het niet.
Daardoor realiseerde ik me plotseling dat ik terdege na moest denken
over het thema verantwoordelijkheid in de kerk. Ik vond dat ik mij
niet hoefde te laten gebruiken, maar besloot mijn eigen taak zo goed mogelijk
te vervullen, en waar en wanneer dan ook mijn eigen verantwoording te nemen,
zonder mij te laten onderdrukken. Het is zeker waar dat je je waardigheid, je
respect kunt verliezen. Ik ken een aantal vrouwen in de kerk die het accepteren
dat anderen hun waardigheid afnemen, niet vanwege het werk, maar vanwege de
verantwoordelijkheid, onder het mom dat zij niet gewijd zijn.
Verantwoordelijkheid en pastoraat
Omdat ik een van de eerste vrouwen was met een aanstelling op een
verantwoordelijke post in het pastoraat op hogescholen kreeg ik de kans deel
uit te maken van het Nationaal Comité van pastorale werkers in het
Openbaar Onderwijs, een plaats waar serieus en diepgaand wordt nagedacht over
de vraag van lekenpastores. Voor mij was het enorm belangrijk om me bewust te
worden van het feit dat de katholiek opnieuw de verscheidenheid van het ambt
dient te ontdekken, dat hij begrijpt dat het niet langer te accepteren is dat
iedere pastorale taak in bezit genomen wordt door de drie kerkelijke standen:
het episcopaat, het priesterschap en het diaconaat; in beslag genomen door
mannen, door celibataire mannen.
Ik begon in te zien dat er ruimte moest komen voor andere vormen van
pastoraat, en dat we daarvoor dienden te zorgen zelfs al had dat het nemen van
risicos en het blootgesteld worden aan tegenstellingen tot gevolg. Ik heb
heel wat met die gedachte gestoeid, en dat heeft me de kans gegeven nog
serieuzer en dieper na te denken over de theologie van het ambt.
Ik werkte als pastoraal werkster tot 1990, maar al in 1986 gaf ik de
bisschop te kennen: De wereld van jonge mensen is heel interessant en
biedt veel uitdagingen. Het is een plaats van ongelooflijke creativiteit, maar
ik zou niet mijn hele leven verantwoordelijk voor het studentenpastoraat willen
zijn. Dat betekende dat ik, zonder me daar totaal van bewust te zijn, al
vertrouwd was geraakt met de gedachte dat pastoraat mijn levenswerk zou zijn.
Toen ik vroeg: Wat kunt u me aanbieden met betrekking tot andere taken in
de kerk, op andere plaatsen? realiseerde ik me wat dit voor mij
betekende.
Ik hoorde hem antwoorden: Waarom ga je niet in een parochie
werken? Het was me duidelijk dat een parochie een gepasseerd station was;
daar zat geen toekomst in, dat was een plek waar je je zou vervelen. Ik zou
niet weten wat ik daar moest beginnen. Maar toch was mijn antwoord direct:
Ja!. Ik weet niet eens waarom, mijn bisschop moet net zo verbaasd
zijn geweest als ikzelf.
Hij stelde me aan als pastoraal werkster in een parochie in de
buitenwijken van Lyon, niet die waarover we dikwijls op de t.v. horen, maar in
een volkswijk van de stad, met grote torenflats en een grote groep bewoners die
met de dag armer werd, en die omringd was door parochies van de dorpen waar de
middenklasse leefde. Wij vormen een eiland te midden van een oceaan van de
middenklasse, wat behoorlijk moeilijk is en maar tegelijk interessant voor het
parochieleven.
Bewustwording van mijn priesterroeping
Gedurende drie jaar had ik de dubbele verantwoordelijkheid voor zowel
het studentenpastoraat als de parochie, en ik probeerde me op beide plaatsen te
laten zien, wat niet bepaald gemakkelijk was. Tijdens de zomer voorafgaand aan
mijn komst in de parochie, die van 1987, kwam er een totaal nieuwe vraag in me
op waarover ik nog nooit bewust over had nagedacht: Waarom kun je geen
priester worden? Aanvankelijk probeerde ik deze vraag uit de weg te gaan.
Ik meende dat het een zinloze vraag was omdat de kerk er geen oplossing voor
kende. Maar omdat de vraag sterker werd schreef ik naar de bisschop en vroeg
hem om de wijding.
Het antwoord kwam per kerende post. Ik ken het van buiten. Het luidt als
volgt: Ik weet dat jij op de hoogte bent van wat de kerk m.b.t. deze
kwestie zegt. Ik wil dat antwoord hier niet nog eens aan toevoegen, maar ik
vraag je er in geloof naar te leven. Dat probeer ik te doen. Ik doe wat
ik kan. En ik kan eerlijk zeggen dat deze bisschop gedurende de zeven jaar,
vanaf dat moment tot zijn dood Mgr. Decourtray is vorig jaar overleden
me echt pastoraal heeft ondersteund ten aanzien van deze vraag. Hij
heeft me altijd serieus genomen. Telkens als ik hem opbelde om een afspraak te
maken ging hij er direct op in. Hij vond het belangrijk mij in verband met deze
kwestie te ondersteunen. Hij heeft nooit geprobeerd mij deze vraag uit het
hoofd te praten. Hij heeft nooit gezegd: vergeet het maar en denk maar
ergens anders aan.
In de parochie
Sinds 1987 ben ik verantwoordelijk voor de parochie. Ik kreeg daartoe
een officiële benoemingsbrief, die ik altijd bij me heb voor het geval
iemand die wil zien. Ik ben ook in aanwezigheid van de bisschop officieel
voorgesteld tijdens drie vieringen in een weekend. Eigenlijk was het best
komisch. We moesten een liturgisch gebaar bedenken waarmee hij de benoeming zou
bevestigen.
Ik vertelde de bisschop: Ik zou het op prijs zou stellen wanneer u
mij de handen zou opleggen. Hij antwoordde glimlachend: Dat is nu
precies het gebaar dat ik niet kan maken. Daarom hebben we geprobeerd het
gebaar dat hij zou kunnen maken, te vermijden. Tenslotte kwamen we
overeen dat ik, aangezien er in de parochie twee priesters waren, uit handen
van de bisschop de bijbel zou ontvangen zodat we dat samen, met de beide
priesters en ik, die konden dragen naar de vier windstreken van de parochie, en
zelfs tot buiten de kerk toe naar diegenen die er niet bij waren. Dit gebaar
maakten we gedurende dat weekend drie keer achter elkaar, tijdens elk van de
drie zondagsvieringen. De bisschop hield dit vol tot het eind, en herhaalde dit
gebaar zelf drie maal.
Een maand na mijn komst kreeg een van priesters longkanker. We bleven
bij hem in zijn pijn. Zijn afwezigheid maakte dat ik veel sneller dan ik dacht
en voor zover mijn pastorale verantwoordelijkheid reikte, taken op me moest
nemen waarop ik absoluut niet bedacht was. Ik was me natuurlijk bewust van het
feit dat er geen statuut bestond, geen precieze beschrijving van wat het
betekende belast te zijn met de leiding van een parochie, zoals we dat zien
voor bepaalde taken onder de orthodoxen gelovigen. Ik feite wilde ik me niet
beperken tot enkele specifieke functies.
Tijdens mijn langdurige verantwoordelijkheid voor het studentenpastoraat
was het b.v. mijn taak te zorgen voor de jeugd. Ik weigerde dat en maakte
duidelijk dat ik daartoe slechts bereid was op voorwaarde dat de priesters dat
ook zouden doen. En ik van mijn kant wilde betrokken worden in hun pastorale
taken, omdat ik het vak moest leren.
De afwezigheid van de tweede priester maakte duidelijk dat ik al gauw te
maken zou krijgen met specifieke taken, zoals de pastorale zorg bij uitvaarten.
Vijftien dagen na mijn komst in de parochie moest ik de zorg voor uitvaarten op
me nemen. Ik had nog maar net mijn moeder verloren. En nu kwam ik tegenover een
man te zitten die zijn vrouw had verloren die net zo oud was als mijn moeder.
Vanuit mijn eigen ervaring iemand van zeer nabij door de dood te verliezen had
ik iets belangrijks beleefd waardoor ik pastorale ondersteuning kon bieden aan
deze man en zijn kinderen.
Ik kan eerlijk zeggen dat ik overal absoluut mijn plaats inneem. Ik doe
precies hetzelfde als de parochiepriester. We verdelen het werk beslist op
basis van gelijkwaardigheid, zij het met uitzondering van de bediening van de
sacramenten.
Ik bereid paren voor op het huwelijk en op het doopsel van hun kind.
Ík ga voor met de priester, ofschoon zijn aanwezigheid
vereist is. Ik weet niet of we beiden ons charisma respecteren, maar
uiteindelijk moet je als het je taak is de parochie tot leven te brengen ook
dié taken ter hand nemen die je minder gemakkelijk afgaan.
Wat te doen met de preek?
Gedurende mijn officiële aanstelling heb ik met betrekking tot de
preek heel wat onderhandelingen gevoerd. Bisschop Decourtray zei aanvankelijk
Nee. Maar ik ging de strijd met hem aan: Hoe kun je nou iemand op
een bepaalde plaats benoemen en hem verantwoordelijkheid te dragen geven zonder
toestemming tot spreken? Het klopte niet. Daarom was het een grote verrassing
toen ik de bisschop tijdens de viering ter gelegenheid van mijn aanstelling
hoorde zeggen: Ik zend jou voor de dienst van het Woord. Hij
schreef het niet op, maar hij zei het ten overstaan van 6 á 700 mensen.
Ik sprak er hem later in de sacristie op aan en vroeg hem wat dat betekende.
Hij antwoordde: Het betekent dat ik je toestemming geef om te
preken.
Gedurende de afgelopen acht jaar heb ik regelmatig als het mijn beurt
was gepreekt, eens per twee weken. En dat is niet niets: het is een belangrijke
plaats van zichtbaarheid in het pastoraat. Het is niet altijd gemakkelijk, maar
ik zie het als een manier van deelname waar ik in mijn positie als vrouw wordt
gezien en gehoord.
In de relatie met de priester met wie ik samenwerk is in acht jaar veel
veranderd. De eerste jaren eisten veel van mij. Ik zei steeds opnieuw:
Leg het me uit. Ik begrijp niet hoe je werkt. Ik begrijp niet wat dat
betekent. Ik probeerde alles te begrijpen en door me telkens van de domme
te houden dwong ik hem mij te vertellen hoe hij de dingen beleefde en ervoer.
Omdat hij al 25 jaar priester was, was hij het pastorale werk gewend. Ik daagde
hem constant uit door hem vragen te stellen over zijn werk, misschien waren het
heel naïeve en onnozele vragen, maar ik had antwoorden nodig om me voor te
bereiden op mijn eigen pastorale taak. Ik denk dat er juist in deze
oefenperiode een groot vertrouwen tussen ons groeide. We functioneren nu zeker
op een niveau dat we eerlijk zijn in alles, zelfs in die dingen waarin we van
mening verschillen. De mensen merken dit: je voelt het dat jullie samen
voor het pastorale werk staan.
We nemen ook werkelijk samen onze beslissingen in een sfeer van
pastorale bezieling. Het feit dat een vrouw deze pastorale verantwoordelijkheid
draagt heeft veel leken uitgedaagd hun eigen verantwoordelijkheid in de
parochie te nemen.
Voor deze tijd hadden we alleen maar priesters. En ik durf te zeggen dat
het er te veel waren. In de parochie waar ik werk waren op een gegeven ogenblik
vier full time priesters. We zij nu nog maar met zijn tweeën: een priester
en een vrouw, beide full time en met een zelfde taak. Waren er destijds teveel
priesters, in de kerk van vandaag is het omgekeerde het geval. We kunnen
slechts hopen dat het een uitdaging zal zijn voor veel leken om díe
verantwoordelijkheden op zich te nemen waartoe ze in staat zijn.
Liefde voor het pastoraat tot het einde
Leken kunnen hun eigen plaats uitdrukkelijk innemen als het gaat om de
voorbereiding van de sacramenten. Het feit dat ik benoemd ben als pastoraal
werkster, samen met twee priesters, heeft gewerkt als een uitdaging, als een
stimulans voor velen om ook mee te gaan doen.
Sinds mijn ervaringen als studentenpastor heb ik het besluit genomen om
met het pastoraat tot het uiterste te gaan. Ik ervaar de roeping in mij om
priester te worden maar ik weet niet of ik dat ooit zal zijn. Misschien moeten
we dromen van het visioen dat we dat in ons leven nog zullen meemaken. Maar wat
mijzelf betreft: ik BEN al priester. Zelfs al word ik nooit gewijd dan nog zeg
ik tegen mijzelf: Waarom doet het ertoe?
Ik wil mijn pastorale werk gelovig beleven, en dat zoveel mogelijk
uitdragen. Dat is een voortdurende strijd, niet in het minst met mijzelf. Op
bepaalde momenten denk ik: Het is genoeg geweest! Ik moet nu maar eens
mijn eigen bloementuin gaan onderhouden. Het is ook een strijd met een
gemeenschap met zoveel vooroordelen. Het is een strijd met gelovigen met weinig
achtergrondinformatie die de traditionele rolpatronen willen behouden. Het is
een strijd met de priesters met wie ik te maken heb en het is een strijd tegen
een verstikkende kerkelijke structuur.
Ik vind dat ieder plaats in de kerk recht heeft op pastorale zorg en dat
het niet goed is, zoals tegenwoordig gebeurt, parochies samen te voegen of 15
20 parochies toe te vertrouwen aan een overwerkte en dikwijls oudere
mannelijke priester, terwijl zoveel mannen en vrouwen, al dan niet getrouwd, in
staat zijn deze gemeenschappen nieuw leven in te blazen omdat zij er de
opleiding voor hebben.
Kerkleiders dienen te erkennen dat het ambt op een andere manier kan
worden uitgeoefend, en dat elke gemeenschap recht heeft op haar eigen pastor.
Zeker, dat vereist bekwaamheid, vaardigheden, opleiding, affiniteit met het
pastorale werk, maar het vereist ook de erkenning door het instituut. Je kunt
jezelf niet tot priester of pastorale werk-st-er benoemen. Daar heb je een
verbinding voor nodig met het bisdom en met de wereldkerk.
Ik had het zojuist over de preek. Een jonge vrouw gaf me een interessant
antwoord. Toen ik je hoorde preken, zo vertelde ze mij, kwam
het voor het eerst in me op dat ook ik het evangelie zou kunnen
verkondigen. Dat bemoedigde mij omdat het belangrijk is dat ook vrouwen
de moed dienen op te brengen God op hun eigen manier te verkondigen.
Iemand vroeg me onlangs of ik wilde spreken over een onderwerp dat me
ergert: over onze moeder de kerk. Ik heb er een grote hekel aan de
kerk moeder te noemen. Ik krijg dat niet langer door mijn keel. Het
is een effectieve manier om vrouwen af te schepen. De kerk is de plaats waar we
elkaar ontmoeten als broeders en zusters. We moeten leren opnieuw kerk te zijn.
Mijn ervaringen van de afgelopen acht jaar maken dat ik de kerk op een nieuwe
manier beleef. Voor mij is een priester niet op de eerste plaats priester, maar
mijn broeder in Christus. Ik merk dat ik niet de enig ben die deze nieuwe
werkelijkheid beleef. Veel mannen en vrouwen in mijn parochie die vroeger de
priester met mijnheer pastoor aanspraken noemen hem nu gewoon bij
de voornaam.
En nu over mijn vreugde en hoop.
Het meest plezier heb ik in het werk met mensen van allerlei leeftijden;
kinderen, jongelui, volwassenen en grootouders; te spreken over God die het
leven schept, een God die liefde ademt, een bevrijdende God.
Mijn diepste hoop is het dat de kerk een toekomst zal hebben, niet een
kunstmatige toekomst bepaald door deze of gene, zeker niet een vastomlijnde
toekomst, een gevangenschap in de traditie, maar een open toekomst waarin de
Heilige Geest ons nieuwe wegen toont.
Claire Daurelle, 30 sept.
1995
Claire Durelle overleed in november 1999 (zie de bijdrage in
La Croix)
Vertaling: Corrie
Wolters
Overzicht vrouwen met een
roeping
Tekenen van roeping
De weg van een vrouws
Stappen die je moet nemen
Kritiek beantwoorden
Je verhaal schrijven
Klik
hier als U onze campagne voor de wijding van vrouwen aktief wilt
steunen..

![]() |
In dit boek gaat Hans Wijngaards in op belangrijke historische bronnen, vanaf het begin van het christendom tot het jaar 900. Hij bewijst op overtuigende wijze dat vrouwen de rol van diaken op zich namen en hiertoe ook gewijd werden. Met zijn historische studie levert Wijngaards een belangrijke bijdrage aan het actuele debat over de wijding van vrouwen tot diaken. Klik hier! |