OOK VROUWEN PRIESTER? JAZEKER!header

Responsive image

BEGIN

REDEN GENOEG

TEGEN DE PAUS?

DEBAT

MENU

Nederlands/Vlaams Deutsch Francais English language Spanish language Portuguese language Catalan Chinese Czech Malayalam Finnish Igbo
Japanese Korean Romanian Malay language Norwegian Swedish Polish Swahili Chichewa Tagalog Urdu
------------------------------------------------------------------------------------
Commentaar op de verklaring van de Heilige Congregatie.

Inter Insigniores:
Officieel Commentaar

Sacred Congregation for Doctrine

Commentaar op de verklaring van de Heilige Congregatie voor de geloofsleer aangaande de vraag over het toelaten van vrouwen tot het ambtelijk priesterschap

Gepubliceerd in de Osservatore Romano op donderdag 27 januari 1977 en in de Acta Apostolicae Sedis 69 (1977) 98-116. De vertaling van dit commentaar uit de oorspronkelijke engelse tekst is overgenomen uit Archief van de Kerken 32 (1977/nr 7, 29 maart, 296-316). Doorverwijzingen in de tekst naar 'Archief van de Kerken' zijn van de redactie Archief van de Kerken. Zie ook Archief van de Kerken 31 (1976/nr 21), 918-944.

Nummering van de alinea’s door John Wijngaards

Omstandigheden en oorsprong van de verklaring

1. De kwestie van de toelating van vrouwen tot het priesterambt schijnt in haar algemeenheid te zijn ontstaan rond 1958, na de beslissing door de zweedse lutherse kerk in september van dat jaar vrouwen tot het pastorale ambt toe te laten. Dit verwekte sensatie en gaf gelegenheid tot talrijke commentaren.(1)

2. Zelfs voor de gemeenschappen die uit de reformatie van de zestiende eeuw zijn voortgekomen, was het nieuw: men zal zich bijvoorbeeld herinneren, hoe sterk de Confessio Fidei Scotiae van 1560 de roomse kerk ervan beschuldigde onjuiste concessies aan vrouwen te doen inzake het ambt.(2) Maar het zweedse initiatief won geleidelijk meer terrein bij de gereformeerde kerken, in het bijzonder in Frankrijk, waar verscheidene nationale synodes gelijksoortige beslissingen namen.

3. In werkelijkheid leek de toelating van vrouwen tot het pastorale ambt geen strikt theologisch probleem te geven, in zover deze gemeenschappen het sacrament van het priesterschap hadden verworpen ten tijde van hun afscheiding van de roomse kerk.

4. Maar een nieuwe en een veel ernstigere situatie ontstond, toen wijdingen aan vrouwen in gemeenschappen werden toegediend die van oordeel waren, dat zij de apostolische successie van het wijdingssacrament hadden bewaard:(3) in 1971 en 1973 wijdde de anglicaanse bisschop van Hongkong drie vrouwen met toestemming van zijn synode;(4) in juli 1974 vond te Philadelphia in de episcopale kerk de wijding plaats van elf vrouwen - een wijding, die achteraf ongeldig werd verklaard door het huis van bisschoppen.

5. Later, in juni 1975, keurde de generale synode van de anglicaanse kerk in Canada, bijeen in Quebec, in beginsel de toelating van vrouwen tot het priesterambt goed; en deze goedkeuring werd in juli gevolgd door de generale synode van de kerk van Engeland: dr Coggan, aartsbisschop van Canterbury, berichtte paus Paulus VI openhartig over de 'langzame maar gestadige groei van de overeenstemming van mening binnen de anglicaanse gemeenschap, dat er in beginsel geen fundamentele bezwaren zijn tegen de wijding van vrouwen tot priester'.(5)

6. Dit zijn slechts algemene beginselen, maar de praktijk kan snel volgen en dit zou een nieuw en ernstig element binnen kunnen brengen in de dialoog met de rooms-katholieke kerk over de wezenlijke aard van het ambt.(6) Het heeft een waarschuwing uitgelokt, eerst van de aartsbisschop voor de orthodoxen in Groot-Brittannië, Athenagoras van Thyateira,(7) en vervolgens, meer recent, van paus Paulus VI zelf in twee brieven aan de aartsbisschop van Canterbury.(8)

7. Verder brachten de oecumenische instanties de kwestie onder de aandacht van alle christelijke denominaties, die er bij deze op aandrongen hun standpunten ten aanzien hiervan te onderzoeken, in het bijzonder bij gelegenheid van de assemblee van de Wereldraad van Kerken te Nairobi in december 1975.(9)

8. Een totaal ander gebeuren heeft het vraagstuk zelfs nog meer actueel gemaakt: dit was de organisatie van het internationaal jaar van de vrouw in 1975 onder auspiciën van de Verenigde Naties. De Heilige Stoel nam hieraan deel met een comité voor het internationaal jaar van de vrouw, waartoe onder anderen enkele leden behoorden van de studiecommissie voor de functie van de vrouw in maatschappij en kerk, welke reeds in 1973 in het leven was geroepen.

9. Het bijbrengen van respect voor, en het bevorderen van de respectieve rechten en plichten van mannen en vrouwen leidt tot reflectie over deelneming van vrouwen enerzijds aan het maatschappelijk leven, anderzijds aan het leven en de zending van de kerk. Welnu, het Tweede Vaticaans Concilie had reeds de taak voorgehouden: 'Daar de vrouwen thans steeds meer actief deelnemen aan geheel het gemeenschapsleven, is het van groot belang, dat zij ook aan allerlei terreinen van het apostolaat van de kerk steeds ruimer deelnemen'.(10) Hoever kan deze deelneming gaan?

10. Het is begrijpelijk, dat deze kwesties zelfs in katholieke kringen intense, om niet te zeggen geëmotioneerde studies tot gevolg hebben gehad: doctorale theses, artikelen in tijdschriften, zelfs pamfletten, welke de een na de ander bijbelse, historische en canonieke gegevens naar voren brachten of weerlegden en zich beriepen op de menswetenschappen van sociologie,(11) psychologie en de geschiedenis van instellingen en gewoontes.

11. Sommige bekende personen hebben niet geaarzeld krachtig stelling te nemen door ervan uit te gaan, dat er 'geen fundamenteel theologische bedenking zou zijn tegen de mogelijkheid van vrouwelijke priesters'.(12) Een aantal groepen zijn er ter ondersteuning van deze aanspraak gevormd en soms hebben zij dit met klem gedaan, zoals de conferentie die in Detroit (U.S.A.) in november 1975 werd gehouden onder de titel 'Women in Future: Priesthood Now, a Call for Action'.

12. Het leergezag is dus verplicht geweest tussenbeide te komen in een kwestie die zo levendig in de katholieke kerk aan bod is gekomen en die vanuit oecumenisch standpunt belangrijke implicaties heeft.

13. Aartsbisschop Bernardin van Cincinnati, voorzitter van de nationale katholieke bisschoppenconferentie in de Verenigde Staten, verklaarde op 7 oktober 1975, dat hij 'verplicht was de leer van de kerk opnieuw te bevestigen, dat vrouwen niet tot priester kunnen worden gewijd'; kerkelijke leiders, zei hij, 'zouden niet de schijn moeten wekken onredelijke hoop en verwachtingen te wekken, zelfs niet door hun stilzwijgen'.(13)

14. Paus Paulus VI had reeds dezelfde leer in herinnering gebracht. Hij deed dit eerst terloops, met name in zijn toespraak op 18 april 1975 tot de leden van de studiecommissie voor de functie van de vrouw in maatschappij en kerk en het comité voor het internationaal jaar van de vrouw: 'Hoewel vrouwen niet de roeping ontvangen tot het apostolaat van de twaalf en dus tot de gewijde bedieningen, worden zij wel uitgenodigd Christus als zijn leerlingen en medewerkers te volgen... We kunnen geen verandering brengen in wat onze Heer deed, noch in zijn roeping ten aanzien van de vrouwen'.(14)

15. Later zag hij zich in de briefwisseling met dr Coggan, aartsbisschop van Canterbury, gedwongen tot een uitdrukkelijke uitspraak: 'Uwe genade is zich natuurlijk wel bewust van het standpunt van de katholieke kerk in deze kwestie. Zij houdt, dat het om zeer fundamentele redenen niet geoorloofd is vrouwen tot priester te wijden'.(15)

16. In zijn opdracht heeft de Heilige Congregatie voor de geloofsleer het vraagstuk in zijn geheel onderzocht. De kwestie was gecompliceerd door het feit, dat enerzijds de argumenten die in het verleden zijn aangevoerd ten gunste van de traditionele leer vandaag nauwelijks nog zijn te verdedigen, en dat anderzijds de redenen die door degenen worden gegeven die de wijding voor vrouwen vragen nog moesten worden geëvalueerd.

17. Om het eerder negatieve karakter te vermijden dat de conclusies van een dergelijke studie moest kenmerken, had men erover kunnen denken het in een meer algemene presentatie van de kwestie van de verheffing van de vrouw te verwerken. Maar de tijd is nog niet rijp voor een dergelijke omvattende uiteenzetting, vanwege het onderzoek en het werk dat aan alle kanten voortgang vindt.

18. Het was moeilijk om nog langer een precieze kwestie onbeantwoord te laten die bijna overal in discussie is en die de aandacht polariseert ten nadele van meer urgente pogingen welke gestimuleerd zouden moeten worden. In feite wijst het document, afgezien van het niet aanvaarden van de wijding van vrouwen, op positieve zaken: een dieper begrip van de kerkelijke leer en het priesterambt, een oproep tot geestelijke vooruitgang, een uitnodiging om dringende apostolische taken van vandaag op zich te nemen.

19. De bisschoppen, tot wie het document allereerst is gericht, hebben de opdracht het voor hun volk uit te leggen met de pastorale zin die hun eigen is en met de kennis welke zij hebben van het milieu waarin zij hun ambt uitoefenen.

20. De verklaring begint met de kerkelijke leer over de kwestie voor te houden. Dit moet in feite het uitgangspunt zijn. Wij zullen later zien, hoe noodzakelijk het is om getrouw de methode te volgen van het gebruik maken van de theologische vindplaats.

Traditie

21. Het is een onloochenbaar feit, zoals de verklaring opmerkt, dat de constante traditie van de katholieke kerk vrouwen van het episcopaat en het priesterschap heeft uitgesloten. Zij is zo constant geweest, dat er geen interventie door een plechtige beslissing van het leergezag nodig is geweest.

22. 'Dezelfde traditie', aldus benadrukt het document, 'hebben ook de oosterse kerken angstvallig bewaard, waarvan het eenstemmig gevoelen hierover des te opmerkelijker is, omdat hun recht op vele andere punten een grote verscheidenheid toelaat; en ook vandaag weigeren zij ook maar enigszins in te gaan op eisen die zich met de priesterwijding van vrouwen bezighouden'.(16)

23. Slechts bij enkele ketterse sekten van de eerste eeuwen, voornamelijk gnostische, vinden we pogingen om het priesterambt door vrouwen te laten uitoefenen. Verder dient te worden opgemerkt, dat ze zeer sporadisch voorkomen en bovendien verband houden met nogal discutabele praktijken.

24. Bekend zijn ze ons alleen door de ernstige afkeuring waarmee zij zijn genoemd door de heilige Irenaeus in zijn Adversus Haereses,(17) Tertullianus in De Praecriptione Haereticorum, (18) Firmilianus van Caesarea in een brief aan de heilige Cyprianus,(19) Origenes in een commentaar op de Eerste brief aan de Korintiërs,(20) en in het bijzonder door de heilige Epiphanius in zijn Panarion.(21)

25. Hoe moeten we de constante en universele praktijk van de kerk interpreteren? Een theoloog is er zeker van, dat de kerk, wat zij doet, in feite kan doen, omdat zij de bijstand heeft van de Heilige Geest. Dit is een klassiek argument dat men bij de heilige Thomas steeds weer aantreft met betrekking tot de sacramenten.(22)

26. Maar wat de kerk nooit heeft gedaan - is dat een bewijs, dat zij het niet in de toekomst kan doen? Wijst het zo negatief gestelde feit

27. op een norm, of moet het worden uitgelegd door historische en sociale en culturele omstandigheden? Kan er in het voorliggende geval een verklaring worden gevonden vanuit de positie van de vrouw in de oude en middeleeuwse samenleving en vanuit een bepaald idee van de mannelijke superioriteit afkomstig uit de cultuur van die samenleving?

28. Vanwege dit voorbijgaand cultureel element zijn argumenten die in het verleden ten aanzien van dit onderwerp zijn aangevoerd op vandaag nauwelijks te verdedigen. Het meest beruchte argument is dat welke door de heilige Thomas wordt samengevat: quia mulier est in statu subiectionis.(23) In de gedachte van Thomas is deze bewering echter geen loutere uitdrukking van een filosofische opvatting, aangezien hij het interpreteert in het licht van de verhalen in de eerste hoofdstukken van Genesis en de leer van de Eerste Brief aan Timóteüs (3, 12-14).

29. Een zelfde formule wordt eerder in het Decretum van Gratianus(24) aangetroffen, maar Gratianus die de karolingische capitularia en de valse áecretalen citeerde, probeerde veeleer met oudtestamentische voorschriften het verbod te rechtvaardigen - dat reeds door de oude kerk was geformuleerd(25) - voor vrouwen om het heiligdom binnen te gaan en aan het altaar te dienen.

30. De polemische argumenten van de afgelopen jaren hebben vaak deze teksten die deze argumenten ontwikkelen in herinnering gebracht en becommentarieerd. Zij hebben ze ook gebruikt om de kerkvaders te beschuldigen van vrouwenhaat. Het is waar, dat we in de geschriften van de vaders de onmiskenbare invloed van vooroordelen tegen vrouwen aantreffen. Maar er dient zorgvuldig te worden opgemerkt, dat deze passages weinig invloed hadden op hun pastorale activiteit, en nog minder op hun geestelijke leiding, zoals wij bij vluchtige lezing van hun correspondentie welke ons heeft bereikt, kunnen zien.

31. Vooral zou het een ernstige fout zijn te denken, dat dergelijke overwegingen de enige of de meest doorslaggevende redenen zouden verschaffen tegen de wijding van vrouwen in de gedachte van de vaders, de middeleeuwse schrijvers en de theologen van de klassieke periode. In de overdenkingen en erbuiten werd een steeds duidelijker uitdrukking gegeven aan het bewustzijn van de kerk, dat zij in de reservering van priesterwijding en priesterambt voor mannen gehoorzaamde aan een traditie die zij van Christus en de apostelen had ontvangen en waardoor zij zich gebonden voelde.

32. Dit is wat in de vorm van een apocrieve literatuur tot uitdrukking is gebracht door de oude documenten van de kerkelijke discipline van Syrië, zoals de Didascalia Apostolorum (midden derde eeuw)(26) en de apostolische constituties (eind vierde of begin vijfde eeuw),(27) en door de egyptische collectie van twintig pseudo-apostolische canons welke was opgenomen in de compilatie van de alexandrijnse Synodos en vertaald in veel talen.(28)

33. De heilige Johannes Chrysostomus van zijn kant begreep in zijn commentaar op hoofdstuk eenentwintig van Johannes goed, dat de uitsluiting van vrouwen van het pastorale ambt dat aan Petrus was toevertrouwd niet was gebaseerd op een natuurlijke onbekwaamheid, aangezien, zoals hij opmerkt, 'zelfs de meerderheid van mannen door Jezus van deze onmetelijke taak werd uitgesloten'.(29)

34. Vanaf het moment dat de leer over de sacramenten systematisch in scholen voor theologie en canoniek recht wordt voorgedragen, beginnen schrijvers zich beroepshalve met de aard en waarde van de traditie bezig te houden die de wijding alleen voor mannen heeft gereserveerd. De canonisten baseren hun standpunt op het beginsel geformuleerd door paus Innocentius III in een brief van 11 december 1210 aan de bisschoppen van Palencia en Burgos, een brief die was opgenomen in de collectie van decretalen: 'Ofschoon de allerheiligste maagd Maria alle apostelen in waardigheid en verhevenheid overtrof, heeft de Heer de sleutels van het hemelrijk niet aan haar, maar aan hen toevertrouwd’.(30) Deze tekst werd een locus communis voor de glossatores.(31) Voor de theologen zijn de volgende teksten veelbetekenend: de heilige Bonaventura: 'Ons standpunt is dit: het is niet zozeer dank zij een beslissing van de kerk als wel dank zij het feit, dat het wijdingssacrament niet voor haar bestemd is. In dit sacrament is de gewijde persoon een teken van Christus de middelaar'.(32)

35. Richard van Middletown, een franciscaan uit de tweede helft van de dertiende eeuw: 'De reden is, dat de kracht van de sacramenten afkomstig is van hun instelling. Maar Christus stelde dit sacrament in ten gunste alleen van mannen, niet van vrouwen'.(33)

36. Johannes Duns Scotus: 'Men kan niet houden, dat dit van de kerk afkomstig is. Het is afkomstig van Christus. De kerk zou zich niet de vrijheid veroorloofd hebben het vrouwelijk geslacht te beroven, want geen fout van dit geslacht zelf, van een daad kan er wettig betrekking op hebben'.(34) Durandus a Sancto Porciano: '... het mannelijk geslacht is noodzakelijk voor het sacrament. De hoofdoorzaak hiervan is de instelling van Christus... Christus wijdde alleen mannen ... zelfs niet zijn moeder... Daarom moet worden gehouden, dat vrouwen niet kunnen worden gewijd, vanwege de instelling van Christus'.(35)

37. Zo wekt het geen verwondering, dat tot in de moderne tijd de theologen en canonisten die zich met de kwestie hebben ingelaten bijna unaniem deze uitsluiting als absoluut en van goddelijke oorsprong beschouwen. De theologische kanttekeningen die zij bij de stelling plaatsen, variëren van 'theologisch zeker' (theologice certa) tot, soms, 'geloofsverwant' (fidei proxima) of zelfs 'geloofsleer' (doctrine fidei).(36) Klaarblijkelijk heeft tot de laatste decennia toe geen theoloog of canonist de zaak beschouwd als een eenvoudige wet van de kerk.

38. Bij sommige schrijvers van de middeleeuwen echter was er een zekere aarzeling, vermeld door de heilige Bonaventura zonder deze op zichzelf te betrekken(37) en opgemerkt ook door Joannes Teutonicus in zijn verklaring van Caus. 27, q. l, c.23.(38) Deze aarzeling komt voort uit de wetenschap, dat er in het verleden diaconessen zijn geweest: hebben zij een echte sacramentele wijding ontvangen? Dit probleem is zeer recent weer actueel geworden.

39. Overigens was het de zeventiende- en achttiende-eeuwse theologen, die een uitstekende kennis hadden van de literatuurgeschiedenis, geenszins onbekend. In elk geval is het een kwestie die door directe studie van de teksten geheel hernomen dient te worden, zonder vooringenomenheid; vandaar dat de Heilige Congregatie voor de geloofsleer van oordeel was, dat het nog een kwestie diende te blijven voor de toekomst en niet in het huidige document diende te worden aangeroerd.

De houding van Christus

40. Het blijkt dus, dat in het licht van de traditie de wezenlijke reden die de kerk ertoe heeft gebracht om alleen mannen tot het wijdingssacrament en de strikt priesterlijke bediening te roepen haar bedoeling is om trouw te blijven aan het soort gewijde bediening zoals deze door de Heer Jezus Christus is gewild en zorgvuldig is gehandhaafd door de apostelen. Het is daarom niet verwonderlijk, dat in het geschil een zorgvuldig onderzoek heeft plaats gehad naar de feiten en de teksten van het Nieuwe Testament, waarin de traditie een normatief voorbeeld heeft gezien.

41. Dit brengt ons op een fundamenteel gezichtspunt: men moet niet verwachten, dat het Nieuwe Testament op zichzelf op een duidelijke manier de kwestie van een eventuele toelating van vrouwen tot het priesterschap kan oplossen, evenmin als het ons op zich alle inzicht kan geven over bepaalde sacramenten en in het bijzonder over de structuur van het wijdingssacrament.

42. Wanneer men zich alleen wil houden aan de heilige tekst en aan de historische punten van de oorsprong van het christendom die kunnen worden achterhaald door de tekst op zichzelf te analyseren, houdt dat in, dat men vier eeuwen in de geschiedenis terug gaat, waarbij men zich dan eens te meer bevindt in de reformatorische controversen. We kunnen de studie van de traditie niet achterwege laten: de kerk onderzoekt de bedoeling van de Heer door het lezen van de Heilige Schrift en het is de kerk die getuigenis geeft van de juistheid van de interpretatie.

43. Het is de traditie die onophoudelijk als een uitdrukking van Christus' wil het feit naar voren heeft gebracht, dat Hij alleen mannen heeft uitgekozen om de groep van twaalf te vormen. Er bestaat hierover geen discussie, maar kan niet absolute zekerheid worden bewezen, dat het een vrije beslissing was van Christus.

44. Het is begrijpelijk, dat de voorstanders van een verandering in de discipline alle krachten inzetten om de betekenis van dit feit ongedaan te maken. Zij werpen met name tegen, dat, wanneer (Christus geen vrouwen opnam in de groep van twaalf, dat gebeurde, omdat de vooroordelen van zijn tijd hem dat niet toestonden - het zou een onvoorzichtigheid zijn geweest die zijn werk onherstelbaar zou hebben geschaad.

45. Niettemin moet worden erkend, dat Jezus niet terugschrok voor andere 'onvoorzichtigheden', waardoor hij zich in feite de vijandschap van zijn medeburgers op de hals haalde, bijzonder door zijn vrijheid met betrekking tot de rabbijnse interpretaties van de sabbat. Ten opzichte van de vrouw was zijn houding totaal nieuw: alle commentatoren erkennen, dal hij zich keerde tegen vele vooroordelen, en de feiten die hiervan getuigen, lopen op tot een indrukwekkend geheel.

46. Daarom wordt er nu op een andere tegenwerping grotere nadruk gelegd: als Jezus alleen mannen uitkoos om de groep van de twaalf te vormen, was dat, omdat Hij hen bedoelde als symbool om de vaders van de twaalf stammen van Israël te representeren (Gij die mij gevolgd zijt, zult gezeten zijn op twaalf tronen en heersen over de twaalf stammen van Israël': Mt. 19, 28: vgl. Lc. 22, 30); dit bijzonder motief, zo wordt eraan toegevoegd, had duidelijk alleen betrekking op de twaalf en zou geen bewijs zijn, dat het apostolisch ambt daarna altijd aan mannen zou zijn voorbehouden. Het is geen overtuigend argument.

47. Wij willen in de eerste plaats aantekenen, hoe weinig belang er aan dit symbolisme werd gegeven: Marcus en Johannes vermelden het niet. En in Matteüs en Lucas wordt dit woord van Jezus over de twaalf stammen van Israël niet geplaatst in de context van de roeping van de twaalf (Mt. 10, 1-4). maar in een betrekkelijk laat stadium van Jezus' openbaar leven, wanneer de apostelen reeds lang hun 'statuut' hebben gekregen: zij zijn door Jezus geroepen, hebben met Hem gewerkt en zijn uitgezonden.

48. Bovendien is het symbolisme van Mt. 19, 28 en Lc. 22, 30 niet zo zeker als wordt gezegd: het getal twaalf zou heel eenvoudig het geheel van Israël kunnen betekenen. Tenslotte houden deze twee teksten zich slechts bezig met een bijzonder aspect van de zending van de twaalf: Jezus belooft hun, dat zij zullen deelnemen aan het eschatologisch oordeel.(39) Daarom moet de wezenlijke betekenis van hun uitverkiezing niet worden gezocht in dit symbolisme maar in de totaliteit van de zending die zij van Jezus hadden ontvangen: 'Hij stelde er twaalf aan om Hem te vergezellen en door Hem uitgezonden te worden om te prediken' (Mc. 3, 14).

49. Zoals Jezus vóór hen, waren de twaalf er vooral om het evangelie te prediken (Mc. 3, 14; 6, 12). Hun zending in Galilea (Mc. 6, 7-13) zal het model worden van de universele zending (Mc. 12, 10; vgl. Mt. 28, 16-20). Binnen het messiaanse volk vertegenwoordigen de twaalf Jezus. Dat is de werkelijke reden, waarom het passend is, dat de apostelen mannen moeten zijn: zij handelen in naam van Christus en moeten zijn werk voortzetten. Het is boven beschreven, hoe paus Innocentius III een getuigenis zag van de bedoelingen van Christus in het feit, dat Christus de macht niet meedeelde aan zijn moeder, ondanks haar eminente waardigheid, maar aan de apostelen.

50. Dit is een van de argumenten die door de traditie het meest worden genoemd: de vaders stellen Maria wat dit betreft als voorbeeld van de wil van Christus en wel vanaf de derde eeuw.(40) Het is een argument dat tot op vandaag bijzonder dierbaar is aan de christenen van het oosten. Niettemin wordt het met kracht verworpen door degenen die pleiten voor de wijding van vrouwen.

51. Maria's goddelijk moederschap, de wijze waarop zij verbonden was met het verlossend werk van haar Zoon, zeggen zij, plaatst haar op een totaal uitzonderlijke en unieke hoogte; en het zou zelfs niet fair zijn haar met de apostelen te vergelijken en te argumenteren vanuit het feit, dat haar onder hen geen plaats was toegekend.

52. In feite hebben deze overwegingen het voordeel, dat zij ons begrijpelijk maken, dat er binnen de kerk verschillende functies zijn: de gelijkheid van de christenen is in harmonie met de complementaire aard van hun opdrachten, en het sacramenteel ambt is niet de enige orde van grootheid, noch noodzakelijk de hoogste: het is een vorm van dienst aan het koninkrijk. De maagd Maria heeft geen behoefte aan een vermeerdering van haar 'waardigheid' welke haar eens werd toegekend door de auteurs van de speculaties over het priesterschap van Maria welke een afwijkende tendens vormde die weldra in diskrediet raakte.

De praktijk van de apostelen

53. De tekst van de verklaring legt de nadruk op het feit, dat Maria, ondanks de bevoorrechte plaats die zij had in de opperzaal na de hemelvaart, niet werd aangewezen voor toetreding tot het college van de twaalf ten tijde van de verkiezing van Mattias. Hetzelfde geldt voor Maria Magdalena en de andere vrouwen die toch de eersten waren geweest om het nieuws van de verrijzenis te brengen.

54. Het is waar, dat de joodse mentaliteit geen grote waarde toekende aan het getuigenis van vrouwen, zoals door de joodse wet wordt aangetoond. Maar men moet daarbij ook opmerken, dat de Handelingen van de Apostelen en de brieven van de heilige Paulus nadruk leggen op de rol van de vrouwen bij de evangelisatie en het onderricht van individuele bekeerlingen.

55. De apostelen werden ertoe gebracht een revolutionaire beslissing te nemen, toen zij uit hun eigen kring van de joodse gemeenschap moesten treden en moesten beginnen aan de evangelisatie van de heidenen. De breuk met de mozaïsche gebruiken was niet zonder onenigheid tot stand gekomen. Paulus had zich geen scrupules gemaakt bij zijn keuze van een van zijn medewerkers, Titus, die een van de bekeerlingen uit de heidenen was (Gal. 2, 3).

56. De meest spectaculaire uitdrukking van de verandering welke het evangelie in de mentaliteit van de eerste christenen had bewerkt, treft men nauwkeurig aan in de Brief aan de Galaten: 'Want gij allen die in Christus zijt gedoopt, zijt met Christus bekleed. Er is geen jood of heiden meer, er is geen slaaf of vrije, er is geen man of vrouw: allen tezamen zijt gij één persoon in Christus Jezus' (Gal. 3, 27-28).

57. Ondanks dat vertrouwden de apostelen vrouwen niet het strikt apostolisch ambt toe, ofschoon de hellenistische beschaving niet dezelfde vooringenomenheid ten opzichte van haar had als het jodendom. Het is eerder een ambt van een andere orde, zoals misschien uit het paulinisch woordgebruik valt op te maken, waarin een verschil lijkt te worden gemaakt tussen 'mijn medewerkers' (synergoi mou) en 'Gods medewerkers' (Theou synergoi).(41)

58. Herhaald moet worden, dat de teksten van het Nieuwe Testament, zelfs op zulke belangrijke punten als de sacramenten, niet altijd dat volle licht geven dat men erin zou wensen aan te treffen. Tenzij de waarde van de ongeschreven tradities wordt erkend, is het soms moeilijk in de schrift heel uitdrukkelijk aanwijzingen te vinden van de wil van Christus. Maar met het oog op de houding van Jezus en de praktijk van de apostelen die men in de evangeliën, de Handelingen en de brieven aantreft, heeft de kerk niet gemeend, dat zij gemachtigd is vrouwen tot de priesterwijding toe te laten.

Blijvende waarde van deze praktijk

59. Juist de besténdigheid van deze negatieve beslissing wordt door degenen die de wettigheid van de wijding van vrouwen zouden willen doen aanvaarden, aangevochten. De tegenwerpingen die hierbij worden gemaakt, gebruiken de meest verschillende argumenten.

60. De meest klassieke zoeken een fundament in de historische omstandigheden. We hebben reeds gezien, wat men moet denken van de mening volgens welke de houding van Jezus alleen zou zijn ingegeven door omzichtigheid, omdat Hij het risico niet wilde lopen, dat zijn werk zou worden gecompromitteerd door in te gaan tegen sociale vooroordelen. Dezelfde omzichtigheid, zegt men, werd de apostelen opgelegd.

61. Ook hier is het vanuit de apostolische periode duidelijk, dat er voor deze uitleg geen grond is. Zou men echter in het geval van de apostelen geen rekening moeten houden met de wijze waarop zijzelf deel hadden aan deze vooroordelen? Zo is de heilige Paulus beschuldigd van vrouwenhaat en in zijn brieven treft men teksten aan over de ondergeschiktheid van vrouwen welke op het ogenblik onderwerp van controverse zijn tussen exegeten en theologen.

62. De vraag kan worden gesteld, of twee van Paulus' meest bekende teksten over vrouwen authentiek zijn óf dat ze veeleer moeten worden gezien als interpolaties, misschien zelfs relatief late. De eerste is 1 Kor. 14, 34-35: 'De vrouwen moeten in uw bijeenkomsten zwijgen. Het is hun niet toegestaan het woord te nemen; zij moeten ondergeschikt blijven, zoals trouwens de wet het voorschrijft'. Deze twee verzen, nog afgezien van het feit, dat zij ontbreken in enkele belangrijke manuscripten en niet worden vermeld voor het einde van de tweede eeuw, vertonen stilistische bijzonderheden die Paulus vreemd zijn. De andere tekst is 1 Tim. 2, 11-14: 'Ik sta haar niet toe zelf onderricht te geven of de man te overheersen'. De paulinische authenticiteit van deze tekst is dikwijls bediscussieerd, ofschoon de argumenten zwakker zijn.

63. Hoe het zij, het is van weinig belang, of deze teksten authentiek zijn of niet: theologen hebben er een overvloedig gebruik van gemaakt om uit te leggen, dat vrouwen de macht van het leergezag noch die van de jurisdictie kunnen ontvangen. Met name de tekst van 1 Tim. verschafte de heilige Thomas het bewijs, dat de vrouw zich in een staat bevindt van onderdanigheid of dienstbaarheid, aangezien (zoals de tekst zegt) de vrouw na de man was geschapen en de eerst verantwoordelijke persoon was voor de erfzonde.

64. Maar er zijn andere paulinische teksten van onbetwiste authenticiteit die stellen: 'de man is het hoofd van de vrouw' (1 Kor. 11, 3; vgl. 8-12; Ef. 5, 22-24). De vraag mag worden gesteld, of deze kijk op de man, welke ligt in de lijn van de boeken van het Oude Testament, niet aan de basis ligt van de overtuiging van Paulus en de traditie van de kerk, dat vrouwen de wijding tot het ambt niet kunnen ontvangen.

65. Welnu, dit is een visie die de moderne samenleving categorisch verwerpt en vele hedendaagse theologen zouden ervoor terugschrikken het zonder nuanceringen te moeten aanvaarden. We mogen er echter bij opmerken, dat Paulus zijn standpunt niet filosofisch naar voren brengt, maar bijbel-historisch: wanneer hij met betrekking tot het huwelijk het symbolisme van de liefde beschrijft, ziet hij niet de superioriteit van de man als overheersing maar als een gave welke offers vraagt, naar het beeld van Christus.

66. Anderzijds zijn er in de geschriften van Paulus voorschriften welke op vandaag unaniem als voorbijgaand worden beschouwd, zoals de verplichting die hij vrouwen oplegde om een sluier te dragen (1 Kor. 11, 2-16). Het is waar, dat het hier duidelijk over disciplinaire praktijken gaat die van weinig belang zijn, misschien ingegeven door de gewoonten van de tijd. Maar dan ontstaat de meer fundamentele vraag: indien de kerk later voorschriften die deel uitmaken van het Nieuwe Testament kan loslaten, waarom zou zij dat niet kunnen met betrekking tot de uitsluiting van vrouwen van de wijdingen?

67. Hier ontmoeten we eens te meer het wezenlijke beginsel, dat de kerk zelf, in de verschillende sectoren van haar leven, het onderscheid garandeert tussen wat kan veranderen en wat als onveranderlijk moet blijven. Zoals de verklaring specificeert: 'De kerk is daarom van mening, dat zij zich bepaalde veranderingen niet kan veroorloven, omdat zij zich gehouden weet aan de handelwijze van Christus: verre van zich te laten leiden door een bedrieglijke belangstelling voor het oude, houdt zij vast aan de trouw voor haar Heer, in wiens licht alleen de ware aard van haar oordeel kan worden verstaan. De kerk spreekt haar mening uit, steunend op de belofte van de Heer en de aanwezigheid van de Heilige Geest, met de bedoeling, dat het mysterie van Christus duidelijker wordt verkondigd en met groter zorg zijn volle rijkdom wordt bewaard en getoond'.

68. Veel van de kwesties waarmee de kerk wordt geconfronteerd als resultaat van de talrijke argumenten die naar voren worden gebracht ten gunste van de wijding van vrouwen moeten in het licht van dit beginsel worden beschouwd. Een voorbeeld is de volgende kwestie waarmee de verklaring zich heeft beziggehouden: waarom wil de kerk haar discipline niet veranderen, sinds zij het besef heeft dat zij een zekere macht over de sacramenten heeft, hoewel zij door Christus zijn ingesteld, om het teken te bepalen of de voorwaarden vast te leggen voor hun toediening? Welnu, deze bevoegdheid blijft beperkt, zoals door Pius XII in herinnering is gebracht, waarbij hij een echo vormde van het concilie van Trente: de kerk heeft geen macht over de substantie van de sacramenten.(42) De kerk zelf moet onderscheiden, wat de 'substantie van de sacramenten' vormt en wat zij eventueel kan preciseren of wijzigen, indien de omstandigheden dit zouden suggereren.

69. Op dit punt moeten we vervolgens in herinnering brengen, zoals de Verklaring doet, dat de sacramenten en de kerk zelf nauw aan de geschiedenis gebonden zijn, aangezien het christendom het resultaat is van een gebeurtenis: het komen van de Zoon van God in de tijd en in een land, en zijn dood op het kruis onder Pontius Pilatus buiten de muren van Jeruzalem. De sacramenten vormen een gedachtenisteken van heilsgebeurtenissen. Om deze reden zijn deze tekenen juist verbonden met deze gebeurtenissen. Zij staan in betrekking tot één beschaving, één cultuur, ofschoon zij bestemd zijn om overal te worden herhaald tot het einde der tijden.

70. Vandaar dat historische keuzen zijn gemaakt waaraan de kerk gebonden is, ook wanneer men zich absoluut gesproken en op een speculatief niveau andere keuzen zou kunnen voorstellen. Dit, bijvoorbeeld, geldt voor het geval van brood en wijn als materie voor de eucharistie, want de mis is niet hetzelfde als een broederlijk maal, maar de vernieuwing van het avondmaal des Heren en het gedenkteken van zijn lijden en dus verbonden met een historisch feit.(43)

71. Er is eveneens opgemerkt, dat de kerk in de loop van de tijd erin heeft toegestemd waarachtige ministeriële functies aan vrouwen toe te vertrouwen welke de oudheid haar juist krachtens het voorbeeld en de wil van Christus had geweigerd te geven. De functies betreffen voornamelijk de toediening van het doopsel, onderricht en bepaalde vormen van kerkelijke jurisdictie.

72. Wat echter het doopsel betreft, was het in het syrisch sprekende oosten zelfs aan diaconessen niet toegestaan het toe te dienen en de plechtige toediening is nog een hiërarchische handeling voorbehouden aan de bisschop, priester en, in ondergeschikte zin, aan de diaken. In urgente gevallen kan het doopsel niet alleen door christenen maar zelfs door ongedoopte mensen zowel mannen als vrouwen worden toegediend.

73. Zijn geldigheid vereist daarom niet het merkteken van het doopsel, nog minder dat van de wijding. Dit punt wordt bevestigd door de praktijk en door de theologen. Het is een voorbeeld van dit noodzakelijke onderscheid in de leer en de praktijk van de kerk, een onderscheid waarvan de garantie alleen de kerk zelf is.

74. Wat betreft het onderricht, moet er een klassiek onderscheid worden gemaakt, te beginnen met de brieven van Paulus. Er zijn vormen van onderricht of stichting die leken uitvoeren en in dat geval noemt de heilige Paulus uitdrukkelijk vrouwen. Deze vormen bevatten de gaven van 'profetie' (1 Kor. 11, 15).

75. In deze zin vormde het geen belemmering om Teresia van Avila en Catharina van Siëna de titel van leraar te geven, zoals deze ook was toegekend aan beroemde leraren als Albertus de Grote of de heilige Laurentius van Brindisi. Een heel andere zaak is de officiële en hiërarchische functie van de onderrichting van de geopenbaarde boodschap, een functie welke het ontvangen van de zending van Christus door de apostelen veronderstelt en door hen overgedragen aan hun opvolgers.

76. Voorbeelden van deelneming van vrouwen aan de kerkelijke jurisdictie zijn in de middeleeuwen te vinden: sommige abdissen (niet abdissen in het algemeen, zoals soms in polariserende artikelen wordt gezegd) voerden handelingen uit welke normaal aan bisschoppen waren voorbehouden, zoals de benoeming van parochiepriesters of biechtvaders. Deze gewoontes zijn in verschillende periodes min of meer door de Heilige Stoel gehekeld: de boven reeds genoemde brief van paus Innocentius III was bedoeld als een berisping aan de abdis van Las Huelgas.

77. Maar we moeten niet vergeten, dat feodale heren zichzelf dezelfde rechten aanmatigden. Ook de canonisten lieten de mogelijkheid toe, dat de jurisdictie gescheiden kon zijn van het wijdingssacrament. Het Tweede Vaticaans Concilie heeft geprobeerd beter de relatie tussen de twee te bepalen; de leerstellige visie van het concilie zal ongetwijfeld haar uitwerkingen hebben op de discipline.

78. In meer algemene zin worden er pogingen ondernomen, speciaal in anglicaanse kringen, om het debat op de volgende wijze te verbreden: is de kerk misschien gebonden aan schrift en traditie als een absoluut gegeven, als de kerk een pelgrimerend volk is en moet luisteren naar wat de Geest zegt? Of moet men onderscheid maken tussen wezenlijke punten waarin er eenstemmigheid moet zijn en disciplinaire kwesties welke verscheidenheid toestaan: en als de conclusie is, dat de wijding van vrouwen hoort tot deze secundaire zaken, zou het voor de ontwikkeling naar de eenheid van de kerken geen belemmering hoeven te zijn.

79. Hier is het opnieuw de kerk die door haar praktijk en haar leergezag beslist wat eenstemmigheid vereist en deze onderscheidt van een aanvaardbare of wenselijke verscheidenheid. Het probleem van de wijding van vrouwen raakt te direct het wezen van het ambtelijk priesterschap om te kunnen aanvaarden, dat het wordt opgelost in het kader van een gewettigde verscheidenheid binnen de kerken. Dat is heel de bedoeling van de brief van paus Paulus aan de aartsbisschop van Canterbury.

Het ambtelijk priesterschap in het licht van het Christus-mysterie

80. In de verklaring is er een duidelijk onderscheid te zien tussen de bevestiging van het gegeven (de met gezag voorgehouden leer in de voorafgaande paragrafen) en de theologische reflectie die erop volgt. Hierbij probeert de Heilige Congregatie voor de geloofsleer 'deze norm toe te lichten door haar gepastheid aan te tonen', om te vinden: 'dat alleen mannen tot het ontvangen van de priesterwijding worden geroepen, staat in nauw verband met de eigen aard van het sacrament en zijn bijzondere verhouding tot het Christus-mysterie'.

81. Op zichzelf is zo'n onderzoek niet zonder risico. Hoewel het leergezag niet bindt. Het is bekend, dat in een plechtige leeruitspraak de onfeilbaarheid de leerstellige verklaring raakt, niet echter de argumenten die tot uitleg dienen. Zo bevatten de leerhoofdstukken van het concilie van Trente bepaalde wijzen van argumentatie die op vandaag niet steekhoudend meer schijnen.

82. Maar dit risico heeft het leergezag er nooit van weerhouden te allen tijde te proberen de leer door geloofsanalogieën te verduidelijken. Bijzonder op vandaag is het meer dan ooit onmogelijk zich tevreden te stellen met het maken van verklaringen, met beroep te doen op de intellectuele volgzaamheid van de christenen: het geloof zoekt te begrijpen, en probeert de gronden te onderscheiden voor, en de samenhang van wat wordt geleerd.

83. Wij hebben reeds uitgeweid over een groot aantal verklaringen van middeleeuwse theologen. Het algemeen tekort van deze verklaringen is, dat zij er aanspraak op maken hun grond te vinden in een ondergeschiktheid van vrouwen ten opzichte van mannen; zij leidden deze ondergeschiktheid af uit de leer van de schrift, dat de vrouw zich bevond 'in een staat van ondergeschiktheid', van onderwerping, en dus niet in staat was bestuursfuncties uit te oefenen.

84. Het is zeer verhelderend op te merken, dat de gemeenschappen ontstaan uit de reformatie die geen moeilijkheden hadden om vrouwen toe te laten tot het pastorale ambt eerst en vooral de gemeenschappen zijn die de katholieke leer van het wijdingssacrament hebben verworpen en belijden, dat de pastor slechts een gedoopte is tussen andere gedoopten, ook als de gegeven opdracht voorwerp is geweest van een wijding.

85. Daarom suggereert de verklaring, dat we alleen door het wezen en het karakter van het wijdingssacrament te ontleden de uitleg zullen vinden van de exclusieve roeping voor mannen tot het priesterschap en het episcopaat. Deze ontleding kan in drie stellingen worden geschetst: 1) in de bediening van de sacramenten die het wijdingsmerkteken vragen, handelt de priester niet in eigen naam (in persona propria), maar in de persoon van Christus (in persona Christi); 2) deze formule, zoals deze door de traditie verstaan wordt houdt in, dat de priester een teken is in de zin zoals deze term wordt begrepen in de sacramentele theologie; 3) juist omdat de priester een teken van Christus de Verlosser is, moet hij een man zijn en geen vrouw.

86. Dat de priester de eucharistie viert en de zondaars verzoent in de naam en de plaats van Christus, wordt herhaaldelijk door het leergezag bevestigd en constant geleerd door de vaders en theologen. Het lijkt niet zinvol een veelheid aan citaten te geven om dit te illustreren. Het is de totaliteit van het priesterambt dat, naar Paulus zegt, in naam van Christus wordt uitgeoefend: wij zijn dus gezanten van Christus, God roept u op door ons woord' - in feite heeft deze tekst van 2 Korintiërs het ambt van de verzoening op het oog (5, 18-20) - 'ge (hebt me) opgenomen als een bode van God, als Christus Jezus zelf' (Gal. 4, 14).

87. Op gelijke wijze herhaalt de heilige Cyprianus de heilige Paulus: 'De priester handelt werkelijk in plaats van Christus'.(44) Maar theologische reflectie en kerkelijk leven hebben ertoe geleid in de uitoefening van het ambt de min of meer nauwe banden te onderscheiden die de verschillende acten hebben met het merkteken van de wijding en te specificeren welke dit merkteken voor de geldigheid vereisen.

88. Te zeggen 'in de naam en in de plaats van Christus' is echter niet voldoende om volledig de aard en de band uit te drukken tussen de bedienaar en Christus zoals dat door de traditie wordt verstaan. De formule in persona Christi suggereert in feite een betekenis die het dicht brengt bij de griekse uitdrukking mimêma Christou.(45) Het woord persona betekent een rol die werd gespeeld in het oude theater, een rol die met een bepaald masker werd geïdentificeerd. De priester neemt de rol van Christus op zich, waarbij hij Hem zijn stem en gebaren leent.

89. De heilige Thomas drukt deze opvatting juist uit: dat 'de priester het beeld van Christus opvoert, in wiens persoon en kracht hij de woorden om te consacreren uitspreekt’.(41) De priester is daarom een waarachtig teken in de sacramentele zin van het woord. Het zou een zeer enge visie op de sacramenten zijn, indien men het begrip teken alleen liet slaan op materiële bestanddelen.

90. Elk sacrament vervult het begrip op een andere manier. De reeds vermelde tekst van de heilige Bonaventura bevestigt dit zeer duidelijk: 'de gewijde persoon is een teken van de Middelaar Christus'.(47)

91. Ofschoon de heilige Thomas als reden om vrouwen uit te sluiten de veel besproken reden van de staat van onderdanigheid (status subiectionis), aangaf, nam hij echter als uitgangspunt het beginsel: 'sacramentele tekenen maken op grond van een natuurlijke gelijkenis aanschouwelijk',(48) met andere woorden de noodzakelijkheid van deze 'natuurlijke gelijkenis' tussen Christus en de persoon die zijn teken is. En naar aanleiding nog altijd van hetzelfde punt herinnert de heilige Thomas eraan: 'want omdat het sacrament een teken is, wordt voor hetgeen in het sacrament wordt bewerkt niet alleen de zaak vereist, maar ook de betekenis van de zaak'.(49)

92. Het zou niet overeenkomen met die 'natuurlijke gelijkenis', met die voor de hand liggende 'betekenis', als de gedachtenis van het avondmaal door een vrouw werd gesteld, want het gaat met betrekking tot de daden en woorden van Christus niet om een eenvoudige vertelling, maar om een handeling, en het teken is daadwerkelijk, omdat Christus tegenwoordig is in zijn bedienaar die de eucharistie viert, zoals geleerd wordt door het Tweede Vaticaans Concilie, in navolging van de encycliek Mediator Dei.(50)

93. Het is begrijpelijk, dat degenen die wijdingen van vrouwen voorstaan verschillende pogingen hebben ondernomen om de waarde van deze redeneringen te ontkennen. Het is voor de verklaring natuurlijk onmogelijk geweest en ook niet noodzakelijk in detail alle moeilijkheden te beschouwen die in dit opzicht konden ontstaan. Sommige van hen zijn echter van belang, in zover zij gelegenheid bieden om een dieper begrip te verkrijgen van de traditionele beginselen.

94. Laat ons eens de tegenwerping beschouwen welke soms te berde wordt gebracht, dat de wijding - het merkteken - en niet het man-zijn de priester tot de vertegenwoordiger van Christus maakt. Natuurlijk is het het merkteken, bij de wijding ontvangen, dat de priester in staat stelt de eucharistie te vieren en boetelingen te verzoenen. Maar het merkteken is geestelijk en onzichtbaar (res et sacramentum). Op het niveau van het teken (sacramentum tantum) is het noodzakelijk, dat de priester tegelijkertijd de oplegging van de handen heeft ontvangen en ook dat hij de rol van Christus speelt. Daarom eisen de heilige Thomas en de heilige Bonaventura van het teken, dat het een natuurlijke zinvolheid heeft.

95. In verschillende vrij recente publikaties zijn pogingen ondernomen om het belang van de formule in persona Christi af te zwakken door meer nadruk te leggen op de formule in persona Ecclesiae. Want het is een ander groot beginsel van de theologie van de sacramenten en de liturgie, dat de priester de liturgie voorzit in naam van de kerk en de bedoeling moet hebben 'te doen wat de kerk doet'.

96. Zou men kunnen zeggen, dat de priester niet Christus vertegenwoordigt, omdat hij eerst en vooral de kerk vertegenwoordigt door het feit van zijn wijding'? Het antwoord van de verklaring op deze opwerping is, dat, geheel integendeel, de priester de kerk precies vertegenwoordigt, omdat hij eerst Christus zelf vertegenwoordigt, die het hoofd en de herder van de kerk is. Zij wijst op verschillende teksten van het Tweede Vaticaans Concilie die deze leer uitdrukkelijk stellen.

97. En misschien is dit inderdaad een van de kernpunten, een van de belangrijke aspecten van de theologie van de kerk en van het priesterschap welke ten grondslag liggen aan het debat over de wijding van vrouwen. Wanneer de priester de bijeenkomst voorzit, is het niet de bijeenkomst die hem heeft gekozen of aangewezen om deze rol te vervullen. De kerk is niet een spontane samenkomst. Zoals de naam ecclesia aangeeft, is het een bijeenkomst die bijeen geroepen is. Christus roept haar bijeen. Hij is het hoofd van de kerk en de priester zit voor 'in de persoon van Christus het hoofd' (in persona Christi capitis).

98. Daarom concludeert de Verklaring terecht: 'Mogen tenslotte uit deze geschillen, die in onze tijd ontstaan zijn, of vrouwen al of niet de wijding mogen ontvangen, de christenen zich aangespoord voelen het mysterie van de kerk te onderzoeken, de natuur en de betekenis van het bisschops- en priesterambt nauwkeuriger te bestuderen en ook de authentieke en aparte plaats van de priester binnen de gemeenschap van de gedoopten weer te ontdekken, waarvan hij weliswaar een lid is, maar toch onderscheiden, omdat bij die handelingen waarvoor het wijdingsmerkteken vereist wordt de priester, met die werkdadigheid die eigen is aan de sacramenten, het beeld en het teken van Christus zelf is, die samenroept, vergeeft en het offer van het verbond voltrekt'.

99. De opponenten vervolgen echter: het zou inderdaad belangrijk zijn, dat Christus vertegenwoordigd zou worden door een man, indien het man-zijn van Christus een wezenlijke rol in de heilseconomie speelde. Welnu, zeggen zij, men kan aan het geslacht geen bijzondere plaats in de hypostatische vereniging toekennen: wat wezenlijk is, is de menselijke natuur - niet meer - die door het Woord wordt aangenomen, niet de incidentele kenmerken zoals sekse of zelfs ras. Indien de kerk toestaat, dat mannen van alle rassen Christus geldig kunnen vertegenwoordigen, waarom kent zij vrouwen die bevoegdheid dan niet toe om Hem te vertegenwoordigen?

100. Wij moeten hierop eerst en vooral antwoorden, met de woorden van de verklaring, dat etnische verschillen 'de menselijke persoon niet zo diep raken als het verschil in geslacht'. Op dit punt stemt de bijbelse leer overeen met de moderne psychologie. Het verschil tussen de geslachten is echter iets wat door God vanaf het begin is gewild, volgens het verhaal in Genesis (dat overigens het evangelie ook aanhaalt), met het oog op de gemeenschap tussen mensen en om menselijke wezen voort te brengen. En eerst en vooral moet worden gesteld, dat het feit, dat Christus een man is en geen vrouw, niet bijkomstig noch onbelangrijk is met betrekking tot de heilseconomie.

101. In welke zin? Natuurlijk niet in de materiële zin, zoals soms gesuggereerd in polemieken om haar in diskrediet te brengen, maar omdat heel de heilseconomie aan ons geopenbaard is door wezenlijke symbolen waarmee zij onlosmakelijk is verbonden, zonder welke Gods raadsbesluit niet te begrijpen zou zijn. Christus is de nieuwe Adam. Gods verbond met de mensen wordt in het Oude Testament gepresenteerd als een bruidsmysterie, waarvan de definitieve verwerkelijking het kruisoffer van Christus is.

102. De verklaring presenteert kort de stadia die de voortgaande ontwikkeling van dit bijbelse thema, onderwerp van veel exegetische en theologische studies, markeren. Christus is de bruidegom van de kerk, die Hij voor zich verwierf door zijn bloed, en het heil dat door Hem is gebracht, is het nieuwe verbond: door deze taal te gebruiken, toont de openbaring, waarom de menswording zich heeft gerealiseerd volgens het mannelijk geslacht en maakt zij het onmogelijk deze historische werkelijkheid te ontkennen. Om deze reden kan alleen een man de rol spelen van Christus, een teken zijn van zijn tegenwoordigheid, kortom Hem vertegenwoordigen (dat wil zeggen een effectief teken zijn van zijn tegenwoordigheid) bij de wezenlijke handelingen van het verbond.

103. Zou men bij het overbrengen van de boodschap, in de beschouwing van het mysterie en in het liturgisch leven voorbij kunnen gaan aan dit bijbels symbolisme? De vraag stellen, zoals in sommige recente studies is gedaan, is de hele structuur van de openbaring ter discussie stellen en de waarde van de schrift verwerpen. Het betekent bijvoorbeeld, dat 'in elke periode de kerkelijke gemeenschap beroep doet op het gezag dat zij van haar Stichter heeft ontvangen om de beelden te kiezen die haar in staat stellen Gods openbaring te ontvangen'. Dat is misschien nog een grotere miskenning van de menselijke waarde van het bruidsthema in de openbaring van Gods liefde.

Het ambtelijk priesterschap in het mysterie van de kerk

104. Het is ook opvallend te zien, tot op welke hoogte de gerezen kwesties in de controverse over de wijding van vrouwen verbonden zijn met een bepaalde theologie van de kerk. Wij willen ons hierbij uiteraard niet ophouden met de buitensporige formules welke niettemin soms in theologische tijdschriften worden gebruikt. Een voorbeeld is de veronderstelling, dat de primitieve kerk gebaseerd was op charisma's die zowel vrouwen als mannen bezaten.(51) Een andere is de aanspraak, dat 'de evangeliën ook vrouwen als bedienaars van de zalving aanwezen'.(52) Anderzijds hebben we boven reeds de kwestie van verscheidenheid ontmoet welke binnen de eenheid kon worden toegestaan en hebben we gezien, wat haar grenzen zijn.

105. Wanneer men de toelating van vrouwen tot het priesterschap voorstelt op grond van het feit, dat zij in vele sectoren van het moderne leven leidende functies hebben verworven, dan gaat men voorbij aan het feit, dat de kerk geen samenleving is als andere en dat in haar het gezag of de macht van geheel andere aard is, omdat zij immers normaal verbonden is met het sacrament, zoals in de verklaring is benadrukt. Voorbijgaan aan dit feit, is inderdaad een bekoring welke het ecclesiologisch onderzoek in alle perioden heeft bedreigd: iedere keer dat een poging wordt ondernomen om kerkelijke problemen op te lossen door vergelijking met die van de staat, of door de kerkelijke structuur te definiëren met politieke categorieën, is het onvermijdelijke resultaat een impasse.

106. De verklaring wijst ook op het tekort in het argument dat het verzoek het priesterschap aan vrouwen toe te vertrouwen probeert te baseren op de tekst van Galaten, 3, 28, welke stelt, dat er in Christus niet langer een onderscheid bestaat tussen mannen en vrouwen. Voor de heilige Paulus is dit het gevolg van het doopsel. De doopcatechese van de vaders benadrukten dit vaak. Maar de absolute gelijkheid in het doopleven is iets geheel anders dan de structuur van de gewijde ambtsbediening. Deze laatste is het voorwerp van een roeping binnen de kerk, niet een recht dat inherent is aan de persoon.

107. Een roeping binnen de kerk bestaat niet louter of primair in het feit, dat men het verlangen openbaart naar een zending of zich voelt aangesproken door een innerlijke drang. Zelfs als deze spontane stap wordt gedaan en zelfs als men meende de roep te horen in het diepst van zijn ziel, is de roeping slechts authentiek vanaf het moment dat de uiterlijke roep van de kerk deze sanctioneert. Het Heilig Officie herinnerde aan deze waarheid in zijn brief van 1912 aan de bisschop van Aire om een einde te maken aan de Lahitton-controverse.(53) Christus koos 'die Hij wilde' (Mk 3, 13).

108. Daar het ambtelijk priesterschap iets is waartoe de Heer uitdrukkelijk en vrij roept, kan er geen aanspraak op worden gemaakt als op een recht, noch door mannen en noch door vrouwen. Zoals aartsbisschop Bernardin in zijn verklaring van oktober 1975 het wijs uitdrukte: 'Het zou een fout zijn... de kwestie van de wijding van vrouwen tot een onrechtvaardigheid te herleiden, zoals soms wordt gedaan. Het zou alleen juist zijn dit te doen, als de wijding een door God gegeven recht van elk individu was; alleen wanneer op een of andere wijze zonder dit iemands menselijke mogelijkheid niet zou kunnen worden vervuld. In feite, echter, kan niemand, noch man noch vrouw, aanspraak maken op een 'recht' op wijding. En omdat het bisschops- en priesterambt fundamenteel een ambt van bediening is, 'voltooit' de wijding op geen enkele wijze iemands mens-zijn'.(54)

109. De Verklaring van de Heilige Congregatie voor de geloofsleer eindigt met voor te stellen, dat pogingen in twee richtingen zouden worden bevorderd, pogingen waardoor de herders en de gelovigen van de kerk zouden worden afgeleid, indien dit geschil over de wijding van vrouwen voortduurde.

110. De ene richting is van leerstellige en geestelijke orde: besef van de verscheidenheid van taken in de kerk, waarbij gelijkheid nog geen vereenzelviging is, zou ons ertoe moeten brengen, zoals Paulus aanspoort, de ene gave na te streven die nagestreefd kan en moet worden, namelijk de liefde (1 Kor. 12-13). 'De grootsten in het rijk der hemelen zijn niet de bedienaren maar de heiligen', zegt de verklaring. Deze uitdrukking dient als motto te worden genomen.

111. De andere richting voor onze pogingen is van een apostolische en sociale orde. We hebben een lange weg te gaan, voordat mensen zich ten volle bewust worden van de grootheid van de vrouwelijke zending in kerk en maatschappij, 'zowel voor de vernieuwing en humanisering van de samenleving als voor de herontdekking door de gelovigen van het ware gezicht van de kerk'. Helaas hebben ook wij nog een lange weg te gaan, voordat alle ongelijkheden waarvan vrouwen nog het slachtoffer zijn, zijn verwijderd, niet alleen op het gebied van het openbare, beroepsmatige en intellectuele leven, maar zelfs binnen het gezin.

Voetnoten

Voetnoot 1. Zie met name: J.E. Havel, La question du pastorat féminin en Suède, in Archives de sociologie des religions, 4, 1959, blz. 207-249; F.R. Refoulé, Le problème des femmes-prêtres en Suède, in Lumière et Vie, 43, 1959, blz. 65-99.

Voetnoot 2. N. 22 (W. Nisel, Bekenntnisschriften und Kirchenordnungen..., München, 1939, blz. 11): 'quod... foeminis, quac Spiritus sanctus ne docere quidem in Ecclesia patitur, illi [papistae] permittunt ut etiam Baptismum administrarent'.

Voetnoot 3. Het standpunt van de katholieke kerk op dit punt werd duidelijk uitgesproken door Leo XIII in de brief Apostolicae Curae van 13 september 1896 (Leonis XIII Acta, 16, 1897, 258-275).

Voetnoot 4. Eerder, in 1944, riep zijn voorganger bisschop Hall een vrouw tot het priesterschap, maar zij moest zich van de uitoefening van het ambt onthouden wegens de krachtige tussenkomst van de aartsbisschoppen van York en Canterbury, die om oecumenische redenen de daad van de bisschop van Hongkong verwierpen.

Voetnoot 5. Brief van 9 juli 1975 aan de paus, in L'Osservatore Romano (engelse uitgave), 2 september 1976 (Archief van de Kerken 31 (1976), 934).

Voetnoot 6. Kard. Willebrands verklaarde dit tegenover enige episcopale bisschoppen van de Verenigde Staten van Amerika in september 1975, volgens het gepubliceerde verslag in Origins - NC Documentary Service, 9 oktober 1975 (Archief van de Kerken 30 (1975), 1171).

Voetnoot 7. Italiaanse vertaling gepubliceerd in L'osservatore Romano, 16-17 juni 1975.

Voetnoot 8. Brieven van Paulus VI aan dr Coggan, 30 november 1975 en 23 maart 1976: vgl. AAS 68 (1976), blz. 599-601 (Archief van de Kerken 31 (1976), 935-938).

Voetnoot 9. Op de Assemblee van de Wereldraad van Kerken in New Delhi in 1961 werd de Afdeling voor Geloof en Kerkorde gevraagd in samenwerking met de Afdeling voor Samenwerking van Mannen en Vrouwen in Kerk, Gezin en Samenleving een studie voor te bereiden over de theologische vragen die gerezen waren door het probleem van de wijding van vrouwen (vgl. Nouvelle Delhi 1961, Neuchâtel, 1962, blz. 166, 169 [Katholiek Archief 17 (1962), 375]). Voor de discussie over het probleem op de assemblee in Nairobi, zie E. Lanne, Points chauds de la Ve Assemblée mondial du Conseil oecumeenique des Églises à Nairobi..., in Revue théologique de Louvain, 7, 1976, blz. 197-199: Les femmes dans 1'Église (zie ook Archief van de Kerken 31 (1976), 344, 348).

Voetnoot 10. Tweede Vaticaans Concilie, decr. Apostolicam actuositatem, n. 9 (Katholiek Archief 21 (1966), 1015).

Voetnoot 11. Dit binnendringen van de sociologie in de hermeneutiek en theologie is misschien wel een van de belangrijkste elementen in het geschil. Dit is terecht benadrukt door B. Lambert, L'Église catholique peut-elle admettre des femmes à l'ordination sacerdotale, in Documentation Catholique 73, 1976, blz. 774: 'om in de verklaring van de traditie en de schrift datgene in het licht van de ontwikkeling van de samenleving en de kerk te corrigeren wat aan socio-culturele vormen, historische behoeften en omstandigheden was gebonden, maar thans verleden tijd is'.

Voetnoot 12. De uitspraak (verslagen in Le Monde van 19-20 september 1965) door J. Daniélou gedaan tijdens het concilie op een bijeenkomst van de Alliance Internationale Jeanne d'Arc. Hij kwam, misschien meer genuanceerd, op het onderwerp terug in het interview dat hij in de tijd van zijn verheffing tot kardinaal gaf, L'Expresse, 936, 16-22 juni 1969, blz. 122, 124: 'Men zou moeten onderzoeken, waar de echte redenen liggen die er de oorzaak van zijn, dat de kerk nooit het priesterschap van vrouwen heeft overwogen'.

Voetnoot 13. Origins – NCD Documentary Service, 16 oktober 1975: 'Eerlijkheid en bezorgdheid voor de katholieke gemeenschap... vragen, dat de leiders van de kerk niet de schijn wekken ongegronde hoop en verwachtingen te wekken, zelfs niet door hun zwijgen. Daarom ben ik verplicht de leer van de kerk, dat vrouwen niet tot priester kunnen worden gewijd, opnieuw te bevestigen'.

14. AAS 67 (1975), blz. 265.

Voetnoot 15. Brief van 30 november 1975: AAS 68 (1976), blz. 599 (Archief van de Kerken 31 (1976), 935).

Voetnoot 16. Vgl., bijvoorbeeld, het theologisch gesprek tussen katholieken en russisch-orthodoxen in Trente, 23-28 juni 1975: L'Osservatore Romano, 7-8 juli 1975; Documentation Catholique, 71, 1975, blz. 707.

Voetnoot 17. 1, 13, 2: PG 7, col. 580-581; Harvey-uitgave 1, 114-122.

Voetnoot 18. 41, 5: CCL 1, blz. 221.

Voetnoot 19. In de brieven van de heilige Cyprianus, 75: CSEL 3, blz. 817-818.

Voetnoot 20 Fragmenten gepubliceerd in Journal of Theological Studies, 10 (1909), blz. 41-42 (n. 74).

Voetnoot 21. Panarion, 49, 2-3: GCS 31, blz. 243-244; - 78, 23 en 79, 2-4; GCS 37, blz. 473, 477-479.

Voetnoot 22. Hl. Thomas, Summa Theol., 2a 2ae, q. 10, a. 12; 3a pars, q. 66, a. 10; q. 72, a. 4 en a. 12; q. 73, a. 4; q. 78, a. 3 en a. 6; q. 80, a. 12; q. 82, a. 2; q. 83, a. 3 en a. 5; - vgl. In IV Sent. Dist. 20, q. 1, a. 4, qa 1 ff: Dist. 23, q. 1, a. 4, qa 1, enz.

Voetnoot 23. Hl. Thomas, In IV Sent. Dist. 19, q. 1, a. 1, qa 3 ad 4um; Dist. 25, q. 2, a. 1, qa 1; vgl. q. 2, a. 2, qa 1, ad 4; Summa Theol., 2a 2ae, q. 177, a. 2.

Voetnoot 24. Dictum Gratiani in Caus. 34, q. 5, c. 11, ed. Friedberg, t. 1, col. 1254; vgl. R. Metz, La _femme en droit canonique mediéval, in Recuil de la Société Jean Bodin, 12, 1962, blz. 59-113.

Voetnoot 25. Canon 44 van de collectie bijeengebracht na het concilie van Laodicéa: H.T. Bruns, Canones Apostolorum et Conciliorum... t. 1, Bertolini, 1839, blz. 78; hl. Gelasius, Epist. 14, ad universos episcopos per Lucanium, Brutios et Siciliam constitutos, 11 maart 494, n. 26: A. Thiel, Epistolae Romanorum pontificum.... t. 1, Brunsbergae, 1868, blz. 376.

Voetnoot 26. Chap. 15: uitg. R.H. Connolly, blz. 133 en 142.

Voetnoot 27. Lib. 3, c. 6, na. 1-2; c. 9, 3-4; ed. F.X. Funk, blz. 191, 201.

Voetnoot 28. Can. 24-28; - griekse tekst in F.X. Funk, Doctrina Duode,cim Apostolorum, Tübingen, 1887, blz. 7l; T. Schermann, Die allgemeine Kirchenordnung.... t. 1, Paderborn, 1914, blz. 31-33; - syrische tekst in Octateuque de Clément, Lib. 3, c. 19-20; latijnse tekst in het Verona ms., Bibl. capit. LV, uitg. E. Tidner, Didascaliae Apostolorum, Canonum Ecclesiasticorum, Traditionis Apostolicae Versiones Latinae, Berlin, 1965 (TU 75), blz. 11-113. De koptische, ethiopische en arabische versies van de Synodos zijn voornamelijk vertaald en uitgegeven door G. Horner, The Statutes of the Apostles or Canones Ecclesiastici, Oxford University Press, 1915 (= 1904).

Voetnoot 29. De Sacerdotio 2, 2: PG 48, 633.

Voetnoot 30. Decretal. Lib. V, tit. 38, De paenit., can. 10 Nova: A. Friedberg, t. 2, kol. 886-887; Quia licet beatissima Virgo Maria dignior et excellentior fuerit Apostolis universis, non tamen illi, sed istis Dominus claves regni caelorum commisit.

Voetnoot 31. Bv. Glossa in Decretal. Lib. 1, tit. 33, e. 12 Dilecta, Vo Iurisdictioni.

Voetnoot 32. In IV Sent., Dist. 25, art. 2, q. 1 : uitg. Quaracchi, t. 4, blz. 649: Dicendum est quod hoc non venit tam ex institutione Ecclesiae, quam ex hoc quod eis non competit Ordinis sacramentum. In hoc sacramento persona quae ordinatur significat Christum mediatorem.

Voetnoot 33. In IV Sent., Dist. 25, a. 4, no 1 ; uitg. Bocatelli, Venice, 1499 (Pellechet - Polain, 10132/9920), fo 177r: Ratio est quod sacramenta vim habent ex sua institutione: Christus autem hoe sacramentum instituit conferri masculis tantum, non mulieribus.

Voetnoot 34. In IV Sent., Dist. 25, Opus Oxoniense, uitg. Vivès, t. 19, blz. 140; vgl. Reportata Parisiensia, uitg. Vivès, t. 24, blz. 369-371. Quod non est tenendum tamquam praecise per Ecclesiam determinatum, sed habetur a Christo; non enim Ecclesia praesumpsisset sexum muliebrem privasse sine culpa sua actu qui posset sibi licite competere.

Voetnoot 35. In IV Sent., Dist. 25, blz. 2; uitg. Venice, 1571, fo 364v: ... sexus virilis est de necessitate sacramenti, cuius causa principalis est institutio Christi... Christus non ordinavit nisi viros... nec matrem suam... Tenedum est igitur quod mulieres non possunt ordinari ex institutione Christi.

Voetnoot 36. Details van deze theologische aantekeningen kan men vinden in E. Doronzo, Tractatus Dogmaticus de Ordine, t. 3, Milwaukee, Bruce, 1962, blz. 395-396; Vgl. ook F. Haller, De Sacris Electionibus, 1636, aangehaald in J.P. Migne, Theologiae Cursus Completus, t. 24, kol. 821-854; verrassend wordt op vele hedendaagse opwerpingen vooruitgegrepen in dit werk, dat zover gaat, dat het de opvatting welke vrouwen in het algemeen tot de wijding wil toelaten als gevaarlijk voor het geloof kwalificeert en die welke haar tot het priesterschap wil toelaten als ketters, kol. 824; vgl. ook H. Tournelly, Praelectiones Theologicae de Sacramento Ordinis, Parisii, 1729, blz. 185, tekent deze bewering ten aanzien van het bisschopsambt, priesterschap en diaconaat aan als een dwaling contra fidem. Onder de canonisten: X. Wernz, Ius Decret., t. 2, Romae, 1906, blz. 124: iure divino (hij haalt verscheidene schrijvers aan); P. Gasparri, Tractatus Canonicus de Sacra Ordinatione, t. 1, Parisiis, 1893, blz. 75; Et quidem prohibentur sub poena nullitatis: ita enim traditio et communis doctorum catholicorum doctrina interpretata est legem Apostoli: ed ideo Patres inter haereses recensent doctrinam qua sacerdotalis dignitas et officium mulieribus tribuitur.

Voetnoot 37. Hl. Bonaventura, In IV Sent., Dist. 25, art. 2, q. 1, uitg. Quaracchi, t. 4, blz. 650: Omnes consentiunt quod promoveri non debent, sed utrum possint, dubium est (de twijfel komt voort uit het geval van de diaconessen); hij besluit: secundum saniorem opinionem et prudentiorum doctorum non solum non debent vel non possunt de iure, verum etiam non possunt de facto.

Voetnoot 38. Deze canon handelt over diaconessen. Bij het woord ordinari verklaart Johannes Teutonicus: Respondeo quod mulieres non recipiunt characterem, impediente sexu et constitutione Ecclesiae; unde nec officium ordinum excercere possunt…nec ordinatur haec: sed fundebatur super eam forte aliqua benedictio, ex qua consequebatur aliquod officium speciale, forte legendi homilias vel evangelium ad matutinas quod non licebat alii. Alii dicunt quod si monialis ordinetur, bene recipit characterem, quia ordinari facti est et post baptismum quilibet potest ordinare.

Voetnoot 39. Vgl. J. Dupont, Le Logion des douze trônes, in Biblica, 45, 1964, blz. 355-392.

Voetnoot 40. De documenten in de boven aangehaalde noten 26-28. Zie ook het zonderlinge Mariale, dat ten onrechte aan Albertus de Grote wordt toegeschreven, quaest. 42; uitg. Borgnet, t. 37, blz. 80-81.

Voetnoot 41. I. de la Potterie, Titres missionnaires du chrétien dans le Nouveau Testament (Rapports de la XXXIème semaine de Missiologie, Louvain, 1966), Paris, Desclée de Brouwer, 1966, blz- 29-46, vgl. blz. 44-45.

Voetnoot 42. Concilie van Trente, sess. 21, c. 2 en Pius XII, constitutie Sacramentum Ordinis, 30 november 1947 (Katholiek Archief 3 (1948), 169-170), aangehaald in de verklaring.

Voetnoot 43. Vgl. Ph. Delhaye, Rétrospective er prospective des ministères féminins dans l'Eglise, in Revue théologique de Louvain 3, 1972, b1z. 74-75.

Voetnoot 44. Epist. 63, 14: uitg. Hartel, CSEL t. 3, blz. 713: sacerdos vice Christi vere_fungitur.

Voetnoot 45. Hl. Theodorus Studites, Adversus Iconomachos cap. 4; PG 99, 593; Epist. lib. 1, 11: PG 99, 945.

Voetnoot 46. Summa Theol., III, q. 83, a. 1, ad 3um.

Voetnoot 47. Boven, noot 32: persona quae ordinatur significat Christum mediatorem.

Voetnoot 48. In IV Sent., Dist. 25, q. 2 a. 2, qa 1, ad 4um: signa sacramentalia ex naturali similitudine repraesentent.

Voetnoot 49. T.z.p. in.corp. quaestiunculae: Quia cum sacramentum sit signum, in eis quac in sacramento aguntur requiritur non solum res, sed significatio rei.

Voetnoot 50. Tweede Vaticaans Concilie, constitutie Sacrosanctum over de liturgie, n. 7 (Katholiek Archief 19 (1964), 508); Pius XII, encycliek Mediator Dei, 20 november 1947, AAS 39 (1947), blz. 528 (Katholiek Archief 2 (1947), 850).

Voetnoot 51. Vgl. Concilium 12 (1976/nr l), De vrouw in de kerk, blz. 10, 11, vooral 14: 'In de tijd van Paulus bestond er nog een veelheid van leidersrollen die gebaseerd waren op charismatisch gezag'.

Voetnoot 52. Theological Studies 36, 1975, blz. 667.

Voetnoot 53. AAS 4, 1912, blz. 485.

Voetnoot 54. In Origins - NC Documentary Service, 16 oktober 1975.

Klik hier als U onze campagne voor de wijding van vrouwen aktief wilt steunen..

historische overzichten


This website is maintained by the Wijngaards Institute for Catholic Research.

John Wijngaards Catholic Research

since 11 Jan 2014 . . .

John Wijngaards Catholic Research