OOK VROUWEN PRIESTER? JAZEKER!header

Responsive image

BEGIN

REDEN GENOEG

TEGEN DE PAUS?

DEBAT

MENU

Nederlands/Vlaams Deutsch Francais English language Spanish language Portuguese language Catalan Chinese Czech Malayalam Finnish Igbo
Japanese Korean Romanian Malay language Norwegian Swedish Polish Swahili Chichewa Tagalog Urdu
------------------------------------------------------------------------------------
Corrie Wolters

Corrie Wolters

Het verhaal van mijn roeping: mijn jeugd

Ik heb heimwee naar een kerk waarin mensen mensen mogen zijn.

Ik ben opgegroeid in een groot gezin. Mijn moeder moest katholiek worden omdat ze met mijn vader wilde trouwen (en nu, op haar oude dag heeft ze er spijt van). Mijn vader was streng katholiek, autoritair en hard, hij was heel gehoorzaam aan degenen die boven hem stonden, en dat gold voor zowel zijn baas als voor het kerkelijke gezag. Naar hen toe was hij gehoorzaam op het onderdanige af. Maar hij op zijn beurt eiste ook alle gehoorzaamheid op, tot in het onredelijke toe. Het vierde gebod: ‘eert uw vader en uw moeder’, was van hem een commando naar ons toe.

Ik herinner me dat ik vaak nadacht over de noodzaak van gehoorzaamheid, ervoer dat ik niet veel tegen het gezag kon beginnen. Maar ik besloot later als groot was mijn eigen beslissingen te nemen en niet zonder meer te gehoorzamen aan diegenen die die gehoorzaamheid eisten met als enige argument ‘omdat ik het zeg’.

Eén voorbeeld van macht buiten het gezin herinner ik me nog heel goed. Het was in de nadagen van de oorlog, ik zat op de kleuterschool en was vier jaar oud. Kennelijk had ik iets gedaan wat niet mocht. Ik weet absoluut niet meer wat het was, maar ik hoor nog de stem van de zuster die zei: ‘Als jij dat nog eens doet mag je zusje niet op school komen’. Daar begreep ik niets van. Kreeg mijn zusje straf omdat ik iets deed wat niet mocht? Later vertelde mijn moeder dat die zuster nogal eens het gevoel had dat ik dwars door haar heen keek.

Godsdienstig leven

Mijn eerste communie herinner ik me heel goed. Ik was me er altijd al, zo lang ik me kan herinneren, op de een of andere manier van bewust dat de wereld groter was dan het direct waarneembare. Ik ervoer op de en of andere manier een realiteit achter de realiteit. Concreter kan ik het niet duiden. Mijn eerste communie was een dag van diepe verbondenheid met dat Grotere, dat ver boven het materiële uitsteeg, dat groter was dan het kerkgebouw en de straat waar wij woonden. Díe wereld was ruim en goed. Ik had moeten beloven dat ik voor een tante zou bidden, maar ik had ik het vergeten. Dat vond ik heel erg en ik heb dat uiteraard goed gemaakt. Gebed was voor mij, ook toen al, veel meer een woordeloos zíjn dan een concreet tekstinhoudelijke bezigheid.

Op de lagere school begreep ik niet hoe je een tien kon krijgen voor godsdienst alleen al omdat je een goed geheugen had; of je daarbij een grote pestkop was maakte niet uit. Ik besefte dat cijfers een rare maatstaf vormden, zeker in dit opzicht. Mijn vader eiste uiteraard dat ik er een tien voor haalde, maar wat betekende dat nou in werkelijkheid?

Als kind moesten we iedere dag naar de kerk. Dat was gebruikelijk. Ik herinner me dat de juf op school zei dat als we van de zes dagen die een schoolweek toen kende vijf keer naar de kerk waren geweest een plaatje kregen. Ik vond dat onzin, besloot dat ik geen plaatjes wilde hebben en dus net niet vaak genoeg naar de kerk zou gaan. Maar ik vertelde het verhaal van de plaatjes aan mijn moeder, niet wat ik er zelf van vond, en dus moest ik zo vaak mogelijk naar de kerk. Overigens had ik er op zich zeker geen hekel aan, ik ervoer daar iets van een diepe overstijgende stilte.

Waar gaat het om bij godsdienst?

Op de kweekschool raakte ik mijn manier van omgaan, van zijn met God en grotendeels kwijt. Godsdienst had daar nog meer dan tevoren te maken met het van buiten kennen van een aantal waarheden en het nakomen van verplichtingen. Of je er iets aan beleefde en ervoer kwam niet aan bod. Er klopte iets niet, maar ik besloot dat voor later te bewaren omdat er geen discussie mogelijk was. Ik moest me in nog sterkere mate bezig houden met hetzelfde als wat ik op de lagere school had ervaren, maar dan met de bedoeling dat aan de toekomstige leerlingen door te geven. Eén voorbeeld zal ik nooit vergeten: de godsdienstleraar, een pater, vertelde dat je voor het bidden van een rozenhoedje een aflaat kon verdienen. Nu hield ik sowieso al niet van de combinatie van bidden met ‘verdienen’ en ‘beloond worden’, maar dit sloeg naar mijn idee alles. De aflaat was n.l. afhankelijk van waar de rozenkrans van gemaakt was. De kralen ervan mochten niet van glas zijn, wel van zilver of van hout. Maar die waren duurder en ik had er het geld niet voor; daarbij kwam dat ik het er ook niet voor wilde uitgeven, omdat ik vond dat bidden waarde had in zichzelf, en niet afhankelijk kon zijn van het materiaal dat toevallig door je vingers gleed.

Wel zat ik nog wel eens op mijn eentje in de kerk, zomaar in stilte, maar als er dan iemand binnenkwam was ik vertrokken.

Priesterschap

Het priesterschap is altijd min of meer onbewust in mijn gedachten geweest, niet wegens de positie en de structuren van kerk, maar wat het aan spiritualiteit inhield en kon betekenen. Ik zag mezelf daar helemaal in leven. Daarom snapte ik absoluut niet waarom dat niet voor meisjes was weggelegd. Ik heb daar diverse keren naar gevraagd, maar het enige dat ik me herinner is dat ik meewarig werd aangekeken zonder er enige uitleg bij te krijgen. Theologie studeren kon nog niet, dat was in die tijd nog voorbehouden aan jongens. Die kans kwam veel later toen ik mijn baan aan de muziekschool wegens bezuinigingsmaatregelen verloor.

In het onderwijs

In de tijd dat ik in het basisonderwijs werkte moest ik uiteraard ook godsdienstlessen geven. Met de pastoor van één van de plaatsen waar ik gewerkt heb kon ik het prima vinden. Omdat ik ook dirigent van het kerkkoor was overlegden we vaak over de liturgievieringen. We namen elkaar serieus, dat was heel uitdrukkelijk wederzijds. De oude man leeft nog en we halen wel eens herinneringen op. Het waren de jaren direct na Vaticanum II. We gingen naar bijeenkomsten die informatie gaven over nieuwe ontwikkelingen in de liturgie en bekeken dan in hoeverre er iets haalbaar zou kunnen zijn in onze parochie. De afstand tussen priester, koor en volk werd letterlijk en figuurlijk kleiner. We staken enorm veel tijd in de voorbereiding, zeker ook naar de parochianen toe; een soort overvaltechniek was er niet bij.

Ik herinnerde me ook dat hij een keer in de klas kwam om te vragen wie van de jongens er misdienaar wilde worden. De oogst was klein. Logisch, het was in het noorden van het land, de katholieken vormden daar een kleine minderheid – diasporagebied noemde men dat - en de school was een streekschool; de kinderen kwamen uit de wijde omgeving. Maar enkele meisjes riepen: ‘Waarom mogen wij niet? Wíj willen wel.’ Op dat moment was hij daar niet op bedacht. Maar ik ben er later wel op teruggekomen. Waarom eigenlijk niet? En korte tijd later, toen hij de tijd had gekregen om erover na te denken mochten ook meisjes misdienaar worden. Het was nog ruim vóórdat het in de hele Nederlandse kerkprovincie gebruikelijk was.

Kerkelijk actief

Heel lang ben ik actief geweest binnen de kerk, zowel op vrijwillige basis als beroepsmatig in de kerkmuziek. De zeventiger jaren in Nederland waren heel hoopvol. Het bruiste aan alle kanten van activiteit en hoop op vernieuwing. Voor het eerst studeerden er aan de seminaries mannen af die geen priester meer wilden worden omdat ze vrij wilden zijn een gezin te stichten. Het beroep van pastoraal werker ontstond. Later ook toegankelijk werd voor vrouwen met een volledige theologische opleiding.

Kardinaal Alfrink gaf zijn toekomstvisie eens in een rede voor de Villanova University in 1973 (!), bijna dertig jaar geleden dus:

Het zal een open kerk zijn, een kerk die uitnodigt en die een beroep doet op de medeverantwoordelijkheid van allen om het welzijn van allen en daardoor ook de wil van God te dienen. Geen grote sekte, die zich afsluit omdat zij alles beter weet. Een kerk vooral die zich openstelt voor de werking van de Heilige Geest en die daarom bidt. In veel opzichten zal de wijze van gezagsuitoefening in de kerk herzien moeten worden in een geest van broederlijkheid en collegialiteit.

De kerk van de toekomst zal ook een kerk zijn met een meer gevarieerde ambtsbediening. De feiten mogen ook hier als tekenen van de tijd worden verstaan. Het is een zaak van wijs bestuur om uit het steeds verder teruglopend aantal roepingen tot het priesterschap of de religieuze staat de conclusie te trekken dat onze kerk voor veel jongeren geen toekomst meer biedt. Iedereen weet dat binnen nu en tien jaar de pastorale bediening voor onoplosbare problemen komt te staan. Nu niet zorgen voor de zeer nabije toekomst van de kerk is vermetel vertrouwen. (Van Schaik pag. 524)

Maar we kennen de afloop

De tijden werden lastiger, steeds harder, strenger en autoritairder. We kregen bisschopsbenoemingen die duidelijk maakten dat het een andere kant op moest. Maar waar gaat het nu om, om mensen of om structuren? Natuurlijk heb je structuren nodig om een organisatie goed te laten draaien, maar het loopt vast als die structuren heilig worden en er bijna alles aan wordt opgeofferd. Intussen is het zo erg dat het lijkt alsof men liever de parochies stuk laat gaan dan aanpassingen te doen zodat effectief pastoraat kan blijven voortbestaan; het lijkt erop dat de mensen er zijn voor de regels en niet andersom.

Enkele jaren geleden was ik in Detroit voor een conferentie. Ik werd aangesproken door aan Canadese priester: ‘Where are you from? O, from Holland? Where are you now? We looked at you so hopefully, where are you now?’ Ik weet het niet, we zijn er niet meer………

Verhuizing

Na het afsluiten van een studie aan het conservatorium verhuisde ik omdat er een baan kreeg aan de muziekschool in Almelo. In kerkelijk opzicht is het gebied veel traditioneler dan in mijn vorige woonplaats. Ook hier kwam ik vrij snel in de kerkmuziek terecht. Het ging een aantal jaren goed. Maar ik merkte dat ik kritische vragen ging stellen over de verhouding tussen leer en leven, de structuren en de mensen daarin. Ik kreeg ook opmerkingen die verraadden dat ik me vooral niet moest verbeelden iets te kunnen veranderen. Dat ging ver. Ik herinner me dat we bezig waren een meerstemmige latijnse mis in te studeren. Nu krijg je na de inzet van het gloria gauw een vervelende pauze als het koor daarop niet direct meerstemmig inzet. Omdat dit een kwestie was van oefenen, besloot ik tijdens de repetities zelf de aanheft van het Gloria te geven en het gehoor van de koorleden er op te trainen dat zij direct zonder tussenkomst van de organist konden aansluiten. Meermalen gebeurde het dan dat iemand tussen zijn tanden door siste: ‘De vrouw in het ambt, dat zal je nooit lukken!’ Uiteindelijk stopte ik met mijn functie als kerkmusicus: het ging niet meer, ik werd er letterlijk ziek van. Er is een lied: ‘de Geest des Heren heeft een nieuw begin gemaakt’. Het werd en wordt heel vaak gezongen. Maar waar blijft dat nieuwe begin dan als wij het niet concreet aanpakken? En ik begon bang te worden dat als ik me daadwerkelijk aan de kerk zou binden voor pastoraal werk, wat altijd nog een stille wens was, ik dan mede noodzakelijkerwijs het systeem in stand zou houden. Ik zou niet meer vrij zijn te zeggen wat ik meende te moeten zeggen. Ik zou zoals zo velen, in een spagaat terechtkomen tussen hiërarchie en basis. En als er nu een groep zou bestaan die niet bang was, die daadwerkelijk zou doen wat hun geweten hen ingaf, en die de ander niet zou laten vallen wanneer het tot een conflict zou komen, ja dan….. Maar helaas. Het is ook allemaal zo dubbel: in het verborgene is heel wat mogelijk, niet in het minst wanneer het gaat om het verplichte celibaat, maar het is niet best wanneer zaken openbaar worden. En daar wens ik niet aan mee te doen. Woord en daad dienen met elkaar in overeenstemming te zijn. En dan is wat je doet is misschien wel belangrijker dan wat je zegt.

Hebben we een nieuwe reformatie nodig?

Ik begon mezelf concrete vragen te stellen: Is het echt zo dat er geen veranderingen kunnen worden doorgevoerd omdat ‘het altijd zo geweest is’ en Jezus zelf dat zou hebben gewild? Is het echt zo dat zelfs de kerk een aantal veranderingen, zoals die van de vrouw in het ambt en het verplichte celibaat, niet door kan voeren, zelfs al zou ze dat willen? Het is de afgelopen tijd duidelijk geworden dat de geschiedschrijving op zijn minst onvolledig is. Ik begon te ontdekken dat het in feite gaat om de angst voor het verliezen van posities, ambten, aanzien en macht, en dat dat koste wat kost verdedigd moet worden. Het heeft te maken met het loslaten van structuren waardoor je dan het gevoel krijgt in het luchtledige te hangen. Heeft dat niet tevens te maken met een mensbeeld dat niet bepaald veel vertrouwen inboezemt? Natuurlijk is het lastig om hierover door te denken, omdat het je direct confronteert met je eigen motieven. De scherpte en de haast waarmee een vraag wordt afgedaan bevestigt de juistheid ervan. Maar er rest mij nóg een vraag: hoe kan de kerk het zich veroorloven om zoveel capaciteiten en talenten onbenut te laten liggen alleen omdat iemand vrouw is, homo of gescheiden? Het zijn twee volkomen verschillende niveaus van redeneren.

Is er hoop voor de r.k. kerk? Of moeten we het erop houden dat veranderingen alleen maarplaats kunnen vinden los van die kerk? Hebben we de moed om de krachten te bundelen, uit de slachtofferrol te kruipen, de koe bij de horens te vatten en daadwerkelijk te gaan doen wat we ten diepste vinden? De machtsvraag dient wel constant op de agenda te blijven staan. Je bent er n.l. nog niet als het ambt opengesteld wordt voor de vrouw; dat is op zich niet meer dan een structuurverandering. Het is n.l. niet ongewoon dat de onderdrukten, wanneer zij zich er onderuit hebben gewerkt, hetzelfde gaan doen als hun onderdrukkers; en dat komt ook in vernieuwingsbewegingen voor.

Contacten

Toen ik mijn baan aan de muziekschool kwijtraakte wegens bezuinigingen van bovenaf zag ik een oude wens in vervulling gaan: theologie studeren.

In de loop van de tijd bouwde ik veel contacten op. Als theologiestudent was het mogelijk lid te worden van de VPW (= Vereniging van Pastoraal Werkenden). Ik kreeg veel inzicht in de structuren en de onderlinge verhoudingen, in wat er eigenlijk leefde er wat er niet mocht zijn. Ik ontdekte hoe moeilijk het was voor individuele priesters om vorm te geven aan datgene wat zij ten diepste meenden, maar ook hoe moeilijk het is om de krachten te bundelen (dit in tegenstelling tot de krachten uit behoudende groeperingen). Ik zag dat de uiterlijke wetgeving van doorslaggevende betekenis was bij het verlenen van aanstellingen, dat het geloof als pakket van weten van groter betekenis was dan het geloof als levenshouding die per definitie pluriform is omdat mensen nu eenmaal niet hetzelfde zijn.

Een algemeen probleem, zoals de visie op het ambt, werd en wordt gemaakt tot een persoonlijk probleem: de priester of pastorale werk-st-er wordt ter verantwoording geroepen, en niet het vraagstuk als zodanig aangepakt. Zo werden en worden mensen tegen elkaar uitgespeeld. En door te weinig collegialiteit laten zij zich ook tegen elkaar uitspelen.

Bij de aanstelling van een pastoraal werkster enkele maanden geleden werd door de hele viering heen herhaaldelijk duidelijk gemaakt wat zij allemaal niet mocht, zodat er vooral geen fouten gemaakt zouden kunnen worden en niemand het recht had te zeggen dat hij niet op de hoogte was. Daarbij moet gezegd worden dat de pastorale werkster haar situatie accepteerde, misschien onder protest, maar toch. En daarmee krijgen de kerkelijke overheden weer meer macht.

Wat moest ik met dit alles? Hoe kon ik spiritualiteit en kerkelijke regelgeving met elkaar in overeenstemming brengen? Wat is spiritualiteit waard als het geen gevolgen krijgt voor je manier van handelen? Een baan in het pastoraat accepteren zou voor mij betekenen dat ik het kerkelijk gezag als zodanig diende te accepteren. Maar dat was tegelijk een vorm van gehoorzaamheid die ik niet ten diepste zou kunnen nakomen. Ik heb ook trouw te zijn aan wat ik zelf ten diepste ervaar. En kennelijk gaan die beide helaas niet samen.

Een aantal verhalen van wat mensen ervaren hebben aan situaties van onderdrukking binnen de kerk heb ik gebundeld en de bisschoppen toegestuurd. Het heeft me zeker geen goede naam bezorgd, maar dat wist ik van tevoren.

Mag ik nog wel pastoraal werkster, laat staan priester wíllen worden?

Het werd voor mij een gewetensprobleem: en de uitkomst ging luiden: ik kan en mag in deze kerk niet functioneren. Ik zou er het systeem door erkennen en mede in stand houden. In geval van een probleem krijg ik van niemand rugdekking; zit ik als een plakje kaas tussen een sandwich. Dat geldt ook voor een pastorale baan in een zorginstelling. Ook daar vraagt men doorgaans toestemming aan de bisschop. Ik kwam tot de conclusie dat ik van binnenuit geen bijdrage tot vernieuwing leveren. Een pastor zei eens: in het pastoraat zijn drie dingen nodig: collega’s, collega’s en collega’s……….Iets heel graag willen is niet genoeg, er geschikt voor zijn evenmin. De concrete arbeidsomstandigheden spelen een grote rol.

Een pastor dient naar mijn mening iets te hebben van een straatmuzikant, een profeet, een levenskunstenaar; hij dient de kunst van het leven te verstaan. Het is de taak van het ambt en dus van de ambtsdragers, dat de verhalen van het evangelie geleefd worden, dat mensen verrijzen, hier en nu. Zijn de verhalen uit het evangelie geen ‘verhalen uit het leven gegrepen’? En gaat het daar niet gewoon om mensen, in plaats van zoals helaas in onze kerk gebruikelijk, om man of vrouw, om hetero of homo, om gehuwd, samenwonend dan wel gescheiden? Wat is je woord waard? Rabbi Chanina Ben Dosa, de belangrijkste figuur uit de eerste tijd van de chassidim zei vaak: "Een ieder wiens daden talrijker zijn dan zijn wijsheid, diens wijsheid houdt stand; een ieder wiens wijsheid groter is dan zijn daden, diens wijsheid houdt geen stand."

Na de studie theologie

Nadat ik de studie theologie beëindigd had kwam ik iemand op straat tegen die me vanaf de overkant toeriep: ‘Geslaagd? Wat ben je nu? Pastoraal werkster of zoiets?’ Tjee, lastige vraag. Ik krijg geen aanstelling; van meerdere kanten is me verzekerd dat er op het bisdom een dossier van mij bestaat. Maar gelukkig was de vraag: "Wat ben je nu? Pastoraal werkster of zoiets?" En dat ‘of zoiets’ zie ik wel zitten. Dat geeft meer ruimte. Dus riep ik haar toe: "Of zoiets!"

Dat ‘of zoiets’ krijgt nu concreet vorm in contacten met mensen buiten de kerk om, ik probeer met hen mee te gaan in situaties van rouw en verdriet, help hen overeind te komen als het leven al te zwaar wordt door o.a. seksueel misbruik. Soms spreken we over God, heel vaak ook niet. Soms is er uitdrukkelijk sprake van een dieper verstaan van de werkelijkheid, een andere keer is het erbij inbegrepen zonder uitdrukkelijke woorden. Maar altijd gaat het erom dat de ander door de narigheid heen groeit naar een dieper verstaan van zichzelf en de wereld, dat hij groeit aan zelfvertrouwen en het leven met open vizier tegemoet treedt.

Oude tante

Ik heb een oude tante, honderd is ze. Lichamelijk gaat het haar niet al te best, maar geestelijk is ze heel helder, formuleert scherp en reageert ook scherp. Ze vertelde eens: ‘Ik geloof wel in God hoor, maar niet in de God van de kerk. Ik geloof in God, hier, heel diep van binnen. Weet je, God is God en geen mens. God denkt en voelt dus niet als een mens en dus kun je er niet al te veel van zeggen.’

Heimwee

Kun je heimwee hebben naar iets wat er (nog) niet is? Ik heb heimwee naar een kerk waarin mensen mensen mogen zijn met huid en haar. Ik heb heimwee naar een kerk waarin met alle kracht geprobeerd wordt de mens de kans te geven het beste van zichzelf te laten zien. Ik heb heimwee naar een kerk die afrekent met macht, posities en aanzien.

Ik kom nog maar heel weinig in de kerk, en eerlijk gezegd heb ik daar verdriet om gehad. Ik vraag me nog wel eens af of ik er daarmee op het goede spoor zit. Moet je niet van binnenuit aan de hervorming meedoen? Maar de tegenkrachten zijn voor mij te groot. Ik moet ook zien dat ik zelf overeind blijf. Maar als er ergens een plek is…………het bloed blijft kruipen……….Maar dan is er ook de vraag naar de functie van de kerk – middel of doel? Kan ik toch mijn levensdoel bereiken als het mij met het middel niet lukt?

Corrie Wolters februari 2001
Email en website

Overzicht vrouwen met een roeping Tekenen van roeping De weg van een vrouws Stappen die je moet nemen Kritiek beantwoorden Je verhaal schrijven

Klik hier als U onze campagne voor de wijding van vrouwen aktief wilt steunen..

historische overzichten


This website is maintained by the Wijngaards Institute for Catholic Research.

John Wijngaards Catholic Research

since 11 Jan 2014 . . .

John Wijngaards Catholic Research