|
|
|---|
Toneelstuk door Machteld Vos de Wael
Een toneelstuk met een speelduur van 45 minuten. De
schrijfster geeft hiermee verlof aan parochies of scholen het toeneelstuk op te
voeren. Neem eventueel contact op met haar
voor verder advies.
Opzet:
Het centrale deel van het toneelstuk speelt zich af in de
historische situatie. Het begint met de ontmoeting tussen Jezus en Maria
Magdalena. In een volgende scène wordt haar relatie met Jezus en haar
positie tussen de andere leerlingen van Jezus verbeeld. Inhoudelijk is deze
scène gebaseerd op het evangelie van Thomas, het evangelie van Filippus,
het evangelie van Maria en de Pistis Sophia. Maria komt hierin naar voren als
Jezus geliefde leerling die ook van alle apostelen het meeste inzicht had
in zijn boodschap. Op deze scène sluit het paasverhaal aan, op grond van
de bijbelse evangeliën. De sfeer van het tussenliggende verhaal is luchtig
gehouden om het stuk niet te zwaar te maken. Er komen bijv. twee romeinse
soldaten in voor die er de kantjes van aflopen en alleen geïnteresseerd
zijn in hun eigen ambities.
Deze historische vertelling wordt voorafgegaan door een korte proloog
die zich afspeelt in de huidige tijd. Het historische conflict tussen Petrus en
Maria Magdalena verbreedt zich naar het conflict tussen het rooms paternalisme
en de positie van vrouwen in de R.K. kerk. De proloog vindt zijn vervolg in de
afsluiting van het stuk. De wegen van Maria en Petrus gaan uit elkaar. Ook
Jezus vervolgt zijn weg, en met zijn heengaan verandert de situatie. De kerk
wordt een geopend graf, publiek en spelers worden deelgenoten, spel wordt
realiteit.
Centraal in het decor staat een grote afsluitsteen van het graf. Deze
symboliseert de scheiding tussen de wereld zoals mensen die beleven ( voor de
steen) en de wereld die wordt vermoedt, de wereld van het licht, die groter is
dan mensen kunnen vermoeden. De engelwaker, die voortdurend op het toneel
staan, beweegt de steen, zonder echt in het toneel voor de steen betrokken te
zijn.
Rollen:
- Maria Magdalena
- Jezus
- Petrus
- Tamar, vriendin van Maria
- Moeder (van Jezus)
- Salome, leerling van J.
- Matteus, leerling van J.
- Romulus, romein
- Octavius, romein
- Engelwaker bij het graf
Maria Magdalena
PROLOOG
Het toneel is donker. In het midden staat de
afsluitsteen. Maria gaat er achter schuil. De engelwaker rolt de steen opzij en
stelt zich er links van op. Tegelijk komt Petrus op, in het duister. Hij blijft
aan de zijkant van het toneel staan. Maria Magdalena staat op en loopt naar
voren. Ze draagt witte vrijetijdskleding, Petrus een priesterkleed.
Maria Magdalena: Ze noemen mij Maria Magdalena, de overspelige,
Ze noemen mij een zondares
een boetelinge
een hoer
(met ingehouden woede)MAAR IK BEN GEEN ZONDARES! IK BEN GEEN
HOER! Wie beweert dat ik een zondares ben, wie? Jezus heeft dat nooit gezegd.
Jezus heeft mij nooit een zondares genoemd!Nee, zelfs Petrus niet, Petrus die
zo jaloers op mij was.
Petrus: (uit het donker) Je bent een vrouw
Maria Magdalena: Hoor Petrus! Altijd het laatste woord willen
hebben. Ik ben een vrouw ja, een vrouw die lief kan hebben, een vrouw die kan
baren en behoeden
Petrus: Vrouwen zijn het leven niet waardig. En jij Maria
Zeven demonen woonden in jou. Wees dankbaar dat Jezus ze heeft uitgedreven.
Wees dankbaar
en zwijg.
Maria Magdalena: Oh jij weet heel goed, wat die duivels waren die
mij in duisternis gevangen hielden.
Petrus: Zwijg!
Maria Magdalena: Jij weet heel goed, wat Jezus bedoelde toen hij
zei
Petrus: Zwijg vrouw!!
Maria Magdalena:
toen hij zei dat in duisternis de blinde
en ziende gelijk zijn, maar eenmaal in het licht, zei Hij
Petrus: ZWIJG! (beide af)
SCÈNE 1
Maria en Tamar komen op, in historische gewaden. Ze
dragen manden. Maria met (vis en) fruit, Tamar met een lap stof. Ze begroeten
elkaar.
Maria: (grijpt de lap uit de mand van Tamar) Laat eens
zien, wat heb jij bij die oude Levi gekocht.
Tamar: (Lacherig) Hé Maria geef terug.
Maria: (drapeert de stof om zich heen, plagerig) Wat zal
David je mooi vinden.
Tamar: (Pakt de lap) David, die engerd! Nee zeg,
véél te oud hoor! Maar wat vind jij van Josua?
Maria: (spreekt met overdreven lage stem:) Hm
Josua
met die mooie, mannelijke lage stem?
Tamar: (giechelend) Dat vind ik nou een stuk.
Maria: Pech gehad... hij kijkt alleen naar Sara.
Tamar: Niet als hij mij vanavond ziet.
Maria: In je verlèidelijke nieuwe kleed!
Tamar: En wat trek jij aan voor die visser van je?
Maria: (naar voren) Mijn Melchior is geen visser: hij
lààt voor zich vissen.
Tamar: Als Melchior niet voortijdig afknapt op dat geplaag van je
wordt je nog eens een rijke dame... Heeft hij je al gevraagd?
Maria: Nog niet, maar hij gaat morgen bij mijn vader langs.
Tamar: En die zegt geen nee, natuurlijk. Welke vader zou zijn
dochter niet graag weggeven aan zon knappe
Maria: sterke
Tamar: gebronsde
Maria: gefortuneerde
Tamar: invloedrijke
Maria: en oh zo lieve jongeman!
Tamar: Je hebt het mooi voor elkaar Maria. Straks woon je in dat
grote huis aan het meer. Hoeveel slaven zou hij hebben?
Maria: Genoeg om nooit meer vervelende karweitjes te hoeven doen.
Tamar: Had ik maar zoveel geluk als jij.
Maria: (naar Tamar) Ach voor jou komt ook wel iemand. Er
zijn zo veel aantrekkelijke mannen in Magdala.
Jezus komt op via de achterkant van de steen die opzij wordt gerold.
Hij staat even in gedachten een moment stil bij de steen. Hij
legt zijn hand erop en laat hem er langzaam overheen glijden...
Tamar: Hé, kijk daar eens.
Maria: Wie is dat, ken jij die man.
Tamar: Nee, hij zal wel van buiten zijn.
Maria: Ziet er niet gek uit... hmmm best knap
Wat voor jou?
Tamar: Hij heeft een lief koppie...
Maria: Echt zo'n jongen die niet weet hoe aantrekkelijk hij is.
Zullen we...?
Tamar: Een beetje plagen?...
Maria: Een beetje de vlindertjes wakker maken?
Tamar: En Melchior?
Maria: Melchior? Die vindt het vast niet erg als
ik een beetje plezier maak met mijn beste vriendin
kom op!
SCÈNE 2
Jezus kijkt naar de vrouwen en loopt langzaam in hun richting om ze
te passeren, maar Maria en haar vriendin draaien om Jezus heen. Aanvankelijk
gaat hij niet in op hun vragen en loopt door, hij beantwoordt ze slechts met
een stille blik. Wanneer hij uiteindelijk spreekt staat hij stil.
Maria: Heer, waar komt u vandaan?... Moet u op de markt in
Magdala zijn?... Waar is uw koopwaar heer?...
Tamar: Of komt u stoffen kopen? We maken hier prachtige kleden.
Iets voor uw vrouw?
Maria: (naar voren) Zou hij getrouwd zijn...
Tamar: (naar voren) Zo'n knappe man...Hoe
zou hij heten?
Maria: Komt u vruchten kopen? Ik heb vijgen in mijn mand, wilt u
ze proeven?
Jezus: (geamuseerd vermanend) Vrouwen, wat een onzinpraat!
Wat willen jullie van me?
Maria: Nou ik mag toch wel wat vragen, gewoon een praatje
maken
?
Tamar: We willen alleen maar een stukje met u meelopen, we
bedoelen er niets mee hoor.
Maria: Wij wonen in Magdala. We kunnen u alles vertellen over de
stad: waar je lekker kunt eten, waar je de beste koopwaar kunt vinden...Kom
nou, wie bent u?
Tamar: (plagerig)Hij heeft geen naam!
Maria: Vast wel.
Tamar: Hij is verlegen!
Maria: Heer, zij heet Tamar, en ik ben Maria.
Tamar: En hij is saai. Hij houdt niet van een lolletje... Ik ga
naar huis. Ga je mee Maria?
Maria: Straks
Als je niet wilt blijven ga
dan maar vast.
Tamar: Je blijft toch niet alleen met hem?
Maria: Jawel, ik blijf, ga nu maar.
Tamar: Kom Maria!
Nou, dan moet je het zelf maar
weten. (af)
Maria: (Flirterig) Nu weet u dat ik Maria heet. U weet dat
ik in Magdala woon. Dat vertel ik u allemaal omdat ik graag wil weten wie
ù bent.
Jezus: Ik ben Jezus, en kom uit Nazareth.
Maria: Jezus?
Jezus: Mijn naam, mijn afkomst op aarde. Maar wil je weten wie ik
werkelijk ben, dan zul je aan mijn naam en mijn afkomst voorbij moeten gaan.
Maria: Dat begrijp ik niet. Wat praat u moeilijk! Bent u nou wel
of niet Jezus van Nazareth?
Jezus: Kom naast me zitten. Hier
(Gaan beide op de brede
steen zitten)
en vertel me wie jij bent.
Maria: Dat heb ik toch al gedaan: ik ben Maria en ik kom uit
Magdala.
Jezus: Is daar alles mee gezegd?
Maria: Wat wilt u horen?
Ik ben maar een gewone vrouw, net
als alle andere.
Jezus: (geamuseerd) Zo! Dat klinkt al meer bescheiden dan
wat je daarnet tegen je vriendin zei.
Maria: Wat ik daarnet tegen mijn vriendin zei?
Maar
hoe
? We waren nog ver van u vandaan
Ik schaam me
(fel)
Maar u moet zich ook schamen om te luisteren naar wat ik tegen mijn vriendin
zeg.
Jezus: (lacht) Maria, je bent maar al te
menselijk.
Maria: Ik heb mijn fouten, net als alle anderen. Geen mens is
volmaakt.
Jezus: Een mens kan leren zijn fouten te erkennen, dat is al een
grote stap.
Maria: Kunt ù dat? Er zijn wel zeven hoofdzonden en
niemand is er vrij van.
Jezus: Ken je ze? Trots
, hebzucht
, gulzigheid
?
Maria: (telt ze af op haar vingers) begeerte
,
luiheid
, jaloezie
en woede
Jezus: Ik heb ze achter me gelaten, en dat kan jij ook
Maria: (staan, verontwaardigd) U heeft wel een hoge dunk
van uzelf. Jéé wat bent u geweldig!
Jezus: (geniet van haar reactie) Nee Maria. Niet ìk
ben geweldig. (weer serieus) Alles wat ik ben komt van mijn Vader.
Maria: Dus dan heeft u een geweldige vader?
Jezus: (gaat ook staan) Mijn Vader is ook jouw Vader.
Maria: Ja dààg!
Jezus: Mijn Vader is de hemelse Vader.
Maria: (sarcastisch) Nou die wil ik wel eens een keertje
ontmoeten.
Jezus: Hij is bij je, maar je bent het je niet bewust.
Maria: Ohhhh
.nou begrijp ik het: praat u over God of
zo?
En welke God bedoelt u dan?
Jezus: Er is maar één God, één Vader.
Maria: Dan bent u dus Joods, net als ik.
Jezus: Ik ben Joods, maar God is de Vader van allen. In mij wordt
hij zichtbaar.
Maria: Ik raak helemaal in de war van u. U bent een vreemdeling
en ik praat met u over dingen die u helemaal niet aangaan.
Jezus: (zitten) Jìj gaat me aan Maria. Ik ken je
beter dan je denkt: je hecht aan uiterlijk, aan kleren en aan status. Je
begeert het blinkende geld - of niet soms? - en je zoek je een echtgenoot alsof
het een rijke buit is.
Maria: (ontdaan) Hoe kunt u mij zo goed kennen?
(opstandig) Nee! U kent mij niet. Ik heb u nog nooit eerder ontmoet. En
wat u nu van mij zegt, geldt net zo goed voor een ander.
Jezus: (trekt haar op de bank) Maar ik spreek jòu
aan. Waarom laat jìj je in bezit nemen door deze duivels van
kortzichtigheid?
Maria: Duivels van kortzichtigheid?
Jezus: Kortzichtigheid is te genezen Maria. Ik kan je helpen
Maria: Maar heer
?
Jezus: Maria, kijk me aan en zeg me wie je bent.
Maria: Maar dat h è b ik toch al verteld.
Jezus: Wie bèn je Maria?
Maria: (nerveus)Ik begrijp niet wat u bedoelt. Ik word
hier helemaal zenuwachtig van. Ik ben maar een gewone vrouw. Ik heb mijn
dagelijks werk zoals alle andere vrouwen. Kijk, ik heb eten gekocht voor mijn
familie: fruit en gezouten vis.
Jezus: Wat doe je met de vis Maria?
Maria: Die wel ik, in water.
Jezus: Water uit het meer?
Maria: Néé. Ik put het uit de bron daar langs de
weg. Het is heel zuiver water.
Jezus: Ik kan je levend water schenken Maria.
Maria: Levend water? Met beestjes?Het is voor het eten hoor! Nee,
ik gebruik liever water uit de bron... En de vis is erg goed. Wanneer het zout
is weggespoeld en het water is opgenomen zijn ze weer als vers, bijna levend.
Jezus: Bìjna levend, zoals jij Maria?
Maria: Ik leef echt heer!
Jezus: Jij kan eeuwig leven wanneer je drinkt van het levend
water uit mìjn bron.
Maria: (springt op en doet een paar passen achteruit)
Wat?... Welke bron? U... Wat praat u toch vreemd! U spreekt als, als de
profeten, als Mozes, als Elia , u maakt me bang.
Jezus: Wees moedig! Durf los te laten! Laat je niet verblinden
door alles wat tijdelijk is. Leef Maria, en laat los wat je vasthoudt, vandaag
nog
Ga met mij mee. (loopt naar de achterzijde van de steen)
Maria: Met u Heer?
Ik zal met u gaan?
(gaat langzaam naar hem toe)
Jezus: (Reikt naar Marias hand) Ik zal je voeren
naar wie je werkelijk bent
ik maak je vrij
jij zal mij zijn, zoals
ik jou ben
en door mij zal jij in de Vader zijn. (neemt met een
voorzichtig gebaar haar hoofd in zijn handen)
Zie Maria
Zie mij
aan
en laat los
(Maria en Jezus houden hun pose vast terwijl de
steen voor hen wordt gerold. Beide af.)
SCÈNE 3
Maria de moeder van Jezus, verder aangeduid als
Moeder, komt op samen met Maria Magdalena. Moeder heeft een mandje met linzen
bij zich, die ze uitzoekt. Maria draagt een mand met lappen om op te vouwen.
Moeder: Ik zie dat mijn zoon van je houdt, Maria. Hij stelt veel
vertrouwen in je.
Maria: Ik ben gelukkig bij hem. Ik voel me
herboren in een nieuw leven.
Moeder: Mij beangstigt al dit blinde vertrouwen in mijn zoon. Hij
is mijn eigen kind, maar soms zijn we vreemden voor elkaar.
Maria: Misschien wil je hem wel teveel bemoederen?
Moeder: Ach
. Hij ontsnapte aan de slachting die Herodes
onder al die kleine hummeltjes aanrichtte. Als ik eraan terugdenk lopen de
rillingen me nog over de rug. Ik heb wat uitgestaan met dat jong. Dat laat je
niet zomaar los. Ik blijf toch zijn moeder.
Maria: Probeer hem los te laten. Dat is wat hij wil.
Moeder: Hij wil het onmogelijke
Ik hoop dat
hij naar jou wil luisteren. Ze zeggen dat hij al zijn wijsheid met jou deelt.
Maria: Nee, niet alles. Soms is hij stil en in zichzelf gekeerd,
en wat er in hem omgaat weet ik niet.
Moeder: (na een stilte) Toch moet je voorzichtig zijn,
Maria. Je spreekt vrijuit en stelt hem vragen, net als de mannen.
Maria: Maar Hij moedigt mij aan om vragen te stellen, en ik
hèb zoveel vragen!
Moeder: Ik weet het, maar het is niet goed. Ik zie dat hij je
zelfs apàrt neemt om je vragen te beantwoorden en dat zet kwaad bloed
bij de andere leerlingen.
Maria: Je bedoelt Petrus
Ik ben bang voor hem. Voor hem ben
ik maar een vrouw en alleen geschikt om de mannen te dienen
Hij kan niet
omgaan met veranderingen. Dat maakt hem onzeker.
Moeder: Hij doet uit de hoogte. Het bevalt me niets. Ik zou maar
oppassen.
Maria: Nee! Ik laat me niet door hem intimideren. En ik zal zeker
Jezus niet uit de weg gaan om Petrus ter wille te zijn.
SCÈNE 4a
Jezus komt op met Petrus, Matteüs, en Salome. (voor de steen
langs). Maria staat op en gaat naar hen toe. Ieder gaat zitten.
Maria: (laat haar mand met lappen in de steek en loopt naar
Jezus toe) Jezus
mag ik bij je zitten?
Petrus: (wringt zich tussen Maria en Jezus
in) Maria, ga terug naar de vrouwen, je hoort hier niet!... Stuur Maria
toch weg Jezus!
Jezus: Maria blijft, en zij mag zoveel vragen als zij wil.
Petrus: Waarom trek je haar toch altijd voor? Ze is maar een
vrouw, maar jij vertrouwt haar meer toe dan de mannen.
Jezus: Petrus, Petrus! Jij wilt weten waarom ik meer van haar
houd dan van jullie
Luister! Wanneer het donker is
aardedonker
dan maakt het niet uit of je blind bent of ziende. Nietwaar Petrus?
Maar wanneer het licht wordt, helder licht
dan is er
onderscheid
dan zal de ziende het licht zien, maar de blinde zal in het
donker blijven.
Petrus: Wat bedoel je Jezus? Dat wij blind zijn?
Wij? En dat Maria het licht heeft gezien?... Ik verdraag deze vrouw niet
langer. (Zoekt met zijn blik bevestiging bij andere apostelen) Wij
willen dat ze vertrekt...
Maria: (in de verdediging gedrongen) Maar ik heb zoveel
vragen Jezus! Je vraagt me jouw woorden uit te leggen aan anderen, maar ik ben
bang om dat te doen. Petrus bedreigt me, hij haat vrouwen.
Jezus: (met een troostend gebaar) Niet bang
zijn Maria. Het Licht is in jou
in jou! Niemand kan je dat ooit ontnemen.
Laat het goed tot je doordringen Maria.
Petrus: Maar ze is een vrouw! Welke man luister nou naar een
vrouw?
Jezus: (hoofdschuddend) Petrus, je zou beter moeten weten.
Ik spreek door haar, en door mij spreekt de Vader. (volgt een kort, stil
oogcontact met Petrus) Spreek, Maria, stel al de vragen die je hebt.
Maria: Waarom ben ik hier eigenlijk? Wat verwacht je van me?
Jezus: Maria, jij maakt mij zichtbaar voor anderen. Jullie
allemaal, mannen èn vrouwen, zullen doorgeven, wat ik nu aan jullie
geef. Ik verwacht dat jullie mijn taak over nemen wanneer ik er niet meer ben.
Petrus neigt naar voren en heft een hand op om
aandacht te vragen. Hij wil iets zeggen, maar Jezus negeert het
gebaar omdat Maria nog niet is uitgesproken. Petrus toont zich geërgerd.
Maria: Maar je gaat toch niet weg Jezus?
Matteus: (over Marias vraag heen) Waar moeten we
naar toe, als jouw leerlingen?
Jezus: Als ik terugkeer naar de Vader zal ieder van jullie naar
de plek gaan die hij, (hand op Marias schouder) die zij kan
bereiken. (Petrus steekt zijn hand op) Petrus?
Petrus: (breedvoerig aandacht vragend) Zeg Jezus
wat
ik nou altijd al wilde weten
dat is het volgende: een mens wordt oud, het
lichaam takelt af
en eens is het zover , dan sterft hij. Wat ik nou wilde
vragen is: wat gebeurt er nou als we dood zijn. Wat gebeurt er
als
(afgekapt)
Matteus: Ja precies! Hoe zal het zijn als ons lichaam
sterft
als we dood zijn?
Jezus: Dat hangt ervan af! Voor wie zich alleen bezig houdt met
aardse zaken is het leven maar tijdelijk. Maar wie de weg naar het Licht gaat
zal deel hebben aan het Eeuwige!
Maria: (naar voren, enthousiast beamend) Ja, zo is het!
Ieder die de weg van het Licht gaat zal léven!
Jezus: Juist Maria! Jij begrijpt meer dan de anderen.
Petrus: (gaat voor Maria staan, Maria terug) Maar uh
ik heb nog één vraagje
gaan wij dan niet allemaal
dezèlfde weg?
Jezus: Andere mensen, andere volkeren hebben hun eigen weg.
Petrus: Hebben die even pech!
Jezus: Een andere weg zei ik Petrus, niet een mindere!
(doordringende blik naar Petrus)
En sommige mensen raken de weg
een beetje kwijt Petrus - Er zullen mensen zijn die mijn woorden
dienstbaar maken aan hun eigen opvattingen
Jezus zou het zo gewild
hebben
jaja! (pauze)
Salome: Jezus?
Jezus: Wat is er Salomé?
Salome: Soms heb ik het gevoel dat ik je nauwelijks ken. Ik
bedoel: je komt wel bij mij thuis, je eet mee met ons, ik ken je
gewoontes
Maar tòch blijf je ongrijpbaar
Ik weet dat mijn
vraag gek klinkt, maar
wie ben je toch eigenlijk?
Jezus: Een hele goede vraag! (naar de discipelen toe)
Geven jullie eens antwoord. Wie denken jullie dat ik ben?
Waarop lijk ik?
Petrus: O p een uh
op een rechtvaardige engel! Ja!
Matteus: Ik zou zeggen
dat je op een wijze denker lijkt.
Jezus: Alles wat ik ben komt van mijn Vader, met wie ik
één ben.
Salome: Dat geldt voor jou, maar wie ben ik dan, als jouw
leerlinge?
Jezus: (na een pauze) Wie in zichzelf de ander niet ziet,
en in de ander niet zichzelf
zal het Licht niet kennen
Wie oren
heeft, die hore. (Jezus beëindigt het leergesprek met zijn laatste
uitspraak en gaat weg door middenpad. )
Salomé: Ik snap het niet.
Matteus: Het lijkt wel een raadsel: Wie oren heeft die
hore. Hoe moet je die woorden verstaan?
Maria: Soms, als een stem diep in je (hart)
Petrus: (Afkappend) Wat weet jij daar nu van!
Matteus: Laat Maria met rust. Petrus!
(peinzend)
Wie ore heeft die hore
Petrus: (Trekt zijn oren opzij) Wat is dit dan? Ik heb
oren. Scherpe oren. Ik hoor àl zijn woorden!
Maria: Maar proef je ze ook ?
Petrus: Proeven? Daar heb je haar weer met haar quasi-diepzinnige
vrouwengebabbel! Wijn kan ik proeven, en brood; maar wie kauwt nou woorden?
Matteus: Maria bedoelt dat je zijn woorden niet letterlijk moet
verstaan. Ze verwijzen naar iets dat je alleen maar kan ervaren.
Petrus: Oh, begin jij ook al! Vrouwengebabbel! Kletspraat!
Ik snap niet dat Jezus dit duldt! (Maria keert zich af)
SCÈNE 4b
Salome: (loopt op Petrus toe, bij Maria vandaan) Petrus,
waarom doe je altijd zo rottig tegen Maria?
Petrus: Ze weet zich niet op de achtergrond te houden, zoals een
vrouw hoort te doen.
Salome: Ach jij! In de ogen van Jezus is iedereen gelijk: man,
vrouw, slaaf, jong en oud.
Petrus: (vaderlijke arm om Salome heen)
Begrijp me niet verkeerd, meisje. Ik heb niets tegen vrouwen. Maar ieder moet
zijn eigen roeping volgen, en de roeping van een vrouw is kinderen baren en
opvoeden, en haar man gehoorzamen.
Maria: (Luid over het gesprek van Petrus en Salome
heen) En de roeping van de man is te mogen bepalen wat de roeping van
anderen is? Salome en ik zijn leerlingen van Jezus, net als jij Petrus. Het is
de roeping van een leerling om te worden als de leraar.
Salome: Hij geeft ook om jou Petrus. Jij bent één
van zijn leerlingen, dat zegt genoeg. Wij moeten niet jaloers zijn op elkaar.
Petrus: Dit gesprek heeft geen zin. Ik dring toch niet tot jullie
door. Ik verveel me hier. Ik ga
(Staat op en vertrekt, door middenpad)
Stelletje Sufkoppen!
Watjes!
Matteus: (tegen Maria) Toch schuilt er een groots mens in
hem.
Maria: Ik weet het. Hij kan mensen enthousiast maken. Hij zou
groots kunnen zijn.
Salome: Die Judas is anders ook geen makkelijk mens. Weet jij
waar hij uithangt, Matteus?
Matteus: Geen idee. Hij is stil de laatste tijd. Afwezig. Het
lijkt of er iets broeit bij hem.
Salome: Ik krijg geen hoogte van die man.
Moeder: (Die al die tijd met de linzenlappen is bezig
geweest) Ik ben ongerust. Af en toe zie ik hem naar mijn zoon
kijken met een blik die mij bang maakt. Die Judas
ik weet het niet hoor!
Matteus: Toch valt er niets op hem aan te merken. Hij beheert ons
geld heel trouw.
Salome: Het lijkt of hij teleurgesteld is. Iets zit hem dwars.
Alsof
alsof hij zich losmaakt van ons.
Moeder: Hij maakt zich los van ons? Van Jezus? Wat betekent dat
Maria? Weet mijn zoon daarvan?
Maria: Ja, hij weet het, hij voelt wat gaande is
Soms, als
ik bij hem ben zwijgt hij plotseling. Dan zie ik verdriet in zijn ogen. Heel
even maar. Als ik hem aanraak komt zijn glimlach weer terug en hij kust me,
maar het lijkt of hij mij troosten wil.
Moeder: Troosten?
Salome: (geschrokken) En je denkt dat Judas hiermee te
maken heeft?
Maria: Ik weet het niet. Ik voel een spanning tussen Jezus en
hem. Een spanning die eerder toeneemt dan afneemt.
Moeder: Stil. Daar komen soldaten. Laten we over iets anders
praten.
Salome: Nee, we gaan
. Kom.
SCÈNE 5
Vrouwen gaan af, twee Romeinse soldaten komen.
Romulus: Waar zou die gozer uithangen?
Octavius:hoe hij eruit ziet.
Romulus: Een Jood van een jaar of dertig zeiden ze, maar al die
Joden lijken op elkaar.
Octavius:er te zijn
meneer de profeet. Overal waar hij komt
lokt hij mensen met zijn verhalen.
Romulus: Het wemelt van de profeten. Allemaal goedaardige gekken
die geen mens kwaad doen. Eigenlijk snap ik niet waarom we hem in de gaten
moeten houden.
Octavius:teveel invloed, en hij pakt het slim aan: hij predikt
gelijkheid en liefde.
Romulus: Dat klinkt natuurlijk goed als je niks gewend bent.
Octavius:Het woord 'staatsgevaarlijk is al gevallen. Het
aantal volgelingen neemt snel toe.
Romulus: Ach, het zijn maar vrouwen, jongeren, armoedzaaiers!
Octavius:eid van de bevolking dus!
Romulus: Zijn ideeën zijn natuurlijk aanlokkelijk.
Octavius:n genoeg slaven die liever op hun luie reet zitten om
naar verhaaltjes te luisteren dan dat ze fatsoenlijk hun werk verrichten.
Romulus: Luie donders zijn het
en met vrouwen is het precies
zo.
Octavius:aar beter kwijt zijn voor hij te machtig wordt.
Romulus: (minachtend) Koning der Joden!
Octavius:>
Romulus: Koning der Joden. Zo noemen ze hem. Ze zeggen dat hij
een eigen koninkrijk wil! Ik vind het nogal lachwekkend.
Octavius: serieus nemen. Dat gepreek over liefde is maar een
dekmantel. Terwijl hij ons zand in de ogen strooit werkt hij aan een goed
geoliede organisatie die straks de macht overneemt, en daar wil ik liever niet
bij zijn.
Romulus: We zullen hem vinden!
Octavius:r nog promotie in als we dit klusje goed afhandelen!
(Beide af)
SCÈNE 6
Maria komt op en loopt paniekerig heen en weer. Terwijl zij spreekt
komt ook Jezus op. Ze reageert op hem alsof hij een stem van binnen is.
Maria: Hij wist het. Hij had het allemaal
voorzien. Steeds weer zei hij dat we iedere kans moesten aangrijpen om bij hem
te zijn, zolang hij er nog was
. Zolang hij er nog was, ik wilde het niet
horen. Het was te bedreigend. En nu hebben ze hem opgepakt, als een misdadiger.
Ze willen hem kruisigen
Kruisigen! Hij is mij zo lief...
Jezus: Ik ben bij je.
Maria: Waar dan? Je bent niet bij me. Je hebt me
in de steek gelaten. Je wist wat er zou gebeuren. Waarom heb je niet voor ons
gekozen? We hadden weg kunnen gaan uit Jeruzalem. Het had allemaal niet hoeven
gebeuren. Je hebt me in de steek gelaten
in de steek gelaten, hoor je me!
Jezus: Heb vertrouwen Maria,
Maria: Maar ik kan niet zonder jou.
Jezus: Wees niet bang Maria. Ik zal steeds bij je zijn, door de
dood heen.
Maria: (gaat zitten) Nee, nee, je bent er niet, en alles
is duister. Duister!
Maria zakt ineengedoken neer op de steen en wiegt haar lichaam heen
en weer in verdriet. Jezus houdt zijn blik op haar gericht, doet een paar
stappen in haar richting en buigt zich voorover alsof hij haar wil troosten. De
beweging stokt voor hij haar aanraakt.
Jezus: (nog voorovergebogen, op een medelijdende toon)
Mijn God
(overeind komend, nu met wanhoop in zijn stem) Mijn God!
(keert zich om naar de steen, houdt hem met beide
handen vast, het hoofd gebogen) Mijn God
waarom
heb je mij
verlaten?
De engelwaker rolt de steen opzij. Jezus valt op zijn knieën, de
handen steunend op de grond. De engelwaker buigt zich over hem heen.
Maria: (kijkt om, dan terwijl ze af gaat, informerend: )
Néééé! Dood! Hij is dood! Dood!
SCÈNE 7
De engelwaker rolt de steen weer terug, Jezus is uit het zicht.
Octavius komt op. Hij sleept een tafeltje met zich mee en draagt een
typemachine onder de arm. Hij installeert zich op zijn gemak, pakt ergens een
stoel vandaan en draait een vel papier in de machine. Moeder en Salome komen op
met Maria tussen hen in. Zij spreken hun tekst als informatie naar de zaal.
Maria is in zichzelf gekeerd.
Sal./Moe: Hij is dood. Ze hebben Jezus vermoord.
(herhalen)
Moeder: Waarom zo vernederend? (alle drie
zitten)
Salome: Alleen de laagste misdadigers worden gekruisigd.
Moeder: Zo wreed! Wat heeft hij misdaan?
Salome: Er is geen gerechtigheid.
Maria: (staat op en loopt weg) Hij was als een licht, maar
het licht is dood. En nu
? Duisternis, diepe duisternis. (freeze
vrouwen)
Octavius: Kruisiging Jezus van Nazareth --- Te Declareren
uitgaven ---
- Aan de timmerman --- voor cederhouten staander plus dwarshout, 89
euro 95
- aan de smid --- voor ijzeren nagels --- 12 euro 95
- aan de touwslager --- 3euro 95
- diverse materialen --- uh... maken we maar 4 euro van.--- Hopla
(duwt slede naar links, freeze)
Moeder: Wat voor zin had zijn leven nu alles kapot is?
Salome: Wie neemt het over? Er is niemand zoals hij.
Moeder: We zullen terugvallen in ons oude bestaan.
Salome: Hij had oud moeten worden, hij had nog zoveel goeds
kunnen brengen.
Maria: Wat moet ik doen? Ik kan niet terug naar mijn oude leven.
Hij heeft mij zoveel gebracht. Ik kan niet zonder hem.(freeze vrouwen)
Octavius: Bewakingskosten --- 782 euro. Extra personeel,
ingehuurd wegens grote toeloop 456 euro. (freeze)
Moeder: Maria, je moet aanvaarden dat hij er niet meer is.(met
Salome naar Maria)
Salome: Het is moeilijk voor ons allemaal.
Moeder: We hebben onze herinneringen, laten we die koesteren.
Salome: Niemand kan hem terughalen.
Maria: Maar ik kan het niet! (loopt naar bank) Hij
ìs mijn leven. Zonder hem ben ik dood. (zitten)Hij is te groot om
als een herinneringen op te bergen.
Moeder: Maria, we moeten sterk zijn. (met
Salome terug naar Maria, Maria reageert niet)
Salome: Kom , sta op. Hij is nog niet weg. Zijn lichaam ligt in
een graf, niet ver van hier. Laten we naar hem toe gaan. Je kunt dan afscheid
van hem nemen.
Moeder: We nemen kruiden mee, om hem te balsemen. Kom! (samen
links af)
Octavius:...(rekt zich uit) Kan ik nog lekker even naar
het badhuis... Daar ga je Jezus, in het mapje. (draait papier uit en bergt
het op) Zo eindig je als een archiefstukje. Niemand zal het lezen.
(hoofdschuddend) Jezus, de koning der Joden... daar horen we nooit meer
wat van! (fluitend af, laat alles staan)
Na een moment van stilte, begint de engelwaker de
steen opzij te draaien. Het graf gaat open. Jezus staat met de windselen over
zijn hoofd en schouder met de rug naar het publiek. De engelwaker neemt
voorzichtig de doeken weg, rolt ze op en legt ze bij Jezus voeten. Ze
gaat zelf weer achter de steen staan. (De doeken
symboliseren de vodden van de vergankelijkheid)
SCÈNE 8
Octavius en Romulus komen rechts op. Ze marcheren vlak achter elkaar
(wat het enigszins belachelijk maakt), Hilarius komt op enige afstand er
achteraan. Ze gaan voor de grafsteen, stram in de houding staan.
Octavius: Voorwáárts mars!Sectie halt en sta
stil! Op de plaats rust!
Octavius steekt zijn hoofd naar voren, kijkt links en rechts, en
wenkt Romulus die de bewegingen van Octavius vanuit zijn ooghoeken gevolgd
heeft. Octavius gooit zijn speer op de grond en gaat ontspannen zitten. Romulus
volgt zijn voorbeeld.
Octavius: Lekker klusje: een graf bewaken!
Romulus: Ik denk niet dat we het druk krijgen.
Octavius:oden is dood, ha! Ondanks al die wonderverhalen kon hij
zichzelf niet in leven houden.
Romulus: (spottend) t Is toch sneu voor het volkje
dat zijn heil bij hem zocht. Nu moeten ze weer een nieuwe profeet vinden.
Octavius:omulus? Jij staat graag in het middelpunt van de
aandacht!
Romulus: Ach, ik heb geen vrome babbel.
Octavius:op of er geen inspectie aankomt, van jouw kant?
Romulus: Ach man, hier komt geen hond. (geeuwt)
Octavius:ntwel in de gaten, je weet maar nooit. (gaan
ruggelings tegen elkaar zitten) Nog vakantieplannen?
Romulus: Athene misschien, we zien wel. En jij? (begint in te
dutten)
Octavius: altijd naar dr moeder
Geen
zin
(beide slapen)
SCÈNE 9
Maria komt op, met de twee vrouwen achter zich aan. Moeder draagt een
mand met kruiden.
Jezus: Maria!
Maria: (Kijkt bevreemd op, en ziet dan de weggerolde
steen) De steen! (bewust van soldaten) Wie heeft dat gedaan? Wie
heeft de steen weggerold?
Salome: Iemand is ons voor geweest.
Moeder: (blijft op afstand)De steen is weg? Pas op, ik
vertrouw het niet!
Jezus: Maria?
Maria: (weer die bevreemding; dan kijkt ze in het graf)
Hij is weg! Jezus is weg! Iemand heeft hem meegenomen!
Salome: (Loopt mee het graf in) Waarom? Wie doet dat nou?
Maria: Hij is weg!
Moeder: Laten we gaan, kom mee! Het is gevaarlijk...( links
af, vergeet kruidenmand)
Jezus: Maria?
Maria: Rabbouni
( aarzelt even) Waar
hebben ze je heen gebracht? (links af)
Salome: We moeten de anderen waarschuwen.(links af,
struikelt over Romulus)
Salome: (wordt wakker) Wat was dat? Octavius, wat
was dat?
Romulus: Er liep een vrouw tegen me aan.
Octavius: Ik zie geen vrouw. Je zult wel gedroomd hebben.
Wat!!! Hebben we hier liggen maffen! Wel alle goden nog an toe!
Géééf acht! (In de houding,samen met Rolumus,
rondkijken of er niemand komt dan weer ontspannen)
Romulus: Wat deed dat mens hier? Kijk daar staat haar mand
met kruiden. Ze is
(ziet dat de grafsteen weggerold is. Met stomheid
geslagen wijst hij in de richting van het graf)
Octavius:an zijn blik) Wat!!! Hoe
? Hoe heeft
ze dat geflikt?
Romulus: Het is leeg!
Wèg promotie!
Octavius:(loopt naar het graf) Alleen nog een paar
doeken! Die heeft ze nog netjes opgerold ook.
Romulus: We moeten dit melden.
Octavius: (eerderig) Ja, maar wat? Dat één
vrouw twee kerels als wij tegen de grond slaat en het graf opent? Niet echt
geloofwaardig hè.
Romulus: Luister: als we er nou een hinderlaag van maken,
een man of twintig
dertig.
Octavius: Ik heb me eerst moedig verweerd. Ik heb er zes verwond,
jij vier.
Romulus: Andersom.
Octavius: (t op Romulus) Jij je zin. Maar toen werden we
overmeesterd en
en
Romulus: En wat er verder gebeurd is weten we niet.
Octavius:Kom Romulus, naar het paleis! Redden wat er te redden
valt!
SCÈNE 10
Beide af. Maria is omgelopen om Petrus te halen. Ze komen samen het
toneel op rennen. Petrus gaat het graf in. Hij neemt de doeken op, bekijkt ze
en legt ze weer terug.
Maria: Petrus, wat hebben ze met hem gedaan?
Petrus: Ik snap dit niet
. Ik snap dit niet
(Gaat
verbijsterd af)
Maria: Petrus! Loop niet weg!
Petrus! Loop niet
wéér weg!
Petrus, alsjeblieft! (pakt de windselen en
koestert ze tegen haar borst.) Hoe moet ik verder zonder jou? Hoe kan ik
ademen zonder jou, hoe kan ik het leven dragen zonder jouw?
Jezus: Maria?
Maria: (bevreemding) Jij bent
Zei je het niet zelf:
Ik ben de Waarheid, de Weg en het Leven. Dat zei je! En ik geloofde
je. En weet je Jezus
Ik geloof je nog steeds. Maar ik wil je naast me. Ik
wil je stem horen.
Jezus: (luider) Maria!
Maria: Het lijkt alsof ik je hoor?
Is er iemand? (Kijkt
op en ziet Jezus staan, zonder hem te herkennen. Hand boven de ogen, ze kijkt
tegen het Licht in) Oh, ik zag u niet. Weet u misschien iets van dit graf?
Wie heeft Jezus weggehaald? Als u dat heeft gedaan, vertel me dan waar hij is.
Jezus: Maria
Maria: (deinst achteruit; eindelijk herkenning)
Rabbouni! (Wil naar hem toe snellen)
Jezus: Omhels mij niet Maria, ik ben veranderd.
Maria: Rabbouni
Jezus: Maria, waar jij in mij bent en ik in jou, daar is geen
aanraken meer. Daar zijn wij één in de Vader, in eeuwigheid
verbonden.
Maria: Ik zie je
Ik zie je
Jezus: Ga naar de anderen Maria, en vertel ze dat ik zal opgaan
tot mijn Vader.
Maria: Maar
ze zullen niet luisteren naar
een vrouw!
Jezus: Ga Maria, breng de boodschap. Petrus moet weten dat ook
vrouwen mijn werk voortzetten. Jij bent de apostel der apostelen. Jouw geloof
zal de levensweg belichten van de velen die na jou komen.
Maria: Ik zal doen zoals je zegt
Maria legt de doeken terug in het graf. Jezus loopt naar de
rechterkant van de grafsteen en trekt hem rollend een stukje naar het midden.
Jezus: Zie deze steen: hij scheidt licht van
duisternis, het eeuwige van het tijdelijke, het zichtbare van het onzichtbare.
(Maria loopt naar de linkerzijde van de steen en legt haar handen erop)
Toch zijn licht en duisternis innig verbonden voor wie het ziet; en jij en ik
zijn onafscheidelijk.
Tijdens de navolgende dialoog rollen beide om beurten de steen weer
naar het midden: stukje bij beetje, voorafgaand aan iedere zin.
Jezus: Zoek mij daarom niet in het graf, Maria
Maria: Ik zoek je niet in het graf, want jij bent de levende
Jezus: Zoek mij niet in de hemel,
Maria: Nee, Jij bent niet van ver
Jezus: Zoek mij niet in het verleden,
Maria: Daar zal ik je niet zoeken, want steeds opnieuw wordt jij
in mij geboren .
Jezus: En zoek mij niet in de toekomst,
Maria: Waarom zou ik? Ik heb je al gevonden!
Jezus: Ga dan Maria. Ga met kracht en vertrouwen. Ga met Liefde.
Maria: Rabbouni, ik kan niet anders.
Jezus loopt naar de achterkant van de steen, Maria naar de voorkant.
Ze kijken elkaar na.
Dan loopt Maria naar voren en blijft staan. Ze zoekt oogcontact met
het publiek.
Ondertussen wordt het toneel opgeruimd (op de steen na).
SCÈNE 11
Decorman 1: (loopt tegen Maria op) Zeg, je staat in de weg
wijffie! Ga toch naar huis.
Decorman 2: (botst; ongeïnteresseerd) Sorry!
Decorman 3: (botst; bezorgd toontje) Vrouwtje toch!
Wat doe je tussen al die mannen? Dit is geen plaats voor jou.
Maria reageer door ieder van hen even na te kijken, om daarna weer
oogcontact te zoeken met het publiek. Nadat de tweede man tegen haar aangelopen
is trekt ze het kleed uit en geeft het mee. Dan verdwijnen ook de decormensen.
Langzaam komt Petrus op (in priesterkleed) en gaat naar de positie opzij waar
hij ook was tijdens de eerste scène. Daar blijft hij geruisloos in
dezelfde houding staan.
Maria: (blik op publiek)Petrus, jij weet heel goed wat
Jezus bedoelde toen hij sprak over de blinde en de ziende.
Petrus: (blik op publiek)Wat een pretenties! Je gedraagt
je echt als het lievelingetje van de meester. Hij kuste je vaak
Nou
èn! Het is eigenlijk belachelijk dat ik hier met jou in discussie ga.
Het is niet aan een vrouw om het woord te nemen.
Maria: Jij wilt mij ontnemen wat hij mij heeft
gegeven?
Petrus: Het woord is aan de man, niet aan de vrouw.
Maria: Man en vrouw zijn gelijkwaardig.
Petrus: Doe niet zo hysterisch. De vrouw heeft andere
kwaliteiten: haar roeping is dienstbaarheid. Jij denkt dat ik op je neerkijk,
maar dat is niet zo. Dienstbaar zijn is iets groots, en ik durf best toe te
geven dat ik het niet kan.
Maria: Jou geheugen werkt selectief, Petrus! Wat niet in je kraam
te pas komt wìl jij je niet herinneren.
Petrus: Ach wat dramatisch! Waar het om gaat is: zìjn
gezag te vestigen. Dàt heeft hij ons opgedragen.
Maria: Hij zei: Verkondig wat ik jullie gezegd heb.
Meer niet. Hij sprak niet van gezag.
Petrus: Zijn Woord móet wel vaste vorm krijgen, anders
verliezen we het. En ìk zal zijn woorden uitleggen.
Maria: Zelfs toen hij nog bij ons was, waren wij het daarover
niet eens. Als jij zijn boodschap uitlegt zal het ingekleurd worden door
jòuw oordeel, jòuw behoefte aan gezag. En wat je niet aanstaat
zal je wegmoffelen
Wat doe je met mij Petrus? Wat vertel je volgende
generaties over mij?
Petrus: Wat een hoogmoed! Alsof er over een vrouw zoveel te
vertellen valt.
Maria: Je kan niet om mij heen. Ik ben deel van hem, zoals hij
deel van mij is. Dat is geen hoogmoed Petrus. Als Maria ben ik gewoon een
vrouw, maar met hem in mijn hart draag ik alle vrouwen in mij. En daar zal
zelfs jij niet omheen kunnen!
Petrus: (blik op Maria) Het is gewoon een kwestie van
accenten leggen om duidelijkheid te scheppen. Je ontkomt niet aan een
persoonlijke interpretatie.
Maria: (blik op Petrus)Het zal niet de boodschap van Jezus
zijn, maar die van Petrus de visser.
Petrus: Ik heb je nooit gemogen Maria. Ga weg, je bent van geen
betekenis. Het is alsof de zeven duivels weer bij je zijn ingetrokken!
Maria: (aankijken) Nee Petrus, nee
. Je kunt mij met
modder gooien. Je kunt mij ziek of hysterisch verklaren. Je kunt van mij een
boetelinge maken of een zondares, maar uiteindelijk zal je jezelf treffen.
Velen zullen zich van jou afkeren: van je starre gezag dat Jezus nooit gewild
heeft.
(de zaal in) Ik zal getuigen van zijn woorden, zonder te
oordelen. Getuigen
niet meer dan dat. Ik zal de vrijheid, de
gelijkwaardigheid van mensen geen geweld aandoen. Juist daarover ging zijn
boodschap. (aankijken) Ik ga Petrus, en ik wens je het beste, want
uiteindelijk zijn ook wìj één in hem. (gaat af)
Petrus: Ga maar. Donder maar op. En als ik ooit één
van jouw verhalen op papyrus in handen krijg, weet je wat ik dan doe? Dan
verbrand ik ze. Ik verketter ze. Jij hysterisch vrouwmens
Jij
HOER!
(ook af)
Even is het toneel leeg. Dan rolt de steen opzij. Jezus staat rechtop
en kijkt het publiek in. Hij pakt de twee witte doeken en slaat ze achteloos
over zijn schouder. Dan loopt hij van het toneel af, de zaal door. Hij laat de
doeken achteloos een voor een op de grond glijden. Zonder om te kijken verlaat
hij de kerk.
De deur(en) laat hij wijd open.
Inleiding
Beeld
Meditaties
Bibliografie
Evangelie-teksten
Een Albasten
Kruik
Terug naar home
pagina

![]() |
In dit boek gaat Hans Wijngaards in op belangrijke historische bronnen, vanaf het begin van het christendom tot het jaar 900. Hij bewijst op overtuigende wijze dat vrouwen de rol van diaken op zich namen en hiertoe ook gewijd werden. Met zijn historische studie levert Wijngaards een belangrijke bijdrage aan het actuele debat over de wijding van vrouwen tot diaken. Klik hier! |