Openingspagina!
Mary Magdalene - The Apostle of the Apostles and The Order of Preachers

Maria Magdalena - De Apostel van de Apostelen en van de Orde van de Predikheren

door Guy Bedouelle, OP

uit Dominican Ashram, Vol.18, nr. 4, 1999, pag. 157 - 171.

In de hele Christelijke Traditie, wordt de figuur van Maria Magdalena in verband gebracht met de buitengewone zending die haar werd toevertrouwd op de ochtend van de Verrijzenis. Daarom moet alles wat men zegt over Maria Magdalena worden voorafgegaan door exact dezelfde woorden die het Evangelie gebruikt om haar zending te binnen te brengen. Zodoende citeer ik hier eerst de Engelse Authorised Version of the Bible uit de zeventiende eeuw: “Jezus zegt haar, ‘raak me niet aan, want ik ben nog niet opgegaan naar mijn Vader; maar ga naar mijn broeders en zeg hun, Ik stijg op naar mijn Vader en jullie Vader, en naar mijn God en jullie God’. Maria Magdalena kwam de discipelen zeggen dat zij de Heer had gezien en dat hij dit tot haar gezegd had” (Joh 20:17-18).

Maria Magdalena komt voor in alle evangelieverhalen over de gebeurtenissen rond de Verrijzenis. Omdat Maria de leerlingen het goede nieuws van de Verrijzenis heeft gebracht, kwam zij onder sommige vroegchristelijke schrijvers bekend te staan apostola apostolorum — de Apostel van de Apostelen. Zij is ook de Maria uit de Oudheid die wordt geëerd op de muur van de huiskerk die in 1929 ontdekt is in de ruïne van een plaats, bekend als Dura Europos, caravanserail en versterkte stad op een steile rotswand boven de rivier de Eufraat in het hedendaagse Syrië. Die allereerste afbeelding van deze vrouw, Myrrophore, “Myrrhe Draagster”, (myrrhe is een kruid dat is gebruikt bij het zalven van Jezus’ lichaam voor het in het graf werd geplaatst), dateert op zijn laatst uit de eerste helft van de derde eeuw. De schildering is te zien op een foto in de kunstgalerij van de universiteit van Yale. Zij is niet alleen belangrijk vanwege de vroege datum maar ook vanwege de keuze van het onderwerp. Volgens het evangelie van Marcus en dat van Lucas werden de twee vrouwen die het lichaam van Christus gingen balsemen getuigen van zijn Verrijzenis. Volgens Augustinus is het bezoek van Maria Magdalena en de ‘andere Maria’ aan het lege graf een ‘ooggetuigenbewijs’ van de Verrijzenis. (PL 35,1955-9)

Een of drie?

Men moet niet vergeten dat Maria Magdalena vanaf de oudste tijden is vereenzelvigd met “de zondares” die Christus’ voeten zalfde in het huis van Simon (Lc 7,37) en met Maria, de zus van Martha, die hem ook zalfde (Joh 12,3). In de evangeliën is er voor geen van beide identificaties een echt bewijs te vinden, maar het heeft door de eeuwen heen deel uitgemaakt van de liturgische traditie in het Westen. Dit impliceert een hele spirituele kijk op de dingen. Maria Magdalena is het toonbeeld van berouw en ook van de beschouwing, en zo heeft zij het voorrecht verworven om door haar liefde voor Christus, de eerste getuige te worden van zijn overwinning op de dood. Men onderscheidt drie verschillende maar niet losstaande momenten: de bekering van de zondares, aan wie de Heer barmhartigheid toont, omdat haar liefde zo groot was, Maria Magdalena zoekend bij het graf, in brandend verlangen en diepe droefheid om Christus, die zij ontmoet als de Verrezen Heer; en tussen deze twee momenten in het beschouwend luisteren aan de voeten van Jezus.

Gregorius de Grote was verantwoordelijk voor XXXIII, 1, PL 76, 1238 of verleende er op zijn minst de officiële status aan.(1) Maar wat telt is het feit dat deze mening sindsdien werd gedeeld door alle middeleeuwse Latijnse schrijvers, enkelen uitgezonderd, onder hen Bernardus van Clairvaux. Deze uitzonderingen getuigden ongetwijfeld van een oudere traditie die neigde naar verschillende identiteiten voor de drie vrouwen. In ieder geval hebben de Griekse en Oosterse Kerkvaders dit onderscheid altijd volgehouden. Hedendaagse bijbelgeleerden aarzelen niet drie onderscheiden personen te zien in deze drie bijbelse personen.

Eeuwenlang heeft de Rooms Katholieke Kerk Maria Magdalena de Boetvaardige gevierd op 22 juli, en op die manier de spirituele allegorie vastgelegd die voortspruit uit de interpretatie van St. Gregorius. Het is interessant vast te stellen dat diocesane liturgieën in Frankrijk onderscheid maken tussen Maria Magdalena en Maria van Betanie, die elk op zich werden gevierd, met de aantekening dat deze speciale liturgieën voor dubieus werden gehouden. Men bedenke echter dat in de zeventiende eeuw het verzoek van het Dominicaner klooster te Saint-Maximin om een feest te vieren ter ere van de bekering van Maria Magdalena afgewezen was. (2)

De huidige liturgie, in 1970 verplicht gesteld, maakt duidelijk onderscheid tussen deze drie. Maria, de zuster van Lazarus, heeft in de huidige liturgische kalender geen plaats meer gekregen, behalve in bepaalde goedgekeurde gevallen, zoals voor de Dominicaner Zusters van Bethanië, die Maria, Martha en Lazarus tegelijkertijd vieren in een feest op 29 juli.

Hoewel dus in de gehele oude Traditie van het Westen, waar de Orde van de Predikheren voluit mee instemde, deze drie gezien werden als een, hebben Maria Magdalena, Maria van Bethanië en de anonieme zondares nu elk hun individuele identiteit terug. Dit alles weerhoudt ons er niet van de relieken van Maria Magdalena te eren, maar de vraag is waar?

Bourgondië of Provence?

Er bestaan ook verschillen tussen Oost en West wat betreft de dood van Maria Magdalena. Volgens een Oosterse legende is Maria Magdalena naar Ephese gegaan met Johannes en de Maagd Maria, de Moeder van Jezus, is daar gestorven, en vandaar is haar lichaam later overgebracht naar Constantinopel.

Voor het Westen moet men haar overblijfselen echter eerder zoeken in West Europa, en de legenden doen uitgebreid verslag van de aankomst van de Magdaleense aan de verre kust van de Middellandse Zee. Je kritische geest brengt je er daarom toch eerder toe de bestaande pelgrimsoorden te nemen als uitgangspunt. In de Middeleeuwen geloofden de mensen die verhalen, want dat verklaarde dat de devoties die hun dierbaar waren, op waarheid berustten.

De verering voor Magdalena heeft om te beginnen haar centrum in Bourgondië, het zuidoostelijk deel van Noord Frankrijk. De experts geloven tegenwoordig dat een monnik tegen het einde van de negende eeuw enkele relieken meebracht uit Palestina, waarvan men beweerde dat ze van Magdalena waren. Pelgrimage in Vézelay, met uiteindelijk een enorme omvang, begon vanaf het midden van de elfde eeuw, d.w.z. ten tijde van de Gregoriaanse hervorming. In dezelfde geest, namelijk met het oog op de hervorming van zijn Benedictijnerabdij, riep Godfried van Vézelay (+1052) met succes de bescherming van de heilige in. Gedurende twee eeuwen stroomden de pelgrims toe, talrijke genezingen vonden plaats en er kwamen steeds meer heiligdommen ter ere van Maria Magdalena verrezen, met name in Frankrijk en Duitsland. In Engeland bestonden er al enkele.

En zo werd er in Vézelay een geweldige basiliek gebouwd in de Bourgondisch-Romaanse stijl. Hier preekte Bernardus van Clairvaux zijn tweede kruistocht, en het was ook hier dat in 1190 Philippe Auguste, Koning van Frankrijk, en Richard Leeuwenhart, Koning van Engeland, elkaar troffen voor de derde kruistocht.

Het was natuurlijk nodig uit te leggen hoe het lichaam van Magdalena in Bourgondië terecht was gekomen. De eerste, nogal radicale methode is, gewoon dat je het gewoon voor waar aanneemt. Een vurig aanhanger van Vézelay, waarvan we niet weten wanneer hij leefde, schrijft het volgende: “Velen vragen zich af hoe het lichaam van de Heilige Maria Magdalena, wier moederland zich in Judea bevond, in Gallië terecht kon komen uit een land zo ver hier vandaan. Men kan deze twijfel in weinig woorden wegnemen: bij God is alles mogelijk, hij doet wat hij verkiest. Niets is te moeilijk voor hem, als hij een handelwijze wenst te volgen tot heil van de mensheid.” (3) Dit is in ieder geval eerlijk en eenvoudig

Als men zwaarder wegende verklaringen wenst, die verschaffen de Middeleeuwen ook. In het midden van de dertiende eeuw, vertelt een betrouwbare getuige voor de hagiografievan Maria Magdalena, hoe de devotie voor haar relieken op twee verschillende locaties ontstond. In 1264 verhaalt Jakob van Voragine (Varazze bij Genua) in zijn beroemde Gulden Legende of Tomes met veel bijzonderheden hoe het allemaal gekomen is: “”Na ’s Heren Hemelvaart, veertien jaar na de Passie … vertrouwde Petrus Maria Magdalena toe aan Maximin, een van de twee en zeventig leerlingen. En zo werden Maria Magdalena, Lazarus, Martha en Cedon, de blindgeborene die Jezus had genezen, met nog andere Christenen de zee op gestuurd door ongelovigen, zonder enige stuurman.” Door Gods genade bereikten ze Marseille, waar ze aanvankelijk niet welkom waren, maar uiteindelijk konden zij enkele inwoners van de Provence bekeren. Deze Dominicaan uit de dertiende eeuw zegt met klem dat Maria Magdalena “met haar leerlingen predikte”, maar dat Maximin doopte.

Zonder al te zeer in te gaan op fantastische of buitensporige details, gaan we liever direct naar het wezenlijke. “Maria Magdalena, die de hemelse zaken verlangde te overwegen, trok zich terug in een grot in de bergen, die door engelenhand voor haar gereed was gemaakt, en bleef daar gedurende dertig jaar, zonder dat iemand ervan wist.” Daar bleef zij in leven zonder eten of drinken, en voedde zich slechts met “hemels voedsel”. Ook haar dood was uitzonderlijk: ze werd op wondere wijze weggevoerd en bij de bisschop, Maximian, gebracht, die haar het lichaam en bloed van Christus verstrekte, waarop haar ziel heen vloog om zich bij de Heer te voegen.

Het is duidelijk dat de Dominicaanse prediker, Jakob van Voragine de pelgrimage naar Vezelay moet verklaren. Dat doet hij door de episode te plaatsen ten tijde van de regering van Karel de Grote. Girad, Hertog van Bourgondië, die teleurgesteld was om dat hij geen zonen had, vroeg aan een monnik van Vézelay om het lichaam van de heilige terug te brengen. Toen hij aankwam in Aix, trof hij de stad totaal verwoest aan, maar door de Voorzienigheid vond hij de heilige relieken terug, die hij meenam met toestemming van Maria Magdalena zelf, die aan hem verscheen.

Zo stonden de zaken, toen de pelgrimage zich verplaatste naar het Zuiden. In feite beweerden de Aartsbisschoppen van Aix-en-Provence, zelfs in de hoogtijdagen van Vézelay dat in hun kathedraal zich de graftomben bevonden van Maria Magdalena en Maximin. Maar twee ontdekkingen plaatsten de verering van Magdalena in de Provence. Enerzijds was er een grot met de naam Sainte-Baume, die de eer opeiste dat Magdalena er dertig jaar lang een boetvaardig leven leidde, en anderzijds was er de ontdekking van beenderen in een vroegchristelijke sarcofaag in het stadje Saint-Maximin. Op dit punt verschijnen de Dominicanen op het toneel.

Volgens de verslagen die zijn nagelaten door Bernard Gui en Jean Govi, twee Dominicanen uit Zuid Frankrijk, die deze gebeurtenissen niet zelf hebben meegemaakt, werd de jonge Charles van Anjou, neef van Koning Lodewijk, geacht tegenwoordig te zijn geweest bij de plechtige uitstelling van de relieken van Maria Magdalena te Vézelay in 1267, en deelde hij de gevoelens van de menigte dat er slechts enkele botfragmenten te zien waren. Men zegt dat hij zich de tradities van zijn eigen streek, de Provence, herinnerde. Toen hij in 1279 door de Spanjaarden van Aragon gevangen werd genomen, was hij in de nacht van 21 op 22 juli op wonderbare wijze bevrijd door Maria Magdalena, die hem verscheen en hem de plaats wees waar hij haar lichaam zou vinden. Ze gaf hem een opmerkelijke opdracht:” Jij moet een klooster oprichten te mijner ere, en ook voor de broeders van de Predikheren, want ook ik was een apostel.”

Dit alles is geschied. Maar waar de ontdekking van de relieken in het dorp Saint-Maximin, met name de schedel van de heilige, waarvoor een schitterend reliekschrijn werd besteld, al geschiedde op 9 december 1279, duurde het behoorlijk lang voor de overige opdrachten werden vervuld. In feite moest Karel II, nadat hij in 1285 Koning van Italië en Graaf van Provence was geworden, met de hulp van zijn Dominicaanse raadsman en biechtvader, Pierre de Lamon, een aanzienlijk doorzettingsvermogen aan de dag leggen om te bewerken wat de kroniekschrijver in enkele woorden samenvat: “De koning gehoorzaamde aan Gods wil, die hem was geopenbaard door Maria Magdalena; hij vestigde er de Broeders Predikheren, die zich wijdden aan de prediking en aan het apostolisch leven, en bewerkte de aansluiting van Saint Maximin en La Sainte-Baume bij de Orde van de Predikheren.”

De geschiedschrijvers zijn in feite van mening dat de Dominicanen er niet al te happig op waren de verantwoordelijkheid voor dit nieuwe schrijn op zich te nemen, en de tussenkomst van Paus Bonifatius VIII was zelfs nodig in april 1295 om hen deze nieuwe vestiging te laten aanvaarden. In ieder geval nam de eerste Dominicaner prior, broeder Guillaume de Tonneins, op 20 juni 1295 bezit van het kloosterheiligdom en trok er in tezamen met ongeveer twintig broeders. In de herfst van hetzelfde jaar begon het werk aan de basiliek en aan wat bekend zou worden als het koninklijk klooster vanwege het feit dat het was gesticht door de Koning van Sicilië. De Dominicanen bleven er tot aan de Franse Revolutie, en verbeterden en verfraaiden de gebouwen voortdurend, vooral dankzij de inspanningen van de lekenbroeders kunstenaars (bijvoorbeeld de koorbanken, schilderingen en het orgel die beroemd werden). De pelgrimstochten naar La Sainte-Baume en Saint-Maximin verwierven grote bekendheid en kwamen zelfs in de mode tijdens de zestiende eeuw, toen vele belangrijke mensen de relieken van de heilige boetelinge kwamen vereren. Na vijf eeuwen aanwezigheid en daarna meer dan een halve eeuw afwezigheid, besloot Lacordaire in 1859, als onderdeel van zijn hervestiging van de Dominicanen in Frankrijk, de gebouwen terug te kopen die tijdens de Franse Revolutie niet verwoest waren. De broeders zouden daar bijna een eeuw blijven, namelijk tot 1957, maar de zusters, die in 1872 kwamen, wonen er nog, en getuigen met Provençaalse opgewektheid van de relatie tussen de Orde van de Predikheren en de verering van de Heilige Maria Magdalena. Maar waarom eigenlijk die liefde van de heilige voor de Dominicanen?

Waarom de Dominicanen?

Vóór het einde van de dertiende eeuw schijnt er geen bijzondere devotie te zijn geweest voor Maria Magdalena van de kant van Dominicus en de eerste broeders. Wanneer we de eerste verhalen lezen, Libellus — het begin van de Orde door de Zalige Jordanus van Saksen, en vooral Levens van de Broeders door Gerard Frachet, dat er beslist de aandacht voor zou hebben gevraagd, vinden we geen enkele vermelding van Maria Magdalena. De Maagd Maria is de grote beschermvrouwe van de Dominicaner Orde.

Toch is er wel enig verband vast te stellen. In de dertiende eeuw gaf men zich veel moeite voor de bekering van te slechter faam bekend staan vrouwen, om de uitdrukking die men destijds bezigde te gebruiken, dat wil zeggen prostituees, slachtoffers van de armoede. Wanneer die bekering echt uit diepe overtuiging plaats had, vonden de bisschoppen het een goed idee hen samen te brengen in gemeenschappen van Penitenten, die natuurlijk Maria Magdalena als patrones kregen. Dit was het geval in Frankrijk, Italië en Duitsland. Het was in Duitsland dat zij de Constituties kregen van het Dominicaner nonnenklooster van Rome, dat door Dominicus was gereorganiseerd, en deze gemeen schappen maakten een aantal jaren deel uit van de Dominicaner Orde. Dat gebeurde in 1286, (4), toen Karel II rondliep met het plan voor zijn stichting te Saint-Maximin. Want hij was het die de Dominicaner Orde op het pad van de verering van Maria Magdalena zette (al hadden Dominicaanse schrijvers van heiligenlevens, zoals we gezien hebben, al belangstelling voor haar vóór het einde van de dertiende eeuw). In 1297 werd het feest van Maria Magdalena plechtig gevierd, niet slechts te Saint-Maximin maar in de gehele Orde, zoals het Generaal Kapittel van Bologne had aanbevolen. (5) Aldus werd Maria Magdalena patrones van de Orde tezamen met de Maagd Maria. Zoals Fr. Mortier, de schrijver van The Dominican Liturgy, het zo passend verwoordt: “Het lichaam van Magdalena wordt bewaakt door de Predikheren; de Orde van de Predikheren wordt bewaakt door Magdalena.” “Door hun oproep tot bekering waren de Dominicanen een werktuig bij het verspreiden van de verering van Magdalena.”(6)

Hiervan getuigt ook de iconografie, want Maria Magdalena wordt vaak afgebeeld met Dominicus en later met Thomas van Aquino en Catharina van Siena. Toen de Dominicaanse Bisschop van Savona rond 1320 Simone Martine opdracht gaf tot het vervaardigen van een polytych, liet hij zich bijvoorbeeld afschilderen terwijl hij aan de Maagd en het Kind wordt voorgesteld door Maria Magdalena. Deze polyptych bevindt zich nu in het Museo dell' Opera del Duomo in Orvieto.

De regels voor het afbeelden van Maria Magdalena kwamen van lieverlee vast te liggen. Er bestaat een preek, toegeschreven aan Thomas van Aquino die een verklaring geeft. (7) Zelfs als die niet authentiek is, ze is wel verrassend mooi. De tekst met commentaar voor het feest van Maria Magdalena spreekt over de regenboog, het symbool van de vernieuwing van het verbond tussen God en zijn volk, toen zij uit de Ark van Noë naar buiten traden. Wat is een regenboog? Het is een treffen van de zon met wolken die vol water zijn. Zo is het ook met de ontmoeting van de Verrezen Jezus en Magdalena: hij is de rijzende zon die in aanraking komt met de tranen van de wenende vrouw: hier is vuur en water. Net als bij het verschijnsel van de regenboog worden ook hier kleuren geschapen. Voor Maria Magdalena zijn ze blauw en rood. Donker blauw (coeruleus) is de kleur van de nederigheid, het blauwe water van berouw, terwijl rood traditioneel de kleur is van het geloof. We zien dit in feite in de schilderkunst: Magdalena is altijd gekleed in een rode mantel met een tuniek die vaak blauw is. Dit is het geval met de schilderingen van Fra Angelico: Maria Magdalena is, in tegenstelling tot de Maagd Maria, bijna altijd gekleed in een mauve gekleurde mantel, en met Martha, die in het groen gekleed gaat, zoals bijvoorbeeld aan de voet van het kruis.

Berouw en verlichting

Het schijnt dat de Dominicanen vooral hun toevlucht namen tot Maria Magdalena ten tijde van hervorming of vernieuwing, of van een oproep tot vurigheid en bekering. Ik citeer enkele voorbeelden

Het eerste en meest in het oog springende is dat van Catharina van Siena, die tegen het einde van de veertiende eeuw veel arbeid heeft verzet om de afnemende krachten van haar ontmoedigde broeders en zusters van de Dominicaner Orde te herstellen. Zoveel is zeker dat Catharina in de nazomer van 1376 Saint-Maximin en La Sainte-Baume bezocht, toen zij, na naar Avignon te zijn gereisd om de Paus die toen daar vertoefde te bewegen terug te keren naar Rome, zich inscheepte met haar ‘familie’ uit Toulon. Haar biechtvader en leerling, Raymond van Capua, die de reformatie die Catharina te weeg wilde brengen in gang bracht, en die tevens haar biograaf was, wijst ons op het belang van Maria Magdalena voor de mystica van Siena: “Christus had haar eens in een visioen de heilige geschonken als tweede moeder. Christus die haar vaak bezocht…soms met de Heilige Maagd, Dominicus, Maria Magdalena, Johannes de Evangelist en Paulus, kwam bij een bepaalde gelegenheid alleen met Onze Lieve Vrouw en Maria Magdalena en vroeg aan Catharina welke bijzondere gunst zij graag wilde ontvangen. Hij las haar gedachten and zei dat van dan af aan Maria Magdalena haar tot moeder zou zijn. Magdalena erkende de heilige maagd als haar dochter.” (11,18).

Raymond van Capua opperde dat Catharina Maria Magdalena als voorbeeld had genomen bij haar vasten (11, 13), maar Catherina zelf schreef dat het beeld van de heilige onder het kruis was, bedekt met Christus’ bloed, dat bijzonder belangrijk voor haar was en waarmee zij zich het meest identificeerde. In een van haar brieven ried zij Monna Franceschini de Lucca aan “de zoete en liefhebbende Magdalena te volgen, die nimmer de kruisboom verlaat.” In een andere brief, aan Monna Agnesa, houdt zij opnieuw Magdalena voor als een voorbeeld dat zichzelf vernedert aan de voet van het kruis. Catharina’s dramatische beeld van Maria Magdalena was het voorbeeld voor degenen die berouw wensten te tonen.

Het was ook weer in Italië, dat iets meer dan een eeuw na Catharina van Siena een nieuwe, beroemde hervormer optrad in Florence, genaamd Savonarola. Ook al lijkt hij niet veel gepreekt te hebben over Maria Magdalena, men vindt wel een aantal sporen van devotie voor de heilige boetelinge onder zijn leerlingen, met name onder degenen van hen die kunstenaars waren.

Dit is het geval met Sandro Botticelli. In een bijzondere schildering van de afname van Jezus van het kruis, die vervaardigd moet zijn rond 1495 en zich nu bevindt te Milaan, droogt Maria Magdalena, geheel in het rood gekleed de voeten van de dode Christus met haar haren, zoals zij had gedaan in Bethanië. In 1508 schilderde Fra Bartolomeo, een Dominicaner schilder en leerling van Savonarola Maria Magdalena met Catharina van Siena als voorbeelden van goddelijke beschouwing, een steeds terugkerend thema bij Savonarola. Het schilderij dat Fra Bartolomeo van de twee heiligen maakte en dat zich nu bevindt in Lucca is wel geïnterpreteerd als een visuele verhandeling onder de geschriften van Savonarola: de Magdalena die naar de aarde ziet als het beschouwende leven en Catharina die zich hemelwaarts richt als het actieve leven.

Gaan we verder naar de zeventiende eeuw, dan is het de beurt aan de Franse Dominicanen om een hervormingspoging te doen, die speelt rond de persoon van Fr. Michaelis, zelf afkomstig uit de Provence. Hij werd in feite actief als hervormer vanaf de tijd van zijn verkiezing als Prior van Saint-Maximin. Zo kon het gebeuren dat de historicus Thomas Souéges, die de teksten schreef voor de heiligen van de dag in Het Dominicaans Jaar (1691), toen hij bij 22 juli kwam, het feest van Maria Magdalena, “de moeder en beschermvrouwe van de Orde der Predikheren”: “U bent zo goed ons de eer te doen van ons te behandelen als kinderen en broeders door uw buitengewone goedheid; het heeft u behaagd uw wens bekend te maken dat zij de kostbare overblijfselen van uw lichaam zouden bewaken en de plaats eren waar u boete bedreef…maar het was door uw bijzondere bijstand en uw gebeden, o hoogverheven heilige, dat de eerbiedwaardige Pater Sébastien Michaelis, de roemrijke hervormer van het reguliere leven in Frankrijk, zo gelukkig geslaagd is in de uitvoering van zijn edelmoedige opzet.”

Tenslotte bereikt men de negentiende eeuw en de herleving van de Dominicaner Orde in Frankrijk. Henri-Dominique Lacordaire, die in Italië was toegetreden tot de Dominicanen, richtte, zo gauw het weer mogelijk was en zich gelegenheden voordeden, kloosters op in Frankrijk, waar zij ten tijde van de Franse Revolutie waren onderdrukt. Het was hem echter lange tijd onmogelijk ook maar één van de oude kloosters terug te kopen, waarvan er ook vele verwoest waren. Aangezien er veel roepingen waren en hij in 1853 gelegenheid had naar de Provence te gaan, had hij het belang al ingezien van het doen herleven van het koninklijk klooster van Saint-Maximin. Hij had in die tijd echter andere zorgen aan zijn hoofd, in het bijzonder geldgebrek. Hij had naam gemaakt als schrijver. In 1859 kwam hij op het idee tenminste een deel van de aankoop en de restauratie van de vroegere kloostergebouwen van Saint-Maximin te financieren door middel van een boekje ter ere van Maria Magdalena. Het boek verkocht heel goed en heeft tot aan de huidige dag bijgedragen aan de verering van de heilige. Het deed ook goede diensten om Katholieke lezers te herinneren aan het verband van Magdalena met de Dominicaner Orde.

De thema’s die hij in zijn boekje ontwikkelt zijn heel interessant. Lacordaire kiest ervoor te bouwen op de liturgische traditie: Maria van Bethanië, zuster van Lazarus en Martha is een vrouw die tweemaal de voeten zalfde van de Heer en ze met haar haren droogde.

Zijn eerste thema is dat van Geestelijke Vriendschap. In zijn ogen is het meest in het oog springende punt dat Lazarus, Martha en Magdalena vrienden waren van de Heer, en dat je hier stuit op een evangelisch voorbeeld van het soort geestelijke vriendschap, dat Lacordaire zo prachtig beschrijft als: “Het wederzijds bezit van twee denkwijzen, twee willen, twee stel deugden, twee levens, die altijd vrij zijn hun eigen weg te gaan en toch nooit uiteen gaan.”

Een tweede thema, bijzonder Magdaleens, is dat van tranen van bekering en boete. De jonge Henri Lacordaire schrok er nooit voor terug, zichzelf te beschrijven als een romanticus of van het tonen van zijn gevoelens. Lacordaire analyseert met zorg de evangelietekst en speelt op artistieke wijze met de houdingen van Magdalena. Zij schreit, ze giet haar parfums uit, ze droogt Jezus’ voeten met haar haren en ze kust ze. Zo geeft de zondares blijk van Haar berouw door middel van haar verleidingskracht.

Dan volgt het verhaal van de ontmoeting met de tuinman: Jezus, die Maria niet naar de reden voor haar tranen had gevraagd op het moment van haar bekering, vraagt daarentegen op Paasmorgen: “Vrouw, waarom die tranen?”

Op dit punt doet het derde thema zijn intrede, en typerend voor Lacordaire is dit het thema van het thuisland: de Provence wordt het thuisland van Maria Magdalena. En, zo zegt hij in alle ernst: Frankrijk heeft het derde van de grote graftomben van de Christenheid in bewaring, want de Maagd Maria, die ten hemel is opgenomen, en Sint Jan, die als het ware begraven ligt in zijn evangelie moeten we niet meetellen. En zo komt Saint-Maximin met het graf van Maria Magdalena onmiddellijk na Jeruzalem en Rome: “minder verheven dan de Sint Pieter in de hiërarchie, maar dichter bij Jezus Christus door haar hart.”

Zoals Maria Magdalena de eenzaamheid van “het beste deel” beleefde in La Sainte-Baume, zo werd Saint-Maximin voor Lacordaire het nieuwe Bethanië. Lacordaire drukt zijn liefde voor de werkelijke wereld rondom hem uit door zijn Franse nationalisme, dat niet altijd vrij is van een zeker chauvinisme en ook met Provençaals patriotisme, waarvan je mag zeggen dat hij het voor de gelegenheid omhelst maar dat discreter is. Hij besluit met Dominicaans patriotisme, als je dat mag zeggen, sinds Karel II de zorg voor de Basiliek toevertrouwde aan de Orde van de Broeders Predikheren.

Een gelegenheidsMagdalena dus, en meer in het bijzonder een Lacordaire Magdalena, die nuttig was voor de verdediging van het geloof. Deze Magdalena maakte dat Lacordaire in zijn laatste levensjaar opnieuw kon spreken over wat hem het dierbaarst was: de thema’s die hij besprak in zijn preken, zijn correspondentie en zijn geschriften, namelijk zijn God, het evangelie, zijn vrienden, zijn land en de diepste roerselen van zijn vurige hart.

Deze pelgrimstocht naar Maria Magdalena in de Dominicaner Orde kunnen we beëindigen met een leerling van Lacordaire, die om zo te zeggen terugkeerde naar de bronnen van de traditie door de lof te zingen van de boetvaardige vrouw uit Bethanië. Dit was Marie-Jean-Joseph Lataste, die halverwege de negentiende eeuw, die zo hard was ten opzichte van de armen en gemarginaliseerden hen het evangelie ging verkondigen en daarbij Maria Magdalena als uitgangspunt nam. Lataste was een van de novicen die in juli 1859 met Lacordaire naar Saint-Maximin trok. Daar volbracht hij zijn opleiding, werd priester gewijd en vierde zijn eerste heilige mis in de grot van La Sainte-Baume. Hij werd teruggezonden naar zijn eigen stad Cadillac, waar zijn apostolaat hierin bestond dat hij aalmoezenier werd van de vrouwengevangenis. Hij preekte voor hen, raakte het hart van de gevangenen en zo begon zijn “crazy dream” in zijn hart vastere vorm aan te nemen..

Hij vertelt over zijn ervaringen met de vrouwelijke gevangenen: “Zo gauw er werd gesproken over hun begane fouten, kon je deze gevangenen horen schreien… Maar als men hen sprak over Gods grote barmhartigheid, over zijn liefde, zijn bijzondere liefde voor wie misstappen heeft gegaan en waarachtig berouw heeft, voor zielen die hem zo graag zouden liefhebben als Maria Magdalena, dan kun je hen stilletjes hun hoofd zien opheffen…”

Zijn “crazy dream” bestond hierin dat hij deze bekeerde gevangenen, als hun tijd erop zat, een welkom wilde bieden tussen de andere Dominicanessen en wel zo dat niemand hun verleden zou kennen. Na vele moeilijkheden stichtten Lataste en een Dominicanes van de Congregatie van de Presentatie te Tours, Moeder Henri Dominique, de Congregatie van de Heilige Maria Magdalena, beter bekend als Bethanië, en ook als de “Dominicanessen van de Gevangenis”. Marie-Jean-Joseph Lataste stierf in 1869, zes en dertig jaar oud, maar zijn congregatie bestaat tot op de dag van vandaag.

Natuurlijk moeten we ook de Zalige Hyacinth Cormier noemen, en Fr. Veyssière, die de “bewaker” was van het heiligdom te La Sante-Baume, en Fr. Bruckberger, die bij verschillende gelegenheden over Maria Magdalena heeft geschreven en vaak geïnspireerd werd door haar berouw. Maar misschien moeten we het laatste bewaren voor Marie-Joseph Lagrange, de grote, wijze geleerde die in de twintigste eeuw vaak fel is bekritiseerd en de moeilijke kanten van de gehoorzaamheid scherp heeft ervaren. Op 8 september 1879, schreef hij, daags voor zijn intrede in de Dominicaner Orde, dat hij bevestiging van zijn roeping tot Dominicaan had gevoeld in La Sainte-Baume. Hij schreef in zijn geestelijk dagboek:” Ik schrok terug voor intrede in een Orde, wier heiligen zo zuiver zijn: de Heilige Maria Magdalena gaf mij stilletjes een steuntje in de rug.”

Tot slot

Een eminente Dominicaanse historicus schreef in 1995, bij gelegenheid van het zevende eeuwfeest van Saint-Maximin: “Het komt er echt niet op aan of de legende van de Dominicanen de vuurproef van de historische kritiek niet doorstaat. Ook al vereeuwigt zij dwalingen die door de gebeurtenissen van de geschiedenis gelogenstraft worden, toch bergt zij in zich een waarheid die wordt verstaan door de geschiedenis van de mentaliteiten: zij vertolkt in dichterlijke taal een geestelijke ervaring: dat Magdalena is ‘de dochter, zuster en moederlijke hoedster van de Orde der Predikheren’. Het laatste woord is niet gezegd over deze legende, wanneer wij erkennen dat zij apocrief is.”

Waarom? Bij wijze van slot wil ik een poging wagen om die vraag te beantwoorden. Wat je met zekerheid mag stellen is dit: omdat Dominicanen apostelen willen zijn en hun inspiratie ontlenen aan Maria Magdalena ontstond er een sterke en onverbrekelijke band met de orde. Ja, maar hoe dan? Het schijnt dat Maria Magdalena in de traditie en in de literatuur, waar ze een belangrijk figuur is, voortdurend en tegelijkertijd begiftigd is met drie kenmerken: zij is de bekeerde zondares, ze is de beschouwende ziel en ze is de heraut van de Verrijzenis. Dit is een bijzonder scherp beeld van preekopdracht en daarom van het Dominicaner leven. Hoe kan men spreken over Gods barmhartigheid, wanneer men die zelf niet heeft ervaren, hoe groot iemands zonden ook geweest mogen zijn? Hoe kan men spreken over God zonder te spreken “met God”, om het gezegde aan te halen dat St. Dominicus zo dierbaar was. Contemplari et contemplata aliis tradere: beschouwen en “aan anderen de vruchten doorgeven van zijn beschouwing”, dat is hoe Thomas van Aquino het prediken definieert. En tenslotte: hoe kan men niet getuigen van het feit dat er een oplossing is voor het mysterie van het lijden, van scheiding en dood door het geloof in de Verrijzenis van Christus, zijn overwinning, die alle mensen hun eigen overwinning bewerkt. De theologie die aan de basis ligt van Maria Magdalena is een bewonderenswaardige versmelting van het paasmysterie en de betekenis van het geloof in Christus.

Het is een vreugdevolle gedachte als men beseft dat de hele Dominicaner Orde vanaf het allereerste begin in de Paasweek het Victimae paschali laudes heeft gezongen, dat een uitdrukking is van de zending die haar is toevertrouwd: “Zeg ons, Maria/ Wat heb je onderweg gezien? /Ik zag het graf/van de levende Heer/ en de glorie van zijn Verrijzenis./Zijn engelen zag ik als getuigen/ en ook de zweet doek en het grafkleed/... Christus is waarlijk verrezen/ heeft voor ons nieuw leven verworven./ Koning en overwinnaar, ontferm u over ons. Amen”. Alleluia."

Voetnoten

1. Robert Godding, SJ, Grégoire le Grand et la Madeleine in Memoriam soctorum venerantes, Miscellanea in onore di Mgr Victor Saxer, Vatican, 1992, pp. 469-481.

2. Jean Evenou, “La messe de Sainte Marie Madeleine au Missel romain (1570-1970)” in ibid., pp. 353-365.

3. Quoted by Victor Saxer, Le culte de Marie Madeleine en Occident. Paris, 1959, tome 1, p. 70.

4. Andre Simon, L'Ordre des Pénitentes de Ste Marie Madeleine en Allemagne auXIIIe siécle, Fribourg. 1918, p. 85.

5. “De nativitate sancti Johannis Baptiste, et de beaetis apostolic Petro et Paulo. et de beata maria Magdalena fiat festum totum duplex; et magister ordinis cures de sequentiis providere" in Acta capitulorum generalium ordinis praedicatorum, ed B. Reichert, I, Rome. 1898, p. 283.

6. Susan Haskins, Mary Magdalene, Myth and Metaphor, New York, Harcourt Brace and Cy, 1994, p. 147.

7. “In festo sanctae Mariae Magdalenae”. in sermones festiui, Divi. Thomae Aquinatis opera the western medieval conviction, and confusion even, concerning these three characters (Sermon LXXV, Venice, 1787, p. 113.

Inleiding Beeld Meditaties Bibliografie Evangelie-teksten ‘Een Albasten Kruik’ Terug naar ‘home’ pagina

Links naar andere websites in de gehele wereld! Maak deze site een van je favourieten! Vertel een vriend over deze website! Laat ons je gedachten en voorstellen weten! Plaats een doorklikknop op je eigen website! Women's Ongoing Internet Consultation 'Vrienden' ondersteunen ons door een regelmatige bijdrage Wij hebben financiele steun nodig!

In dit boek gaat Hans Wijngaards in op belangrijke historische bronnen, vanaf het begin van het christendom tot het jaar 900. Hij bewijst op overtuigende wijze dat vrouwen de rol van diaken op zich namen en hiertoe ook gewijd werden. Met zijn historische studie levert Wijngaards een belangrijke bijdrage aan het actuele debat over de wijding van vrouwen tot diaken. Klik hier!

Join us  .  .  .  !