OOK VROUWEN PRIESTER? JAZEKER!header

Responsive image

BEGIN

REDEN GENOEG

TEGEN DE PAUS?

DEBAT

MENU

Nederlands/Vlaams Deutsch Francais English language Spanish language Portuguese language Catalan Chinese Czech Malayalam Finnish Igbo
Japanese Korean Romanian Malay language Norwegian Swedish Polish Swahili Chichewa Tagalog Urdu
------------------------------------------------------------------------------------
ORDINATIO SACERDOTALIS

ORDINATIO SACERDOTALIS

Apostolische brief over de priesterwijding die exclusief aan mannen is voorbehouden

Johannes Paulus II

1-2-1 kerkelijke documentatie - jg. 22, 1994, p. 269-271.

Arms of John Paul II

Eerbiedwaardige broeders in het episcopaat

De priesterwijding, waardoor de zending, die Christus aan zijn apostelen toevertrouwde om de gelovigen te onderrichten, te heiligen en te leiden, wordt overgedragen, is binnen de katholieke kerk vanaf het begin altijd exclusief voorbehouden geweest aan mannen. Ook de Oosterse kerken hebben deze traditie trouw gehandhaafd.

Toen in de Anglicaanse gemeenschap de kwestie van wijding van vrouwen aan de orde werd gesteld, herinnerde paus Paulus VI, in trouw aan zijn taak om de apostolische traditie te bewaken en met het verlangen een nieuw obstakel op de weg naar eenheid van de christenen uit de weg te ruimen, zijn Anglicaanse broeders en zusters aan het standpunt van de katholieke kerk: “Zij houdt, dat het om zeer fundamentele redenen niet geoorloofd is vrouwen tot priester te wijden. Deze redenen omvatten: het in de gewijde geschriften gegeven voorbeeld van Christus die zijn apostelen alleen uit mannen koos; de bestendige praktijk van de kerk welke in navolging van Christus alleen mannen heeft gekozen; en haar levende leergezag dat zichzelf gelijkblijvend heeft gehouden dat het uitsluiten van vrouwen van het priesterschap in overeenstemming is met het plan van God aangaande zijn kerk.” (1)

Aangezien de kwestie echter ook onder theologen en in bepaalde katholieke kringen ter discussie was gesteld, vroeg Paulus VI de Congregatie voor de Geloofsleer de leer van de kerk in deze uiteen te zetten en toe te lichten. Dit gebeurde in de verklaring Inter insigniores, die door de paus zelf werd goedgekeurd en waarvan hij de publicatie gelastte. (2)

2. De verklaring herneemt en ontwikkelt de fundamenten van deze leer, zoals deze door Paulus VI waren uiteengezet, en komt tot de conclusie dat de kerk “zichzelf niet beschouwt als het gezag dat vrouwen toe kan laten tot de priesterwijding”. (3) Aan deze fundamentele redenen voegt hetzelfde document nog andere theologische redenen toe, die de gepastheid van deze goddelijke beschikking laten zien. Verder toont het duidelijk aan dat Christus’ handelen niet werd ingegeven door sociologische of culturele motieven die eigen waren aan de tijd waarin Hij leefde. Zoals Paulus VI later nog eens preciseerde, “is de ware reden: dat Christus het zo beschikt heeft toen hij de kerk haar fundamentele constitutie heeft gegeven en de theologische antropologie die daarna steeds door de traditie van deze zelfde kerk in acht genomen is”. (4)

In de apostolische brief Mulieries dignitatem schreef ik hierover zelf: “Toen Christus immers alleen mannen als zijn apostelen riep, heeft Hij op geheel vrije en soevereine wijze gehandeld. Hij heeft dat met dezelfde vrijheid gedaan waarmee Hij in zijn gehele houding de waardigheid en de roeping van de vrouw heeft doen uitkomen, zonder zich te conformeren aan de heersende gewoonte en aan de traditie, die ook door de wetgeving van de tijd gesanctioneerd was.” (5)

De evangeliën en de Handelingen van de Apostelen laten immers zien dat deze roeping geschiedde volgens het eeuwige plan Gods: Christus heeft diegenen uitgekozen die Hij wilde (vgl. Mc 3,13-14; vgl. Joh 15,16), en heeft dit gedaan in eenheid met de Vader, “door de heilige Geest” (Hnd 1,2), na de nacht in gebed te hebben doorgebracht (vgl. Lc 6,12). Daarom heeft de kerk bij de toelating tot het priesterambt (6) als blijvende norm altijd de handelwijze van de Heer in de keuze van de twaalf mannen die Hij als fundamenten van zijn kerk (vgl. Apk 21,14) heeft geplaatst, erkend. De twaalf apostelen hebben niet slechts een functie ontvangen, die in het vervolg door ieder willekeurig lid van de kerk uitgeoefend zou kunnen worden, maar zij zijn op een bijzondere manier ten nauwste verbonden met de zending van het vleesgeworden Woord zelf (vgl. Mt 10,1.7-8; 28,16-20; Mc 3,13-16; 16,14-15). De apostelen hebben hetzelfde gedaan toen zij medewerkers (7) uitkozen die hen zouden opvolgen in het ambt. (8) Die keuze omvatte ook degenen die in de geschiedenis van de kerk, de zending van de apostelen om Christus, de Heer en Verlosser te vertegenwoordigen, zouden voortzetten. (9)

3. Enerzijds blijkt uit het feit dat de allerheiligste Maagd Maria, moeder van God en moeder van de kerk, niet de specifieke zending van de apostelen of het priesterambt heeft ontvangen, duidelijk dat het niet toelaten van vrouwen tot de priesterwijding niet kan betekenen dat zij minder waardigheid bezitten of worden gediscrimineerd: het gaat veeleer om het trouw in acht nemen van een beschikking die moet worden toegeschreven aan de wijsheid van de Heer van het heelal.

De aanwezigheid en de rol van de vrouw in het leven en de zending van de kerk zijn dan wel niet verbonden met het ambtelijke priesterschap, maar zij blijven toch absoluut noodzakelijk en onvervangbaar. Zoals werd opgemerkt door de verklaring Inter insigniores: “Onze moeder de heilige kerk wenst vurig, dat de christelijke vrouwen zich ten volle bewust worden, hoe groot haar zending is: haar taak is vandaag van het grootste belang, opdat de samenleving tegelijk en vernieuwd en menselijker wordt en de gelovigen het ware beeld van de kerk ontdekken.” (10)

Het Nieuwe Testament en de gehele kerkgeschiedenis laten op vele plaatsen de aanwezigheid van vrouwen in de kerk zien, die ware leerlingen en getuigen van Christus waren in het gezin en op maatschappelijke posities, alsook in de totale toewijding aan de dienst van God en het evangelie. “De kerk heeft inderdaad de waardigheid en de roeping van de vrouw verdedigd en lof en dank uitgedrukt voor de vrouwen die - trouw aan het evangelie - in iedere tijd deelgenomen hebben aan de apostolische zending van heel het volk Gods. Het gaat om heilige martelaressen, maagden, moeders van gezinnen die moedig getuigd hebben van hun geloof en door hun kinderen in de geest van het evangelie op te voeden het geloof en de traditie van de kerk hebben doorgegeven.” (11)

Trouwens, de hiërarchische structuur van de kerk is geheel en al op de heiligheid van de gelovigen gericht. Daarom herinnert de verklaring Inter insigniores eraan dat “het ene betere charisma waarnaar iemand kan en moet streven, de liefde is (vgl. 1 Kor 12-13). De grootsten in het rijk der hemelen zijn niet de ambtsdragers, maar de heiligen.” (12)

4. Hoewel de leer omtrent de priesterwijding die exclusief aan mannen voorbehouden is, door de voortdurende en universele traditie van de kerk is gehandhaafd, en met stelligheid door het Magisterium in de meer recente documenten wordt voorgehouden, wordt deze leer in onze tijd toch van verschillende zijden beschouwd als een leer die openstaat voor discussie of wordt aan het standpunt van de kerk om geen vrouwen toe te laten tot de priester wijding zelfs een louter disciplinaire waarde toegekend.

Teneinde iedere twijfel over een kwestie van groot belang, die de goddelijke constitutie van de kerk betreft, weg te nemen, verklaar ik op grond van mijn taak om mijn broeders te bevestigen (vgl. Lc 22,32), dat de kerk op geen enkele manier bevoegd is om aan vrouwen de priesterwijding te verlenen en dat alle gelovigen van de kerk zich aan dit standpunt dienen te houden als zijnde definitief.

Terwijl ik de voortdurende goddelijke hulp afsmeek over u, eerbiedwaardige broeders, en over het gehele christelijke volk, verleen ik aan allen de apostolische zegen.

Vanuit het Vaticaan, 22 mei, Hoogfeest van Pinksteren 1994, in het zestiende jaar van mijn pontificaat.

JOHANNES PAULUS II

NOTEN

1. Vgl. Paulus VI, Antwoord op de brief van zijne hoogwaardige excellentie, de zeereerwaarde dr F. D. Coggan, aartsbisschop van Canterbury, aangaande het priesterschap van vrouwen, 30 november 1975.

2. Vgl. Inter insigniores, 15 oktober 1976: AAS 69 [1977], 98-116.

3. A.w., 100.

4. Paulus VI, Toespraak over de rol van de vrouw in het plan van de verlossing, 30 januari 1977, Insegnamenti, vol. XV, 1977, 11l; vgl. ook Christifideles laici, 51.

5. Mulieris dignitatem, 26. : AAS 80 [1988], 1715.

6. Lumen Gentium, 28: Decree , 2b.

7. Vgl. 1 Tim 3,1-13; 2 Tim 1,6; Tit, 1,5-9.

8. Vgl. Katechismus van de katholieke kerk, 1577.

9. Vgl. Lumen gentium, 20-21.

10. Inter insigniores, 6: AAS 69 (1977), 115-116.

11. Mulieris dignitatem, 27: AAS 80 (1988), 1719.

12. Inter insigniores, 6. AAS 69 (1977), 115.

Klik hier als U onze campagne voor de wijding van vrouwen aktief wilt steunen..

historische overzichten


This website is maintained by the Wijngaards Institute for Catholic Research.

John Wijngaards Catholic Research

since 11 Jan 2014 . . .

John Wijngaards Catholic Research