Nederlands/Vlaams Deutsch Francais English language Spanish language Portuguese language Italiano
Catalan Czech Esperanto Greek Igbo Japanese Korean Latin Malay language Norwegian Polish Swahili Tagalog
Openingspagina!

Vier versies van het verhaal van de zalving

Vier versies van het verhaal van de zalving

Hoofdstuk Achttien

Van: Een albasten kruik. Over de rol en betekenis van Maria van Magdala door Theresia Saers eerst gepubliceerd door Syntax Publishers in 1998. Hier met verlof van de schrijfster en uitgever gepubliceerd in een bewerkte versie (2001)

Mattheus schrijft:

Toen Jezus al deze toespraken geeindigd had, sprak Hij tot zijn leerlingen: 'Gij weet dat over twee dagen het paasfeest wordt gevierd; dan wordt de Mensenzoon overgeleverd om gekruisigd te worden.' Tezelfdertijd kwamen de hogepriesters en de oudsten van het volk bijeen in het paleis van de hogepriester die Kajafas heette en na onderling overleg besloten zij Jezus door een list te grijpen en ter dood te brengen. 'Maar', zeiden ze, 'niet op het feest; anders mochten er eens onlusten ontstaan onder het volk.' Terwijl Jezus zich te Bethanië bevond in het huis van Simon de Melaatse, kwam er een vrouw naar Hem toe met een albasten vaasje zeer dure balsem. Zij goot die uit over zijn hoofd terwijl hij aan tafel lag. Toen de leerlingen dit zagen, waren ze verontwaardigd en zeiden: 'Waar is die verkwisting nu voor nodig? Het had immers duur verkocht kunnen worden ten bate van de armen.' Jezus bemerkte het en sprak tot hen: 'Waarom valt ge deze vrouw lastig? Het is toch een goed werk dat zij aan mij heeft gedaan? Armen hebt gij altijd in uw midden, maar mij niet. En toen die vrouw deze balsem over mijn lichaam uitgoot, deed zij iets dat heen wijst naar mijn begrafenis. Voorwaar Ik zeg u: 'Waar ook ter wereld deze Blijde Boodschap verkondigd zal worden, zal tevens ter herinnering aan haar verhaald worden wat zij gedaan heeft.' Hierop ging een van de Twaalf, Judas Iskariot geheten, naar de hogepriester en zei: 'Wat wilt ge mij geven als ik hem u in handen speel?' Zij betaalden hem dertig zilverlingen uit. En van toen af zocht hij een gunstige gelegenheid om hem over te leveren.

(Mattheus 26,1-16)

En bij Marcus vinden we:

Twee dagen later was het feest van Pasen en van het ongedesemde brood. De hogepriesters en de schriftgeleerden zochten op welke manier zij Jezus door een list zouden kunnen grijpen en hem ter dood brengen. Want ze dachten: 'Niet op het feest; er mochten anders eens onlusten ontstaan onder het volk.' Terwijl Jezus zich te Betanië bevond in het huis van Simon de Melaatse en daar aan tafel aanlag, kwam er een vrouw met een albasten vaasje echte, zeer dure nardusbalsem. Zij brak het vaasje stuk en goot de inhoud over zijn hoofd uit. Sommigen waren er verontwaardigd over en zeiden onder elkaar: 'Waar is die verkwisting van de balsem nu voor nodig geweest? De balsem had voor driehonderd denaries verkocht kunnen worden ten bate van de armen.' Toen zij tegen haar uitvoeren, sprak Jezus: 'Laat haar met rust. Waarom valt ge haar lastig? Het is toch een goed werk dat zij aan mij heeft gedaan. Armen hebt gij altijd in uw midden en gij kunt hun weldoen wanneer ge maar wilt; maar mij hebt ge niet altijd. Zij heeft gedaan wat in haar macht was; zij heeft mijn lichaam op voorhand gezalfd met het oog op mijn begrafenis. Voorwaar Ik zeg u: waar ook ter wereld, waar de Blijde Boodschap verkondigd zal worden, zal tevens ter herinnering aan haar verhaald worden wat zij gedaan heeft.' Hierop ging Judas Iskariot, een van de twaalf, naar de hogepriesters om hem aan hen uit te leveren. Dezen waren blij toen ze dat hoorden en beloofden hem geld. Hij zocht naar een gunstige gelegenheid om hem uit te leveren.

(Marcus 14,1-11)

Bij Johannes:

De hogepriesters en farizeeërs hadden namelijk het bevel gegeven, dat ieder die wist waar hij was, het zou melden; dan konden zij de hand op hem leggen. Zes dagen voor Pasen kwam Jezus te Bethanië, waar Lazarus woonde, die hij uit de doden had opgewekt. Men gaf daar ter ere van hem een maaltijd. Marta bediende en Lazarus was een van degenen die met hem aanlagen. Maria nu nam een pond nardusbalsem, echte en heel kostbare, zalfde daarmee Jezus' voeten en droogde ze met haar haren af. Het huis hing vol balsemgeur. Daarop zei Judas Iskariot, een van zijn leerlingen, dezelfde die hem zou overleveren: 'Waarom is die balsem niet voor driehonderd denaries verkocht en het geld aan de armen gegeven?' Hij zei dat, niet omdat hij bezorgd was voor de armen, maar omdat hij een dief was en uit de beurs die hij bewaarde wegnam wat erin kwam. Jezus echter zei: 'Laat haar begaan. Zij heeft dit gebruik onderhouden vooruitlopend op de dag van mijn begrafenis. Want de armen houdt gij altijd bij u, mij echter niet altijd.' Intussen waren heel veel Judeeërs te weten gekomen dat Jezus daar was, en kwamen erheen, niet alleen omwille van Jezus, maar ook om Lazarus te zien, die Hij uit de doden had opgewekt. De opperpriesters besloten toen ook Lazarus uit de weg te ruimen, omdat om hem veel Judeeërs wegliepen en in Jezus geloofden.

(Johannes 11,57 en 12,1-11)

En bij Lucas:

(Maar) de farizeeërs en wetgeleerden hebben, wat hen betreft, het plan van God verijdeld door zich niet door hem te laten dopen.(...) Een van de farizeeërs vroeg hem eens bij zich te eten. Hij trad het huis van de Farizeeër binnen en ging aanliggen. Een vrouw nu die in de stad als een zondares bekend stond, was te weten gekomen, dat Jezus in het huis van de farizeeër te gast was. Zij nam een albasten vaasje met balsem mee en ging schreiend achter hem bij zijn voeten staan. Haar tranen maakten zijn voeten nat, die ze met haar hoofdhaar afdroogde. Zij kuste ze keer op keer en zalfde ze met de balsem. Toen de farizeeër die hem uitgenodigd had dit zag, zei hij bij zichzelf: 'Als dit een profeet was, zou hij weten wie en wat voor een vrouw het is die hem aanraakt; het is immers een zondares.' Jezus gaf hem ten antwoord: 'Simon, ik heb u iets te zeggen', waarop deze zei: 'Zeg het, Meester.' 'Een geldschieter had twee schuldenaars, de een was hen vijfhonderd, de ander vijftig denariën schuldig. Omdat zij die niet konden teruggeven, schold hij ze aan allebei kwijt. Wie van hen zal nu het meest van hem houden?' 'Ik veronderstel', antwoordde Simon, 'diegene aan wie hij het meeste heeft kwijtgescholden.' Jezus zei tot hem: 'Uw oordeel is juist.' Daarop keerde hij zich tot de vrouw en zei tot Simon: 'Ge ziet die vrouw daar? Ik kwam uw huis binnen; gij hebt niet eens water over mijn voeten gegoten, maar mijn voeten zijn nat geworden door haar tranen en zij heeft ze met haar haren afgedroogd. Gij hebt mij niet eens een kus gegeven, maar zij hield, sinds ik binnenkwam, niet op mijn voeten te kussen. Gij hebt mijn hoofd niet met olie gezalfd, maar zij heeft mijn voeten gezalfd met balsem. Daarom zeg ik u: haar zonden zijn haar vergeven, al waren ze vele, want zij heeft veel liefde betoond. Aan wie weinig wordt vergeven, hij betoont weinig liefde.' Daarop sprak hij tot haar : 'Uw zonden zijn vergeven. 'De mede-aanliggenden vroegen zich af: 'Wie is deze man, die zelfs zonden vergeeft?' Jezus zei tot de vrouw: 'Uw geloof heeft u gered: ga in vrede.'

(Lukas 7,30 en 7,36-50)

Sommigen zien in de zalving uit de vier verslagen niet één gebeurtenis maar twee. Ze wijzen voornamelijk op drie details bij Lukas. Allereerst het feit dat Lukas de zalving vroeger laat plaats vinden en die niet in verband brengt met Jezus’ aanstaande dood. Ten tweede dat het maal Lukas plaats vindt in het huis van een Farizeeër en ten derde dat zijn verhaal voornamelijk een verhaal is over liefde en zonde.

Om te beginnen wil ik erop wijzen dat we al gesproken hebben over het gebrek aan chronologische opbouw in alle evangeliën. Daar hoeven we hier dus niets ongewoons in te zien. Wat de identiteit van de gastheer betreft, de drie andere evangelisten beweren niet dat de gatheer geen Farizeeër was. Wat de naam van de man betreft zijn Mattheus en Marcus het met Lukas eens: Simon. Zij voegen er echter de opmerking aan toe ‘de Melaatse’. Johannes noemt geen naam.De bewuste Simon is bepaald niet iemand om over naar huis te schrijven, veeleer herinneren de eerste Christenen zij naam met afschuw. We weten bovendien dat geen enkele echte melaatse als Farizeeër in het openbaar zou kunnen verschijnen, laat staan een maaltijd aanrichten voor gasten. Stel dat de gastheer voorheen melaats was, maar door Jezus genezen, dan zou hij toch bepaald niet zijn weldoener op zo’n smerige manier behandelen? Aanbrengen bij de opperpriesters om hem vermoord te krijgen?

Wat tenslotte het verhaal betreft van de grote zondaar en de kleine en de liefde of juist het ontbreken ervan. Dat komt niet voor bij e andere evangelisten. Het verhaal kan best betrouwbaar zijn, maar we weten ook dat de evangelisten telkens zelf uitmaken welke details zij belangrijk vinden om door te geven. Zelfs de belangrijke gebeurtenis, de instelling van de eucharistie, wordt in zijn lange verslag over het Laatste Avondmaal door Johannes niet genoemd. De voetwassing en de opdracht tot dienstbaarheid juist weer wel, maar daar spreken de anderen niet over. Het feit dat sommige dingen niet worden genoemd wil nog niet zeggen dat ze niet hebben plaats gevonden. Het betekent slechts dat de ene evangelist andere accenten legt dan zijn collega. Herkennen we dat soort gedrag niet in onszelf, wanneer we spreken over onze gestorven geliefden? Wanneer ieder van ons de dingen benadert die hem of haar het meest geraakt hebben?

Het soort religieus-politieke moord waarover de evangeliën verhalen was de eerste van ontelbaar vele onder de volgelingen van Jezus in later tijd. De sfeer is vol van dreiging. Ook latere martelaren zijn zich bewust van de verschrikkelijke toekomst die hen wacht, maar ze kunnen of willen niet trachten hun lot te ontlopen. We weten van de evangelisten dat Jezus had voorzegd wat er stond te gebeuren. Wanneer zij in latere jaren terugkijken op Jezus’ leven, zullen ze beseffen dat deze maaltijd de eerste statie was van de kruisweg. Het zullen geen blijde herinneringen geweest zijn, want in die eerste dagen hebben de leerlingen veel nagelaten wat ze hadden kunnen doen voor hun Heer. Ze schijnen niet eens geprotesteerd te hebben tegen het gebrek aan hoffelijkheid van de Farzeeër-gastheer. Maar eerlijk is eerlijk, ze ontlopen de verantwoordelijkheid voor hun laf gedrag later niet meer. De feiten mogen eerlijk worden vastgelegd. Maar dan, er leefden wellicht nog getuigen…

In het volgende hoofdstuk zetten we de details van de verhalen nog eens overzichtelijk bij elkaar.




Inleiding Beeld Meditaties Bibliografie Evangelie-teksten ‘Een Albasten Kruik’ Terug naar ‘home’ pagina

Links naar andere websites in de gehele wereld! Maak deze site een van je favourieten! Vertel een vriend over deze website! Laat ons je gedachten en voorstellen weten! Plaats een doorklikknop op je eigen website! Women's Ongoing Internet Consultation 'Vrienden' ondersteunen ons door een regelmatige bijdrage Wij hebben financiele steun nodig!

In dit boek gaat Hans Wijngaards in op belangrijke historische bronnen, vanaf het begin van het christendom tot het jaar 900. Hij bewijst op overtuigende wijze dat vrouwen de rol van diaken op zich namen en hiertoe ook gewijd werden. Met zijn historische studie levert Wijngaards een belangrijke bijdrage aan het actuele debat over de wijding van vrouwen tot diaken. Klik hier!

Join us  .  .  .  !