OOK VROUWEN PRIESTER? JAZEKER!header

Responsive image

BEGIN

REDEN GENOEG

TEGEN DE PAUS?

DEBAT

MENU

Nederlands/Vlaams Deutsch Francais English language Spanish language Portuguese language Catalan Chinese Czech Malayalam Finnish Igbo
Japanese Korean Romanian Malay language Norwegian Swedish Polish Swahili Chichewa Tagalog Urdu
------------------------------------------------------------------------------------
Frances Scott

Frances Scott

In onze kinderjaren komen al trekjes van onszelf tevoorschijn voordat we beseffen wat dat zijn. Dit is zeker waar wat betreft mijn roeping door de doop en de roeping die ik voel om tot priester te worden gewijd. Ik ben in 1970 in California geboren en mijn beide ouders waren allebei leraar Engels van beroep en allebei oprechte Katholieken. Ze hebben een eerlijk en traditioneel geloof, en hebben hun vier kinderen grootgebracht in een parochie die al even diep gelovig was en dat op een traditionele manier beleefde.

Gebeurtenissen in mijn vroegste jaren wezen al op mijn natuurlijke gerichtheid op God en op de kerk. Mijn broertjes en mijn zusje ‘speelden Misje’, waarbij mijn jongere broertje altijd ‘voorging’ en ik altijd diende als ‘lectrice’, de enige rol die voor mij was weggelegd.

Mijn verjaardag was in mei en die van mijn zusje was een maand later. Als kind gebruikte ik mijn verjaardagsgeld om een cadeautje te kopen voor mijn zusje, ook al moedigden ze me aan om het geld voor mezelf te gebruiken. Ik kon me niet voorstellen dat ik datgene wat ik kreeg voor mezelf zou houden als iemand anders het evengoed kon gebruiken als ik.

Toen ik nog op de basisschool zat, waren mijn broertjes allebei misdienaar, een rol waar mijn kinderhart naar verlangde maar nooit zou kunnen krijgen, omdat meisjes toentertijd in mijn parochie niet als acoliet mochten dienen. Onze ouders gaven ons een plaats in de voorste rij, en de ene zondagmorgen na de andere zat ik dan vanaf mijn bank de sacristie in te kijken en vroeg me af wat zich achter die halfopen deur bevond. En ik was al net zo geboeid door de liturgie die zich elke week voor mijn ogen ontvouwde. Ik had het rijkste gebedsleven dat een kind maar hebben kan. Ik bad ‘innerlijk’ tot een paradoxaal zowel liefhebbende als vreeswekkende God.

In de hoogste klas van onze parochieschool werd ik in de leerlingenraad gekozen en kreeg ik de zorg voor ‘godsdienstige zaken’, meestentijds helpen met klaarzetten voor een Mis voor de hele school. Het lag mij, ook al werd ik door sommige klasgenoten geplaagd en bij de diploma uitreiking gekozen tot ‘degene die het meest in aanmerking kwam om zuster te worden’. In dat zelfde jaar werd onze klas gevormd, en ik vond het prachtig om mij het sacrament zoveel mogelijk eigen te maken, hoewel ik nog in de verste verte niet klaar was om de uitdaging aan te nemen die een leven dat aan Christus gewijd is zou meebrengen.

God zegent de tienerjaren echter met de twijfel – of de uitdaging – die nodig is om een kinderlijk geloof te doen verkeren in volwassen geloof. Ik weet nog dat ik hoog op het koor waar ik als kind lid van was, dacht dat koorlid en lectrice zijn de enige manier was waarop ik ooit zou kunnen meehelpen om de liturgie te leiden. Mijn hart was vol boosheid en desillusie ten opzichte van de kerk voor haar (onze) uitsluiting van vrouwen, maar nu ik volwassen ben besef ik pas dat God mij toen al riep een weg te gaan die er uiteindelijk toe zou leiden dat ik voorga en preek in de Mis. Ik was verschrikkelijk boos op God dat hij me geschapen had als vrouw en ik huilde er vaak stilletjes om.

Tegen de tijd dat ik helemaal opging in het leven van een middelbare scholiere was ik een geëngageerd seculier humanist, had het gebed opgegeven, het belang van de kerk, en hoop op een leven hiernamaals. Maar zoeken bleef ik en ik onderzocht alles wat zingeving kon bieden aan de leegte in mijn hart. Als tweedejaarsstudent gaf ik aan belangstelling te hebben voor een universitaire studie filosofie, maar ik heb de raad van anderen opgevolgd om iets te studeren ‘wat praktischer was voor een vrouw’, en ik koos opvoedkunde, een beslissing waar ik nooit spijt van heb gehad. Door cursussen opvoedkunde en sociale wetenschappen leerde ik praktische vaardigheden die later van groot nut zouden blijken bij mijn pastorale werk.

In al die vier jaren op de universiteit benaderde ik het begrip God heel timide, omdat ik de pijn hoopte te vermijden dat ik vrouwen uitgesloten zou zien van het priesterschap, en, ik beken het in alle eerlijkheid, ook de uitdaging om een meer liefhebbend en rechtvaardig mens te worden. En toch hoopte ik diep van binnen op God, en bad van lieverlee tot ‘een onbekende God’.

Ik was nog op de universiteit toen de Berlijnse Muur viel, en die avond besloot ik, terwijl de tranen me over de wangen stroomden bij het zien van Duitsers die de Muur weghakten, om na het afstuderen een jaar te gaan wonen in het Polen van mijn voorouders om mijn familie te leren kennen en minstens enigszins van dienst te zijn door het geven van Engelse lessen.

Terwijl ik in postcommunistisch Polen bij een familielid woonde, stond ik alleen maar open voor religie als cultuurexpressie. De bron van ‘levend water’ die in elke christen dient te stromen stond kurkdroog. Uiterlijk was ik Katholiek, het was alleen de cultuur voor mij, maar van binnen raakte ik leger en leger, toen ik besefte dat er nooit iemand had gevraagd naar mijn geloof, mijn gebedsleven, mijn rol in de kerk. Ik was niemand verantwoording verschuldigd.

Na mijn terugkeer in de VS besloot ik en graad te behalen in de Poolse geschiedenis en te werken onder de intelligentsia. Ik kon in de verste verte niet vermoeden dat ik in twee verschillende entiteiten terecht zou komen die mij godsdienstonderricht zouden geven in mijn studiejaar.

Ik weet niet wat mij ertoe bracht het kantoor binnen te lopen van een buurtparochie of een gesprek aan te knopen met de pastor, maar een macht die groter was dan ik leidde me naar een levendige parochiegemeenschap, een die samenkwam voor de vieringen, met elkaar bevriend was, samen zorgde voor de armen, samen Bijbelstudie deed, en samen bad. Ik bezocht geregeld de parochie evenementen en haalde vele lange jaren in door te bidden, te leren, te studeren, retraites te houden, en de anderen te leren kennen met hun weg naar het geloof.

Mijn tweede ‘catechist’ was de Poolse geschiedenis zelf. De martelaren en heiligen van Polen – zowel de beroemde als de naamloze – getuigden voor mij van hun geloof in God door de boeken, artikelen, gedichten en biografieën die ik hongerig en heler harte verslond terwijl ik werkte voor mijn graad. Die winter, bij een zondagviering van de Eucharistie, gaf ik mij tijdens de dankzegging voor de rest van mijn leven door Jezus Christus over aan God. Nu eerst besef ik dat ik eerst gevolg moest geven aan mijn roeping door het doopsel, alvorens de Heilige Geest mijn vorming tot het priesterschap kon voortzetten.

In die lente schreef ik in mijn dagboek dat, ‘ik eens ernstig na moest denken’ als vrouwen priester konden worden. “Ik zou graag een leider worden in de kerk,” was mijn voorlopige conclusie toen. Ik was 24.

De euforie van de val van het communisme was enigszins afgenomen en de noodzaak van een Oost/Centraal Europese geschiedenisfaculteit was niet waar ik op had gehoopt. Ter elfder ure kwam de Heilige Geest te hulp, ik verdedigde mijn these en tekende dezelfde week nog, de week voordat de lessen begonnen, een contract aan een Katholieke middelbare school.

De lessen in Amerikaanse geschiedenis waren intellectueel gezien vrij gemakkelijk voor me, maar het waren de cursussen over de sacramenten, de Schrift, en sociale gerechtigheid, die iedere vezel van me boeide. Ik begon te beseffen dat parochiepastoraat de plek was waar de Heilige Geest me heen leidde. Binnen twee jaar had ik de leiding van de katechese in een kleine parochie. Bij de uitoefening van deze taak hoorde ik dat God mij riep tot een levenslange dienst in de kerk. Ik werd aangenomen als theologiestudent aan het plaatselijke seminarie en begon de hoognodige lessen en de parttime vorming, terwijl ik mezelf fulltime stortte in het ambt van katechist.

In de eerste twee jaar had ik echter veel te lijden van verwarring over mijn identiteit. Enerzijds waardeerde ik mijn ongehuwde (celibataire) leefstijl, anderzijds zou ik graag trouwen. Enerzijds had ik de dagtaak van iedere priester (met retraites en jeugdevenementen op vrijdagavond of op zaterdag), en anderzijds kreeg ik te horen dat lekenwerkers in de kerk “feitelijk van 9 tot 5 werken en zich minder aan de kerk binden dan priesters”. Aan de ene kant studeerde ik theologie net als mijn mannelijke collegae die zich voorbereidden op het priesterschap, maar ik kon mij niet aanbieden als kandidaat voor de priesteropleiding. Ik bracht deze moeilijkheden keer op keer voor God die, naar ik geloof, de bron en de animator is achter mijn roeping tot sacramentele dienstbaarheid in de kerk.

God lijkt onafhankelijk van ons eigen idee van tijd te werken, maar wel daarbinnen. In de loop van een jaar begon ik in de gemeenschap verscheidene mensen te ontmoeten die - stuk voor stuk, alsof het een vooropgesteld plan was – mijn roeping tot het ambt bevestigden. Ik was bij een parochiaan thuis en sprak over godsdienstonderricht voor haar zoon en zij zei openlijk, “ ik zou jou willen horen bij een homilie”. Innerlijk was ik stomverbaasd en besefte niet dat God zo direct kon spreken. Tieners vroegen me: “Frances, waarom kan ik niet bij jou biechten?” en “Frances, waarom kun jij de Mis niet voor ons opdragen?”

Bij een bijeenkomst met tieners lunchte ik met de priester die als begeleider was meegegaan met de trip en die me nog maar net had ontmoet. Terwijl we zaten te eten zei hij: “Volgens mij ga jij op een dag mijn plaats innemen. Ben je jezelf aan het voorbereiden op een opleiding voor predikanten?” Rond die tijd liep ik tegen een medestudent theologie aan in een kruidenierszaak. Ze zei: “Frances, ik kan me jou niet voorstellen als ongewijd. Je bent het gewoon, en iedereen ziet je in die rol.”

Niet iedereen natuurlijk. Ik sprak met zo weinig mogelijk mensen over mijn roeping, maar wanneer mensen het onderwerp eerlijk aansneden sprak ik eenvoudig over hetgeen mij was overkomen, een diepe roeping om een kanaal te zijn van Gods liefde en vergeving, heling en genade – een kanaal van Gods tegenwoordigheid – sacramenteel. Hoewel sommige mensen die ik heb ontmoet geprobeerd hebben mij te ontmoedigen of mij ervan af te brengen, vermijd ik controverses en twisten.

Soms heb zelfs ik wel willen ontsnappen aan de last van deze duidelijke en toch verborgen roeping. Dan begraaf ik me in de volkscultuur van Polen, een van mijn liefhebberijen uit mijn jonge jaren.. Zelfs in deze omstandigheden heeft God mij uitgekozen – tijdens een Pools bal om te luisteren naar iemand die gescheiden is - , om verschillende groepen Polen voor te gaan in gebed, om een luisterend oor en bevestiging te betekenen voor een oudere Poolse Amerikaan.

Dit was de enige gelegenheid niet waarbij ik ondervond dat mijn roeping te sterk was om te worden ontkend. Toen ik een semester lang in een psychiatrische inrichting dienst deed, ontmoette ik de grootste geestelijke honger die ik ooit had gezien. Mishandeling, armoede, misdaad en verslaving in combinatie met geestesziekte maakten dat de geest van zoveel gewone en goede mensen onontkoombaar werd verzwakt.

Vele mensen wilden dat ik met hen zou bidden of alleen maar luisteren. Ze wilden hoop ontvangen uit de Schrift en door de sacramenten, en eens zei een patiënt tegen mij dat ze – omdat ze eerder was misbruikt door een man - de kerk zou verlaten als ze niet bij mij als vrouw kon biechten. Ik had zo sterk het gevoel dat God me gebruikte als kanaal van genade en liefde en vergeving, maar dat ik meer kon doen – juist doordat ik meer zou zijn – sacramenteel.

Ik begon bewuster een sacramentaliteit te ontwikkelen in mijn ambtsuitoefening en in mijn leven. Zoveel als de tijd me toeliet begon ik te lezen over het priesterschap, de rol van de bisschop, de geschiedenis van het ambt in de kerk en de theologie van vrouwen in het ambt. Mijn gebedsleven verdiepte zich, vooral gebed voor het volk Gods, en het getijdengebed en de dagelijkse schriftlezing hebben mij nauwer verbonden met de traditie en de universaliteit van het Lichaam van Christus. Ik neem elke gelegenheid waar – bijvoorbeeld in de auto of als ik sta te wachten in de file – voor informele bezinning en voor het dagelijks gesprek met God dat essentieel is voor de christen. In de vieringen bid ik dat ik met mijn leven het evangelie kan verkondigen dat ik niet mag verkondigen in de liturgie… en dat ik dat eens wel mag doen.

Door de jaren heen heb ik mijn verhaal van hoe ik de stem van God gehoord heb die me riep om de kerk te dienen als priester toevertrouwd aan degenen die ernaar vroegen. De meeste mensen steunden me. Ik heb geen platform of offensief om er tegen aan te gaan, en al evenmin koester ik enige wrok of bitterheid ten opzichte van de kerkleiders op wier schouders de aardse beslissing neerkomt om te beslissen over de wijding van de vrouw. Ik heb alleen de ervaringen die ik heb beleefd, de roepstem die ik heb vernomen in de stilte van mijn hart en door de stem van andere mensen om te dienen als priester.

Frances Scott, USA

Overzicht vrouwen met een roeping Tekenen van roeping De weg van een vrouws Stappen die je moet nemen Kritiek beantwoorden Je verhaal schrijven

Klik hier als U onze campagne voor de wijding van vrouwen aktief wilt steunen..

historische overzichten


This website is maintained by the Wijngaards Institute for Catholic Research.

John Wijngaards Catholic Research

since 11 Jan 2014 . . .

John Wijngaards Catholic Research