OOK VROUWEN PRIESTER? JAZEKER!header

Responsive image

BEGIN

REDEN GENOEG

TEGEN DE PAUS?

DEBAT

MENU

Nederlands/Vlaams Deutsch Francais English language Spanish language Portuguese language Catalan Chinese Czech Malayalam Finnish Igbo
Japanese Korean Romanian Malay language Norwegian Swedish Polish Swahili Chichewa Tagalog Urdu
------------------------------------------------------------------------------------
Inter Insigniores

Inter Insigniores

Het wapen van John Paul II

Verklaring van de Heilige Congregatie voor de geloofsleer aangaande de vraag over het toelaten van vrouwen tot het ambtelijk priesterschap

Typis Polygiottis Vaticanis 1976; deze vertaling is overgenomen uit Archief van de Kerken 32 (1977/nr 7, 29 maart, 283-296. De tekst werd samen met het commentaar op de verklaring van de Congregatie van de geloofsleer gepresenteerd aan de pers op 27 januari 1977. Doorverwijzingen in de tekst naar 'Archief van de Kerken' zijn van de redactie. Zie ook Archief van de Kerken 31 (1976/nr 21), 918-944.

Nummering van de alinea’s door John Wijngaards

Inleiding: Het aandeel van de vrouw in de huidige maatschappij en in de kerk

1. Onder de meer in het oog vallende kenmerken van onze tijd heeft paus Joannes XXIII, zaliger gedachtenis, in zijn encycliek Pacem in terris van 11 april 1963 aangegeven: dat de vrouwen hun plaats innemen in het publieke leven; dat geschiedt misschien sneller bij de christelijke volken en wat langzamer, doch overal bij volken die de erfgenamen zijn van andere tradities of van een andere levensbeschouwing zijn doordrongen.(1) Wanneer het Tweede Vaticaans Concilie in zijn pastorale constitutie Gaudium et spes die vormen van discriminatie ten opzichte van de fundamentele rechten van de persoon opsomt die als tegengesteld aan de bedoelingen van God moeten worden overwonnen en terzijde gesteld, noemt het zelfs terecht als eerste die welke aan het geslacht zou worden ontleend.(2) De gelijkheid van persoon echter, die hieruit volgt, streeft naar de opbouw van een samenleving van mensen die niet volkomen eenvormig is, maar harmonisch wordt samengesteld en één wordt, wanneer mannen en vrouwen hun eigen gaven en energie daartoe inbrengen, zoals paus Paulus VI onlangs heeft uiteengezet.(3)

2. In het leven van de kerk zelf zijn er in de loop der eeuwen, zoals de geschiedenis getuigt, vrouwen geweest die een zeer beslissende rol hebben gespeeld en belangrijke werken hebben tot stand gebracht. Het moge voldoende zijn te herinneren aan haar die grote religieuze gemeenschappen hebben gesticht, zoals de heilige Clara van Assisi en de heilige Teresia van Avila, te herinneren aan dezelfde Teresia en aan Catharina van Siëna die aan het nageslacht zulke waardevolle geestelijke geschriften hebben nagelaten, dat paus Paulus VI haar in de lijst van de kerkleraren heeft opgenomen. Ook mogen de ontelbare vrouwen niet worden vergeten die zich aan de Heer hebben gewijd om de liefde te beoefenen of zich voor het missiewerk in te zetten, maar evenmin die christelijke huismoeders die een grote invloed hebben gehad op haar gezin en vooral het geloof aan haar kinderen hebben overgedragen.

3. Maar in onze tijd worden veel meer eisen gesteld: Daar de vrouwen thans steeds meer actief deelnemen aan geheel het gemeenschapsleven, is het van groot belang, dat zij ook aan allerlei terreinen van het apostolaat van de kerk steeds ruimer deelnemen.(4) Deze besluiten van het vaticaans concilie hebben een beweging op gang gebracht die reeds haar vruchten oplevert: deze verschillende experimenten dienen echter nog tot rijpheid te komen. Maar, zoals ook paus Paulus VI heeft gezegd,(5) zijn de christelijke gemeenschappen die met vrucht de apostolische werkzaamheid van vrouwen benutten nu reeds zeer talrijk; zo worden sommige van deze vrouwen zelfs geroepen deel te nemen aan de raden die zowel op diocesaan als op parochieel vlak zijn ingesteld om zich op pastorale aangelegenheden te bezinnen. Ook de Apostolische Stoel heeft in sommige werkvergaderingen van zijn curie reeds vrouwen opgenomen.

4. Nu hebben sinds enige jaren sommige van de christelijke gemeenschappen die in de zestiende eeuw of in later tijd van de romeinse Apostolische Stoel zijn afgescheiden vrouwen tot de pastorale bediening toegelaten op gelijke wijze als mannen: door dit initiatief gedreven, herhalen de leden van deze gemeenschappen of ook andere soortgelijke gemeenschappen de eisen en verzoekschriften deze toelating voor vrouwen te verruimen, terwijl anderen zich tegen verklaren. Het oecumenisch belang van deze kwestie waarover de katholieke kerk haar mening moet uitspreken, is derhalve duidelijk, temeer omdat de publieke opinie in verschillende kringen wijd verspreid de vraag heeft gesteld, of ook de katholieke kerk haar discipline zou kunnen veranderen teneinde vrouwen tot de priesterwijding toe te laten. Zelfs hebben sommige katholieke theologen deze strijdvraag openlijk behandeld en onderzoekingen op gang gebracht, niet alleen op het gebied van de Heilige Schrift, de geschriften van de vaders, de kerkgeschiedenis, maar ook op het terrein van de historische ontwikkeling van instellingen en gewoonten, of van de psychologische en sociologische wetenschappen. Daardoor zijn zeer veel argumenten die tot oplossing van dit belangrijke vraagstuk zouden kunnen bijdragen aan een kritisch oordeel onderworpen. Zodra het echter over een geschil gaat dat, althans zoals het nu wordt gesteld, nauwelijks in de traditie van de theologische scholen is aangeraakt, bestaat het gevaar, dat bij de huidige argumentatie enige noodzakelijke elementen over het hoofd worden gezien.

5. Daarom meent deze Heilige Congregatie voor de geloofsleer, gevolg gevend aan een opdracht van de heilige vader en in aansluiting bij zijn woorden welke hij in zijn brief van 30 november 1975 (6) schreef, nu wederom te moeten stellen: de kerk, die zich inspant trouw te blijven aan het voorbeeld van haar Heer, acht zich niet gerechtigd vrouwen toe te laten tot de priesterwijding; en zij meent, dat het in de huidige situatie van belang is deze leer in een helderder licht te stellen die door sommigen misschien met verdriet zal worden aanhoord, maar waarvan geleidelijk de positieve waarde wordt onderscheiden, daar deze kan bijdragen tot een dieper inzicht in de respectieve taken van man en vrouw.

1. De eeuwenoude traditie door de kerk bewaard

6. Nooit heeft de katholieke kerk gemeend, dat de priester- of bisschopswijding geldig aan vrouwen kon worden toegediend. Wel waren er in de eerste eeuwen sommige ketterse sekten, voornamelijk gnostische, die ertoe overgingen aan vrouwen het priesterambt toe te vertrouwen: hetgeen de vaders, toen het werd bemerkt, onmiddellijk hebben afgekeurd, omdat zij oordeelden, dat dit een nieuwigheid was en in de kerk volstrekt niet mocht worden aanvaard.(7) Weliswaar vindt men in de geschriften van dezelfde vaders de onmiskenbare neerslag van onbillijke vooroordelen over het vrouwelijk geslacht, maar deze hebben nagenoeg geen invloed gehad op hun pastorale praktijk en nog minder op hun geestelijke leiding.

7. Maar naast deze, door de tijdgeest beïnvloede opvattingen leest men duidelijk, met name in de kerkrechtelijke werken welke de antiocheense en egyptische traditie heeft bewaard, dat alleen mannen tot de wijding en de eigenlijke priesterlijke bediening werden geroepen om het bij uitstek wezenlijke motief, dat de kerk trouw wilde blijven aan dat beeld van het priesterambt dat de Heer Jezus Christus heeft gewild en de apostelen nauwgezet hebben bewaard.(8) Dezelfde overtuiging bezielde de theologen van de middeleeuwen,(9) hoewel de leraren van de scholastiek bij hun inspanningen om de geloofswaarheden met rationele argumenten te verklaren bij deze kwestie vaak argumenten aanvoerden die de geleerden tegenwoordig moeilijk accepteren of zelfs terecht afwijzen. Sindsdien schijnt deze vraag tot op onze tijd niet meer te zijn opgeworpen, omdat het gebruik niet werd tegengesproken en algemeen werd aanvaard en zich als het ware in een zich eigen gemaakt recht verheugde.

8. De traditie van de kerk was in deze zaak door de eeuwen heen zo vast, dat het leergezag nooit de behoefte heeft gehad het beginsel, waartegen geen bezwaar werd aangevoerd, te verklaren, of de wet, die onweersproken van kracht was, te verdedigen. Dezelfde traditie hebben ook de oosterse kerken angstvallig bewaard, waarvan het eenstemmig gevoelen hierover des te opmerkelijker is, omdat hun recht op vele andere punten een grote verscheidenheid toelaat; en ook vandaag weigeren zij ook maar enigszins in te gaan op eisen die zich met de priesterwijding van vrouwen bezighouden.

2. Hoe gedroeg Christus zich

9. Christus Jezus heeft onder de twaalf geen vrouw opgenomen. Wanneer Hij zo deed, gebeurde dit niet, omdat Hij zich aanpaste aan de gewoonten van zijn tijd, want zijn omgang met vrouwen onderscheidde zich opvallend van die van zijn medeburgers en Hij nam bewust en moedig afstand van hun wijze van handelen.

10. Zo spreekt Hij tot verwondering van zijn eigen leerlingen openlijk met de samaritaanse vrouw (vgl. Joh. 4, 27); houdt volstrekt geen rekening met de wettelijke onreinheid van de vrouw die aan bloedvloeiing leed (vgl. Mt. 9, 20-22); laat zich in het huis van Simon de farizeeër aanraken door een zondige vrouw (vgl. Lc. 7, 37 en vv.); wanneer Hij de op overspel betrapte vrouw vergeeft, wil Hij leren, dat men tegen vergrijpen van vrouwen niet strenger moet optreden dan tegen die van mannen (vgl. Joh. 8, 1 l); Hij aarzelt niet afstand te nemen van de wet van Mozes om de gelijkheid van rechten en plichten van man en vrouw ten aanzien van de huwelijksband te benadrukken (vgl. Mc. 10, 2-11; Mt. 19, 3-9).

11. Toen Jezus dan ook rondreizend het rijk van God verkondigde, koos Hij niet alleen de twaalf tot gezellen maar ook vrouwen, onder wie Maria, die Magdalena wordt genoemd, uit wie zeven duivels waren weggegaan, Johanna, de vrouw van Herodes' rentmeester Chuzas, Susanna en vele anderen, die uit eigen middelen voor hen zorgden (Lc. 8, 2-3). Hoewel, getuige het joodse recht, volgens hebreeuwse opvatting het getuigenis van vrouwen niet veel waarde had, zagen toch vrouwen als eersten de uit de doden verrezen Heer en gaf Hij haar de opdracht de eerste paasboodschap aan zijn apostelen te brengen (vgl. Mt. 28, 7-1 0; Le. 24, 9-10; Joh. 20, 11-18) om hen voor te bereiden later de officiële getuigen van de verrijzenis te worden.

12. Dit alles - dat moet men toegeven - is evenwel niet in die mate duidelijk, dat het ieder onmiddellijk aanspreekt, wat echter niet te verwonderen is, daar de vragen die Gods woord oproepen verder gaan dan de antwoorden reiken; want om de uiteindelijke zin zowel van Jezus' zending als van de schrift te begrijpen, volstaat niet een louter historische verklaring van de teksten uit te werken. Men moet hier toch feitelijk als het ware een aaneengesloten reeks feiten erkennen die in dezelfde richting neigen en nog meer verwondering wekken, dat Jezus de apostolische(10) opdracht niet aan vrouwen heeft toevertrouwd. Zelfs zijn moeder, zo nauw verbonden met het mysterie van haar Zoon, wier bijzondere taak in de evangeliën van Lucas en Johannes naar voren wordt gebracht, kreeg het apostelambt niet toegewezen. Dit bracht de vaders ertoe Maria als voorbeeld aan te halen voor Christus' wil in dezen: en dezelfde leer heeft in het begin van de dertiende eeuw paus Innocentius III nog eens bekrachtigd, toen hij schreef: Ofschoon de allerheiligste maagd Maria alle apostelen in waardigheid en verhevenheid overtrof, heeft de Heer de sleutels van het hemelrijk niet aan haar, maar aan hen toevertrouwd.(11)

3. Hoe gedroegen de apostelen zich

13. Deze gedragslijn van Christus ten opzichte van de vrouwen heeft de apostolische gemeenschap trouw onderhouden. Hoewel de heilige Maria een bijzondere plaats innam in de kleine kring die na de hemelvaart van de Heer in het cenakel bijeen was gekomen (vgl. Hand. 1, 14), werd zij toch niet in het college van de twaalf apostelen opgenomen, toen het over de verkiezing ging waarvan de aanwijzing van Mattias de uitslag was; want er waren twee leerlingen voorgesteld waarvan de evangeliën zelfs de namen niet noemen.

14. Op pinksterdag werden allen, mannen en vrouwen, vervuld van de Heilige Geest (vgl. Hand. 2, 1; 1, 14), maar alleen Petrus met de elf verhief zijn stem om te verkondigen, dat in Jezus de profetieën waren vervuld (Hand. 2, 14).

15. Toen zij en Paulus de grenzen van de joodse wereld overschreden, waren zij, om het evangelie en het christelijk leven aan mensen te verkondigen die aan de griekse en romeinse cultuur en beschaving gewend waren, genoodzaakt, nu en dan zelfs met pijn, aan het onderhouden van de mozaïsche wet een einde te maken. Zij hadden dus, tenzij het hun overtuiging was op dit punt trouw aan Christus te moeten blijven, op het idee kunnen komen vrouwen de wijding toe te dienen. Bij de grieken van die tijd waren er vele offers aan bepaalde goden die door vrouwen pleegden voltrokken te worden. De grieken weken namelijk van de opvattingen van de joden af: ofschoon hun filosofen verkondigden, dat de vrouw minder is dan de man, bestonden er onder hen toch stromingen om de waardigheid van de vrouw enigszins te bevorderen welke geschiedschrijvers vermeldenswaard vonden en die in de keizertijd toenamen. Inderdaad blijkt uit de Handelingen van de Apostelen en de brieven van de heilige Paulus, dat sommige vrouwen met de apostel samenwerkten voor het evangelie (vgl. Rom. 16, 3-12-1 Fil. 4, 3); en dankbaar noemt hij de namen van enkelen bij de groeten waarmee hij zijn brieven besluit; bij het bewerken van bekeringen hadden verschillende van deze vrouwen geen gering aandeel, zoals Priscilla, Lydia en anderen; vooral echter Priscilla, want Priscilla en Aquila namen Apollos mee en legden hem de weg van God nauwkeuriger uit (vgl. Hand. 18, 26); ook Febe, die diacones van de gemeente te Kénchreae was (Rom. 16, l). Uit dit alles blijkt duidelijk, dat de gebruiken van de kerk van de apostelen ver afweken van de gebruiken van de joden; toch hebben zij er nooit aan gedacht aan deze vrouwen de wijding toe te dienen.

16. Exegeten van naam hebben erop gewezen, dat er in de brieven van Paulus verschillende zegswijzen door de apostel worden gebruikt, want, als hij schrijft mijn mede-arbeiders (Rom. 16, 3; Fil. 4, 2-3), noemt hij zonder onderscheid mannen en vrouwen die hem op een of andere wijze helpen bij het evangelie; de naam Gods medewerkers (1 Kor. 3, 9; vgl. 1 Tess. 3, 2) reserveert hij voor Apollos, Timóteüs en zichzelf, Paulus, daar zij immers onmiddellijk voor de apostolische bediening en de prediking van het woord Gods zijn afgezonderd. Hoe belangrijk de taak van de vrouwen op de dag van de verrijzenis ook was geweest, toch werd haar medewerking door Paulus niet zodanig uitgestrekt, dat zij de openbare taak vervulden officieel de boodschap te verkondigen welke het eigene is van de ene apostolische zending.

4. Wat Christus en de apostelen deden, is een blijvende norm

17. Ofschoon deze handelwijze van Christus en de apostelen door alle eeuwen heen tot op onze dagen door de vaste traditie als norm is beschouwd, rijst toch de vraag, of de kerk zich vandaag anders zou kunnen gedragen. Er zijn er die daarop bevestigend antwoorden, gesteund door verschillende redenen, die nauwkeurig onderzocht dienen te worden.

18. Zij beweren vooral, dat Jezus en de apostelen zo hebben gehandeld, omdat zij onvermijdelijk de gebruiken van hun tijd en milieu in acht namen, en er geen andere reden was, waarom Christus aan geen vrouwen, noch aan zijn eigen moeder, het ambt toevertrouwde tenzij dat de omstandigheden van zijn tijd niet toelieten anders te handelen. Niemand echter heef t bewezen, en het kan ook inderdaad niet worden bewezen, dat deze handelwijze alleen uit sociale redenen en de eigenaardigheden van menselijke cultuur voortkwam. Toen wij hierboven de evangeliën onderzochten, hebben wij, integendeel, immers gezien, dat Jezus zich ver van de opvattingen van zijn tijdgenoten distantieerde door de verschillen waardoor vrouwen van mannen werden onderscheiden weg te nemen. Men kan dus niet beweren, dat Jezus slechts een reden van opportuniteit had, toen Hij geen vrouwen in het apostolisch college opnam. Nog minder zijn de apostelen door de omstandigheden van de samenleving en de cultuur bij de grieken tot het onderhouden van dit gebruik gedwongen, omdat die deze verschillen niet kenden.

19. Vervolgens werpen zij op, dat er onder de zaken welke Paulus aangaande de vrouwen voorschreef enkele zijn die in onze tijd vervallen worden geacht en dat enige aspecten van zijn leer moeilijkheden opleveren. Maar daartegen dient te worden opgemerkt, dat bijna al die, waarschijnlijk door de tijdgeest geëiste, voorschriften betrekking hebben op minder belangrijke disciplinaire praktijken zoals de verplichting voor vrouwen om haar hoofd te bedekken (vgl. 1 Kor. 11, 2-16); welke voorschriften al niet meer van kracht zijn. Wanneer Paulus echter, toen hij haar niet toestond te spreken, bepaalde, dat vrouwen in de bijeenkomst moeten zwijgen (1 Kor. 14, 34-35; 1 Tim. 2, 12), is dat verbod van een andere aard, en de exegeten verklaren als betekenis ervan, dat de apostel de vrouwen zeker niet het recht ontzegt, wat hij elders erkent, om in de kerk te profeteren (vgl. 1 Kor. 11, 5), maar alleen verbiedt het openbare ambt van leraren uit te oefenen in de christelijke bijeenkomst. Dit verbod houdt volgens Paulus verband met het goddelijk scheppingsplan (vgl. 1 Kor. 11, 7; Gen. 2, 18-24) en kan moeilijk aan de cultuur en gebruiken worden toegeschreven. Bovendien dient men zich te herinneren, dat juist Paulus in de geschriften van het Nieuwe Testament met de grootste nadruk de principiële rechtsgelijkheid van mannen en vrouwen als kinderen van God in Christus (vgl. Gal. 3, 28) uitsprak. Er is dus geen enkele reden Paulus te beschuldigen van vijandig gezinde vooroordelen tegen vrouwen, aan,wie hij, zoals vaststaat, integendeel zijn vertrouwen te kennen gaf en aan wie hij vroeg met hem samen te werken.

20. Tegen deze opwerpingen, ontleend aan de apostolische tijd, voeren degenen die een wettelijke wijziging van deze discipline in de toekomst voorstaan aan, dat men in het oog moet houden, hoe de kerk de discipline van de sacramenten regelt. Inderdaad kan men er de aandacht op vestigen, dat vooral in onze tijd de kerk zich ervan bewust is, dat zij ten aanzien van de sacramenten, hoewel door Christus ingesteld, een zekere macht bezit waarvan zij in de loop der tijd gebruik heeft gemaakt om hun teken nauwkeuriger aan te geven en de voorwaarden ze te bedienen te bepalen; dit blijkt uit recente decreten van de pausen Pius XII en Paulus VI.(12) Men moet echter terdege in acht nemen, dat deze macht, hoewel reëel, aan grenzen gebonden is. Hieraan herinnerde paus Pius XII, toen hij schreef: De kerk heeft geen enkele macht aangaande de substantie der sacramenten, dat wil zeggen, aangaande datgene wat, getuige de bronnen der goddelijke openbaring, onze Heer Christus zelf als sacramenteel teken heeft ingesteld.(13) Dit leerde reeds het concilie van Trente: Steeds had de kerk de volmacht bij de toediening van de sacramenten, onder behoud van hun substantie, datgene te verordenen of te veranderen dat met het oog op de wisseling van omstandigheden, tijden en plaatsen naar haar oordeel het nut voor de ontvangenden of het aanzien voor de sacramenten zelf zouden kunnen bevorderen.(14)

21. Bovendien moet men niet vergeten, dat sacramentele tekenen niet als bij afspraak overeengekomen zijn gekozen: zij zijn niet alleen in velerlei opzicht inderdaad natuurlijke tekenen, in zoverre zij de natuurlijk gegeven betekeniskracht van de handelingen en zaken aannemen, maar zij zijn er vooral op gericht de mensen van latere tijd in contact te brengen met dat hoogste heilsgebeuren en hen door de overvloedige kracht van de heilige boeken te vormen en door de symboliek te leren welke genade zij betekenen en bewerken. Zo is het sacrament van de eucharistie niet louter een broederlijke maaltijd, maar tegelijk een gedachtenis die het offer van Christus tegenwoordig stelt en opnieuw actueel voltrekt, alsook zijn door de kerk gebrachte offer; zo is het ambt van de priester niet alleen een pastorale taak, maar waarborgt de voortzetting van die taken die Christus de apostelen heeft toevertrouwd en de volmachten welke op die taken betrekking hebben. Aanpassing aan tijd en burgerlijke cultuurvormen kan niet zo ver worden doorgevoerd, dat de sacramentele band met die gebeurtenissen welke de christelijke godsdienst hebben gefundeerd en met Christus zelf, wat de substantie betreft, zou worden verbroken.

22. In deze materie komt het uiteindelijk aan de kerk toe door haar leergezag uit te m aken, welke elementen onveranderlijk zijn en welke elementen aan verandering onderhevig. De kerk is daarom van mening, dat zij zich bepaalde veranderingen niet kan veroorloven, omdat zij zich gebonden weet aan de handelwijze van Christus: verre van zich te laten leiden door een bedrieglijke belangstelling voor het oude, houdt zij vast aan de trouw voor haar Heer, in wiens licht alleen de ware aard van haar oordeel kan worden verstaan. De kerk spreekt haar mening uit, steunend op de belofte van de Heer en de aanwezigheid van de Heilige Geest, met de bedoeling, dat het mysterie van Christus duidelijker wordt verkondigt en met groter zorg zijn volle rijkdom wordt bewaard en getoond.

23. De praktijk van de kerk heeft derhalve normatieve kracht. Aan het feit, dat alleen aan mannen de priesterwijding wordt toegediend, ligt een onafgebroken traditie ten grondslag die door de hele kerkgeschiedenis heen zowel in het oosten als in het westen algemeen is en die er op bedacht is misbruiken onmiddellijk uit te schakelen; deze norm, steunend op Christus' voorbeeld, is en wordt in acht genomen, omdat zij wordt geacht met het plan van God omtrent zijn kerk overeen te stemmen.

5. Het ambtelijk priesterschap moet worden beschouwd in het licht van het Christus-mysterie

24. Nadat deze norm van de kerk en haar gronden in herinnering zijn gebracht, lijkt het nuttig en gunstig deze norm toe te lichten door haar gepastheid aan te tonen, wat het eigene van het theologisch denken is: dat immers alleen mannen tot het ontvangen van de priesterwijding worden geroepen, staat in nauw verband met de eigen aard van het sacrament en zijn bijzondere verhouding tot het Christus-mysterie. Het gaat er nu niet om een overtuigend bewijs te leveren, maar om de leer door een geloofsanalogie te verhelderen.

25. Het is de constante leer van de kerk, welke het Tweede Vaticaans Concilie opnieuw en uitvoeriger heeft verkondigd, de bisschoppensynode van 1971 heeft herhaald en deze Heilige Congregatie voor de geloofsleer in haar verklaring van 24 juni 1973 nog eens heeft uitgesproken, dat de bisschop of priester bij de uitoefening van hun ambt niet in eigen persoon handelen, maar Christus vertegenwoordigen, die door hem handelt: de priester fungeert waarlijk voor Christus, zoals de heilige Cyprianus reeds in de derde eeuw schreef.(15) Christus zelf te kunnen representeren, beschouwde Paulus als het eigene van zijn apostolisch ambt (vgl. 2 Kor. 5, 20; Gal. 4, 14). Deze vertegenwoordiging van Christus bereikt dan zijn diepste betekenis en heel bijzondere omvang, als de eucharistische synaxis wordt gevierd, bron en centrum van de eenheid van de kerk, het offermaal waarin het volk van God zich aansluit bij het offer van Christus: de priester, die alleen de macht heeft dit te voltrokken, handelt niet alleen in de kracht die hem door Christus wordt medegedeeld, maar in de persoon van Christus,(16) wiens taken hij overneemt, zodat hij zijn gestalte zelf draagt, als hij de woorden van de consecratie uitspreekt.(17)

26. Het christelijk priesterambt is dus sacramenteel van aard, de priester is een teken waarvan de bovennatuurlijke werkdadigheid weliswaar wordt afgeleid van de eenmaal ontvangen wijding, maar een teken dat zichtbaar moet zijn(18) en waarvan de gelovigen de betekenis gemakkelijk moeten kunnen onderscheiden.

27. Heel de bedeling van de sacramenten is gegrond in natuurlijke tekenen die een kracht hebben tot aanduiden, zodat het bij de geest van de mensen aansluit: de sacramentele tekenen, zoals de heilige Thomas zegt, maken op grond van een natuurlijke gelijkenis aanschouwelijk.(19) Dezelfde natuurlijke gelijkenis wordt echter zowel omtrent personen als zaken vereist: wanneer namelijk het optreden van Christus in de eucharistie sacramenteel tegenwoordig moet worden gesteld, zou de natuurlijke gelijkenis die tussen Christus en zijn dienaar vereist is, ontbreken, als zijn taak niet door een man werd vervuld: anders zou moeilijk in de bedienaar het beeld van Christus worden waargenomen; aangezien Christus zelf een man was en blijft.

28. Ongetwijfeld is Christus de eerstgeborene van heel het menselijk geslacht, evenzeer van vrouwen als van mannen: Hij heeft de eenheid die door de zonde was verbroken zo hersteld, dat er geen jood noch griek, geen slaaf noch vrije, geen man noch vrouw meer is, want allen zijn één in Christus Jezus (vgl. Gal. 3, 28). Niettemin is het Woord vlees geworden volgens het mannelijk geslacht; dit steunt weliswaar op een feit dat, laat staan dat het een zekere voortreffelijkheid van de man boven de vrouw met zich meebrengt, niet van de heilsbedeling kan worden gescheiden; want het stemt overeen met het geheel van het plan van God zoals het door God is geopenbaard waarvan het mysterie van het verbond de kern is.

29. Het heil dat de mensen door God wordt aangeboden, ofwel de vereniging met Hem waartoe zij worden geroepen, namelijk het verbond, werd reeds in het Oude Testament, bij de profeten, bij voorkeur beschreven onder het beeld van een huwelijksmysterie: het uitverkoren volk werd de vurig beminde bruid van God; zowel de joodse als de christelijke traditie hebben, altijd weer het Hooglied lezend, de innige vertrouwelijkheid van deze liefde onderkend; de bruidegom zal trouw blijven, hoe dikwijls de bruid ook zijn liefde teleurstelt, dat wil zeggen, hoe dikwijls Israël God ook ontrouw is (vgl. Hos. 1-3, Jer. 2). Maar toen de volheid van de tijd gekomen was (Gal. 4,4), is het Woord, de Zoon van God, daarom vlees geworden om in zijn bloed, dat voor velen tot vergeving van de zonden werd vergoten, een nieuw en eeuwig verbond aan te gaan en te bekrachtigen: zijn dood zou de kinderen van God, die verstrooid waren, weer samenbrengen; uit zijn doorboorde zijde werd de kerk geboren, zoals Eva uit de zijde van Adam werd geboren. Nu eerst wordt dit huwelijksmysterie dat de geschriften van het Oude Testament hebben aangekondigd en bezongen ten volle en voor altijd verwezenlijkt: Christus is de bruidegom;

30. de kerk is zijn bruid, die Hij daarom liefheeft, omdat Hij haar door zijn bloed heeft verworven, opdat Hij haar tot zich zou voeren heerlijk, heilig en onbesmet gemaakt en niet meer van haar gescheiden kan worden. Het thema van het huwelijk wordt immers ontwikkeld vanaf de brieven van de heilige Paulus (vgl. 2 Kor. 9, 2-1 Ef. 5, 22-33) tot de geschriften van de heilige Johannes (vooral Joh. 3, 29; Apok. 19, 7 en 9); het wordt echter ook aangehaald in de synoptische evangeliën, want zolang zij de bruidegom in hun midden hebben, kunnen zijn vrienden niet vasten (vgl. Mc. 2, 19); het Rijk der hemelen gelijkt op een koning die een bruiloftsfeest gaf voor zijn zoon (Mt. 22, 1-14). Door deze taal van de Heilige Schrift, geheel met symbolen doorweven, waardoor man en vrouw in hun innigste eigenheid worden weergegeven en geraakt, is ons het mysterie van God en Christus geopenbaard, dat in zich ondoorgrondelijk is.

31. Men mag dus nooit over het hoofd zien, dat Christus een man is. Om nu de betekenis van deze symboliek in de economie van de openbaring niet te veronachtzamen, dient men eraan vast te houden, dat in die handelingen die het wijdingsmerkteken vragen en waarin Christus zelf, de bewerker van het verbond, bruidegom en hoofd van de kerk, wordt vertegenwoordigd in de uitoefening van zijn heilswerk, wat op de voortreffelijkste wijze gebeurt in de eucharistie, zijn rol want dit is de oorspronkelijke betekenis van het woord 'persoon' - door een man moet worden vervuld. Maar dit komt volstrekt niet voort uit een zekere voortreffelijkheid in de man als persoon, in de orde der waarden, maar alleen uit een verschil dat, op het vlak van de taken en dienstbetrekkingen, op feiten steunt.

32. Mag men zeggen, dat, daar Christus nu in een hemelse staat leeft, het van geen belang is, of Hij door een man of een vrouw wordt vertegenwoordigd, omdat er na de verrijzenis geen sprake meer is van huwen of ten huwelijk gegeven worden (Mt. 22,30)? Deze woorden betekenen niet, dat in de eeuwige glorie het onderscheid tussen man en vrouw, dat toch de eigen identiteit van de persoon bepaalt, wordt opgeheven. Wat evengoed van Christus moet worden gezegd als van ons. Klaarblijkelijk toch oefent het, geslachtelijk verschil een grote invloed uit op de menselijke natuur, in elk geval dieper dan bijvoorbeeld de verschillen van volkeren; deze toch raken de menselijke persoon niet zo diep als het verschil van geslacht, dat onmiddellijk betrekking heeft zowel op de communicatie tussen de personen als op de menselijke voortplanting, en in de bijbelse openbaring wordt toegeschreven aan een oorspronkelijk wilsbesluit Gods: man en vrouw schiep Hij hen (Gen. 1, 27).

33. Maar misschien zullen sommigen aanhouden en zeggen, dat de priester, vooral wanneer hij voorgaat bij liturgische en sacramentele handelingen, evenzeer de kerk vertegenwoordigt, in wier naam hij immers handelt met de bedoeling 'te doen wat de kerk doet'. In die zin zeiden de middeleeuwse theologen, dat de bedienaar ook handelde 'in de persoon van de kerk', dat wil zeggen, in naam van heel de kerk en om haar te vertegenwoordigen. Wat er nu ook zij van de deelneming van de gelovigen aan het liturgisch handelen, de priester celebreert inderdaad in naam van heel de kerk, daar hij immers in naam van allen bidt en in de mis het offer van de hele kerk opdraagt: de kerk offert in het nieuwe paasmaal Christus de Heer door de priesters onder zichtbare tekenen.(20) Als de priester dus ook de kerk zelf vertegenwoordigt, zou men dan mogen denken, dat zij in overeenstemming met de boven omschreven symboliek door een vrouw zou kunnen worden vertegenwoordigd? Men moet inderdaad toegeven, dat de priester de kerk vertegenwoordigt, die het lichaam van Christus is; maar omdat hij allereerst Christus zelf, die het hoofd en de herder van de kerk is, vertegenwoordigt, gebruikt het Tweede Vaticaans Concilie de woorden in de persoon van Christus, waardoor het de uitdrukking nauwkeuriger uitdrukt en vervolledigt.(21) Door deze taak te vervullen, zit de priester de christelijke synaxe voor en viert hij het eucharistisch offer, waarin heel de kerk offert en zelf wordt geofferd.(22)

34. Wie zich door bovengenoemde overwegingen wil laten leiden, zal beter inzien, hoe terecht de kerk op deze wijze te werk gaat; mogen tenslotte uit deze geschillen die in onze tijd ontstaan zijn, of vrouwen al of niet de wijding mogen ontvangen, de christenen zich aangespoord voelen het mysterie van de kerk te onderzoeken, de natuur en de betekenis van het bisschops- en priesterambt nauwkeuriger te bestuderen en ook de authentieke en aparte plaats van de priester binnen de gemeenschap van de gedoopten weer te ontdekken, waarvan hij weliswaar een lid is, maar toch onderscheiden, omdat bij die handelingen waarvoor het wijdingsmerkteken wordt vereist de priester, met die werkdadigheid die eigen is aan de sacramenten, het beeld en het teken van Christus zelf is, die samenroept, vergeeft en het offer van het verbond voltrekt.

6. Het ambtelijk priesterschap verhelderd vanuit het mysterie van de kerk

35. Het is misschien nuttig in herinnering te brengen, dat de problemen die uit de theologie van de sacramenten voortkomen, en vooral uit het ambtelijk priesterschap, waarover het hier gaat, niet kunnen worden opgelost tenzij in het stralend licht van de openbaring. De menselijke wetenschappen, hoe hoog haar kennis op eigen terrein ook mag worden geschat, kunnen niet volstaan om deze op te lossen, daar zij de zaken van het geloof niet bereiken en wat in eigenlijke zin bovennatuurlijk is buiten het bereik van de bevoegdheid van deze wetenschappen valt.

36. Zo dient men er ook op bedacht te zijn, hoezeer de kerk van andere samenlevingen verschilt en volkomen enig is in haar natuur en structuren. In de kerk is de pastorale taak immers gewoonlijk met het wijdingssacrament verbonden; het is dus geen louter besturen dat met die vormen van macht vergeleken zou kunnen worden die in staten worden gevonden. Het wordt niet opgedragen door vrije keuze van mensen, ofschoon iemand die de taak aanvaardt misschien via een keuze wordt aangewezen: alleen door de handoplegging en het gebed van de opvolgers der apostelen wordt de keuze als door God gedaan bevestigd en de Heilige Geest die in de wijding wordt gegeven, maakt iemand deelgenoot aan de bestuursmacht van Christus, de hoogste herder (vgl. Hand. 20, 28). Deze taak is een werk van dienstbaarheid en liefde: Indien ge Mij bemint, weid mijn schapen (vgl. Joh. 21, 15-17).

37. Daarom is het niet duidelijk, hoe men de toelating van vrouwen tot het priesterschap kan voorstellen op grond van de rechtsgelijkheid die voor de mensen wordt erkend en die ook voor christenen geldt. Om dat te bewijzen, worden soms de boven aangehaalde woorden uit de Brief aan de Galaten (3, 28) als argument gebruikt, waarin wordt verklaard, dat er in Christus geen verschil meer is tussen man en vrouw. Maar bij deze woorden gaat het niet over de bedieningen van de kerk, maar wordt alleen verzekerd, dat allen gelijkelijk zijn geroepen om de aanneming tot kinderen van God te ontvangen. Bovendien zou juist degene die dit onder de rechten van de mens zou rekenen zich hevig in de aard van het ambtelijk priesterschap vergissen, daar het doopsel niemand enig recht verleent om een openbaar ambt in de kerk te verwerven. Want het priesterschap wordt iemand toegediend niet tot eigen eer of voordeel, maar om God en de kerk te dienen; het beantwoordt, integendeel, aan een bijzondere en geheel onverschuldigde roeping: Niet gij hebt Mij uitgekozen, maar Ik u en Ik heb u de taak gegeven (Joh. 15, 16; vgl. Hebr. 5, 4).

38. Soms wordt er gezegd, of verspreid in boeken en tijdschriften geschreven, dat er vrouwen zijn die roeping tot het priesterschap in zich voelen. Dit soort neiging, hoe edel en begrijpelijk ook, is niet voldoende voor een echte roeping: want deze kan niet worden herleid tot een zuivere neiging van de geest welke slechts subjectief zou blijven. Want, omdat het priesterschap een bijzonder ambt is waarvoor de kerk de zorg en bewaring ontving, moet voor de roeping daartoe het gezag en zelfs het vertrouwen van de kerk worden verkregen, omdat dit er een essentieel onderdeel van is, want Christus koos die Hijzelf wilde (Mc. 3, 13). Van de andere kant is er de algemene roeping van alle gedoopten om het koninklijk priesterschap uit te oefenen door hun leven aan God op te offeren en tot eer van God getuigenis af te leggen.

39. Vrouwen die verklaren het ambtelijk priesterschap na te streven, worden weliswaar gedreven door het verlangen Christus en de kerk te dienen. Het is ook niet verwonderlijk, dat zij, zich eenmaal ervan bewust geworden, dat zij in de maatschappij sinds lang gediscrimineerd zijn, ertoe komen het ambtelijk priesterschap voor zich te verlangen. Men mag echter niet vergeten, dat de priesterlijke staat niet onder de rechten van de menselijk persoon valt, maar afhangt van de economie van het mysterie van Christus en de kerk. Men kan het priesterambt niet nastreven alsof het een promotie zou inhouden tot een hogere maatschappelijke waardigheid; geen enkele louter menselijke, hetzij maatschappelijke of persoonlijke, vooruitgang is op zich in staal deze toelating te verlenen, omdat de staat hiervan geheel anders is.

40. Rest ons nog onder de belangrijkste stellingen van de christelijke belijdenis dieper door te denken over de echte gelijkheid van de gedoopten, welke geen eenvormigheid is, omdat de kerk een lichaam is dat met een verscheidenheid van ledematen is toegerust, waarin ieder lidmaat zijn eigen taak wordt toegewezen. De taken die dus onderscheiden en niet verward moeten worden, begunstigen geen verheffing van de een boven de ander en geven geen aanleiding tot naijver. Het ene betere charisma waarnaar iemand kan en moet streven, is de liefde (vgl. 1 Kor. 12-13). De grootsten in het rijk der hemelen zijn niet de ambtsdragers, maar de heiligen.

41. Onze moeder de heilige kerk wenst vurig, dat de christelijke vrouwen zich ten volle bewust worden, hoe groot haar zending is: haar taak is vandaag van het grootste belang, opdat de samenleving tegelijk vernieuwd en menselijker wordt en de gelovigen het ware beeld van de kerk ontdekken.

Paulus VI, door de goddelijke voorzienigheid paus, heeft, in de audiëntie op 15 oktober 1976 verleend aan de ondergetekende prefect van de Heilige Congregatie voor de geloofsleer, deze verklaring goedgekeurd, bekrachtigd en bevolen te publiceren.

Gegeven te Rome, vanuit de gebouwen van de Heilige Congregatie voor de geloofsleer, 1 5 oktober 1976, op het feest van de heilige Teresia van Avila.

FRANCISCUS kard. SEPER, prefect

+ Fr. HIERONYMUS HAMER O.P., titulair aartsbisschop van Lorium, secretaris

Voetnoot 1. A.A.S. 55 (1963), blz. 267-268 (Katholiek Archief 18 (1963), 476).

Voetnoot 2. Vgl. Vaticanum II, pastorale const. Gaudium et spes, 7 december 1965, n. 29: A.A.S. 58 (1966), blz. 1048-1049 (Katholiek Archief 21 (1966), 713).

Voetnoot 3. Vgl. paus Paulus VI, toespraak tot de leden van de studiecommissie voor de functie van de vrouw in maatschappij en kerk en de leden van het comité voor het internationaal jaar van de vrouw, 18 april 1975: A.A.S. 67 (1975), blz. 265.

Voetnoot 4. Vaticanum II, decreet Apostolicam actuositatem, 18 november 1965, n. 9: A.A.S. 58 (1966), blz. 846 (Katholiek Archief 21 (1966), 1015).

Voetnoot 5. Vgl. paus Paulus VI, toespraak tot de leden van de studiecommissie voor de functie van de vrouw in maatschappij en kerk en de leden van het comité voor het internationaal jaar van de vrouw, 18 april 1975: A.A.S. 67 (1975), blz. 266.

Voetnoot 6. Vgl. A.A.S. 68 (1976), blz. 599-600 (Archief van de Kerken 31 (1976), 935-936); vgl. t.z.p., blz. 600-601 (kol. 937-938).

Voetnoot 7. Hl. Irenaeus, Adv. haereses 1, 13, 2: PG 7, 580-581; uitg. Harvey, I, 114-122; Tertullianus, De praescript. haeretic. 41, 5: CCL 1, blz. 221; Firmilianus Caesarien., in S. Cyperiani Epist. 75: CSEL 3, blz. 817-818; Origenes, Fragmenta in 1 Cor. 74, in Journal of theological studies 10 (1909), blz. 41-42; hl. Epiphanius, Panarion 49, 2-3; 78, 23; 79, 2-4; t. 2, GCS 31, blz. 243-244; t. 3, GCS 37, blz. 473, 477-479.

Voetnoot 8. Didascalia Apostolorum, c. 15, uitg. R.H. Connolly, blz. 133 en 142; Constitutiones Apostolicae, lib. 3, c. 6, nn. 1-2; c. 9, nn. 3-4: uitg. F.X. Funk, blz. 191, 201; hl. Johannes Chrysostomus, De sacerdotio, 2, 2: PC 48, 633.

Voetnoot 9. Hl. Bonaventura, In IV Sent., Dist, 25, art, 2, q. 1: uitg. Quaracchi, t. 4, blz. 649; Richardus de Mediavilla (Middletown), In IV Sent., Dist. 25, art. 4, n. 1, uitg. Venetiis 1499, fo 177r; Johannes Duns Scotus, In IV Sent., Dist. 25: Opus Oxonieiise, uitg. Vivès, t. 19, blz. 140; Reportata Parisiensia, t. 24, blz. 369-371; Durandus a Sancto Porciano, In IV Sent., Dist. 25, q. 2, uitg. Venetiis 1571, fo 364v.

Voetnoot 10. Sommigen werpen op, dat Jezus twaalf mannen heeft gekozen om een allegorisch teken te stellen, daar Hij in een figuur wilde uitbeelden, dat deze twaalf de persoon van hen zullen spelen die de twaalf stammen van Israël hadden voortgebracht (vgl. Mt. 19, 28; Lc. 22, 30). Maar in de teksten die hiertoe worden aangehaald, wordt niets beweerd, tenzij dat de twaalf deel zullen nemen in het eschatalogisch oordeel. De echte reden, waarom de twaalf werden gekozen, wordt eerder verstaan vanuit heel hun taak waartoe zij geroepen zijn (vgl. Mc. 3, 14), om namelijk Christus onder de mensen te vertegenwoordigen en zijn werk voort te zetten.

Voetnoot 11. Paus Innocentius III, Epist. 11 december 1210 aan de bisschoppen van Palencia en Burgos, in Corpus luris, Decretal. lib. 5, tit. 38, De paenit. c. 10 Nova: uitg. A. Friedberg, t. 2, kol. 886-887; vgl. Glossa in Decretal. lib. 1, tit. 33, c. 12 Dilecta, Vo lurisdictioni. Vgl. hl. Thomas, Summ. theol., IIIa pars, quaest. 27, art. 5, ad 3um; Pseudo-Albertus Magnus, Mariale, quaest. 42: uitg. Borgnet 37, 81.

Voetnoot 12. Paus Pius XII, apost. const. Sacramentum ordinis, 30 november 1947: A.A.S. 40 (1948), blz. 5-7 (Katholiek Archief 3 (1948), 169-171); paus Paulus VI, apost. const. Divinae consortium naturae, 15 augustus 1971: A.A.S. 63 (1971), blz. 657-664 (Archief van de Kerken 26 (1971), 989-994); apost. const. Sacram Unctionem, 30 november 1972: A.A.S. 65 (1973), blz. 5-9 (Archief van de Kerken 27 (1973), 162-165).

Voetnoot 13. Paus Paulus XII, apost. const. Sacramentum ordinis: t.a.p., blz. 5 (kol. 169).

Voetnoot 14. Sessio 21, cap. 2: Denzinger-Schönmetzer, Enchiridion symbolorum.... n. 1728.

Voetnoot 15. Hl. Cyprianus, Epist. 63, 14: PL 4, 397 B; uitg. Hartel, t. 3, blz. 713.

Voetnoot 16. Vaticanum II, const. Sacrosanctum Concilium, 4 december 1963, n. 33: ... door de priester, die als vertegenwoordiger van Christus aan het hoofd staat van de bijeenkomst... (Katholiek Archief 19 (1964), 518); dogm. const. Lumen gentium, 21 november 1964, n. 10: De ambtspriester vormt en bestuurt, door de gewijde macht waarover hij beschikt, het priesterlijk volk; in de persoon van Christus voltrekt hij het eucharistisch offer en in naam van geheel het volk draagt hij het op aan God... (Katholiek Archief 20 (1965), 702); n. 28: Door het wijdingssacrament gelijkvormig gemaakt met het beeld van Christus, de hoogste en eeuwige Priester... vervullen zij echter vooral in de eucharistische eredienst of synaxe, waarbij zij in de persoon van Christus handelend optreden... (t.z.p., 734); decr. Presbyterorum ordinis, 7 december 1965, n. 2: ... ze worden door de zalving van de Heilige Geest met een bijzonder merkteken getekend en zo aan Christus-Priester gelijkvormig gemaakt, dat zij in de persoon van Christus, het Hoofd, kunnen optreden (Katholiek Archief 21 (1966), 939); n. 13: als bedienaren van de heilige geheimen stellen de priesters, met name in het heilig misoffer op bijzondere wijze de persoon van Christus tegenwoordig (t.z.p., 973); vgl. bisschoppensynode 1971, Het ambtelijk priesterschap, I, 4 (Archief van de Kerken 27 (1972), 76-77); Hl. Congregatie voor de geloofsleer, Verklaring ter bescherming van de katholieke leer over de kerk, 24 juni 1973, n. 6 (Archief van de Kerken 28 (1973), 759-760).

Voetnoot 17. Hl. Thomas, Summ. theol., IIIa pars, quaest. 83, art- 1, ad 3um: Men moet zeggen dat [zoals de viering van dit sacrament een representatief beeld van zijn kruis is: t.z.p. ad 2um], om dezelfde reden ook de priester het beeld van Christus opvoert, in wiens persoon en kracht hij de woorden om te consacreren uitspreekt.

Voetnoot 18. Want omdat het sacrament een teken is, wordt voor hetgeen in het sacrament wordt bewerkt niet alleen de zaak vereist, maar ook de berekening van de zaak, zegt de heilige Thomas duidelijk om de wijding van vrouwen af te wijzen: In IV Sent., dist. 25, q. 2, art. 1, quaestiuncula la corp.

Voetnoot 19. Hl. Thomas, In IV Sent., dist. 25, q. 2, art. 2, quaestiuncula la, ad 4um.

Voetnoot 20. Vgl. Concilie van Trente, sessio 22, cap. 1: DS n. 1741.

Voetnoot 21. Vaticanum II, dogm. const. Lumen gentium, n. 28: Overeenkomstig hun aandeel. oefenen zij het ambt uit van Christus, Herder en Leider (Katholiek Archief 20 (1965), 734); decr. Presbyterorum ordinis, n. 2: zodat zij in de persoon van Christus, het Hoofd, kunnen optreden... (Katholiek Archief 21 (1966), 939); vgl. paus Plus XII, encycliek Mediator Dei: de bedienaar des altaars handelt in de persoon van Christus als Hoofd, dat namens alle ledematen offert: A.A.S. 39 (1947), blz. 556 (Katholiek Archief 2 (1947), 868); bisschoppensynode 1971, Het ambtelijk priesterschap, I, 4: het stelt Christus als Hoofd van de gemeenschap tegenwoordig... (Archief van de Kerken 27 (1972), 77).

Voetnoot 22. Paus Paulus VI, encycliek Mysterium fidei, 3 september 1965: A.A.S. 57 (1965), blz. 761 (Katholiek Archief, 20 (1965), 1008-1009).

Klik hier als U onze campagne voor de wijding van vrouwen aktief wilt steunen..

historische overzichten


This website is maintained by the Wijngaards Institute for Catholic Research.

John Wijngaards Catholic Research

since 11 Jan 2014 . . .

John Wijngaards Catholic Research