|
|
|---|
Hoofdstuk 3 De speurtocht voortgezet uit
Maria Magdalena. De mythe voorbij: Op zoek naar wie zij werkelijk is
door Esther de Boer, Meinema Zoetermeer 1996; hier gepubliceerd met verlof van
schrijver en uitgever.
Lees ook: recensie en
samenvatting.
Uit een wereld
werd ik ontbonden door een
wereld
en uit een model
door een model dat van de kant van de hemel is.
En de keten der vergetelheid is tijdelijk.
Het Evangelie naar Maria 16,21-17,4
In het vorige hoofdstuk hebben we de oudste teksten bekeken waarin Maria
Magdalena voorkomt. Teksten die de eeuwen door zorgvuldig overgeleverd zijn,
omdat ze werden ervaren als door God ingegeven en geïnspireerd. In dit
hoofdstuk zullen we ook teksten tegenkomen die zorgvuldig bewaard zijn: de
teksten van de kerkvaders. Maar we worden daarnaast geconfronteerd met teksten
die niet bewaard zijn gebleven. Teksten die in de loop van de tijd verloren
zijn gegaan en waarvan de meeste expliciet het stempel 'niet behorend tot de
kerkelijke traditie' hebben gekregen.
We komen hiermee voor de vraag te staan, waarom de kerkelijke
traditie sommige geschriften wèl de moeite waard vond en andere
niet.
Het is goed om ons aan het begin van dit hoofdstuk te realiseren
dat het vroege christendom zeer divers was. De volgelingen van Jezus trokken
door heel het Romeinse Rijk. Het christelijk geloof kwam in aanraking met
uiteenlopende cultuuruitingen: Egyptische, Iraans-Babylonische, Griekse,
Syrische, Afrikaanse en ga zo maar door. Zo ontstonden er verschillende vormen
van geloven en daarmee samenhangend verschillende geschriften. Die geschriften
waren van betekenis voor de eigen doelgroep. Enkele geschriften kregen echter
een grotere reikwijdte, zoals de vier evangeliën die in het Nieuwe
Testament terechtgekomen zijn. Er ontstond dus een bepaalde hoofdstroom. Die
werd niet van bovenaf gedicteerd. Er zijn in eerste instantie geen synodes
geweest waarop bepaalde geschriften verboden werden of juist aangeraden. Wel
waren er lijsten in omloop die de stand van zaken weergaven. Die lijsten
verschilden onderling. De eerste lijst waarop de 27 boeken staan, die het
Nieuwe Testament zijn gaan vormen, stamt uit het jaar 367. De lijst is van de
aartsbisschop Athanasius van Alexandrië.
Alleen achteraf vallen er motieven te ontdekken die vermoedelijk
een rol hebben gespeeld bij de opname van geschriften in de kerkelijke
traditie. Een eerste motief was de algemene erkenning van het geschrift. Een
tweede motief was de apostoliciteit: kon een geschrift zich met recht en rede
op de eerste getuigen van Christus beroepen? Een derde motief betrof de
rechtzinnige inhoud.[i]
In dit hoofdstuk bekijken we eerst die geschriften die de
kerkelijke traditie zijn gaan vertegenwoordigen, om vervolgens de geschriften
aan het woord te laten die verloren waren gegaan, maar die de laatste twee
eeuwen weer aan het licht zijn gekomen.
Kerkelijke traditie
Wie na de evangeliën van het Nieuwe Testament op zoek gaat
naar Maria Magdalena komt in eerste instantie bedrogen uit. Zij komt niet voor
in de andere nieuwtestamentische geschriften, noch in die van de apostolische
vaders noch in die van de apologeten. Althans niet als Maria Magdalena.
Misschien wel als Maria. In zijn Brief aan de Romeinen noemt Paulus
enkele vrouwelijke missionarissen bij naam, onder wie ook een Maria. Hij zegt
van haar:
Groet Maria, iemand die zich veel moeite voor
u heeft gegeven. (Rom 16,6)
Het is ontzettend jammer dat er zo weinig bekend is over de
populariteit van namen in bepaalde streken. Van de naam Maria weten we dankzij
het bijbelse getuigenis en Josephus dat haar naam in Israël veel voorkwam.
Als reden daarvoor wordt tegenwoordig wel de populariteit van de Hasmonese
prinses Mariamne genoemd, de vrouw van Herodes de Grote.[ii] Het zou dus om
een lokale zaak kunnen gaan: de naam Maria was in Israël populair en
daarbuiten niet. Op grond daarvan zou het voor de hand liggen om aan te nemen
dat de Maria die Paulus noemt uit Israël kwam, maar met zekerheid valt er
niets te zeggen. Maria heeft zich volgens Paulus 'veel moeite getroost' voor de
gemeente te Rome. Het is dezelfde uitdrukking die Paulus vaak voor zijn eigen
zendingswerk gebruikt.[iii] Als er
iemand van de Maria's in de evangeliën van het Nieuwe Testament in
aanmerking komt voor dit zendingswerk buiten Palestina, dan moet het wel Maria
Magdalena zijn. Zij was immers door haar jeugd in de stad Magdala als geen
andere Maria van binnenuit bekend met de Hellenistische cultuur en de
verschillende nationaliteiten van het Romeinse Rijk. Blijft de vraag waarom
Paulus het 'Magdalena' weglaat. Een antwoord zou kunnen zijn dat hij bij geen
van de namen die hij noemt een nadere aanduiding geeft. Bovendien noemt hij
geen andere Maria's.
Vanaf de tweede eeuw komt Maria Magdalena weer voor. Soms ook
alleen als Maria, maar dan in een context waaruit duidelijk blijkt dat het om
de Magdaleense gaat. Allereerst moet hier het later aan Marcus
toegevoegde evangeliefragment genoemd worden (Marc 16,9-20). Het zou uit het
begin van de tweede eeuw stammen. Nog in de dezelfde eeuw komt Maria Magdalena
voor bij Irenaeus van Lyon. In de derde eeuw wordt zij genoemd door
Tertullianus van Carthago, Hippolytus van Rome, Origenes van Alexandrië,
Pseudo Cyprianus van Carthago, Dionysius van Alexandrië en Pseudo Clemens
van Rome. In de vierde eeuw zijn de verwijzingen naar haar talrijk.
Representatief zijn de geschriften van Ambrosius van Milaan, Hiëronymus
van Rome en Augustinus van Hippo.
Wij komen niets te weten over wat Maria Magdalena te vertellen
had. Wel krijgen we een indruk hoe er tegen haar aangekeken werd.
Discipel
en apostel: helpster
Tertullianus
en Hippolytus hebben er geen moeite mee om Maria Magdalena ronduit 'discipel'
en 'apostel' te noemen. Vergeleken met de evangeliën van het Nieuwe
Testament mag dat een stap voorwaarts heten. De evangeliën tekenen haar
wel als zodanig (met Lucas als uitzondering wat het apostelschap
betreft), maar noemen haar nergens apostel of discipel. Tertullianus en
Hippolytus doen dat wel. Er zit echter een addertje onder het gras.
Voor Tertullianus zijn de vrouwen die Jezus volgden discipelen
èn helpsters.[iv] In het geschrift
Over het eenmalige huwelijk wordt duidelijk wat hij daarmee bedoelt. Hij
verdedigt daarin de visie dat hertrouwen niet is toegestaan. Hij laat onder
andere zien dat de apostelen ook geen echtgenotes hadden. Zij namen vrouwen met
zich mee die net als de vrouwen die Jezus begeleidden, diensten voor hen
verrichtten.[v] Pseudo Cyprianus
deelt deze visie. De vrouwen uit Luc 8,1-3 waren door de apostelen meegenomen.
Zij volgden hen 'om eerbied te leren' en om ingewijd te worden 'in de dienst
der menslievendheid'.[vi]
Hippolytus noemt Maria Magdalena inderdaad apostel. Hij doet dat
echter niet in een context van gezag. Hij zegt over de vrouwen uit Mat
28,1-10:
Een goed getuigenis openbaren ons degenen die
apostelen voor de apostelen werden, gezonden door Christus. (...) Christus kwam
deze vrouwen zelf tegemoet, zodat ze apostelen van Christus zouden zijn en door
gehoorzaamheid konden aanvullen wat de oude Eva ontbrak. Van nu af zullen zij,
deemoedig gehoorzamend, zich als volmaakten doen kennen. O nieuwe troost, Eva
wordt apostel genoemd!' (Over het Hooglied XXV,6-7.)
Het apostelschap van de vrouwen is beperkt tot de apostelen en
wordt gekenmerkt door gehoorzaamheid. Door gehoorzaamheid kunnen ze aanvullen
wat Eva ontbrak. Christus gaf hun de mogelijkheid om de apostelen door
gehoorzaamheid onvergankelijk voedsel aan te bieden in plaats van de appel
(vgl. Genesis 3). Net als Tertullianus komt ook Hippolytus op het
helpster-model uit. Eva is een goede helpster voor Adam, die de leidsman is.[vii] Bij Hippolytus
staan Eva en Adam bovendien symbool voor de synagoge en de kerk. Naar zijn
mening wordt de synagoge stil, terwijl de kerk zich beroemt.[viii]
Ook Pseudo Clemens Romanus kent geen vrouwelijke apostelen in de
algemene zin van het woord. Hij verzekert zijn lezers, dat, toen het op de
algemene verkondiging van het evangelie aankwam, Jezus alleen mannen uitzond en
geen vrouwen met hen.[ix]
Zeer
gelovig
Maria
Magdalena wordt dus met name gezien als helpster. Dat ze erkend wordt als
discipel en apostel geeft haar niet het gezag dat aan de mannelijke discipelen
en apostelen toegekend wordt. Dat neemt niet weg dat ze in aanzien staat om
haar geloof. Zowel Tertullianus als Hippolytus en Pseudo Clemens prijzen haar
om haar vroomheid. Opvallend is dat ze dat alle drie doen tegen de achtergrond
van Maria's ontmoeting met de opgestane Heer in Joh 20,17. Pseudo Clemens
betoogt in zijn brief tegen het gemeenschappelijk samenleven van vrouwelijke en
mannelijke asceten, dat het zelfs Maria 'die zeer vrome vrouw' niet toegestaan
was Jezus' voeten aan te raken. Hoe zouden mannelijke asceten zich dan door
vrouwen laten verzorgen?[x]
Hippolytus prijst Maria gelukkig, omdat ze zich vastklemde aan
Jezus' voeten met de bedoeling mee op te varen naar de hemel. Zij staat symbool
voor de synagoge die zich bij de kerk aan wil sluiten.[xi]
Tertullianus noemt Maria Magdalena:
'die zeer gelovige vrouw, die Hem probeerde
aan te raken uit liefde en niet uit nieuwsgierigheid noch uit ongeloof zoals
Thomas'. (Tegen Praxeas 25,2)
Een
interpretatie die in vergelijking met de latere kerkvaders zeer opmerkelijk
is.
Een
lerares?
Hippolytus noemt Maria Magdalena ook in een heel ander verband. In
zijn boek Weerlegging van alle dwaalleringen beschrijft hij onder andere
de sekte van de Naässenen. Hij vertelt dat de Naässenen pretenderen
hun leer via Jacobus, de broer van de Heer, te hebben doorgekregen. Jacobus zou
het onderwijs aan Maria hebben doorgegeven en zij had het verder verspreid.[xii] Dit gegeven
correspondeert met wat Origenes ter ore kwam. Hij citeert de platonische
filosoof Celsus die tegen het christendom schreef. Celsus verwijt de christenen
onder meer hun onderlinge strijd. Daarbij doet hij de bijzondere mededeling dat
hij weet heeft van mensen die Mariamne volgen. Hij kent volgelingen van Martha,
van Mariamne en van Salome. Het is heel goed mogelijk dat hij met Mariamne
Maria Magdalena bedoelt.[xiii] Dat betekent
dat Maria Magdalena niet alleen volgens de Naässenen, maar ook volgens
Celsus volgelingen heeft gehad. Zij had leerlingen. Zij was dus lerares.
Origenes antwoordt dat hij naar eer en geweten deze stromingen gezocht heeft,
zowel binnen het christendom als binnen de filosofie, maar dat hij ze niet
heeft kunnen vinden.[xiv]
Origenes tekent de Maria die Paulus in de Brief aan de
Romeinen noemt wèl als lerares. Wanneer hij deze brief
becommentarieert, doet hij dat zo:
'Groet Maria, die zich veel moeite heeft
gegeven in de Heer.'
Hij (Paulus) leert op deze plaats dat vrouwen
zich evenzeer als mannen moeite moeten geven voor de gemeenten van God. Want
zij geven zich moeite wanneer zij de meisjes onderrichten om sober te zijn, om
hun echtgenoot lief te hebben, om hun kinderen op te voeden, om gereserveerd te
zijn, kuis, hun huis te bestieren, goed te zijn en onderdanig aan hun man,
gastvrijheid te oefenen, de voeten van de heiligen te wassen en in alle
kuisheid alle andere dingen in praktijk te brengen die geschreven staan ten
aanzien van de plichten van vrouwen. (Commentaar op de Brief aan de Romeinen
10,20)
In de Maria uit de Brief aan de Romeinen ziet Origenes wel
degelijk een lerares, maar dan één zoals alle vrouwen zouden
moeten zijn: een lerares voor de meisjes. Niet in de dingen van de Heer, maar
in de plichten van vrouwen.
Jezus
en Maria Magdalena: afstand
Maria
Magdalena verkondigde desondanks de opstanding. Het aan Marcus
toegevoegde evangeliefragment noemt Maria Magdalena 'van wie Hij zeven boze
geesten uitgedreven had' als eerste aan wie de Opgestane verschijnt.[xv] Irenaeus en
Pseudo Cyprianus vermelden Maria Magdalena ook zonder enige aarzeling als
eerste getuige van de opstanding.[xvi] Ook Hippolytus
geeft geen blijk van terughoudendheid, wanneer hij over de vrouwen vertelt die
de opgestane Heer ontmoetten. Het is Origenes voor wie Maria Magdalena als
opstandingsgetuige een probleem wordt. In zijn Commentaar op Johannes
worstelt hij met de vraag waarom Maria Jezus niet mocht aanraken en Thomas
wel.[xvii] Volgens hem
verbood Jezus het Maria omdat hij haar nog niet als volledig opgestane
verscheen. In zijn geschrift tegen Celsus verweert Origenes zich tegen diens
aantijging, dat alleen een hysterische vrouw de opgestane Jezus zag en enkele
van zijn volgelingen die door dezelfde hekserij werden bedrogen.[xviii] Origenes
verwijst naar de verschijningen aan de Emmaüsgangers en aan Thomas om te
laten zien dat Jezus' verschijning geen hekserij, geen droombeeld geweest kan
zijn, aangezien hij lichamelijk aanwezig was. Hij verdedigt Maria Magdalena
door erop te wijzen dat uit niets blijkt dat zij hysterisch was. Bovendien
verscheen Jezus niet alleen aan haar, maar aan nog een vrouw, 'de andere
Maria'.
Origenes ervaart dat hij zwak staat met Maria Magdalena: vanwege
haar vrouw-zijn (dat staat immers al gauw op één lijn met
hysterie) en omdat ze Jezus niet mocht aanraken. Latere kerkvaders hebben
dezelfde problemen gevoeld. Vanaf de vierde eeuw zijn er tal van commentaren op
Joh 20,17, die op deze moeilijkheden ingaan.[xix] Het vroegste
commentaar is van Ambrosius. Hij zegt:
Het is billijk dat een vrouw aangewezen werd
als boodschapper voor mannen, zodat zij, die mannen eerst de boodschap van
zonde bracht, ook de eerste zou zijn die de boodschap bracht van de genade van
de Heer. (Over de heilige Geest 3.11.74)
Maria Magdalena mocht Jezus niet aanraken, omdat ze zijn hemelse
staat niet direkt herkende.[xx] Hieronymus meldt
dat Christus het eerst aan een vrouw verscheen om zijn nederigheid te tonen.[xxi] Maria Magdalena
mocht zijn voeten niet aanraken omdat ze niet geloofde in zijn goddelijkheid.[xxii] Augustinus is
dezelfde mening toegedaan, ook al moet hij toegeven dat de vraag waarom Maria
Jezus niet mocht aanraken en Thomas wel, haast onoplosbaar is. Maar hij blijft
erbij, dat, zolang Maria Magdalena Christus niet zag op hetzelfde niveau als
dat van de Vader, zij hem daarom niet mocht aanraken.[xxiii] Ook volgens
Augustinus verscheen Christus het eerst aan een vrouw, omdat de vrouw ook het
eerst de zonde had gebracht.[xxiv]
Het meest kenmerkende van dit soort visies is dat de afstand
tussen Maria Magdalena en Jezus benadrukt wordt. Zij staat als vrouw symbool
voor Eva. Hij is goddelijk. Zij gelooft niet voldoende en mag hem daarom niet
aanraken. Hij betoont zijn nederigheid. Het intense van het moment in de hof,
zoals Johannes dat beschreef, verdwijnt zo naar de achtergrond.
Hetzelfde gebeurt met haar getuigenis 'Ik heb de Heer gezien'. Zij is geen
getuige van de opgestane Heer in al zijn glorie, maar van een nog maar half
verrezene.
Wat het woestijnzand prijsgaf
Tot
twee eeuwen geleden zouden we over Maria Magdalena in de vroegchristelijke
traditie niet meer gevonden hebben dan bovenstaande. Vanaf de achttiende eeuw
heeft het woestijnzand echter papyruscodices prijsgegeven waarin Maria
Magdalena ook voorkomt. In 1773 werd de Codex Askewianus gevonden met daarin
het geschrift Pistis Sophia. In 1896 kwam de Papyrus Berolinensis aan
het licht dat het Evangelie naar Maria bevat en in 1945 werden de Nag
Hammadi Codices gevonden met daarin het Evangelie naar Thomas, de
Dialoog van de Verlosser, het Evangelie naar Philippus, de
Wijsheid van Jezus Christus en de Eerste en Tweede Openbaring van
Jacobus. In de tussentijd werden nog gevonden het Evangelie naar
Petrus (1886), de Brief van de Apostelen (1895) en het Manichese
Psalmboek (1930). Verder nog twee kerkorden: de Leringen van de Apostelen (eerste uitgave
1843) en de Kerkelijke leerregels van de heilige Apostelen (eerste
uitgave 1854).[xxv] En ook de Handelingen van Philippus,
waarvan meerdere versies gevonden zijn..
Van deze geschriften zijn het Evangelie naar Thomas, het
Evangelie naar Maria, het Evangelie naar Petrus, de Brief van
de Apostelen en de Dialoog van de Verlosser het oudst. Zij stammen
uit de periode vóór 150. De overige geschriften stammen uit de
tweede helft van de tweede eeuw en uit de derde eeuw, de Handelingen van
Philippus uit de vierde eeuw. Nieuw is dat Maria Magdalena sprekend
ingevoerd wordt. Desondanks komen we nauwelijks te weten wat zij te vertellen
had: wèl wat ze te vragen had. Het Evangelie naar Maria vormt
hierop een uitzondering. Daarin is Maria Magdalena bladzijdenlang aan het woord
om haar verhaal te doen. We zullen aan dat evangelie een apart hoofdstuk
wijden. In deze paragraaf gaat het erom kennis te nemen van het beeld dat de
andere pas gevonden geschriften van Maria Magdalena geven.[xxvi]
Discipel,
geen leraar
De
beide kerkorden sluiten het meest aan bij het gedachtengoed van de kerkvaders.
Maria Magdalena wordt zonder omhaal discipel genoemd.[xxvii] Er wordt van
uitgegaan dat zij als zodanig ook bij het laatste Avondmaal aanwezig was. Dat
betekent volgens de apostelen echter niet dat vrouwen bij de bediening van de
eucharistie een rol zouden kunnen spelen. In de Kerkelijke leerregels
wordt vermeld hoe de apostelen dit onderwerp met elkaar bespreken. Martha en
Maria Magdalena zijn daarbij. Martha zegt dat Jezus Maria niet uitnodigde om
bij het laatste Avondmaal te assisteren, omdat Maria lachte. En niet om een
principiële reden. Maria benadrukt dat ze niet om het laatste Avondmaal
lachte, maar vanwege de inhoud van Jezus' onderwijs: 'de zwakke zal genezen
door de sterke'. Martha's opmerking en Maria's verweer worden niet gehonoreerd.
De apostelen besluiten desondanks dat het niet Jezus' bedoeling kan zijn
geweest dat vrouwen de eucharistie zouden bedienen. Vrouwen behoren niet de
kerkdienst te ondersteunen. Ze dienen de hulpbehoevenden bij te staan.[xxviii]
In de Leringen van de Apostelen verdedigen de apostelen met
een beroep op Maria Magdalena en de andere vrouwen die Jezus dienden het
vrouwelijke diakenschap.[xxix] Ook noemen zij
Maria Magdalena zonder enige terughoudendheid de eerste getuige van de
opstanding.[xxx] Vrouwen kunnen
daarover echter geen onderwijs geven. De apostelen zeggen:
Het is noch juist, noch noodzakelijk dat
vrouwen leraren zouden zijn en dat vooral waar het gaat om de naam van Christus
en de verlossing door Zijn lijden. Want u bent er niet toe aangesteld, vrouwen
en vooral weduwen, om onderwijs tegeven, maar om de Here God te bidden en te
smeken. Want de Here God, Jezus Christus, onze Leraar, heeft ons, de twaalf,
uitgezonden om de volken en de heidenen te onderrichten; en er waren
vrouwendiscipelen bij ons, Maria Magdalena en Maria zij van Jacobus en de
andere Maria; maar Hij zond hen niet uit om met ons het volk te onderrichten.
Want als het vereist was, dat vrouwen onderwijs zouden geven, dan zou de
Meester zelf hen wel opgedragen hebben om samen met ons onderricht te geven.
(Leringen van de Apostelen III,6)
De beide kerkorden tekenen Maria Magdalena wèl voluit als
discipel, en dat discipelschap leidt ook tot een functie voor vrouwen binnen de
kerk (namelijk diaken), maar die functie is van een duidelijk andere orde dan
die de twaalf mannelijke discipelen toekomt. De vrouwen worden geacht te bidden
en de hulpbehoevenden bij te staan, terwijl de mannen onderwijs geven en de
eucharistie bedienen.
Hulp van Philippus
In de Handelingen van Philippus geeft Jezus de
zendingsopdracht inderdaad alleen aan mannen, zoals de Leringen van de
Apostelen veronderstellen. Voor Maria Magdalena wordt echter een
uitzondering gemaakt. Zij mag als zuster van Philippus met hem mee, om hem te
bemoedigen. Toen hij namelijk de naam van het land en de stad hoorde waar hij
het evangelie diende te verkondigen, was hij in tranen uitgebarsten. Maria die
volgens de Handelingen het register van de landen bijhoudt, doet
vervolgens een goed woordje voor hem bij de Verlosser. Deze antwoordt als
volgt:
'Ik weet dat je goed en dapper bent en dat je
ziel gezegend is onder de vrouwen. Zie Philippus, een vrouwenmentaliteit heeft
hem overvallen, terwijl in jou een mannelijke en moedige mentaliteit woont.
(Handelingen van Philippus 77)[xxxi]
Vervolgens
geeft hij haar de opdracht om Philippus op zijn tocht te vergezellen. Maar niet
als vrouw. Christus zegt:
'Wat jou betreft, Maria, verander je kleding
en je uiterlijk: verwijder alles wat aan de buitenkant aan een vrouw
herinnert.' (Handelingen van Philippus 77)
En inderdaad gaat ze op weg gekleed in het kloosterhabijt van een
man. Maria wordt in de Handelingen van Philippus geprezen om haar
mannelijkheid en haar ascese. Alhoewel ze aleen met Philippus mee is om hem te
bemoedigen, preekt en doopt ze ook. Dit geldt dan vrouwen en geen mannen.[xxxii]
Discipel: leren en interpreteren
Geheel anders van toon zijn de overige geschriften. Het zijn ook
andersoortige werken, meer vergelijkbaar met de evangeliën van het Nieuwe
Testament dan met de geschriften van de kerkvaders. Het Evangelie naar
Thomas en het Evangelie naar Philippus bevatten wijsheidsspreuken
van Jezus en korte meditatieve teksten. Het Evangelie naar Petrus en de
Brief van de Apostelen vertellen het opstandingsverhaal. De overige
geschriften bevatten gesprekken van Jezus (voor en na zijn opstanding, vgl.
Hand 1,3) met zijn discipelen. Maria Magdalena wordt in deze geschriften, net
als bij de kerkvaders, ronduit discipel genoemd. Dit gebeurt echter niet, zoals
bij de latere kerkvaders, de beide kerkorden en de Handelingen van
Philippus, in inperkende zin: wèl discipel, maar geen apostel in de
algemene betekenis van het woord en geen leraar, tenzij als hulp en vermomd als
man en dan nog alleen met betrekking tot vrouwen. De grenzen van het vrouwelijk
discipelschap komen in de geschriften waar het hier om gaat niet ter sprake.
Jacobus zegt in de Eerste Openbaring van Jacobus:
Een ander ding vraag ik U nog: wie zijn de
zeven vrouwen die uw discipelen waren? Werkelijk, alle vrouwen zegenen U! Ik
verbaas me erover hoe krachteloze vaten sterk zijn geworden door het inzicht
dat in hen is. (Eerste Openbaring van Jacobus 40)
Volgens Jacobus zijn de vrouwelijke discipelen voor alle vrouwen
aanleiding om de Heer te zegenen. In het handschrift is vervolgens moeilijk te
lezen wat het antwoord precies is. Wel wordt duidelijk dat het bedoeld is ter
bemoediging van Salome, Maria Magdalena, Martha en Arsinoe. Dit is wat ruwweg
alle hier genoemde geschriften laten zien: de vrouwelijke discipelen worden
bemoedigd in plaats van geremd.
Het is niet verwonderlijk dat we Maria Magdalena en andere
vrouwen, anders dan bij de kerkvaders en in het Nieuwe Testament (met
uitzondering van het Evangelie naar Johannes) ook voluit als discipel,
als leerling, tegenkomen. Net als de andere discipelen stelt Maria Magdalena de
Leermeester vragen en krijgt ze antwoord. In Pistis Sophia stelt ze
veruit de meeste vragen.[xxxiii] Kenmerkend
zijn haar woorden:
'Ik word niet moe om U vragen te stellen. Wees
niet boos dat ik U alles vraag.' (Pistis Sophia 139)
Jezus' antwoord is uitnodigend: 'Vraag wat je wilt.' In de andere
geschriften stelt ze slechts enkele vragen, zij het zeer fundamentele. Zowel in
het Evangelie naar Thomas als in de Wijsheid van Jezus Christus
stelt ze de vraag naar het wezen en het doel van het discipelschap.[xxxiv] In de
Wijsheid van Jezus Christus komt zij als enige van de zeven vrouwen aan
het woord. Zij stelt daarin ook nog de vraag hoe de discipelen te weten kunnen
komen wat ze moeten weten: de vraag naar de bron van Godskennis.[xxxv] In de
Dialoog van de Verlosser is zij samen met Matthéüs en Judas
één van de drie discipelen die speciaal onderwijs krijgen. Zij
vraagt naar de bedoeling van verdriet en blijdschap.[xxxvi] Ook vraagt
zij haar broeders waar en hoe ze alle dingen die de Heer hun vertelt, zullen
bewaren.[xxxvii]
Maria Magdalena stelt niet alleen vragen, ze interpreteert ook. Ze
is goed op de hoogte met de Schrift en met woorden van Jezus. Ze zoekt
zelfstandig naar hun betekenis. In Pistis Sophia citeert ze uit
Jesaja en uit de Psalmen. Ze memoreert zegswijzen van Jezus.[xxxviii] Ook in de
Dialoog van de Verlosser haalt ze wijsheidsspreuken van Jezus aan.[xxxix] De auteur
voegt daar aan toe: 'dit woord sprak ze als een vrouw die het Al kende.' Maria
Magdalena's inzicht wordt zeer hoog geschat.
Een groot inzicht
Niet alleen de verteller in de Dialoog van de Verlosser
tekent Maria Magdalena als iemand wier inzicht in het Goddelijke groot is. In Pistis Sophia wordt Maria
Magdalena herhaaldelijk door de Heer zelf geprezen. Haar hart zou meer gericht
zijn op het Koninkrijk der Hemelen dan dat van al haar broeders.[xl] Ze is meer dan
alle vrouwen gelukkig te prijzen.[xli] Ze stelt
nauwkeurig en doeltreffend de juiste vragen.[xlii] In het
Koninkrijk der Hemelen zal ze evenals Johannes voortreffelijker blijken dan
alle andere discipelen.[xliii]
In het Evangelie naar Philippus vertelt de auteur dat
Christus meer hield van Maria Magdalena dan van al zijn leerlingen. Op de vraag
van de discipelen waarom dat zo is, antwoordt de Heer:
Waarom houd ik niet van jullie zoals van haar?
Een blinde en iemand die kan zien, verschillen niet van elkaar wanneer ze
allebei in het donker zijn. Wanneer het licht wordt, dan zal de ziende het
licht zien en de blinde in het donker blijven. (Het Evangelie naar
Philippus 64,1-10)
Maria Magdalena wordt zo met een ziende vergeleken. Zij is in
staat om het licht te ontwaren. In de aardse nacht is er geen verschil tussen
de discipelen, maar de komst van het licht toont dat er wel onderscheid is. Er
zijn zienden en er zijn blinden.
Vijandigheid
van Petrus
De
vraag over Maria Magdalena in de Dialoog van de Verlosser lijkt een nauw
verholen ergernis over haar positie te verbergen.
In
andere geschriften is het speciaal Petrus die ronduit van vijandigheid blijk
geeft. In het Evangelie naar Thomas zegt hij:
'Laat Maria van ons heengaan, want vrouwen
zijn het Leven niet waardig.' (Evangelie naar Thomas log 114)
In het Evangelie naar Maria is het ook Petrus die zich
tegen Maria keert.
Het is een thema dat in de derde eeuw nog speelt. In Pistis
Sophia zegt Maria Magdalena:
'Mijn Heer, mijn verstand begrijpt U steeds,
maar elke keer als ik naar voren kom om de juiste interpretatie van Uw woorden
te geven, ben ik bang voor Petrus, want hij bedreigt me en haat ons geslacht.'
(Pistis Sophia 72)
Al eerder had Petrus gezegd:
'Mijn Heer, we zijn niet meer in staat om deze
vrouw te dulden: zij neemt de gelegenheid van ons weg en laat niet
één van ons aan het woord, terwijl zij vele malen het woord
neemt.' (Pistis Sophia 36)
Beide keren is het antwoord dat het er om gaat in wie de kracht
van de Geest opborrelt. In Maria net zo goed als in Petrus. Maria Magdalena
krijgt de verzekering:
'Ieder die met de Geest van Licht gevuld wordt
om naar voren te komen en de uitleg te geven van wat ik zeg: niemand zal in
staat zijn diegene tegen te houden.' (Pistis Sophia 72)
Dit klinkt wel heel anders dan wat de kerkvader Origenes in
dezelfde eeuw betoogt. Hij zegt, wanneer hij de Paulus' Eerste brief aan de
Corinthiërs van commentaar voorziet:
'"want het is voor een vrouw beschamend, in de
gemeente te spreken" (14,35b), wat zij ook zegt, ook al zegt ze voortreffelijke
of heilige dingen - alleen, het komt uit de mond van een vrouw.'[xliv]
Dat Petrus' vijandigheid in Pistis Sophia niet tegen
vrouwen in het algemeen gericht is, blijkt wanneer Jezus zijn barmhartigheid op
de proef stelt. Jezus vraagt hem om een vrouw die al drie keer gedoopt is, maar
er nog steeds niet naar geleefd heeft, af te snijden van het Koninkrijk van het
Licht. In antwoord daarop pleit Petrus er voor om haar nog een kans te geven.
De uiteindelijke beslissing wil hij bovendien niet zelf nemen, maar laat hij
aan Jezus over.[xlv]
Jezus en Maria Magdalena: nabijheid
Wordt bij de latere kerkvaders en de beide kerkorden de afstand
tussen Maria Magdalena en Jezus benadrukt, de andere geschriften geven juist
blijk van de nabijheid tussen hen.
Dat begint al bij de Brief van de Apostelen. Net als in het
Evangelie naar Lucas worden de vrouwen met hun verhaal over de
opstanding niet geloofd. Anders dan in Lucas hebben zij van de Heer zelf
echter de opdracht gekregen om te spreken. Hij laat Maria Magdalena en Maria de
zuster van Martha één voor één gaan. Als ze dan nog
niet geloofd worden, verschijnt de Heer de elf disipelen niet alleen, maar hij
neemt de beide Maria's mee. Zij gaan samen.[xlvi] Zo toont hij op een solidaire manier hun
gelijk aan. In het Evangelie naar Thomas belooft Jezus Maria Magdalena
speciaal leiding te geven. Hij zegt in antwoord op Petrus' vraag om Maria uit
de kring van de discipelen te verwijderen:
'Zie ik zal haar zo leiden, dat ik haar
mannelijk maak, zodat ook zij een levende geest wordt, die op jullie, mannen,
lijkt.' (Evangelie naar Thomas log 114).
Het Evangelie naar Philippus meldt dat Maria Magdalena de
metgezellin van Jezus genoemd wordt. Samen met Maria de moeder van Jezus en
haar zuster was ze altijd bij hem.[xlvii] De auteur
schrijft:
Christus hield meer van haar dan van alle
leerlingen. Hij kuste haar dikwijls op de mond. (Evangelie naar
Philippus 63,34-35)
Dat 'kussen' moeten we niet in sexuele zin verstaan, maar in
spirituele zin. De genade die de kussenden uitwisselen doet hen opnieuw geboren
worden. Al eerder komt dat in het evangelie zo voor:
Als
de kinderen van Adam met velen zijn, hoewel ze sterven, met hoevelen meer zijn
dan de kinderen van de Volmaakte Mens die niet sterven, maar steeds opnieuw
geboren worden. (...) Ze worden grootgebracht op de belofte over de hemelse
plaats. De belofte die uit de mond komt, want het woord is daarvandaan gekomen
en het wordt gevoed vanuit de mond en wordt vervolmaakt. Want het is door de
kus dat de volmaakten zwanger worden en baren. Daarom kussen we elkaar. We
worden bevrucht door de genade die we in elkaar vinden. (Evangelie naar
Philippus 58,20-59,6)
Maria Magdalena wordt bevrucht door de genade die in Christus is.
Het ontvangen van zijn genade doet haar opnieuw geboren worden.
De afstand tussen Jezus en Maria Magdalena bij de latere
kerkvaders is een afstand tussen de zondige vrouw en God. De nabijheid die de
hier genoemde geschriften laten zien, is een nabijheid tussen leermeester en
leerling.
De
keten der vergetelheid
'De
keten der vergetelheid is tijdelijk', zegt het Evangelie naar Maria. Die
zin komt mij telkens te binnen wanneer ik me realiseer hoeveel meer we nu van
de oudste tradities over Maria Magdalena weten dan twee eeuwen geleden. Toen
hadden we het nog moeten doen met de teksten die de kerkelijke traditie bewaard
heeft. Nu hebben we, dankzij de nieuwe vondsten, een indruk gekregen van de
breedte van de vroegchristelijke kerk. In een aantal pas gevonden geschriften
is Maria Magdalena discipel in de volle betekenis van het woord. Er zijn
leergesprekken met Jezus waarin zij net als de andere discipelen vragen stelt
en, als een goed kenner van de Schrift, zijn woorden interpreteert. Ze wordt
geschilderd als iemand met een groot inzicht en een intense spirituele relatie
met Christus.
De keten der vergetelheid is tijdelijk. Tot zo'n 200 jaar geleden
was Maria Magdalena gevangen in het beeld dat de kerkelijke traditie uit de
oudheid bewaard had. Tot in de vierde eeuw is dat het beeld van de vrome
helpster en de gehoorzame gelovige. Het beeld dat aansluit op het Evangelie
naar Matthéüs en het Evangelie naar Lucas. Die mythe is
nu door de vondsten in de woestijn doorbroken. Er blijkt in de oudheid ook een
ander beeld van Maria Magdalena te hebben bestaan. Het beeld van de discipel op
gelijke voet met Petrus, het beeld van de discipel met een speciaal inzicht.
Het beeld dat meer de lijn volgt van het Evangelie naar Marcus en het
Evangelie naar Johannes.
De ambivalentie die al voelbaar was vooral bij
Matthéüs en Lucas heeft zich in de kerkelijke
traditie voortgezet. Zeker, Maria Magdalena is discipel, ze kan volgens de
kerkelijke traditie zelfs apostel heten, maar vervolgens komen de mitsen en
maren. Aan de katalysator die Maria Magdalena bij Marcus en
Johannes is, leek voorbijgegaan. Nu weten we beter. Dat is de grote
winst van wat het woestijnzand prijsgaf.
Nieuwe
vondsten, nieuwe vragen
De
nieuwe vondsten roepen echter ook nieuwe vragen op.
De
pasgevonden geschriften geven niet bepaald het gedachtengoed weer dat later in
de kerk gangbaar is geworden. Juist de geschriften die Maria Magdalena wat
breder uitmeten, worden over het algemeen tot een geestelijke stroming gerekend
waartegen de kerk van de derde eeuw en later zich met hand en tand verzet
heeft: de christelijke gnostiek. Daarover meer in het volgende
hoofdstuk.
Hiermee wordt de tweede vraag van onze speurtocht naar Maria
Magdalena - de vraag waarop we tot nu toe nauwelijks een antwoord hebben
gevonden - des te klemmender. Wat heeft Maria Magdalena te vertellen: wat heeft
zij te vertellen gehad dat zij in de gnostiek zo hoog geschat kon
worden?
Ook onze eerste vraag komt in een ander licht te staan. Wie was
zij: wat heeft ertoe geleid dat zij in de tweede en derde eeuw met zoveel
respect genoemd wordt? Had zij volgelingen?
En dan de vijandige houding van Petrus. Een houding die aansluit
bij wat we al vonden in het Evangelie naar Lucas en het Evangelie
naar Johannes. Was er rivaliteit tussen Petrus en Maria Magdalena of tussen
hun volgelingen? En als dat zo was, wat kan daar de reden van geweest zijn?
In het volgende hoofdstuk kijken we of het Evangelie naar
Maria ons verder kan helpen.
Noten
[i].
Zie Hennecke E. en Schneemelcher W.
Neutestamentliche Apokryphen. Band I. Tübingen, 1990 (6e druk),
p.1-57. Zie p.26f. Over het algemeen is men het erover eens dat het al of niet
bewaard zijn van de geschriften het resultaat is van een groeiproces en niet
van een dictaat. Het gezag van theologen en bisschoppen moet daarbij echter ook
weer niet onderschat worden. De Nederlandse historicus Jacob Slavenburg
benadrukt vooral de gezagskant. Slavenburg, Jacob. Valsheid in geschrifte.
De gespleten pen van bijbelschrijvers. Zutphen, 1995, p.117f.
[ii].
Mayor, J.B. Mary. In: Hastings, James (ed), Dictionary of the Bible.
Edinburgh, 1900-, deel III, p.278b-286a. Verwijzing p.278b.
[iii].
Hauck, Friedrich. Kopos/Kopiao. In: Kittel, Gerhard. Theologisches
Wörterbuch zum Neuen Testament. Stuttgart, 1938. Band III, p.827-829.
[iv].
Tertullianus, Tegen Marcion IV,19,1
[v].
Tertullianus, Over het eenmalige huwelijk 8,6
[vi].
Pseudo Cyprianus, Over de ongehuwde staat van geestelijken
25
[vii].
Hippolytus, Over het Hooglied XXV,8
[viii].
Hippolytus, Over het Hooglied XXV,10
[ix].
Pseudo Clemens van Rome, Twee brieven over de maagdelijkheid
2,15
[x].
Pseudo Clemens van Rome, Twee brieven over de maagdelijkheid
2,15
[xi].
Hippolytus, Over het Hooglied XXV,3-6
[xii].
Hippolytus, Weerlegging van alle dwaalleringen, V,7,1 In de tekst
spreekt hij over Mariamne. Men gaat er over het algemeen vanuit dat het hier
over Maria Magdalena gaat.
[xiii].
Zie de Brief van de Apostelen. Daar worden Sara, Martha en Maria
Magdalena genoemd.
[xiv].
Origenes, Tegen Celsus V,62
[xv].
Zie verder Tertullianus, Over de ziel 25,8. Tertullianus noemt de zeven boze geesten ook.
Hij doet dat, wanneer hij tegenover Plato wil vasthouden aan de mogelijkheid
dat twee zielen van gelijke substantie kunnen samengaan. De ziel van Maria
Magadalena ging immers samen met een zevenvoudige boze geest.
[xvi].
Irenaeus, Tegen dwaalleringen V,31,1f
Dionysius,
Brief aan Basilides canon 1.
[xvii].
Origenes, Commentaar op Johannes VI,287; X,245;
XIII,179-180.
[xviii].
Origenes, Tegen Celsus II,59; II,70
[xix].
Corley, Kathleen. "Noli me tangere". Mary Magdalene in the Patristic
literature. Bij mijn weten niet gepubliceerd. Corley concludeert uit de vele
verwijzingen in de vierde eeuw, dat Maria Magdalena tegen die tijd binnen het
orthodoxe christendom een geaccepteerde figuur geworden is.
[xx].
Ambrosius, Over het christelijk geloof 4.2.25
[xxi].
Hiëronymus, Aan Antonius. (Brief 12)
[xxii].
Hiëronymus, Aan Marcella. (Brief 59)
[xxiii].
Augustinus, Preek 244,2-3.
[xxiv].
Augustinus, Preek 232,2
[xxv].
De gebruikelijke namen voor de beide kerkorden respectievelijk: Didascalia
Apostolorum en Canones ecclesiastici sanctorum
Apostolorum.
[xxvi].
Een overzicht biedt: Bovon, François. Le privilège Pascal de
Marie Madeleine. New Testament Studies 30 (1984),
p.50-62.
[xxvii].
Leringen van de Apostelen III,6
[xxviii].
Kerkelijke leerregels van de heilige Apostelen 26
[xxix].
Leringen van de Apostelen III,12. Voor de inhoud van die functie zie:
Gryson, Roger. Le ministère des femmes dans l'église
ancienne. Recherches et synthèses, section d'histoire, IV. Gembloux,
1972, p.75-79.
[xxx].
Leringen van de Apostelen V,14
[xxxi].
De Handelingen van Philippus zijn zeer fragmentarisch overgeleverd. De
citaten zijn overgenomen uit bovengenoemd artikel van Bovon en verwijzen naar
het handschrift Vaticanus graecus 808.
[xxxii].
Handelingen van Philippus 185
[xxxiii].
Van de 46 vragen stelt Maria Magdalena er 39.
[xxxiv].
Evangelie naar Thomas log 21 en Wijsheid van Jezus Christus
114,9-10.
[xxxv].
Wijsheid van Jezus Christus 98,10-11.
[xxxvi].
Dialoog van de Verlosser 126,19-20.
[xxxvii].
Dialoog van de Verlosser 131,20-21.
[xxxviii].
Bijvoorbeeld Pistis Sophia 17-18, 60-62 en 112-113.
[xxxix].
Dialoog van de Verlosser 139,1-14
[xl].
Pistis Sophia 17
[xli].
Pistis Sophia 19
[xlii].
Pistis Sophia 25
[xliii].
Pistis Sophia 96
[xliv].
Origenes, Catenenfragmenten over de eerste brief aan de Corinthiërs
74,2-37. Ge4vonden bij: Roukema, R. De uitleg van Paulus' eerste brief aan
de Corinthiërs in de tweede en derde eeuw. Kampen 1996,
p.218.
[xlv].
Pistis Sophia 122 vgl. Evangelie naar Thomas log 114. Gevonden
bij Perkins, Pheme. The Gnostic Dialogue. The Early Church and the Crisis of
Gnosticism. New York, 1980, p.140f.
[xlvi].
De brief van de Apostelen 10-11
[xlvii].
Evangelie naar Philippus 59,6-10
Inleiding
Beeld
Meditaties
Bibliografie
Evangelie-teksten
Een Albasten
Kruik
Terug naar home
pagina

![]() |
In dit boek gaat Hans Wijngaards in op belangrijke historische bronnen, vanaf het begin van het christendom tot het jaar 900. Hij bewijst op overtuigende wijze dat vrouwen de rol van diaken op zich namen en hiertoe ook gewijd werden. Met zijn historische studie levert Wijngaards een belangrijke bijdrage aan het actuele debat over de wijding van vrouwen tot diaken. Klik hier! |