|
|
|---|
Een Leven van Maria Magdalena uit de Legenda
Aurea (13de eeuw) door Jacopo di Voragine
Zie: Mary Magdalen. The Saints in Legend and Art, dl. 5,
door J. H. Emminghaus. Tekst van verhaal en legende door Leonhard
Küppers. Aurel Bongers, Recklinghausen 1964.
Dit 'leven' was uiterst invloedrijk bij de vorming van de middeleeuwse
devotie tot Maria Magdalena. In 1260 schreef Jacobus de Voragine, een
Italiaanse Dominicaan, een standaardwerk met legenden, de Legenda
Aurea. Het genre van deze hagiografische compendia was niet nieuw, maar
de orde die Jacobus aanbracht in het grote aantal rivaliserende levens en
legenden die tot dan toe links en rechts beschikbaar waren, die orde was
beslist wel nieuw. De honger naar het vertellen van verhalen zal zeker hebben
bijgedragen aan het grote succes van dit boek met legenden. In de
Legenda Aurea, zijn eersterangs bronnen en volksverhalen
samengesmolten en theologische bezinning op Maria Magdalena gaat hand in hand
met populaire devotionele praktijken. ' The literary and the iconographic image
of Mary Magdalen' by R. Baert, Alma Mater Magazine.
"Maria Magdalena draagt de naam Magdalena, wat oorspronkelijk een
fort (Magdalum) was. Ze was van hoge geboorte, in feite van koninklijke bloede.
Haar vader heette Syrus, haar moeder Eucharia. Zij, haar broer Lazarus en haar
zuster Martha waren eigenaars van het kasteel twee mijl van de Zee van
Genezareth, alsmede van het dorp Bethanië bij Jeruzalem, plus een
aanzienlijk deel van de stad Jeruzalem, maar ze hebben hun bezittingen
verdeeld, zodat Maria Magdalena eigenares was van het kasteel dat ook in haar
naam voorkomt, terwijl Lazarus een deel van Jeruzalem bezat en Martha
Bethanië. Aangezien Magdalena een straatmadelief werd en Lazarus een
ridder, nam Martha de zorg voor de bezittingen van deze twee over en bestuurde
ze voortreffelijk. Martha zorgde voor al haar strijders, haar personeel en de
armen. Maar toen de Heer stierf hebben ze al hun bezittingen verkocht en de
opbrengst van de verkoop afgestaan aan de Apostelen."
"Magdalena was uitermate rijk en weelde gaat altijd gepaard met
lichamelijke genoegens. Zich bewust van haar schoonheid en haar rijkdom zocht
ze vervulling in niets dan lichamelijke genoegens. Dientengevolge verloor ze
haar goede naam en noemde men haar eenvoudig de zondares. Toen Christus in het
land preekte kwam ze -door Gods voorzienigheid - in het huis van Simon de
Melaatse, want ze had vernomen dat Christus daar zou eten. Omdat ze niet bij de
rechtvaardigen durfde te gaan zitten, ging ze regelrecht af op de Heer, waste
zijn voeten met haar tranen, droogde ze met haar haren en zalfde ze, want het
was gewoonte dat de mensen oliën gebruikten, omdat de zon grote hitte
bracht. Simon de farizeeër dacht: 'Als dit een profeet was, zou hij zich
toch niet laten aanraken door een zondares.' Maar de Heer bestrafte hem vanwege
zijn oppervlakkige oordeel en vergaf de vrouw al haar zonden."
"Dit is de Maria Magdalena aan wie God zoveel genade heeft geschonken
en zoveel tekens van liefde. Hij heeft zeven duivels van haar uitgedreven en
haar ontstoken in liefde tot Hem. Hij maakte haar tot zijn bijzondere vriendin,
een fantastische gastvrouw en een hulp voor onderweg. Hij pleitte haar ten
allen tijde met grote liefde vrij tegenover de Farizeeër die haar onrein
had genoemd, tegenover haar zuster, die haar beschuldigde van nietsdoen, en
tegenover Judas, die haar een verkwister had genoemd. En zag Hij haar schreien,
dan schreide Hij ook. De Heer beminde haar zozeer dat hij haar broer opwekte
uit de dood, hoewel die al vier dagen in het graf lag, en Hij genas haar zuster
Martha van bloedvloeiingen waar ze al zeven jaar onder leed. Uit liefde voor
haar zegende Hij Martilla, de dienstbode van haar zus, zodat deze luidop de
lieve woorden van Lukas 11, 27 sprak: 'Gezegend de schoot die U heeft gedragen
en de borsten die U hebben gevoed.' Want volgens Ambrosius was de vrouw van de
bloedvloeiing Martha en de vrouw die deze woorden sprak haar dienstbode.
Magdalena was echter de vrouw die de voeten van de Heer waste met haar tranen,
ze met de haren droogde en ze zalfde met olie. Ten tijde van genade volbracht
ze haar eerste boetedoening. Zij koos het beste deel, ze zat aan de voeten van
de Heer om Zijn woord te horen, ze zalfde Zijn hoofd, ze stond bij het kruis
toen Hij stierf, ze bereidde de zalven voor Zijn lichaam, verliet het graf niet
toen de discipelen het wel verlieten. Zij was degene aan wie de Heer als eerste
verscheen toen Hij verrezen was en ze was de vrouw die de Heer maakte tot
Apostel van de Apostelen (Apostel bij uitstek). "
"Toen onze Heer ten hemel opgestegen was na Zijn lijden in het
veertiende jaar, toen Stefanus al lang tevoren door de Joden was gestenigd en
de andere leerlingen uit Judea waren verdreven, trokken de discipelen naar vele
landen om het woord Gods te verspreiden. Bij deze apostelen was Maximus, een
van de twee en zeventig leerlingen van de Heer, onder wiens hoede St. Petrus
Maria Magdalena had geplaatst. Toen de leerlingen verstrooid waren, werden St.
Maximus, Maria Magdalena, haar broer Lazarus, haar zuster Martha met haar
dienstmaagd Martilla en Cedonius ( die blind was geboren maar door de Heer
genezen) door de heidenen tezamen op een schip gezet, daarin de oceaan op
gedreven opdat ze allen zouden omkomen. Door Gods voorzienigheid echter kwamen
ze aan in Massilia ( het huidige Marseille vertaalster) Ze vonden niemand die
hen gastvrijheid wilde verlenen en daarom verbleven ze in het voorportaal van
de heidense tempel."
Dan vertelt ons de Legenda Aurea hoe Maria Magdalena een
prins ertoe bewoog hen in zijn huis onderdak te verlenen, hoe zij het mogelijk
maakte dat de vrouw van de prins moeder werd van een zoon, hoe het prinselijk
paar een pelgrimstocht ondernam naar Rome en Jeruzalem, hoe de prinses stierf
op het schip tijdens de geboorte van haar zoon, en hoe de dode prinses levend
aan de prins werd teruggeschonken door de wonderdadige hulp van Maria
Magdalena. De Legenda vervolgt:
"Maria Magdalena verlangde naar de beschouwing en trok de wildernis
in van het woud, waar zij dertig jaar lang incognito leefde op een plaats die
haar door de engelen was bereid. Daar waren fonteinen, bomen noch gras. Dit
wijst er op dat de Heer haar niet in leven wilde houden met aards voedsel maar
met hemelse spijzen. Dagelijks werd ze ten hemel opgenomen door de engelen
-zeven maal vanwege de zeven gebedstijden - en ze hoorde met eigen oren de
hemelse gezangen. En dagelijks werd ze teruggebracht op aarde met deze hemelse
spijzen zodat ze nooit behoefte had aan aards voedsel."
Volgens deze legende stierf Maria Magdalena in Aix in Zuid Frankrijk en
werd aldaar begraven door Bisschop Maximus. Een deel van haar overblijfselen is
overgebracht naar het Franse klooster van Vézelay, waar de kerk haar
naam draagt. De Legenda vervolgt:
"Ten tijde van Karele de Grote, rond 769, was er in Bourgondië
een hertog, genaamd Gerhard. Zijn vrouw schonk hem geen zoon. Daarom schonk hij
al zijn bezittingen aan de armen en bouwde vele kerken en abdijen. Toen hij de
grondslag legde voor de abdij van Vézelay, zond hij een monnik met een
waardig gezelschap naar Aix en gaf hen de opdracht de relieken van de Heilige
Maria Magdalena naar Vézelay te brengen. De monnik ontdekte dat Aix
volledig was verwoest door de heidenen. Hij trof echter een graf aan dat geheel
was opgetrokken uit marmer en de grafsteen gaf aan dat St. Maria Magdalena daar
begraven lag, en men kon in feite haar geschiedenis lezen die in de steen stond
gebeiteld. In de nacht opende hij het graf, nam de relieken en bracht ze nar de
plaats waar hij verbleef. Toen, in diezelfde nacht, verscheen hem Maria
Magdalena en zei dat hij niet bang moest zijn maar het werk moest afmaken waar
hij voor was gekomen. De monnik trok huiswaarts, maar één mijl
voordat hij de abdij had bereikt, leken de relieken zo zwaar te worden dat hij
ze niet langer kon dragen. Toen kwamen de abt van de abdij en de monniken en
zij droegen met hun allen de relieken van St. Maria Magdalena met het grootst
mogelijk eerbetoon in plechtige processie naar hun domicilie."
Volgens de Legenda, ging de verering van de Heilige Maria
Magdalena in de Franse abdij te Vézelay gepaard met vele wonderen. Men
zegt dat zij een dode ridder ten leven heeft gewekt , de zeelieden heeft
geholpen, het gezicht teruggegeven aan een blinde pelgrim die
vóór de kerk van Vézelay om haar hup had gesmeekt. Men
zegt dat zij een gevangene heeft verlost van zijn ketenen en aan een zondige
priester het weg naar de deugd gewezen. Geen wonder dan dat een Heilige die zo
algemeen vereerd werd de patrones werd van vele mensen en plaatsen. De steden
van Frankrijk in het bijzonder, zoals Autun, Marseille en Vézelay
beschouwden haar als hun patroonheilige. In feite eert de hele Provence haar
als zodanig. Zij is ook de patrones van de kappers, de tuinlieden, de
wijnboeren, de zagers en de wevers. Moeders bidden tot haar voor hun kinderen
die moeilijkheden hebben bij het leren lopen. Maar boven alles dient zij
natuurlijk als het grote voorbeeld voor alle zondaren die verlangen naar
bekering.
vertaling uit het Engels door Theresia Saers
Inleiding
Beeld
Meditaties
Bibliografie
Evangelie-teksten
Een Albasten
Kruik
Terug naar home
pagina

![]() |
In dit boek gaat Hans Wijngaards in op belangrijke historische bronnen, vanaf het begin van het christendom tot het jaar 900. Hij bewijst op overtuigende wijze dat vrouwen de rol van diaken op zich namen en hiertoe ook gewijd werden. Met zijn historische studie levert Wijngaards een belangrijke bijdrage aan het actuele debat over de wijding van vrouwen tot diaken. Klik hier! |