Nederlands/Vlaams Deutsch Francais English language Spanish language Portuguese language Italiano
Catalan Czech Esperanto Greek Igbo Japanese Korean Latin Malay language Norwegian Polish Swahili Tagalog
Openingspagina!

‘Zeg "Onze Vader" ’

‘Zeg "Onze Vader" ’

Hoofdstuk Dertien

Van: Een albasten kruik. Over de rol en betekenis van Maria van Magdala door Theresia Saers eerst gepubliceerd door Syntax Publishers in 1998. Hier met verlof van de schrijfster en uitgever gepubliceerd in een bewerkte versie (2001)

Erkenning van de leer van het Koninkrijk is er niet bij; indien dat wel het geval geweest was, dan had men Jezus immers gezalfd als de redder? Toch brengt Jezus die leer als éen die gezag heeft. In zijn eigen stad verklaart hij heel duidelijk dat dit gezag hem door de Geest van de Heer is gegeven. Door de Geest is hij gezalfd; meer heeft hij niet nodig. De mensen zeggen het ook meermalen duidelijk, ‘hij onderricht als een die gezag heeft’. In het begin van zijn optreden, in Nazareth om precies te zijn, verklaart de nieuwe Rabbi zelf van wie hij zijn gezag heeft ontvangen, van de Geest van Jahweh zelf.

‘De geest des Heren rust op mij, want Hij heeft me gezalfd.
Hij heeft me gezonden om goed nieuws te brengen aan de armen,
om vrijheid te verkondigen aan gevangenen,
aan blinden dat ze kunnen zien,
om de verdrukten in vrijheid te stellen,
om een genadejaar aan te kondigen van de Heer.
Heden is dit Schriftwoord in vervulling gegaan.’

Ik vraag me af of de mogelijkheid dat hun Rabbi ooit nog gezalfd zou worden door de autoriteiten ooit is opgekomen bij de mannelijke leerlingen. Bij Maria in ieder geval duidelijk wel. De leerlingen vragen zich uiteraard wel af hoe zij ooit zullen kunnen bentwoorden aan de hoge maatstaven van Jezus en kunnen volbrengen wat hij van hen als zijn apostelen vraagt. Ze vragen zich af waar hij zijn kracht aan ontleent. Zou het antwoord op die vraag liggen in de uren waarin hij zich terugtrekt op een of andere rustige plaats en lijkt te bidden? Wanneer Jezus bidt, lijkt hij wel weg van de wereld. Hij zoekt de stilte op, waar een diepe ingekeerdheid over hem komt. Steeds weer maakt het een geweldige indruk op hen. Uiteindelijk besluiten ze hem te vragen of hij hen ook zo wil leren bidden.

‘Meester’, zeggen ze, ‘Johannes heeft ons leren bidden, maar niet zoals U. Wilt U ons zeggen hoe wij kunnen bidden zoals U het doet?’

Ik vermoed dat Jezus lange tijd gezwegen heeft. Spreken over je eigen gebed betekent vaak dat je het schaadt. Toch schijnt het verzoek van de leerlingen Jezus goed te doen en hij overweegt wat hij zal zeggen . Wanneer wij de Schrift lezen is het zo gemakkelijk te denken dat alle zaken die wij opgetekend vinden zomaar van Jezus’ lippen stroomden en later zomaar van de schrijfstift van een evangelist, net zo gemakkelijk als ze ons over de lippen komen wanneer wij de Schrift aanhalen. We zijn geneigd de zorg te vergeten van de schrijver om aan zijn lezers moeilijk te vatten denkbeelden en gekoesterde ervaringen door te geven zonder ze te vertekenen. Hoeveel mensen hebben er misschien om de evangelist heen gezeten toen hij zijn laatste versie eindelijk op schrift stelde? En zelfs wanneer we ons realiseren dat de woorden van de evangeliën met grote zorg zijn te boek gesteld, moeten we vooral ook niet de uiteindelijke bron van deze teksten, Jezus van Nazareth, die zoveel eeuwen geleden de aanleiding ertoe was. Niet vergeten dat hij nooit sprak als een uitstekende ‘causeur’ op een of ander modieus partijtje. Zo denk ik ook dat het gebed dat wij het ‘Onze Vader’ zijn gaan noemen niet een kant en klare formule was, gehouwen uit de rots van Jezus’ eigen geloof, een formule die ons een goed gevoel kan geven dat wij bidden zoals het hoort. Waarschijnlijk ging het met het ‘Onze Vader’ net als met de ‘Acht Zaligheden’, in hun huidige vorm zijn ze samengesteld uit de stukjes en brokjes die de eerste Christenen zich herinnerden. Het zijn woorden van Jezus, natuurlijk. Maar gesproken onder andere omstandigheden en in een andere volgorde dan wij beseffen.

Jezus bedenkt dus wat hij zal antwoorden. Hij is zich bewust van het verschil tussen het traditionele bidden en dat van hemzelf. Tussen de een-richting stroom van woorden en de zee van liefde en vertrouwen die hem omgeeft en voedt. Hij herinnert zich zijn eigen begin. Hoe zijn ouders hem hebben leren bidden volgens de Joodse traditie. De eerbied voor God was immens en had zijn volk ertoe geleid omschrijvingen te gebruiken in plaats van de Naam. De Allerhoogste, de Eeuwige. Jezus was zich al jong bewust geworden dat er een betere naam was voor God, een naam die niemand waarschijnlijk ooit had durven gebruiken, maar die naam was wel te vinden in 2 Samuël, 7, 14: ‘Ik zal hem tot een vader zijn’.

Als je bidt, zeg dan : ‘Onze Vader’.

Ze konden een blad horen vallen. Wie zou dat durven, God je vader noemen?. Je zou het zelfs niet tegen een priester durven zeggen. Ze zijn verbijsterd. Dit lijkt op heiligschennis. Maar Jezus spreekt verder. ‘Ja’, zegt Jezus. ‘Vader! Dat mogen jullie gerust zeggen. Hij is ook jullie Vader. De Vader zelf heeft jullie lief. Hij is niet zomaar een verre kracht, Hij is liefde.’

Het moet lange tijd stil zijn gebleven. Er kwam echter nog meer.

‘Vraag dat zijn Naam geheiligd moge worden en de komst van zijn Rijk bespoedigd.’ Maria voelt wel aan dat erom vragen verantwoordelijkheid meebrengt. Wat je bidt, dat ben je zelf. Je moet er zelf aan werken dat deze dingen gebeuren.

‘Uw Wil geschiede, op aarde zoals in de hemel.’ Hier komt die hemel weer, een wijze van bestaan buiten onze waarneming, waar we naar mogen haken met alle kracht die in ons is. Het koninkrijk van God, eindelijk en voorgoed gevestigd onder de mensen, geen slechtheid meer, geen ziekte, geen armoede, geen onmensen, maar eindelijk, eindelijk een samenleving van liefde. De hemel. En niemand blijkt verloren, niemand heeft vergeefs geleefd.

Iets daarvan moeten de leerlingen uit de woorden van Jezus hebben meegekregen, een weten dat je er op aarde met alle kracht aan moet werken, aan dat nieuwe koninkrijk.

‘Geef ons heden ons dagelijks brood.’ Is dit het gebed dat hem de kracht en het geduld geeft zo eindeloos lang te luisteren naar al degenen die tot hem komen om raad en genezing? Ze haat de inquisitie door priesters en schriftgeleerden, hoewel Jezus daar nooit als verliezer uitkomt. Ze is verdrietig wanneer ze zijn liefde zo onbeantwoord ziet en de wijze waarop de officiële leraren van de Wet hun wrok formuleren. Het laat een voorgevoel in haar achter van groot gevaar. In latere jaren zal ze meer en meer beseffen dat de Rabbi zijn dagelijks brood, geestelijk voedsel en kracht om de angst de baas te blijven moet hebben gevonden in die teruggetrokken perioden, wanneer hij zo ver weg leek in een andere wereld.

‘Vergeef ons onze schuld, zoals ook wij aan anderen hun schuld vergeven.’ Jezus zelf is de eerste die zich onder dat ‘wij’ schaart, weet Maria. Hij zal dat gebed vaak nodig hebben, want hij ondervindt van de officiële leraren van Israël vrijwel alleen smaad. En zij, die zo'n nare bijnaam heeft gekregen, en beter weet dan de anderen hoe zwaar het is versmaad te worden, wet dat ze geen wraak uit de hemel moet afbidden maar vergeving.

‘En leid ons niet in bekoring, maar verlos ons van het kwade.’ Of de leerlingen reeds de grote bekoringen beseffen die hen zullen overkomen, we weten het niet. Ook niet of het woord van Jezus tot Petrus over de beloningen en de vervolgingen vooraf ging aan zijn lessen over gebed, maar ik kan me voorstellen dat Maria met haar eigen pijnlijke ervaringen wel iets meer vermoedt van wat er nog zal kunnen gaan gebeuren. Ze hebben naar Jezus geluisterd zoals vanouds de joden luisterden in het leerhuis van de rabbijnen. De leer werd immers grotendeels mondeling doorgegeven en moest keer op keer worden herhaald. Toch is het bij Jezus geheel anders: niet een herhaling van immer dezelfde woorden; steeds valt er ander licht op wat hij in wezen zeggen wil. Maria begrijpt dat er veel meer steekt achter de woorden van de Wet dan wat de letter zegt. Langzamerhand, terwijl Jezus de ontwikkeling van de onderlinge liefde van mensen voor elkaar probeert te versterken, kan ze zien dat de Wet van Mozes daar ook op gericht is en dat die zelfs de sensibiliteit voor het dier en voor heel de schepping vergroot.




Inleiding Beeld Meditaties Bibliografie Evangelie-teksten ‘Een Albasten Kruik’ Terug naar ‘home’ pagina

Links naar andere websites in de gehele wereld! Maak deze site een van je favourieten! Vertel een vriend over deze website! Laat ons je gedachten en voorstellen weten! Plaats een doorklikknop op je eigen website! Women's Ongoing Internet Consultation 'Vrienden' ondersteunen ons door een regelmatige bijdrage Wij hebben financiele steun nodig!

In dit boek gaat Hans Wijngaards in op belangrijke historische bronnen, vanaf het begin van het christendom tot het jaar 900. Hij bewijst op overtuigende wijze dat vrouwen de rol van diaken op zich namen en hiertoe ook gewijd werden. Met zijn historische studie levert Wijngaards een belangrijke bijdrage aan het actuele debat over de wijding van vrouwen tot diaken. Klik hier!

Join us  .  .  .  !