|
|
|---|
Het verhaal van mijn roeping: mijn jeugd
Ik ben opgegroeid in een groot gezin. Mijn moeder moest katholiek worden
omdat ze met mijn vader wilde trouwen (en nu, op haar oude dag heeft ze er
spijt van). Mijn vader was streng katholiek, autoritair en hard, hij was heel
gehoorzaam aan degenen die boven hem stonden, en dat gold voor zowel zijn baas
als voor het kerkelijke gezag. Naar hen toe was hij gehoorzaam op het
onderdanige af. Maar hij op zijn beurt eiste ook alle gehoorzaamheid op, tot in
het onredelijke toe. Het vierde gebod: eert uw vader en uw moeder,
was van hem een commando naar ons toe.
Ik herinner me dat ik vaak nadacht over de noodzaak van gehoorzaamheid,
ervoer dat ik niet veel tegen het gezag kon beginnen. Maar ik besloot later als
groot was mijn eigen beslissingen te nemen en niet zonder meer te gehoorzamen
aan diegenen die die gehoorzaamheid eisten met als enige argument omdat
ik het zeg.
Eén voorbeeld van macht buiten het gezin herinner ik me nog heel
goed. Het was in de nadagen van de oorlog, ik zat op de kleuterschool en was
vier jaar oud. Kennelijk had ik iets gedaan wat niet mocht. Ik weet absoluut
niet meer wat het was, maar ik hoor nog de stem van de zuster die zei:
Als jij dat nog eens doet mag je zusje niet op school komen. Daar
begreep ik niets van. Kreeg mijn zusje straf omdat ik iets deed wat niet mocht?
Later vertelde mijn moeder dat die zuster nogal eens het gevoel had dat ik
dwars door haar heen keek.
Godsdienstig leven
Mijn eerste communie herinner ik me heel goed. Ik was me er altijd al,
zo lang ik me kan herinneren, op de een of andere manier van bewust dat de
wereld groter was dan het direct waarneembare. Ik ervoer op de en of andere
manier een realiteit achter de realiteit. Concreter kan ik het niet duiden.
Mijn eerste communie was een dag van diepe verbondenheid met dat Grotere, dat
ver boven het materiële uitsteeg, dat groter was dan het kerkgebouw en de
straat waar wij woonden. Díe wereld was ruim en goed. Ik had moeten
beloven dat ik voor een tante zou bidden, maar ik had ik het vergeten. Dat vond
ik heel erg en ik heb dat uiteraard goed gemaakt. Gebed was voor mij, ook toen
al, veel meer een woordeloos zíjn dan een concreet tekstinhoudelijke
bezigheid.
Op de lagere school begreep ik niet hoe je een tien kon krijgen voor
godsdienst alleen al omdat je een goed geheugen had; of je daarbij een grote
pestkop was maakte niet uit. Ik besefte dat cijfers een rare maatstaf vormden,
zeker in dit opzicht. Mijn vader eiste uiteraard dat ik er een tien voor
haalde, maar wat betekende dat nou in werkelijkheid?
Als kind moesten we iedere dag naar de kerk. Dat was gebruikelijk. Ik
herinner me dat de juf op school zei dat als we van de zes dagen die een
schoolweek toen kende vijf keer naar de kerk waren geweest een plaatje kregen.
Ik vond dat onzin, besloot dat ik geen plaatjes wilde hebben en dus net niet
vaak genoeg naar de kerk zou gaan. Maar ik vertelde het verhaal van de plaatjes
aan mijn moeder, niet wat ik er zelf van vond, en dus moest ik zo vaak mogelijk
naar de kerk. Overigens had ik er op zich zeker geen hekel aan, ik ervoer daar
iets van een diepe overstijgende stilte.
Waar gaat het om bij godsdienst?
Op de kweekschool raakte ik mijn manier van omgaan, van zijn met
God en grotendeels kwijt. Godsdienst had daar nog meer dan tevoren te maken met
het van buiten kennen van een aantal waarheden en het nakomen van
verplichtingen. Of je er iets aan beleefde en ervoer kwam niet aan bod. Er
klopte iets niet, maar ik besloot dat voor later te bewaren omdat er geen
discussie mogelijk was. Ik moest me in nog sterkere mate bezig houden met
hetzelfde als wat ik op de lagere school had ervaren, maar dan met de bedoeling
dat aan de toekomstige leerlingen door te geven. Eén voorbeeld zal ik
nooit vergeten: de godsdienstleraar, een pater, vertelde dat je voor het bidden
van een rozenhoedje een aflaat kon verdienen. Nu hield ik sowieso al niet van
de combinatie van bidden met verdienen en beloond
worden, maar dit sloeg naar mijn idee alles. De aflaat was n.l.
afhankelijk van waar de rozenkrans van gemaakt was. De kralen ervan mochten
niet van glas zijn, wel van zilver of van hout. Maar die waren duurder en ik
had er het geld niet voor; daarbij kwam dat ik het er ook niet voor wilde
uitgeven, omdat ik vond dat bidden waarde had in zichzelf, en niet afhankelijk
kon zijn van het materiaal dat toevallig door je vingers gleed.
Wel zat ik nog wel eens op mijn eentje in de kerk, zomaar in stilte,
maar als er dan iemand binnenkwam was ik vertrokken.
Priesterschap
Het priesterschap is altijd min of meer onbewust in mijn gedachten
geweest, niet wegens de positie en de structuren van kerk, maar wat het aan
spiritualiteit inhield en kon betekenen. Ik zag mezelf daar helemaal in leven.
Daarom snapte ik absoluut niet waarom dat niet voor meisjes was weggelegd. Ik
heb daar diverse keren naar gevraagd, maar het enige dat ik me herinner is dat
ik meewarig werd aangekeken zonder er enige uitleg bij te krijgen. Theologie
studeren kon nog niet, dat was in die tijd nog voorbehouden aan jongens. Die
kans kwam veel later toen ik mijn baan aan de muziekschool wegens
bezuinigingsmaatregelen verloor.
In het onderwijs
In de tijd dat ik in het basisonderwijs werkte moest ik uiteraard ook
godsdienstlessen geven. Met de pastoor van één van de plaatsen
waar ik gewerkt heb kon ik het prima vinden. Omdat ik ook dirigent van het
kerkkoor was overlegden we vaak over de liturgievieringen. We namen elkaar
serieus, dat was heel uitdrukkelijk wederzijds. De oude man leeft nog en we
halen wel eens herinneringen op. Het waren de jaren direct na Vaticanum II. We
gingen naar bijeenkomsten die informatie gaven over nieuwe ontwikkelingen in de
liturgie en bekeken dan in hoeverre er iets haalbaar zou kunnen zijn in onze
parochie. De afstand tussen priester, koor en volk werd letterlijk en
figuurlijk kleiner. We staken enorm veel tijd in de voorbereiding, zeker ook
naar de parochianen toe; een soort overvaltechniek was er niet bij.
Ik herinnerde me ook dat hij een keer in de klas kwam om te vragen wie
van de jongens er misdienaar wilde worden. De oogst was klein. Logisch, het was
in het noorden van het land, de katholieken vormden daar een kleine minderheid
diasporagebied noemde men dat - en de school was een streekschool; de
kinderen kwamen uit de wijde omgeving. Maar enkele meisjes riepen: Waarom
mogen wij niet? Wíj willen wel. Op dat moment was hij daar niet op
bedacht. Maar ik ben er later wel op teruggekomen. Waarom eigenlijk niet? En
korte tijd later, toen hij de tijd had gekregen om erover na te denken mochten
ook meisjes misdienaar worden. Het was nog ruim vóórdat het in de
hele Nederlandse kerkprovincie gebruikelijk was.
Kerkelijk actief
Heel lang ben ik actief geweest binnen de kerk, zowel op vrijwillige
basis als beroepsmatig in de kerkmuziek. De zeventiger jaren in Nederland waren
heel hoopvol. Het bruiste aan alle kanten van activiteit en hoop op
vernieuwing. Voor het eerst studeerden er aan de seminaries mannen af die geen
priester meer wilden worden omdat ze vrij wilden zijn een gezin te stichten.
Het beroep van pastoraal werker ontstond. Later ook toegankelijk werd voor
vrouwen met een volledige theologische opleiding.
Kardinaal Alfrink gaf zijn toekomstvisie eens in een rede voor de
Villanova University in 1973 (!), bijna dertig jaar geleden dus:
Het zal een open kerk zijn, een kerk die uitnodigt en die een
beroep doet op de medeverantwoordelijkheid van allen om het welzijn van allen
en daardoor ook de wil van God te dienen. Geen grote sekte, die zich afsluit
omdat zij alles beter weet. Een kerk vooral die zich openstelt voor de werking
van de Heilige Geest en die daarom bidt. In veel opzichten zal de wijze van
gezagsuitoefening in de kerk herzien moeten worden in een geest van
broederlijkheid en collegialiteit.
De kerk van de toekomst zal ook een kerk zijn met een meer gevarieerde
ambtsbediening. De feiten mogen ook hier als tekenen van de tijd worden
verstaan. Het is een zaak van wijs bestuur om uit het steeds verder teruglopend
aantal roepingen tot het priesterschap of de religieuze staat de conclusie te
trekken dat onze kerk voor veel jongeren geen toekomst meer biedt. Iedereen
weet dat binnen nu en tien jaar de pastorale bediening voor onoplosbare
problemen komt te staan. Nu niet zorgen voor de zeer nabije toekomst van de
kerk is vermetel vertrouwen. (Van Schaik pag.
524)
Maar we kennen de afloop
De tijden werden lastiger, steeds harder, strenger en autoritairder. We
kregen bisschopsbenoemingen die duidelijk maakten dat het een andere kant op
moest. Maar waar gaat het nu om, om mensen of om structuren? Natuurlijk heb je
structuren nodig om een organisatie goed te laten draaien, maar het loopt vast
als die structuren heilig worden en er bijna alles aan wordt opgeofferd.
Intussen is het zo erg dat het lijkt alsof men liever de parochies stuk laat
gaan dan aanpassingen te doen zodat effectief pastoraat kan blijven
voortbestaan; het lijkt erop dat de mensen er zijn voor de regels en niet
andersom.
Enkele jaren geleden was ik in Detroit voor een conferentie. Ik werd
aangesproken door aan Canadese priester: Where are you from? O, from
Holland? Where are you now? We looked at you so hopefully, where are you
now? Ik weet het niet, we zijn er niet meer
Verhuizing
Na het afsluiten van een studie aan het conservatorium verhuisde ik
omdat er een baan kreeg aan de muziekschool in Almelo. In kerkelijk opzicht is
het gebied veel traditioneler dan in mijn vorige woonplaats. Ook hier kwam ik
vrij snel in de kerkmuziek terecht. Het ging een aantal jaren goed. Maar ik
merkte dat ik kritische vragen ging stellen over de verhouding tussen leer en
leven, de structuren en de mensen daarin. Ik kreeg ook opmerkingen die
verraadden dat ik me vooral niet moest verbeelden iets te kunnen veranderen.
Dat ging ver. Ik herinner me dat we bezig waren een meerstemmige latijnse mis
in te studeren. Nu krijg je na de inzet van het gloria gauw een vervelende
pauze als het koor daarop niet direct meerstemmig inzet. Omdat dit een kwestie
was van oefenen, besloot ik tijdens de repetities zelf de aanheft van het
Gloria te geven en het gehoor van de koorleden er op te trainen dat zij direct
zonder tussenkomst van de organist konden aansluiten. Meermalen gebeurde het
dan dat iemand tussen zijn tanden door siste: De vrouw in het ambt, dat
zal je nooit lukken! Uiteindelijk stopte ik met mijn functie als
kerkmusicus: het ging niet meer, ik werd er letterlijk ziek van. Er is een
lied: de Geest des Heren heeft een nieuw begin gemaakt. Het werd en
wordt heel vaak gezongen. Maar waar blijft dat nieuwe begin dan als wij het
niet concreet aanpakken? En ik begon bang te worden dat als ik me daadwerkelijk
aan de kerk zou binden voor pastoraal werk, wat altijd nog een stille wens was,
ik dan mede noodzakelijkerwijs het systeem in stand zou houden. Ik zou niet
meer vrij zijn te zeggen wat ik meende te moeten zeggen. Ik zou zoals zo velen,
in een spagaat terechtkomen tussen hiërarchie en basis. En als er nu een
groep zou bestaan die niet bang was, die daadwerkelijk zou doen wat hun geweten
hen ingaf, en die de ander niet zou laten vallen wanneer het tot een conflict
zou komen, ja dan
.. Maar helaas. Het is ook allemaal zo dubbel: in het
verborgene is heel wat mogelijk, niet in het minst wanneer het gaat om het
verplichte celibaat, maar het is niet best wanneer zaken openbaar worden. En
daar wens ik niet aan mee te doen. Woord en daad dienen met elkaar in
overeenstemming te zijn. En dan is wat je doet is misschien wel belangrijker
dan wat je zegt.
Hebben we een nieuwe reformatie nodig?
Ik begon mezelf concrete vragen te stellen: Is het echt zo dat er geen
veranderingen kunnen worden doorgevoerd omdat het altijd zo geweest
is en Jezus zelf dat zou hebben gewild? Is het echt zo dat zelfs de kerk
een aantal veranderingen, zoals die van de vrouw in het ambt en het verplichte
celibaat, niet door kan voeren, zelfs al zou ze dat willen? Het is de afgelopen
tijd duidelijk geworden dat de geschiedschrijving op zijn minst onvolledig is.
Ik begon te ontdekken dat het in feite gaat om de angst voor het verliezen van
posities, ambten, aanzien en macht, en dat dat koste wat kost verdedigd moet
worden. Het heeft te maken met het loslaten van structuren waardoor je dan het
gevoel krijgt in het luchtledige te hangen. Heeft dat niet tevens te maken met
een mensbeeld dat niet bepaald veel vertrouwen inboezemt? Natuurlijk is het
lastig om hierover door te denken, omdat het je direct confronteert met je
eigen motieven. De scherpte en de haast waarmee een vraag wordt afgedaan
bevestigt de juistheid ervan. Maar er rest mij nóg een vraag: hoe kan de
kerk het zich veroorloven om zoveel capaciteiten en talenten onbenut te laten
liggen alleen omdat iemand vrouw is, homo of gescheiden? Het zijn twee volkomen
verschillende niveaus van redeneren.
Is er hoop voor de r.k. kerk? Of moeten we het erop houden dat
veranderingen alleen maarplaats kunnen vinden los van die kerk? Hebben we de
moed om de krachten te bundelen, uit de slachtofferrol te kruipen, de koe bij
de horens te vatten en daadwerkelijk te gaan doen wat we ten diepste vinden? De
machtsvraag dient wel constant op de agenda te blijven staan. Je bent er n.l.
nog niet als het ambt opengesteld wordt voor de vrouw; dat is op zich niet meer
dan een structuurverandering. Het is n.l. niet ongewoon dat de onderdrukten,
wanneer zij zich er onderuit hebben gewerkt, hetzelfde gaan doen als hun
onderdrukkers; en dat komt ook in vernieuwingsbewegingen voor.
Contacten
Toen ik mijn baan aan de muziekschool kwijtraakte wegens bezuinigingen
van bovenaf zag ik een oude wens in vervulling gaan: theologie studeren.
In de loop van de tijd bouwde ik veel contacten op. Als theologiestudent
was het mogelijk lid te worden van de VPW (= Vereniging van Pastoraal
Werkenden). Ik kreeg veel inzicht in de structuren en de onderlinge
verhoudingen, in wat er eigenlijk leefde er wat er niet mocht zijn. Ik ontdekte
hoe moeilijk het was voor individuele priesters om vorm te geven aan datgene
wat zij ten diepste meenden, maar ook hoe moeilijk het is om de krachten te
bundelen (dit in tegenstelling tot de krachten uit behoudende groeperingen). Ik
zag dat de uiterlijke wetgeving van doorslaggevende betekenis was bij het
verlenen van aanstellingen, dat het geloof als pakket van weten van groter
betekenis was dan het geloof als levenshouding die per definitie pluriform is
omdat mensen nu eenmaal niet hetzelfde zijn.
Een algemeen probleem, zoals de visie op het ambt, werd en wordt gemaakt
tot een persoonlijk probleem: de priester of pastorale werk-st-er wordt ter
verantwoording geroepen, en niet het vraagstuk als zodanig aangepakt. Zo werden
en worden mensen tegen elkaar uitgespeeld. En door te weinig collegialiteit
laten zij zich ook tegen elkaar uitspelen.
Bij de aanstelling van een pastoraal werkster enkele maanden geleden
werd door de hele viering heen herhaaldelijk duidelijk gemaakt wat zij
allemaal niet mocht, zodat er vooral geen fouten gemaakt zouden kunnen worden
en niemand het recht had te zeggen dat hij niet op de hoogte was. Daarbij moet
gezegd worden dat de pastorale werkster haar situatie accepteerde, misschien
onder protest, maar toch. En daarmee krijgen de kerkelijke overheden weer meer
macht.
Wat moest ik met dit alles? Hoe kon ik spiritualiteit en kerkelijke
regelgeving met elkaar in overeenstemming brengen? Wat is spiritualiteit waard
als het geen gevolgen krijgt voor je manier van handelen? Een baan in het
pastoraat accepteren zou voor mij betekenen dat ik het kerkelijk gezag als
zodanig diende te accepteren. Maar dat was tegelijk een vorm van gehoorzaamheid
die ik niet ten diepste zou kunnen nakomen. Ik heb ook trouw te zijn aan wat ik
zelf ten diepste ervaar. En kennelijk gaan die beide helaas niet samen.
Een aantal verhalen van wat mensen ervaren hebben aan situaties van
onderdrukking binnen de kerk heb ik gebundeld en de bisschoppen toegestuurd.
Het heeft me zeker geen goede naam bezorgd, maar dat wist ik van tevoren.
Mag ik nog wel pastoraal werkster, laat staan priester
wíllen worden?
Het werd voor mij een gewetensprobleem: en de uitkomst ging luiden: ik
kan en mag in deze kerk niet functioneren. Ik zou er het systeem door erkennen
en mede in stand houden. In geval van een probleem krijg ik van niemand
rugdekking; zit ik als een plakje kaas tussen een sandwich. Dat geldt ook voor
een pastorale baan in een zorginstelling. Ook daar vraagt men doorgaans
toestemming aan de bisschop. Ik kwam tot de conclusie dat ik van binnenuit geen
bijdrage tot vernieuwing leveren. Een pastor zei eens: in het pastoraat zijn
drie dingen nodig: collegas, collegas en
collegas
.Iets heel graag willen is niet genoeg, er
geschikt voor zijn evenmin. De concrete arbeidsomstandigheden spelen een grote
rol.
Een pastor dient naar mijn mening iets te hebben van een straatmuzikant,
een profeet, een levenskunstenaar; hij dient de kunst van het leven te
verstaan. Het is de taak van het ambt en dus van de ambtsdragers, dat de
verhalen van het evangelie geleefd worden, dat mensen verrijzen, hier en nu.
Zijn de verhalen uit het evangelie geen verhalen uit het leven
gegrepen? En gaat het daar niet gewoon om mensen, in plaats van zoals
helaas in onze kerk gebruikelijk, om man of vrouw, om hetero of homo, om
gehuwd, samenwonend dan wel gescheiden? Wat is je woord waard? Rabbi Chanina
Ben Dosa, de belangrijkste figuur uit de eerste tijd van de chassidim zei vaak:
"Een ieder wiens daden talrijker zijn dan zijn wijsheid, diens wijsheid houdt
stand; een ieder wiens wijsheid groter is dan zijn daden, diens wijsheid houdt
geen stand."
Na de studie theologie
Nadat ik de studie theologie beëindigd had kwam ik iemand op straat
tegen die me vanaf de overkant toeriep: Geslaagd? Wat ben je nu?
Pastoraal werkster of zoiets? Tjee, lastige vraag. Ik krijg geen
aanstelling; van meerdere kanten is me verzekerd dat er op het bisdom een
dossier van mij bestaat. Maar gelukkig was de vraag: "Wat ben je nu? Pastoraal
werkster of zoiets?" En dat of zoiets zie ik wel zitten. Dat
geeft meer ruimte. Dus riep ik haar toe: "Of zoiets!"
Dat of zoiets krijgt nu concreet vorm in contacten met
mensen buiten de kerk om, ik probeer met hen mee te gaan in situaties van rouw
en verdriet, help hen overeind te komen als het leven al te zwaar wordt door
o.a. seksueel misbruik. Soms spreken we over God, heel vaak ook niet. Soms is
er uitdrukkelijk sprake van een dieper verstaan van de werkelijkheid, een
andere keer is het erbij inbegrepen zonder uitdrukkelijke woorden. Maar altijd
gaat het erom dat de ander door de narigheid heen groeit naar een dieper
verstaan van zichzelf en de wereld, dat hij groeit aan zelfvertrouwen en het
leven met open vizier tegemoet treedt.
Oude tante
Ik heb een oude tante, honderd is ze. Lichamelijk gaat het haar niet al
te best, maar geestelijk is ze heel helder, formuleert scherp en reageert ook
scherp. Ze vertelde eens: Ik geloof wel in God hoor, maar niet in de God
van de kerk. Ik geloof in God, hier, heel diep van binnen. Weet je, God is God
en geen mens. God denkt en voelt dus niet als een mens en dus kun je er niet al
te veel van zeggen.
Heimwee
Kun je heimwee hebben naar iets wat er (nog) niet is? Ik heb heimwee
naar een kerk waarin mensen mensen mogen zijn met huid en haar. Ik heb heimwee
naar een kerk waarin met alle kracht geprobeerd wordt de mens de kans te geven
het beste van zichzelf te laten zien. Ik heb heimwee naar een kerk die afrekent
met macht, posities en aanzien.
Ik kom nog maar heel weinig in de kerk, en eerlijk gezegd heb ik daar
verdriet om gehad. Ik vraag me nog wel eens af of ik er daarmee op het goede
spoor zit. Moet je niet van binnenuit aan de hervorming meedoen? Maar de
tegenkrachten zijn voor mij te groot. Ik moet ook zien dat ik zelf overeind
blijf. Maar als er ergens een plek is
het bloed blijft
kruipen
.Maar dan is er ook de vraag naar de functie van de
kerk middel of doel? Kan ik toch mijn levensdoel bereiken als het mij
met het middel niet lukt?
Corrie Wolters februari
2001
Email en
website
Overzicht vrouwen met een
roeping
Tekenen van roeping
De weg van een vrouws
Stappen die je moet nemen
Kritiek beantwoorden
Je verhaal schrijven
Klik
hier als U onze campagne voor de wijding van vrouwen aktief wilt
steunen..

![]() |
In dit boek gaat Hans Wijngaards in op belangrijke historische bronnen, vanaf het begin van het christendom tot het jaar 900. Hij bewijst op overtuigende wijze dat vrouwen de rol van diaken op zich namen en hiertoe ook gewijd werden. Met zijn historische studie levert Wijngaards een belangrijke bijdrage aan het actuele debat over de wijding van vrouwen tot diaken. Klik hier! |