Nederlands/Vlaams Deutsch Francais English language Spanish language Portuguese language Italiano
Catalan Czech Esperanto Greek Igbo Japanese Korean Latin Malay language Norwegian Polish Swahili Tagalog
Openingspagina!

Maria Magdalena aan het woord

Maria Magdalena aan het woord

Voor mij begon het eigenlijk eerst goed bij Johannes de Doper. Op een dag verscheen hij in Judea, een profeet uit de woestijn met een boodschap voor ons, Joden. Hij bracht nogal wat opschudding teweeg. Iedereen hoorde ervan en aangezien ik heel geïnteresseerd was op godsdienstig gebied ging ik ook naar hem luisteren. Het viel me op dat zijn woord bijzonder veel leek op dat van de Profeet Jesaja, dat wij hoorden in de synagoge. Deze sprak over God die teleurgesteld was in zijn volk, over de ongerechtigheid die onder de mensen heerste, maar hij wist ook dat diezelfde God, onbegrijpelijk genoeg, altijd maar medelijden bleef houden met dat kleine schepsel. Dat hij eens een Redder zou zenden, maar dat wij onszelf eerst moesten zuiveren van al onze ongerechtigheid, van alles wat in de weg stond. Over het wanneer werd helaas nooit gesproken. Dat vond ik heel intrigerend. Ik stelde me voor hoe het zou zijn als ik het in mijn leven mocht meemaken, een Redder voor Israël. Met de jaren begon ik er zelfs naar uit te kijken.

De nieuwkomer uit de woestijn boeide me, en daarom bevond ik me zo vaak ik maar kon aan de voeten van deze eigentijdse profeet. Ik zag hoe hij van lieverlee mensen opriep om zich te laten dopen als een soort symbolische reiniging van al dat kwaad uit het verleden. Op een dag stond er iemand van de luisteraars op. Het bleek een Galileër te zijn en hij beende naar Johannes toe, die daar in de verte stond om eventuele dopelingen aan te nemen. Er volgde een korte woordenwisseling, naar het scheen. Toen liet de vreemdeling zijn mantel van de schouders glijden, trok zijn gewaad over zijn hoofd en liep de rivier in. Johannes ging mee, nam hem bij de schouder en drukte ook het hoofd van de dopeling onder water. Het ging allemaal snel, de vreemdeling kwam weer boven, kleedde zich en verdween in de richting van de woestijn, waar ook Johannes vandaan was gekomen. Deze bleef als aan die plek genageld staan en keek hem na. Hij trachtte iets te zeggen, maar eerst was het niet veel meer dan gestamel, totdat hij zichzelf weer in de hand had en luid begon te roepen: “Hij is het. Hij is de Redder die ik kwam melden. En stomverbaasd: Ik wist het niet... Dat hij het zou zijn…Toen hij het water uitkwam, besefte ik het pas. Er ging mij een groot licht op uit de hemel, een goed licht; het was of een duif zich neerzette op zijn hoofd.”

Ik had niet veel meer nodig om me achter de man aan te haasten. Dat hij uit Galilea leek te komen, het Galilea van de heidenen, het maakte me niets uit. Ik wilde zien of het waar was, een pelgrim uit Galilea onze Redder. Er was nog iemand opgestaan, een zekere Andreas, en samen haastten we ons achter die in de verte verdwijnende man aan. En toen we hem bereikt hadden, vroeg Andreas: “Heer, waar houdt u verblijf?”

Hij keerde zich vriendelijk tot ons en zei: “Kom maar eens kijken!”

Hij liet ons blijven. Heel die dag mochten wij hem bevragen en hij antwoordde. Geen enkele vraag ontweek hij. Zo werden wij de eerste leerlingen van Jezus van Nazareth, de grote Rabbi, die ons leven totaal heeft veranderd. Hij heeft mij overtuigd door zijn wijsheid, door zijn inzicht, ook door de kracht die van hem uitstraalde, door zijn vroomheid en door zijn ontzag voor de Allerhoogste, die hij nota bene Vader noemde. “Als u de Redder van Israël bent, waarom blijft u dan niet in de stad?” vroeg ik hem.

Hij koos voorzichtig zijn woorden.“Ik moet eerst nog heel veel in de stilte vertoeven en kracht opdoen, want het zal niet gemakkelijk zijn. Ik wil bidden, en ja…, kracht opdoen, dat is het wel. Ik moet me onthouden van een heleboel dingen, en hier in de stilte mijn ziel smeden….

Gaan jullie maar naar huis, ik ben blij als jullie me allebei wilt helpen. Ik zal jullie weten te vinden, al kan ik nog niet zeggen wanneer precies.” En zo ging Andreas terug naar zijn broer en zijn vrienden, en ik naar mijn zus en mijn broer in Bethanië, waar ik vandaan kom.

Het werden spannende weken voor mij. Ik bleef nog naar Johannes gaan en ik heb er zelfs het doopsel van boetvaardigheid ontvangen, wat niet gebruikelijk is voor vrouwen, omdat je om het doopsel te ontvangen, toch grotendeels uit de kleren moet. Maar ik wilde dat. Een teken voor de Meester in de woestijn, de Rabbi, aan wie ik mijn leven wilde overgeven. Niet iedereen zag het zo positief. Ze vonden me maar een rare vrouw.

Toen Jezus uiteindelijk kwam, is hij eerst naar de Tempel gegaan, naar het huis van zijn Vader, zoals hij zei. Uiteraard. Maar die van de Tempel moesten niets van hem hebben, net zo min als van Johannes. Daarvan zeiden ze dat hij van de duivel bezeten was. En deze nieuwe leraar was nog erger, ook door de duivel bezeten, door de vorst van de duivelen zelfs. Want wat die nieuwe leraar zei, dat was geen Farizeeëntaal. Zij waren toch de uiteindelijke schriftverklaarders, of niet soms?

In Jezus groeide zo het besluit om Judea voorlopig links te laten liggen en naar Galilea te gaan, naar de verloren schapen van het Huis van Israël. Op een dag was hij in Bethanië, aan onze deur.

“Hier ben ik dan”, zei hij. Hij had een paar mannen bij zich die zijn leerlingen waren geworden. Martha, mijn zus, en ik haastten ons om water en linnen doeken aan te dragen, zodat zij hun gezicht, hun handen en hun voeten konden verfrissen, de gebruikelijke manier om gasten te verwelkomen. We brachten ook geurige olie aan, enkele druppels op de polsen van de mannen. Daarna gingen de leerlingen aan de voeten van de Heer zitten en ik met hen. Had hij mij in de woestijn niet aanvaard als een leerling? En had mij niet beloofd dat ik zijn hulp mocht zijn?

Martha was er boos om. Ze zag mij daar zitten, terwijl zij druk bezig heen en weer liep om het eten klaar te maken voor de gasten. Ze stootte me aan, maar ik voelde het niet, mijn aandacht was bij de woorden van de Heer, en toen ze merkte dat het niet hielp, kwam ze erbij staan en zei: “Meester, bezwaart het u niet dat mijn zus hier zomaar bij komt zitten en mij helemaal niet helpt met klaarmaken van eten voor u allen?”

De Heer schudde het hoofd. “Martha, Martha, wat ben jij bezorgd om die dingen. Maria heeft het beste gekozen. En van mij mag ze. Kom er bij zitten, vrouw.”

Later, aan tafel, sprak de Heer met ons over zijn plannen. Hij zou naar Galilea gaan en ik mocht mee. Martha besloot daarop mij mijn erfdeel van onze ouders mee te geven, zodat ik kon voorzien in mijn eigen onderhoud en eventueel helpen in dat van de Heer en zijn gezellen. Wat ik óók meenam was een kleine albasten kruik met olie, die ik aan mijn gordel hing. In de voorbije weken had ik bedacht wat er nu allemaal zou kunnen gebeuren. Misschien zou Israël op een dag te hoop lopen om deze Jezus van Nazareth tot koning te zalven of tot hogepriester. En dan zou wat mij betreft kostbare olie binnen handbereik zijn.

Bij ons reisde je nooit op je eentje. Je kon altijd overvallen worden door rovers. Je sloot je daarom aan bij een grotere groep om samen op te trekken. Bij mij waren ook Johanna en Susanna. Johanna was de vrouw van Chusa, een hoveling van Herodes, en Susanna was een andere vriendin van me.Ze waren beiden even begerig als ik om dit grote moment in de geschiedenis van Israël mee te maken, en zich ten dienste te stellen van deze, door Johannes aangekondigde Redder van Israël.

De eerste plaats waar we door kwamen was Sichar, de stad aan de bron van Jakob. We hebben er stil gehouden. De Heer wilde een poosje alleen zijn en bleef achter; de apostelen en wij vrouwen trokken met ons allen naar de stad om voedsel te kopen.

Toen we terugkwamen troffen we hem aan in gesprek met een vrouw. Er was verbazing onder onze mannen, maar ik had eerder kennis mogen maken met de openheid van de Meester ten opzichte van mezelf en mijn vriendinnen en ik begon het al gewoon te vinden. Wat we opvingen, was een deel van een geloofsgesprek. Jezus had haar blijkbaar gevraagd om een dronk water en nu bood hij haar op zijn beurt te drinken, levend water, zoals hij zei. Levend water? Inderdaad, levend water. Een bron in haarzelf die nooit meer zou opdrogen. De vrouw was niet te houden om al wat haar overkwam. Ze liet haar kruik staan en holde naar de stad. Bijgevolg liep heel de stad te hoop om deze merkwaardige profeet te zien en te horen, en toen wij – pas na enkele dagen – weer verder trokken, lieten we een gemeenschap achter die nieuw respect had opgedaan voor God en in de boodschap van onze Meester was gaan geloven. Zo ging het nu altijd. Ik kon er soms heel ontroerd van raken en ging hoe langer hoe meer van hem houden.

Hij sprak zo ongewoon over gewone dingen,
dorst, water, wind, vader, vrouw, kind,
mijn hart ging zingen.

Al wat ik zag werd beeld van dieper, hoger zaken,
zout, wingerd, gist, dienaar, brood, vis:
om van in vuur te raken.

Hij sprak: “Maria”, en de zon trad aan,
en altijd weer: “Sta op, Maria,
wij moeten verder gaan.”

Toen we in Galilea aankwamen, had de Meester zijn plan klaar. Wij vrouwen bleven aan de kant van het meer, waar het hof van Herodes huisde. Ik zou een woning zoeken waar wij ons van tijd tot tijd konden terugtrekken en waar Johanna gemakkelijk haar man kon bereiken. Onze taak zou het zijn, de vrouwen en kinderen te vertellen over de Messias en zijn boodschap, want zonder hen kun je de wereld niet veranderen. Magdala was een goede plek. Het was een drukke havenstad en zodoende waren er veel mensen om aan te spreken over Jezus en zijn boodschap. Dat de stad net als andere havensteden ook haar duistere kanten had, moesten we maar voor lief nemen. Ik sprak Jezus aan over het feit dat er prostituees te vinden zouden zijn. “Des te beter”, antwoordde hij, “want ik ben niet gekomen voor de gezonden maar voor de zieken.”

De mannen zouden doorgaan naar het gebied van Kafarnaum, waar de Meester eerst, zoals beloofd, Simon Petrus en Johannes zou ophalen en nog meer leerlingen werven. Hij zou graag beginnen met twaalf. Twaalf, dat zou voor de mannen en ook voor degenen die zij moesten voorbereiden op de komst van de Meester, een aardige symboliek inhouden. Had Vader Jakob immers geen twaalf zonen, die stamvaders werden van de Twaalf Stammen van het Godsvolk? Een verfrist, herschapen Godsvolk wilde Jezus om zich heen vormen. Hij had er een naam voor: het Rijk van God. Wat hebben we daar veel over gesproken onder elkaar en met de Meester.

“Wanneer gaat u het Huis van Israël herstellen en met dat Koninkrijk beginnen?”

“Het gaat niet zozeer om het Huis van Israël maar om een Huis voor God.”

Het was Jezus helemaal niet te doen om een aards koninkrijk – een grote tegenvaller voor sommige leerlingen, toen ze allerlei grote dingen zagen gebeuren en andere gevolgtrekkingen maakten. Onze mannen liepen zelfs onder elkaar soms te steggelen,over de vraag wie wel de grootste zou zijn in het komende koninkrijk.

Jezus leerde ons in alle geduld wat hij bedoelde met burgers van zijn rijk: mensen die zich gedragen als ware kinderen van God, mensen die elkaar liefhebben en dienen. Liefhebben is in zijn ogen zorg dragen, niet alleen voor je eigen familie, maar ook voor hen die buiten de boot dreigen te vallen. Kortom, we moeten mensen zijn die uitgroeien tot datgene wat de Schepper voor ogen stond. Hij was zelf het levende voorbeeld van dat wat hij ons leerde. Wanneer iemand zich tot hem wendde om genezing, dan keerde hij zich niet af, hoe vermoeid hij ook mocht zijn. Hij luisterde met de grootst mogelijke aandacht, of die persoon daar vóór hem, verlamd of blind of melaats, de voornaamste persoon ter wereld was. Hij raakte ze aan, wat voor ziekte ze ook hadden, legde hun de hand op, sprak hen moed in en vermaande hen met vriendelijke woorden om voortaan een goed mens te worden. Hij haalde het beste in de mens boven.

“Wanneer komt dat Rijk nu?” vroegen we hem soms.

“Zie je het niet, het is al begonnen.” Het was of hij ons zei dat we onze ogen beter moesten gebruiken. De belangrijke dingen moesten leren onderscheiden. Zien hoe mensen hun leven opnieuw inrichtten. En bovendien: de dingen die hij deed, zelf oefenen. Soms nam hij ons, zijn kleine kudde, apart. Hij voelde zich onze herder, dat merkten we wel. Daarna gingen we weer op weg, ieder naar een andere plaats om de komst van de Meester te bereiden, zoals Johannes het indertijd in Judea gedaan had. Wanneer hij dan zelf kwam, kon hij dingen verduidelijken en zich bezig houden met het genezen van zieken. De mensen mochten ook altijd deel nemen aan onze maaltijden. Een groepje vrouwen die over eigen vermogen beschikten, hadden het met mij aangeboden ten bate van het geheel. De mannen kwamen immers vaak niet toe aan hun eigen beroep en er moest gegeten worden.

De Meester leerde ons door zijn voorbeeld dat we ook tijd moesten nemen voor stilte en voor persoonlijk gebed. Bij een van die gelegenheden vroegen we hem of hij ons wilde leren bidden. Wat we toen geleerd hebben, zijn we met ons allen het Onze Vader gaan noemen. Daarin kwam alles wat hij ons had geleerd en voorgedaan opnieuw aan de orde. Nog steeds als ik mij in de stilte op die woorden bezin, voel ik me gesterkt om er weer mee aan de slag te gaan en zo werd de tijd van gebed iets waar ik naar uitzie.

Er ontwikkelde zich langzamerhand een heel eigen geloofsgemeenschap en het kon niet uitblijven dat de Schriftgeleerden en Farizeeën een kijkje kwamen nemen. Die deed het allerminst genoegen dat er zich in Galilea iets aan het ontwikkelen was, waar zij geen deel aan hadden. Als ze maar even konden, probeerden ze Jezus met argumenten onderuit te halen, onderwijl veinzend dat ze hem een grote leraar vonden. Niet eenmaal konden ze Jezus met hun woorden onderuit halen…

Alles bij elkaar hebben we zo een drietal jaren geleefd, steeds samenkomen en weer uitgezonden worden. Van lieverlee zond de Heer er nog twee en zeventig uit. Alweer een mooi getal. Alles bij elkaar nu zeven maal twaalf. Allebei symbolische getallen. Of hij zeggen wilde: iedereen die tot dit Rijk is toegetreden, moet de boodschap uitdragen. En langzamerhand gingen we de kern van zijn boodschap zelf beoefenen: zorg dragend voor elkaar, over de grenzen van de eigen familie heen. Zo werden we van lieverlee echt broers en zussen, kinderen van de Vader.

Wanneer het Pasen werd, trokken we gezamenlijk naar Jeruzalem. Dan nam de Meester de gelegenheid te baat om nogmaals in de Tempel onderricht te geven. Maar er kwam weinig respons, behalve dan van degenen die zijn genezingskracht aan den lijve hadden ondervonden. In Jeruzalem was de tegenstand van schriftgeleerden en Farizeeën nog sterker dan in het Noorden. Ook de priesterstand verzette zich met kracht tegen Jezus en langzamerhand begon ik te zien dat ik het kruikje met geurige olie wel nooit nodig zou hebben voor de zalving van mijn Meester tot Koning of Hogepriester. Het stemde me uitermate droevig.

In het derde jaar begon Jezus ons te waarschuwen dat het slecht ging aflopen met hem. Priesters en schriftgeleerden wilden bloed zien. Ondanks de raad van Petrus om dan maar niet meer te gaan, reisden we die keer toch naar Jeruzalem. We troffen een stad aan die in tweeën gespleten leek door het verschijnsel Jezus van Nazareth. De pelgrims uit de provincie, die hem hadden leren liefhebben en hoogachten, wilden hem huldigen toen ze ons binnen zagen komen. Het leek er aanvankelijk op of zij hem alsnog tot koning wilden uitroepen. Maar Jezus vroeg ons een ezelsveulentje te halen dat naast het moederdier stond. Als je ooit een kind hebt zien rijden op dit kleine dier met zijn ranke pootjes, dan weet je hoe breekbaar en onschuldig, wat een vrede een dergelijk dier uitstraalt. Jezus zette zich een ogenblik op dat ezeltje, of hij zeggen wilde: “Mensen, kijk nu toch eens goed. Zie ik er soms uit als een koning? Komt een koning niet met paarden en olifanten en met wapengekletter?” Hij voelde de stemming goed aan, zag heel goed ook de boze gezichten van de Farizeeën en hun opgeheven vuisten. Eerlijk gezegd, het maakte hem bang, vergeet niet dat hij een mensenkind was… De volgende dagen trokken we ons daarom terug in naburig bergland.

Hij onderhield ons over vrede. “Ik geef jullie vrede. Maar het is niet het soort vrede zoals de mensen de vrede zien; als het geen oorlog is denken ze al dat er vrede heerst. Door mij is er nu al onenigheid in de gezinnen en in de synagogen. Ze maken ruzie om wat ik jullie heb geleerd. De komende dagen gaan jullie vast nog meer beleven. Nee, de vrede die ik geef, is heel anders. Ik geef jullie mijn eigen vrede…”

Enkele dagen later was hij weer openlijk in Bethanië. Een Farizeeër had hem bij zich aan tafel genodigd, een vreemde zaak, want de man stond bekend als een tegenstander. die zijn minachting niet onder stoelen of banken stak, weigerde Jezus zelfs de hand van respect te geven, en hem alleen in de buurt wilde vasthouden voor het gemak van de hogepriester, die al had besloten dat Jezus uit de weg geruimd moest worden. Jezus, die zo vaak een uitnodiging had aangenomen van zondaars, wees ook nu de uitnodiging van de tegenstander niet af.

Uiteraard was ik niet gevraagd. Waar Johannes was uitgescholden voor een duivel en Jezus was beschuldigd van samenwerking met de vorst van de duivels, toen hij eens een bezetene genezen had, daar kon de Joodse hiërarchie mijn bloed helemaal wel drinken: een ongehuwde vrouw, een excentriekeling die achter nieuwe leraren aanliep en nota bene was meegetrokken in het gezelschap van de laatste nieuwlichter. Naar het heidense Galilea! Naar Magdala nota bene, naar Magdala! Het kon niet erger!

In mijn voormalig ouderlijk huis zat ik mij te verbijten. Iemand moest eigenlijk eens met grote hoofdletters boven het hoofd van Jezus schrijven: zien jullie niet wie je vóór je hebt? Jullie gooien je eigen Redder, je Messias, overboord!

Mijn handen speelden met het mooie kruikje aan mijn gordel, het kruikje dat ik had willen gebruiken wanneer Israël Jezus zou eren als koning of hogepriester. Ik weet wel, Jezus had dat niet gewild en zelfs de suggestie beslist van de hand gewezen. Maar was hij niet de Gezalfde van de Allerhoogste? Dat moesten ze inzien! Ik veerde overeind. Ik zou een teken stellen. Als de Farizeeër ook maar het minste besef had van symboliek, zou hij het moeten begrijpen…

Ik liep haastig naar zijn woning, trad zonder vragen binnen en keek rond of ik mijn Meester zag. Ik ging regelrecht op hem af, nam het kruikje uit mijn gordel, tikte de hals stuk van het kostbare albast, en goot de hele inhoud over zijn hoofd. Toen knielde ik aan zijn voeten om er eerbiedig een kus op te drukken, terwijl de tranen uit mijn ogen stroomden en maar niet wilden ophouden. Onhandig veegde ik die vloed van tranen weg, met mijn sluier, zelfs met mijn haren.

Boven mijn hoofd hoorde ik de kille woorden van de Farizeeër en de domme van Judas, maar ook het lieve antwoord van mijn Meester.

“Zij heeft goed gehandeld. Ze heeft heel goed door dat ik binnenkort zal sterven. Ze treurt om mijn dood en begrafenis. En wat de armen betreft, Judas, als jullie doen wat ik je heb voorgehouden, zul de armen altijd bij je hebben. Maar ik ben er niet lang meer...” En tot mij: “Jij hebt alleen maar liefde betoond. Sta nu maar op, jouw geloof heeft je gered!”

De Meester wilde nog eenmaal samenzijn met ons allen, en liet ons een afscheidsmaal klaar maken. Die gelegenheid gebruikte hij om de dingen te zeggen die nog in zijn hart opkwamen. Toen gaf hij ons zijn allerlaatste onderrichting. Hij stond van tafel op, legde zijn bovenkleed af en omgordde zich met een linnen doek. Hij vulde een wasbekken met water, maakte mijn sandalen los en waste mijn voeten. Het teken van de slaaf. Daarna ging hij de hele zaal rond en knielde bij ieder van ons neer, ook bij degenen die om het hardst protesteerden.

“Begrijpen jullie het? , vroeg hij vermoeid. “Zo moeten jullie anderen willen dienen. Wie hier de grootste wil zijn, moet de geringste worden.” Had hij het gemompel opgevangen van sommigen onder ons, die zelfs op dit moment nog kibbelden over komend leiderschap?

Het ogenblik kwam dat hij moest gaan. We liepen met hem naar een plaats waar hij normaal graag met ons heen ging om te bidden. Hij liet ons achter met het verzoek om met hem te waken. Helaas vielen van velen van ons de ogen toe, vanwege de maaltijd en het emotionele gebeuren van die voetwassing. Ik zag Jezus in de verte op zijn knieën vallen, alsof alle kracht uit hem was weggevloeid. Ik herinnerde mij de smaak van het angstzweet dat ik enkele dagen eerder had geproefd, toen de opschudding om hem heen, en de vijandigheid van sommigen in de straten van Jeruzalem had gezien. Ik had in een spontaan gebaar het zweet weg gekust, en nog kan ik het effect ervan terughalen op mijn lippen en in mijn neus. Doodszweet van hem die altijd van zo velen pijn en ziekte had weggenomen.

Enige tijd later hoorden we wapengerinkel. Er kwam een bende soldaten aan, die onze Meester gevangen wilden nemen. “Als jullie mij moeten hebben, laat deze mensen dan gaan”, zei hij zachtmoedig. Het was het begin van het einde.

Wat er daarop gebeurde, ik kan het niet verdragen om erover te spreken. Heel de wereld weet wat mijn Meester is aangedaan en anders moet u het maar nalezen in de brieven en boeken van mijn vrienden. Ik kan sindsdien de stad niet meer zien, in die straten niet meer lopen, waar elke steen me herinnert aan de pijn en de schande, de onmenselijkheid van hen die hij tot echte menselijkheid had willen brengen.

U moet me geloven. Ik ben toen het gebeurde niet teruggedeinsd, net zo min als hij. Ik ben er voluit bij geweest, tezamen met zijn moeder, mijn lieve vriendin, die wij ‘de andere Maria’ noemen. De apostelen durfden het niet aan, het was trouwens ook heel gevaarlijk voor ons in de stad. Maar verbied een vrouw om te zijn bij wie zij liefheeft…

Toen het allemaal voorbij was, mijn Meester in een graf in de rots met een enorme steen ervoor, zijn wij vrouwen vóór het ochtendgloren nog eenmaal teruggegaan, om zijn lichaam de allerlaatste eer te bewijzen. Maar de steen lag er niet meer, het graf was leeg. Er waren wel andere dingen te zien: opgerolde kleding, en twee lichtend witte gestalten. Engelen? Ik had geen behoefte aan engelen, ik zocht mijn Meester. Schreiend van teleurstelling ben ik naar buiten gelopen. In het halfduister zag ik daar een gestalte. Ik dacht dat het de tuinman was en vroeg:

“Als u mijn Meester uit het graf hebt genomen, zeg me dan waar ik hem kan vinden, en ik haal hem terug.”

Een vertrouwde stem, een stem die mij honderden malen bij naam had genoemd, zei vriendelijk: “Maria… ”. Mijn Meester stond mij daar op te wachten!

“Rabbouni”, juichte ik en omhelsde hem. “U gaat toch niet weer weg, asjeblief? U blijft nu toch bij ons?”

Hij liet me een ogenblik begaan. Toen maakte hij zich uit die omhelzing los.

“Je moet me niet hier vasthouden. Ik moet verder. Maar ga naar mijn broeders en zeg hun dat ik ben opgestaan uit het graf. Ik zal hen voorgaan naar Galilea.” Daarop verdween hij uit het gezicht.

Ik ben de andere vrouwen gaan roepen en heb verteld wat me was overkomen. “Kom”, zei ik, “ik heb een boodschap van Jezus voor de leerlingen.”

De deur was potdicht, toen we aankwamen en we werden ternauwernood binnen gelaten. Verheugd vertelde ik wat me was overkomen, en ook de anderen berichtten wat ze gezien hadden bij het graf. En wat denk je? We werden beticht van beuzelpraat.

Wij echter hebben sinds die dag de boodschap van Jezus doorgegeven en de schat van zijn vrede ontdekt, die in het hart van iedere mens verborgen ligt, maar die gezocht wil worden.

Inleiding Beeld Meditaties Bibliografie Evangelie-teksten ‘Een Albasten Kruik’ Terug naar ‘home’ pagina

Links naar andere websites in de gehele wereld! Maak deze site een van je favourieten! Vertel een vriend over deze website! Laat ons je gedachten en voorstellen weten! Plaats een doorklikknop op je eigen website! Women's Ongoing Internet Consultation 'Vrienden' ondersteunen ons door een regelmatige bijdrage Wij hebben financiele steun nodig!

In dit boek gaat Hans Wijngaards in op belangrijke historische bronnen, vanaf het begin van het christendom tot het jaar 900. Hij bewijst op overtuigende wijze dat vrouwen de rol van diaken op zich namen en hiertoe ook gewijd werden. Met zijn historische studie levert Wijngaards een belangrijke bijdrage aan het actuele debat over de wijding van vrouwen tot diaken. Klik hier!

Join us  .  .  .  !