|
|
|---|
Apostolische brief over de priesterwijding die
exclusief aan mannen is voorbehouden
Johannes Paulus II
1-2-1 kerkelijke documentatie - jg. 22, 1994, p. 269-271.
Eerbiedwaardige broeders in het episcopaat
De
priesterwijding, waardoor de zending, die Christus aan zijn apostelen
toevertrouwde om de gelovigen te onderrichten, te heiligen en te leiden, wordt
overgedragen, is binnen de katholieke kerk vanaf het begin altijd exclusief
voorbehouden geweest aan mannen. Ook de Oosterse kerken hebben deze traditie
trouw gehandhaafd.
Toen
in de Anglicaanse gemeenschap de kwestie van wijding van vrouwen aan de orde
werd gesteld, herinnerde paus Paulus VI, in trouw aan zijn taak om de
apostolische traditie te bewaken en met het verlangen een nieuw obstakel op de
weg naar eenheid van de christenen uit de weg te ruimen, zijn Anglicaanse
broeders en zusters aan het standpunt van de katholieke kerk: Zij houdt,
dat het om zeer fundamentele redenen niet geoorloofd is vrouwen tot priester te
wijden. Deze redenen omvatten: het in de gewijde geschriften gegeven voorbeeld
van Christus die zijn apostelen alleen uit mannen koos; de bestendige praktijk
van de kerk welke in navolging van Christus alleen mannen heeft gekozen; en
haar levende leergezag dat zichzelf gelijkblijvend heeft gehouden dat het
uitsluiten van vrouwen van het priesterschap in overeenstemming is met het plan
van God aangaande zijn kerk. (1)
Aangezien de kwestie echter ook onder theologen en in bepaalde katholieke
kringen ter discussie was gesteld, vroeg Paulus VI de Congregatie voor de
Geloofsleer de leer van de kerk in deze uiteen te zetten en toe te lichten. Dit
gebeurde in de verklaring Inter insigniores, die door de paus zelf werd
goedgekeurd en waarvan hij de publicatie gelastte. (2)
2. De
verklaring herneemt en ontwikkelt de fundamenten van deze leer, zoals deze door
Paulus VI waren uiteengezet, en komt tot de conclusie dat de kerk
zichzelf niet beschouwt als het gezag dat vrouwen toe kan laten tot de
priesterwijding. (3) Aan deze fundamentele redenen voegt hetzelfde
document nog andere theologische redenen toe, die de gepastheid van deze
goddelijke beschikking laten zien. Verder toont het duidelijk aan dat
Christus handelen niet werd ingegeven door sociologische of culturele
motieven die eigen waren aan de tijd waarin Hij leefde. Zoals Paulus VI later
nog eens preciseerde, is de ware reden: dat Christus het zo beschikt
heeft toen hij de kerk haar fundamentele constitutie heeft gegeven en de
theologische antropologie die daarna steeds door de traditie van deze zelfde
kerk in acht genomen is. (4)
In de
apostolische brief Mulieries dignitatem schreef ik hierover zelf:
Toen Christus immers alleen mannen als zijn apostelen riep, heeft Hij op
geheel vrije en soevereine wijze gehandeld. Hij heeft dat met dezelfde vrijheid
gedaan waarmee Hij in zijn gehele houding de waardigheid en de roeping van de
vrouw heeft doen uitkomen, zonder zich te conformeren aan de heersende gewoonte
en aan de traditie, die ook door de wetgeving van de tijd gesanctioneerd
was. (5)
De
evangeliën en de Handelingen van de Apostelen laten immers zien dat deze
roeping geschiedde volgens het eeuwige plan Gods: Christus heeft diegenen
uitgekozen die Hij wilde (vgl. Mc 3,13-14; vgl. Joh 15,16), en
heeft dit gedaan in eenheid met de Vader, door de heilige Geest
(Hnd 1,2), na de nacht in gebed te hebben doorgebracht (vgl. Lc
6,12). Daarom heeft de kerk bij de toelating tot het priesterambt (6) als
blijvende norm altijd de handelwijze van de Heer in de keuze van de twaalf
mannen die Hij als fundamenten van zijn kerk (vgl. Apk 21,14) heeft
geplaatst, erkend. De twaalf apostelen hebben niet slechts een functie
ontvangen, die in het vervolg door ieder willekeurig lid van de kerk
uitgeoefend zou kunnen worden, maar zij zijn op een bijzondere manier ten
nauwste verbonden met de zending van het vleesgeworden Woord zelf (vgl. Mt
10,1.7-8; 28,16-20; Mc 3,13-16; 16,14-15). De apostelen hebben
hetzelfde gedaan toen zij medewerkers (7) uitkozen die hen zouden opvolgen in
het ambt. (8) Die keuze omvatte ook degenen die in de geschiedenis van de kerk,
de zending van de apostelen om Christus, de Heer en Verlosser te
vertegenwoordigen, zouden voortzetten. (9)
3.
Enerzijds blijkt uit het feit dat de allerheiligste Maagd Maria, moeder van
God en moeder van de kerk, niet de specifieke zending van de apostelen of het
priesterambt heeft ontvangen, duidelijk dat het niet toelaten van vrouwen tot
de priesterwijding niet kan betekenen dat zij minder waardigheid bezitten of
worden gediscrimineerd: het gaat veeleer om het trouw in acht nemen van een
beschikking die moet worden toegeschreven aan de wijsheid van de Heer van het
heelal.
De
aanwezigheid en de rol van de vrouw in het leven en de zending van de kerk zijn
dan wel niet verbonden met het ambtelijke priesterschap, maar zij blijven toch
absoluut noodzakelijk en onvervangbaar. Zoals werd opgemerkt door de verklaring
Inter insigniores: Onze moeder de heilige kerk wenst vurig, dat de
christelijke vrouwen zich ten volle bewust worden, hoe groot haar zending is:
haar taak is vandaag van het grootste belang, opdat de samenleving tegelijk en
vernieuwd en menselijker wordt en de gelovigen het ware beeld van de kerk
ontdekken. (10)
Het
Nieuwe Testament en de gehele kerkgeschiedenis laten op vele plaatsen de
aanwezigheid van vrouwen in de kerk zien, die ware leerlingen en getuigen van
Christus waren in het gezin en op maatschappelijke posities, alsook in de
totale toewijding aan de dienst van God en het evangelie. De kerk heeft
inderdaad de waardigheid en de roeping van de vrouw verdedigd en lof en dank
uitgedrukt voor de vrouwen die - trouw aan het evangelie - in iedere tijd
deelgenomen hebben aan de apostolische zending van heel het volk Gods. Het gaat
om heilige martelaressen, maagden, moeders van gezinnen die moedig getuigd
hebben van hun geloof en door hun kinderen in de geest van het evangelie op te
voeden het geloof en de traditie van de kerk hebben doorgegeven. (11)
Trouwens, de hiërarchische structuur van de kerk is geheel en al op de
heiligheid van de gelovigen gericht. Daarom herinnert de verklaring Inter
insigniores eraan dat het ene betere charisma waarnaar iemand kan en
moet streven, de liefde is (vgl. 1 Kor 12-13). De grootsten in het rijk
der hemelen zijn niet de ambtsdragers, maar de heiligen. (12)
4.
Hoewel de leer omtrent de priesterwijding die exclusief aan mannen voorbehouden
is, door de voortdurende en universele traditie van de kerk is gehandhaafd, en
met stelligheid door het Magisterium in de meer recente documenten wordt
voorgehouden, wordt deze leer in onze tijd toch van verschillende zijden
beschouwd als een leer die openstaat voor discussie of wordt aan het standpunt
van de kerk om geen vrouwen toe te laten tot de priester wijding zelfs een
louter disciplinaire waarde toegekend.
Teneinde iedere twijfel over een kwestie van groot belang, die de goddelijke
constitutie van de kerk betreft, weg te nemen, verklaar ik op grond van mijn
taak om mijn broeders te bevestigen (vgl. Lc 22,32), dat de kerk op geen
enkele manier bevoegd is om aan vrouwen de priesterwijding te verlenen en dat
alle gelovigen van de kerk zich aan dit standpunt dienen te houden als zijnde
definitief.
Terwijl ik de voortdurende goddelijke hulp afsmeek over u, eerbiedwaardige
broeders, en over het gehele christelijke volk, verleen ik aan allen de
apostolische zegen.
Vanuit het Vaticaan, 22 mei, Hoogfeest van Pinksteren 1994, in het zestiende
jaar van mijn pontificaat.
JOHANNES PAULUS II
NOTEN
1.
Vgl. Paulus VI, Antwoord op de brief van zijne hoogwaardige excellentie, de
zeereerwaarde dr F. D. Coggan, aartsbisschop van Canterbury, aangaande het
priesterschap van vrouwen, 30 november 1975.
2.
Vgl. Inter insigniores, 15 oktober 1976: AAS 69 [1977], 98-116.
3.
A.w., 100.
4.
Paulus VI, Toespraak over de rol van de vrouw in het plan van de verlossing,
30 januari 1977, Insegnamenti, vol. XV, 1977, 11l; vgl.
ook Christifideles laici, 51.
5.
Mulieris dignitatem, 26. : AAS 80 [1988], 1715.
6. Lumen Gentium, 28: Decree , 2b.
7.
Vgl. 1 Tim 3,1-13; 2 Tim 1,6; Tit, 1,5-9.
8.
Vgl. Katechismus van de katholieke kerk, 1577.
9.
Vgl. Lumen gentium, 20-21.
10.
Inter insigniores, 6: AAS 69 (1977), 115-116.
11.
Mulieris dignitatem, 27: AAS 80 (1988), 1719.
12.
Inter insigniores, 6. AAS 69 (1977), 115.
Klik
hier als U onze campagne voor de wijding van vrouwen aktief wilt
steunen..

![]() |
In dit boek gaat Hans Wijngaards in op belangrijke historische bronnen, vanaf het begin van het christendom tot het jaar 900. Hij bewijst op overtuigende wijze dat vrouwen de rol van diaken op zich namen en hiertoe ook gewijd werden. Met zijn historische studie levert Wijngaards een belangrijke bijdrage aan het actuele debat over de wijding van vrouwen tot diaken. Klik hier! |