Nederlands/Vlaams Deutsch Francais English language Spanish language Portuguese language Italiano
Catalan Czech Esperanto Greek Igbo Japanese Korean Latin Malay language Norwegian Polish Swahili Tagalog
Openingspagina!

Ulrike Murr

Ulrike Murr

Dit verhaal komt uit het boek ‘Zur Priesterin berufen’, verzorgd door Gertrud Jansen, Iris Müller en Mechtilde Neuendorff, uitgeverij Thaur (Kramerweg 9, A-6065 Thaur – Oostenrijk), pag. 205-213.

"I have a gift for the Church!"

Ik ben 29 jaar oud en geef les in biologie, scheikunde en godsdienst.

Ik wil graag priester worden. Waarom? Niet omdat ik genoeg heb van mijn huidige werk, niet omdat ik de laatste mannenbolwerken omver wil halen, en uiteindelijk ook niet om een betere sociale positie te verkrijgen of een functie te kunnen bekleden waaraan macht verbonden is. Ik heb een andere reden: ik voel me geroepen tot het priesterschap.

Ik weet dat het begrip ‘roeping’ vragen kan oproepen. We mogen niet lichtvaardig de hulp van God aanroepen om iemands eigen opvattingen of diens persoonlijkheid ‘heilig’ te verklaren. In het boekje ‘Wege zur priesterlichen Berufung’, (uitgegeven door het diocesaan centrum voor roepingen in München) lees ik: ‘Roeping overkomt ons niet als een bliksemflits; er begint iets in mij te bewegen. Het verlangen naar een spiritueel-geestelijk engagement komt in mij naar boven. Ik begin er over te denken zo’n engagement op me te nemen. Door ervaringen of ontmoetingen wordt deze gedachte in mij versterkt danwel verzwakt. Omdat roeping dikwijls zo geleidelijk aan opkomt, zo indirect, kan het een probleem zijn om die te herkennen als afkomstig van God.’

In de volgende bijdrage die vertelt over mijn eigen leven en roeping onderschrijf ik bovenstaande visie geheel. Mijn eigen overtuiging dat ik tot het priesterschap geroepen ben heeft zich langs die lijn ontwikkeld.

Naar de kerk gaan

Ons gezin stond niet als fanatiek katholiek bekend. Ofschoon mijn ouders die beide wetenschapper waren mij en mijn twee jongere broers bepaalde religieuze tradities lieten onderhouden (avondgebed, adventsliederen, de voornaamste liturgische feestdagen), bewaarden zij toch een zekere afstand ten opzichte van de kerk. Pas toen ik negen jaar oud was moést ik zondags naar de kerk, en dat meer dan eens onder stevig protest van mijn kant. Langzamerhand raakte ik gewend aan de parochiegemeenschap, vooral vanaf het moment dat mijn broers misdienaar werden waardoor ik mij via hun verhalen een kijkje achter de schermen kon veroorloven. In die tijd mochten meisjes nog absoluut niet de mis dienen. Als er al eens over die mogelijkheid werd gesproken, lieten mijn broers mij beloven dat ik me niet zou wagen op een gebied dat tot dan toe aan hen was voorbehouden. Dus werd ik nooit misdienaar.

Doordat ik naar de kerk ging leerde ik andere kinderen kennen. Gewoonlijk zaten we met zijn allen in de eerste banken en we vonden het fijn elkaar te ontmoeten. Geleidelijk aan ging ik uit mijzelf en met plezier naar de kerk.

Langzamerhand raakte ik betrokken bij andere activiteiten. Ik moet twaalf geweest zijn toen ik meehielp met de voorbereiding van een bijbelweek voor kinderen. Ik bewaar goede herinneringen aan parochiekerk van mijn jeugd. Het vormde waarschijnlijk de belangrijkste factor in mijn geestelijke groei, ik ging me daardoor ook actief inzetten voor de parochiegemeenschap, en dat doe ik nog steeds. Maar het was niet het enige. Ik hield van de godsdienstlessen, las graag de kinderbijbel die mijn ouders mij ter gelegenheid van mijn Eerste Communie gaven; op mijn twaalfde begon ik de oecumenische uitgave ervan van voor tot achter te lezen.

Het gebed

Het avondgebed was belangrijk voor mij. Al gauw liet ik de vaste teksten los. Ik herinner mij als de dag van gisteren, toen mijn grootvader van wie ik zielsveel hield overleed, dat ik wachtte tot het officiële avondgebed in aanwezigheid van mijn moeder voorbij was. Ik glipte stiekem uit bed, knielde neer en vroeg God uit de grond van mijn hart dat Hij mijn opa weer tot leven zou brengen.

Gedurende de puberteit was het gebed van levensbelang. Op school was ik enigszins een buitenstaander omdat ik niet met de mode meedeed, zowel wat betreft kleding, make-up als danspartijen. Ik had daar gewoon geen zin in.

Omdat ik de gebruikelijke conflicten met mijn ouders te verduren had, was het gebed het enige dat overbleef om uiting te geven aan de vaak krachtige emoties die in me woedden. Pas later begreep ik, waarschijnlijk in de contekst van de vooravond van witte donderdag die veel voor mij betekende, dat het gebed er ook uit kan bestaan je slechts te stellen in Gods tegenwoordigheid, Hem toe te staan naar je te kijken.

Het vormsel dat ik op 13-jarige leeftijd ontving, vormde het begin van betrokkenheid bij het jeugdwerk van de parochie. Ik sloot me aan bij een jongerengroep en hielp mee, o.a. bij de bijbelweken voor kinderen. Toen ik 17 was werd ik groepsleidster, vervolgens leidster van de jeugd en gaf toen vormselonderricht. Dat hielp me bij het zoeken naar mijn eigen identiteit. Ik merkte dat ik in mijn manier van denken, of dat nu godsdienstig was of niet, en in mijn geestelijke ervaringen niet alleen stond, maar dat anderen die met mij deelden. Op deze manier ervoer ik dat kerk een gemeenschap van gelovigen is, een gemeenschap die ons ondersteunt en waaraan ik veel te danken heb voor wat ik nu ben.

Ik voelde me aangetrokken tot verschillende vormen van religieus-godsdienstig leven, zoals bezinning thuis, bedevaarten voor jongeren, een gebedswake. Mijn eerste verblijf in Taizé was ook belangrijk. Door mee te doen met zo’n grote gemeenschap jonge gelovigen ondervond ik veel bemoediging en steun; de betrokkenheid bij de kerk en mijn duidelijke binding met het christendom hadden op school mijn status als buitenstaander versterkt.

Tijdens mijn laatste schooljaren stak ik veel energie in het geloof, in gesprekken, in mijn gebed, in het lezen van de Schrift, in meditaties en liturgische vieringen. Hoemeer ik er mee in aanraking kwam, des te meer wilde ik de verschillende vormen die me bezig hielden integreren in mijn leven.

De vakken waarvoor ik koos: biologie/scheikunde aan de ene kant en godsdienst aan de andere kant vormden een eerste stap in deze richting. Zelfs nu nog vragen mijn studenten vaak hoe ik het wetenschappelijk denken kan combineren met geloof. En zo kwam ik tot de ontdekking dat het ambtelijk priesterschap de hoogste realiteit van mijn diepste zijn zou betekenen.

Geroepen tot het priesterschap?

Ik kan niet precies meer nagaan wanneer ik voor het eerst merkte dat ik naar het priesterschap verlangde. Nu echter ben ik ervan overtuigd dat ik daartoe geroepen ben en daar zijn een aantal redenen voor. Om te beginnen beschouw ik mijn innerlijk verlangen tot het priesterschap als een teken van mijn roeping. Ik geloof ten diepste dat ik als priester het best dát kan realiseren dat ik in me heb, en dat ik het beste die persoon ben die ik kan zijn op een manier die uitstijgt boven het algemeen priesterschap van alle gelovigen.

Daar komt bij dat anderen mij in mijn overtuiging hebben gesterkt dat ik geen luchtkasteel najaag als ik zie dat mijn weg leidt naar het priesterschap. Zij hebben ertoe bijgedragen mijn innerlijk wens te herkennen als een echte roeping. Zulke ‘objectieve’ bevestigingen zijn veelbetekend en en helpen ons zuiver persoonlijke wensen te onderscheiden van een oprechte roeping. Tezamen komen deze beide factoren overeen met de voorwaarde van een roeping zoals ik noem in het boekje aan het begin van dit verhaal.

Nu enkele opmerkingen met betrekking tot het eerste kenmerk dat ik noemde: ik voel me getrokken tot het priesterschap met alle vezels van mijn bestaan. Wat me het meest aantrekt in déze roeping, meer dan in andere, is dat het hele zijn van de persoon getuigt, of bedoeld is te getuigen van wat het verkondigt. De overeenkomst van woord en daad, verwacht van alle christenen, bereikt zijn hoogtepunt in de viering van de eucharistie als de woorden van de consecratie worden gesproken: in de persoon - van Christus. Omdat de navolging van Christus geldt voor alle christenen, kan ik niet begrijpen waarom alleen mannen in staat zouden zijn te spreken in de persoon van Christus, uit naam van Christus. Ik wil hier niet uitweiden over de theologische discussie m.b.t. de wijding van vrouwen. Vele publicaties van vooraanstaande theologen laten zien dat de argumenten tégen de wijding van vrouwen geen hout snijden.

Er zijn verschillende redenen waarom de eucharistie zoveel voor mij betekent; één daarvan wil ik graag naar voren halen: In de eucharistie herhaalt de incarnatie, de menswording zich telkens opnieuw: God kijkt niet slechts van de zijlijn naar zijn schepping; hij gaat zijn schepping van beneden af naar binnen, om het zijn schepping mogelijk te maken naar zijn schepper terug te keren. Dit proces van heilsgeschiedenis loopt parallel met de ontwikkeling van de evolutie, een gedachte die voor mij als wetenschapper een grote rol speelt, want het bewijst dat wetenschap en theologisch inzicht niet met elkaar in tegenspraak hoeven te zijn. Voor zover de eucharistie een voorafschaduwing is van de uiteindelijke redding van de totaliteit van de geschapen natuur, vloeien evolutie en heilsgeschiedenis daarin tezamen als in hun uiteindelijke bestemming.

Vooral in de eucharistie wordt een realiteit zichtbaar die voor mij van cruciale betekenis is en die ik graag wil doorgeven: dat wetenschappelijk-technisch inzicht met ons geloof gecombineerd kan worden; iets wat vele van onze tijdgenoten niet hebben gehoord. Ik wil mezelf graag voor deze boodschap beschikbaar stellen. Ik zie in het priesterschap ook een diep existentieel verband met de eucharistie.

Pastorale zorg voor anderen

Naast deze beknopte en nogal theoretisch klinkende overweging die voor mij van diepe betekenis zijn, bestaan er andere redenen waarom ik me zo sterk tot het priesterschap voel aangetrokken. Het komt me voor dat dit ambt op een ideale manier beantwoordt aan de talenten en bekwaamheden die God mij heeft gegeven. Ik durf dit te zeggen vanuit de kracht van de ervaringen die ik opdeed in zowel het onderwijs als mijn vrijwillige activiteiten in het parochiepastoraat. Zij wijzen allemaal in dezelfde richting. Een religieuze broeder schreef me eens: ‘Jij verstaat de kunst anderen zich in de kerk op hun gemak te doen voelen.’ Het priesterambt betekent voor mij de belofte van de diepste verwerkelijking van al datgene wat God in mij heeft neergelegd. Zeker, ik kan mijn gaven ook op een andere manier inzetten, maar ik daag iedereen uit die dit leest en die besloot te kiezen voor het priesterschap, bij zichzelf na te gaan waarom hij hiervoor koos en niet voor iets anders.

Ofschoon ik er niet van overtuigd ben dat het priesterschap gekoppeld dient te zijn aan het celibaat, kies ik er waarschijnlijk zelf wel voor. Ik weet dat God mij in zijn dienst wil stellen, mijn zekerheid daarvan is het resultaat, de uitkomst van een gebeurtenis waarover ik nu nog niet kan vertellen. Waar het om gaat is dat niet-gehuwd-zijn omwille van het Koninkrijk mij een extra mogelijkheid geeft mij met mijn hele bestaan, te wijden aan de christelijke boodschap, het ideaal waardoor ik gedragen word.

De facetten die ik tot nu toe heb genoemd vormen maar een deel van mijn visie omtrent mijn roeping. De ontmoeting met anderen bevestigde mij op die weg. Toen we eens in een groep discussieerden over een religieus onderwerp zei een meisje heel spontaan: ‘Wat jammer dat jij geen priester kan zijn’. De groep had absoluut geen vermoeden dat ik dat wilde, maar iemand ging op die opmerking door en vroeg: ‘Zou je priester willen worden als dat kon?’ Ik antwoordde: ‘Ja, dat zou ik willen.’ Misschien waren zij onder de indruk van het feit dat individuele mensen me opzoeken met hun zorgen en problemen, iets dat dikwijls een diepe en rijke uitwisseling tot gevolg heeft.

Tijdens mijn mondelinge theologie-examen vroeg men mij wat ik dacht over de wijding van de vrouw. Toen ik enkele argumenten had opgenoemd vroeg de 2e examinator of ik mij ervoor beschikbaar zou stellen als dat mogelijk was. Op mijn ‘Ja!’ antwoordde hij dat hij dat al had vermoed. Deze korte zin raakte mij heel diep. Ik had er moeite mee mezelf in de hand te houden, me ervan bewust dat het niet mogelijk was in de r.k. kerk gewijd te worden.

Ik heb vaak gesproken met pastorale werkers, inclusief priesters, en ik doe dat nog. Niemand van hen twijfelt aan de oprechtheid van mijn roeping, mits je de opvatting aan de kant zet dat God geen mensen roept die door de kerk van het priesterschap worden uitgesloten. Twee pastores die sterk geageerd hadden tegen de wijding van de vrouw, vertelden me tijdens ons gesprek dat ze over deze opvattingen door zouden denken in verband met hun eigen positie.

Ik kreeg dikwijls dit soort redenen: ‘Het is jammer dat je geen priester kunt worden, je zou een goeie zijn, maar omdat het Vaticaan zo massief tegen de wijding van de vrouw is, kun je het wel vergeten, tenminste voor enkele decennia. Je moet hiermee leren omgaan en een andere richting aan je leven geven.’ In gesprekken met collega’s, vrienden en bekenden ontmoet mijn overtuiging veel instemming. Zij zeggen mij gemakkelijk als priester te kunnen zien.

Verwerping door de leiders van het Vaticaan

De jongste uitspraak van het Vaticaan heeft me daarom het meest verontrust. Ik voel me diep gekwetst en als persoon niet serieus genomen als de discussie over het priesterschap van de vrouw met een machtswoord wordt gesloten. (zie de apostolische brief: Ordinatio Sacerdotalis). Toch ervaar ik mijn roeping als oprecht en ik ben ervan overtuigd dat die heel wat gemakkelijker zou zijn erkend als ik een man was.

Ik het boekje: ‘Wege zur priestlichen Berufung’ dat ik al eerder aanhaalde, zegt de kardinaal in zijn inleiding: ‘De roeping tot het ambt van priester is zo kostbaar dat we er nooit genoeg zorg en aandacht aan kunnen besteden. Ik zie mezelf als iemand die een kostbare gift met zich meedraagt, mijn roeping. Deze gave is bedoeld voor de kerk aan wie ik zoveel te danken heb; inclusief het delen van mijn geloof en waarin ik dienstbaar ben ondanks veel kritiek. Maar ik ben afgewezen als een versmade minnaar. Niets is erger: door Ordinatio Sacerdotalis is de deur voor mijn neus divhtgeslagen en van binnen op slot gedaan. Lees slechts het antwoord van de Congregatie van het Geloof met betrekking tot twijfels vervat in de Ordinatio Sacerdotalis!

Van nu af aan zou ik willen geloven dat de kerk de macht niet heeft vrouwen te wijden. Moet ik nu hieruit besluiten dat mijn roeping niet oprecht is? Als ik maar een man was zou de kerk mijn roeping met heel veel zorg en aandacht omringen. Maar alleen omdat ik een vrouw ben laat men mij met mijn gave buiten staan, een gave die bedoeld is voor de kerk.

Natuurlijk kan ik ook een andere vorm van pastoraat uitoefenen dan het ambt van priester, en zo God het wil daarin iets bereiken. Natuurlijk kan ik proberen het algemeen priesterschap van alle gelovigen te realiseren. Maar het ambtelijke priesterschap bezit een unieke kracht tot een existentiële getuigenis van de waarheden van het geloof, vooral ook m.b.t. het mysterie van de eucharistie.

Dankzij mijn aangeboren optimisme ben ik er heilig van overtuigd dat de waarheid het uiteindelijk zal winnen – ook de waarheid dat er vrouwen zijn die zich geroepen weten tot het priesterschap en die dus niet van de wijding mogen worden uitgesloten. Ik weet niet wanneer de tijd er rijp voor is. Misschien maak ik het niet meer mee. Maar als het moment ooit komt, wil ik er klaar voor zijn zodat ik mijn priesterlijke taken op me kan nemen. Dit doet me leven in verwachting, in een tijd ook van doorgaan op mijn eigen manier.

Om trouw te blijven aan mijzelf blijf ik geduldig bij de deur wachten. Zo nu en dan wil ik aankloppen, om de kerk zich mij en mijn roeping te herinneren. Hierom heb ik dit verhaal geschreven.

Wachten vraagt veel geduld en kracht. Bij tijden voel ik mij overmand door verdriet, en toch blijf ik trouw aan de kerk, zelfs wanneer die mijn gift niet wil accepteren. Zowel in mijn beroep als mijn vrijwilligerswerk ondervind ik veel dat mij voor wanhoop behoedt; wanhoop zou al mijn energie opslorpen. Eens te meer verdrijft de kracht van de blijde boodschap alle verdriet, en dus, ondanks alles ben ik gelukkig.

Wat zou ik graag als priester de wereld de vreugde van het evangelie dat mij gelukkig maakt doorgeven!

Ulrike Murr 1998

Vertaling: Corrie Wolters

Overzicht vrouwen met een roeping Tekenen van roeping De weg van een vrouws Stappen die je moet nemen Kritiek beantwoorden Je verhaal schrijven

Klik hier als U onze campagne voor de wijding van vrouwen aktief wilt steunen..

historische overzichten

Links naar andere websites in de gehele wereld! Maak deze site een van je favourieten! Vertel een vriend over deze website! Laat ons je gedachten en voorstellen weten! Plaats een doorklikknop op je eigen website! Women's Ongoing Internet Consultation 'Vrienden' ondersteunen ons door een regelmatige bijdrage Wij hebben financiele steun nodig!

In dit boek gaat Hans Wijngaards in op belangrijke historische bronnen, vanaf het begin van het christendom tot het jaar 900. Hij bewijst op overtuigende wijze dat vrouwen de rol van diaken op zich namen en hiertoe ook gewijd werden. Met zijn historische studie levert Wijngaards een belangrijke bijdrage aan het actuele debat over de wijding van vrouwen tot diaken. Klik hier!

Join us  .  .  .  !