|
|
|---|
Voor mij begon het eigenlijk eerst goed bij Johannes de Doper. Op een
dag verscheen hij in Judea, een profeet uit de woestijn met een boodschap voor
ons, Joden. Hij bracht nogal wat opschudding teweeg. Iedereen hoorde ervan en
aangezien ik heel geïnteresseerd was op godsdienstig gebied ging ik ook
naar hem luisteren. Het viel me op dat zijn woord bijzonder veel leek op dat
van de Profeet Jesaja, dat wij hoorden in de synagoge. Deze sprak over God die
teleurgesteld was in zijn volk, over de ongerechtigheid die onder de mensen
heerste, maar hij wist ook dat diezelfde God, onbegrijpelijk genoeg, altijd
maar medelijden bleef houden met dat kleine schepsel. Dat hij eens een Redder
zou zenden, maar dat wij onszelf eerst moesten zuiveren van al onze
ongerechtigheid, van alles wat in de weg stond. Over het wanneer werd helaas
nooit gesproken. Dat vond ik heel intrigerend. Ik stelde me voor hoe het zou
zijn als ik het in mijn leven mocht meemaken, een Redder voor Israël. Met
de jaren begon ik er zelfs naar uit te kijken.
De nieuwkomer uit de woestijn boeide me, en daarom bevond
ik me zo vaak ik maar kon aan de voeten van deze eigentijdse profeet. Ik zag
hoe hij van lieverlee mensen opriep om zich te laten dopen als een soort
symbolische reiniging van al dat kwaad uit het verleden. Op een dag stond er
iemand van de luisteraars op. Het bleek een Galileër te zijn en hij beende
naar Johannes toe, die daar in de verte stond om eventuele dopelingen aan te
nemen. Er volgde een korte woordenwisseling, naar het scheen. Toen liet de
vreemdeling zijn mantel van de schouders glijden, trok zijn gewaad over zijn
hoofd en liep de rivier in. Johannes ging mee, nam hem bij de schouder en
drukte ook het hoofd van de dopeling onder water. Het ging allemaal snel, de
vreemdeling kwam weer boven, kleedde zich en verdween in de richting van de
woestijn, waar ook Johannes vandaan was gekomen. Deze bleef als aan die plek
genageld staan en keek hem na. Hij trachtte iets te zeggen, maar eerst was het
niet veel meer dan gestamel, totdat hij zichzelf weer in de hand had en luid
begon te roepen: Hij is het. Hij is de Redder die ik kwam
melden. En stomverbaasd: Ik wist het niet... Dat hij het zou zijn
Toen hij
het water uitkwam, besefte ik het pas. Er ging mij een groot licht op uit de
hemel, een goed licht; het was of een duif zich neerzette op zijn hoofd.
Ik had niet veel meer nodig om me achter de man aan te haasten. Dat hij
uit Galilea leek te komen, het Galilea van de heidenen, het maakte me niets
uit. Ik wilde zien of het waar was, een pelgrim uit Galilea onze Redder. Er was
nog iemand opgestaan, een zekere Andreas, en samen haastten we ons achter die
in de verte verdwijnende man aan. En toen we hem bereikt hadden, vroeg Andreas:
Heer, waar houdt u verblijf?
Hij keerde zich vriendelijk tot ons en zei: Kom maar eens
kijken!
Hij liet ons blijven. Heel die dag mochten wij hem bevragen en hij
antwoordde. Geen enkele vraag ontweek hij. Zo werden wij de eerste leerlingen
van Jezus van Nazareth, de grote Rabbi, die ons leven totaal heeft veranderd.
Hij heeft mij overtuigd door zijn wijsheid, door zijn inzicht, ook door de
kracht die van hem uitstraalde, door zijn vroomheid en door zijn ontzag voor de
Allerhoogste, die hij nota bene Vader noemde. Als u de Redder van
Israël bent, waarom blijft u dan niet in de stad? vroeg ik hem.
Hij koos voorzichtig zijn woorden.Ik moet eerst nog heel veel in
de stilte vertoeven en kracht opdoen, want het zal niet gemakkelijk zijn. Ik
wil bidden, en ja
, kracht opdoen, dat is het wel. Ik moet me onthouden
van een heleboel dingen, en hier in de stilte mijn ziel smeden
.
Gaan jullie maar naar huis, ik ben blij als jullie me allebei wilt
helpen. Ik zal jullie weten te vinden, al kan ik nog niet zeggen wanneer
precies. En zo ging Andreas terug naar zijn broer en zijn vrienden, en ik
naar mijn zus en mijn broer in Bethanië, waar ik vandaan kom.
Het werden spannende weken voor mij. Ik bleef nog naar Johannes gaan en
ik heb er zelfs het doopsel van boetvaardigheid ontvangen, wat niet
gebruikelijk is voor vrouwen, omdat je om het doopsel te ontvangen, toch
grotendeels uit de kleren moet. Maar ik wilde dat. Een teken voor de Meester in
de woestijn, de Rabbi, aan wie ik mijn leven wilde overgeven. Niet iedereen zag
het zo positief. Ze vonden me maar een rare vrouw.
Toen Jezus uiteindelijk kwam, is hij eerst naar de Tempel gegaan, naar
het huis van zijn Vader, zoals hij zei. Uiteraard. Maar die van de Tempel
moesten niets van hem hebben, net zo min als van Johannes. Daarvan zeiden ze
dat hij van de duivel bezeten was. En deze nieuwe leraar was nog erger, ook
door de duivel bezeten, door de vorst van de duivelen zelfs. Want wat die
nieuwe leraar zei, dat was geen Farizeeëntaal. Zij waren toch de
uiteindelijke schriftverklaarders, of niet soms?
In Jezus groeide zo het besluit om Judea voorlopig links te laten liggen
en naar Galilea te gaan, naar de verloren schapen van het Huis van Israël.
Op een dag was hij in Bethanië, aan onze deur.
Hier ben ik dan, zei hij. Hij had een paar mannen bij zich
die zijn leerlingen waren geworden. Martha, mijn zus, en ik haastten ons om
water en linnen doeken aan te dragen, zodat zij hun gezicht, hun handen en hun
voeten konden verfrissen, de gebruikelijke manier om gasten te verwelkomen. We
brachten ook geurige olie aan, enkele druppels op de polsen van de mannen.
Daarna gingen de leerlingen aan de voeten van de Heer zitten en ik met hen. Had
hij mij in de woestijn niet aanvaard als een leerling? En had mij niet beloofd
dat ik zijn hulp mocht zijn?
Martha was er boos om. Ze zag mij daar zitten, terwijl zij druk bezig
heen en weer liep om het eten klaar te maken voor de gasten. Ze stootte me aan,
maar ik voelde het niet, mijn aandacht was bij de woorden van de Heer, en toen
ze merkte dat het niet hielp, kwam ze erbij staan en zei: Meester,
bezwaart het u niet dat mijn zus hier zomaar bij komt zitten en mij helemaal
niet helpt met klaarmaken van eten voor u allen?
De Heer schudde het hoofd. Martha, Martha, wat ben jij bezorgd om
die dingen. Maria heeft het beste gekozen. En van mij mag ze. Kom er bij
zitten, vrouw.
Later, aan tafel, sprak de Heer met ons over zijn plannen. Hij zou naar
Galilea gaan en ik mocht mee. Martha besloot daarop mij mijn erfdeel van onze
ouders mee te geven, zodat ik kon voorzien in mijn eigen onderhoud en eventueel
helpen in dat van de Heer en zijn gezellen. Wat ik óók meenam was
een kleine albasten kruik met olie, die ik aan mijn gordel hing. In de voorbije
weken had ik bedacht wat er nu allemaal zou kunnen gebeuren. Misschien zou
Israël op een dag te hoop lopen om deze Jezus van Nazareth tot koning te
zalven of tot hogepriester. En dan zou wat mij betreft kostbare olie binnen
handbereik zijn.
Bij ons reisde je nooit op je eentje. Je kon altijd overvallen worden
door rovers. Je sloot je daarom aan bij een grotere groep om samen op te
trekken. Bij mij waren ook Johanna en Susanna. Johanna was de vrouw van Chusa,
een hoveling van Herodes, en Susanna was een andere vriendin van me.Ze waren
beiden even begerig als ik om dit grote moment in de geschiedenis van
Israël mee te maken, en zich ten dienste te stellen van deze, door
Johannes aangekondigde Redder van Israël.
De eerste plaats waar we door kwamen was Sichar, de stad aan de bron van
Jakob. We hebben er stil gehouden. De Heer wilde een poosje alleen zijn en
bleef achter; de apostelen en wij vrouwen trokken met ons allen naar de stad om
voedsel te kopen.
Toen we terugkwamen troffen we hem aan in gesprek met een vrouw. Er was
verbazing onder onze mannen, maar ik had eerder kennis mogen maken met de
openheid van de Meester ten opzichte van mezelf en mijn vriendinnen en ik begon
het al gewoon te vinden. Wat we opvingen, was een deel van een geloofsgesprek.
Jezus had haar blijkbaar gevraagd om een dronk water en nu bood hij haar op
zijn beurt te drinken, levend water, zoals hij zei. Levend water? Inderdaad,
levend water. Een bron in haarzelf die nooit meer zou opdrogen. De vrouw was
niet te houden om al wat haar overkwam. Ze liet haar kruik staan en holde naar
de stad. Bijgevolg liep heel de stad te hoop om deze merkwaardige profeet te
zien en te horen, en toen wij pas na enkele dagen weer verder
trokken, lieten we een gemeenschap achter die nieuw respect had opgedaan voor
God en in de boodschap van onze Meester was gaan geloven. Zo ging het nu
altijd. Ik kon er soms heel ontroerd van raken en ging hoe langer hoe meer van
hem houden.
Hij sprak zo ongewoon over gewone dingen,
dorst,
water, wind, vader, vrouw, kind,
mijn hart ging zingen.
Al wat ik zag werd beeld van dieper, hoger zaken,
zout, wingerd, gist, dienaar, brood, vis:
om van in vuur te raken.
Hij sprak: Maria, en de zon trad aan,
en
altijd weer: Sta op, Maria,
wij moeten verder gaan.
Toen we in Galilea aankwamen, had de Meester zijn plan
klaar. Wij vrouwen bleven aan de kant van het meer, waar het hof van Herodes
huisde. Ik zou een woning zoeken waar wij ons van tijd tot tijd konden
terugtrekken en waar Johanna gemakkelijk haar man kon bereiken. Onze taak zou
het zijn, de vrouwen en kinderen te vertellen over de Messias en zijn
boodschap, want zonder hen kun je de wereld niet veranderen. Magdala was een
goede plek. Het was een drukke havenstad en zodoende waren er veel mensen om
aan te spreken over Jezus en zijn boodschap. Dat de stad net als andere
havensteden ook haar duistere kanten had, moesten we maar voor lief nemen. Ik
sprak Jezus aan over het feit dat er prostituees te vinden zouden zijn.
Des te beter, antwoordde hij, want ik ben niet gekomen voor
de gezonden maar voor de zieken.
De mannen zouden doorgaan naar het gebied van Kafarnaum, waar de Meester
eerst, zoals beloofd, Simon Petrus en Johannes zou ophalen en nog meer
leerlingen werven. Hij zou graag beginnen met twaalf. Twaalf, dat zou voor de
mannen en ook voor degenen die zij moesten voorbereiden op de komst van de
Meester, een aardige symboliek inhouden. Had Vader Jakob immers geen twaalf
zonen, die stamvaders werden van de Twaalf Stammen van het Godsvolk? Een
verfrist, herschapen Godsvolk wilde Jezus om zich heen vormen. Hij had er een
naam voor: het Rijk van God. Wat hebben we daar veel over gesproken onder
elkaar en met de Meester.
Wanneer gaat u het Huis van Israël herstellen en met dat
Koninkrijk beginnen?
Het gaat niet zozeer om het Huis van Israël maar om een
Huis voor God.
Het was Jezus helemaal niet te doen om een aards koninkrijk een
grote tegenvaller voor sommige leerlingen, toen ze allerlei grote dingen zagen
gebeuren en andere gevolgtrekkingen maakten. Onze mannen liepen zelfs onder
elkaar soms te steggelen,over de vraag wie wel de grootste zou zijn in het
komende koninkrijk.
Jezus leerde ons in alle geduld wat hij bedoelde met burgers van zijn
rijk: mensen die zich gedragen als ware kinderen van God, mensen die elkaar
liefhebben en dienen. Liefhebben is in zijn ogen zorg dragen, niet alleen voor
je eigen familie, maar ook voor hen die buiten de boot dreigen te vallen.
Kortom, we moeten mensen zijn die uitgroeien tot datgene wat de Schepper voor
ogen stond. Hij was zelf het levende voorbeeld van dat wat hij ons leerde.
Wanneer iemand zich tot hem wendde om genezing, dan keerde hij zich niet af,
hoe vermoeid hij ook mocht zijn. Hij luisterde met de grootst mogelijke
aandacht, of die persoon daar vóór hem, verlamd of blind of
melaats, de voornaamste persoon ter wereld was. Hij raakte ze aan, wat voor
ziekte ze ook hadden, legde hun de hand op, sprak hen moed in en vermaande hen
met vriendelijke woorden om voortaan een goed mens te worden. Hij haalde het
beste in de mens boven.
Wanneer komt dat Rijk nu? vroegen we hem soms.
Zie je het niet, het is al begonnen. Het was of hij ons zei
dat we onze ogen beter moesten gebruiken. De belangrijke dingen moesten leren
onderscheiden. Zien hoe mensen hun leven opnieuw inrichtten. En bovendien: de
dingen die hij deed, zelf oefenen. Soms nam hij ons, zijn kleine kudde, apart.
Hij voelde zich onze herder, dat merkten we wel. Daarna gingen we weer op weg,
ieder naar een andere plaats om de komst van de Meester te bereiden, zoals
Johannes het indertijd in Judea gedaan had. Wanneer hij dan zelf kwam, kon hij
dingen verduidelijken en zich bezig houden met het genezen van zieken. De
mensen mochten ook altijd deel nemen aan onze maaltijden. Een groepje vrouwen
die over eigen vermogen beschikten, hadden het met mij aangeboden ten bate van
het geheel. De mannen kwamen immers vaak niet toe aan hun eigen beroep en er
moest gegeten worden.
De Meester leerde ons door zijn voorbeeld dat we ook tijd moesten nemen
voor stilte en voor persoonlijk gebed. Bij een van die gelegenheden vroegen we
hem of hij ons wilde leren bidden. Wat we toen geleerd hebben, zijn we met ons
allen het Onze Vader gaan noemen. Daarin kwam alles wat hij ons had geleerd en
voorgedaan opnieuw aan de orde. Nog steeds als ik mij in de stilte op die
woorden bezin, voel ik me gesterkt om er weer mee aan de slag te gaan en zo
werd de tijd van gebed iets waar ik naar uitzie.
Er ontwikkelde zich langzamerhand een heel eigen geloofsgemeenschap en
het kon niet uitblijven dat de Schriftgeleerden en Farizeeën een kijkje
kwamen nemen. Die deed het allerminst genoegen dat er zich in Galilea iets aan
het ontwikkelen was, waar zij geen deel aan hadden. Als ze maar even konden,
probeerden ze Jezus met argumenten onderuit te halen, onderwijl veinzend dat ze
hem een grote leraar vonden. Niet eenmaal konden ze Jezus met hun woorden
onderuit halen
Alles bij elkaar hebben we zo een drietal jaren geleefd, steeds
samenkomen en weer uitgezonden worden. Van lieverlee zond de Heer er nog twee
en zeventig uit. Alweer een mooi getal. Alles bij elkaar nu zeven maal twaalf.
Allebei symbolische getallen. Of hij zeggen wilde: iedereen die tot dit
Rijk is toegetreden, moet de boodschap uitdragen. En langzamerhand gingen we de
kern van zijn boodschap zelf beoefenen: zorg dragend voor elkaar, over de
grenzen van de eigen familie heen. Zo werden we van lieverlee echt broers en
zussen, kinderen van de Vader.
Wanneer het Pasen werd, trokken we gezamenlijk naar Jeruzalem. Dan nam
de Meester de gelegenheid te baat om nogmaals in de Tempel onderricht te geven.
Maar er kwam weinig respons, behalve dan van degenen die zijn genezingskracht
aan den lijve hadden ondervonden. In Jeruzalem was de tegenstand van
schriftgeleerden en Farizeeën nog sterker dan in het Noorden. Ook de
priesterstand verzette zich met kracht tegen Jezus en langzamerhand begon ik te
zien dat ik het kruikje met geurige olie wel nooit nodig zou hebben voor de
zalving van mijn Meester tot Koning of Hogepriester. Het stemde me uitermate
droevig.
In het derde jaar begon Jezus ons te waarschuwen dat het slecht ging
aflopen met hem. Priesters en schriftgeleerden wilden bloed zien. Ondanks de
raad van Petrus om dan maar niet meer te gaan, reisden we die keer toch naar
Jeruzalem. We troffen een stad aan die in tweeën gespleten leek door het
verschijnsel Jezus van Nazareth. De pelgrims uit de provincie, die hem hadden
leren liefhebben en hoogachten, wilden hem huldigen toen ze ons binnen zagen
komen. Het leek er aanvankelijk op of zij hem alsnog tot koning wilden
uitroepen. Maar Jezus vroeg ons een ezelsveulentje te halen dat naast het
moederdier stond. Als je ooit een kind hebt zien rijden op dit kleine dier met
zijn ranke pootjes, dan weet je hoe breekbaar en onschuldig, wat een vrede een
dergelijk dier uitstraalt. Jezus zette zich een ogenblik op dat ezeltje, of hij
zeggen wilde: Mensen, kijk nu toch eens goed. Zie ik er soms uit als een
koning? Komt een koning niet met paarden en olifanten en met
wapengekletter? Hij voelde de stemming goed aan, zag heel goed ook de
boze gezichten van de Farizeeën en hun opgeheven vuisten. Eerlijk gezegd,
het maakte hem bang, vergeet niet dat hij een mensenkind was
De volgende
dagen trokken we ons daarom terug in naburig bergland.
Hij onderhield ons over vrede. Ik geef jullie vrede. Maar het is
niet het soort vrede zoals de mensen de vrede zien; als het geen oorlog is
denken ze al dat er vrede heerst. Door mij is er nu al onenigheid in de
gezinnen en in de synagogen. Ze maken ruzie om wat ik jullie heb geleerd. De
komende dagen gaan jullie vast nog meer beleven. Nee, de vrede die ik geef, is
heel anders. Ik geef jullie mijn eigen vrede
Enkele dagen later was hij weer openlijk in Bethanië. Een
Farizeeër had hem bij zich aan tafel genodigd, een vreemde zaak, want de
man stond bekend als een tegenstander. die zijn minachting niet onder stoelen
of banken stak, weigerde Jezus zelfs de hand van respect te geven, en hem
alleen in de buurt wilde vasthouden voor het gemak van de hogepriester, die al
had besloten dat Jezus uit de weg geruimd moest worden. Jezus, die zo vaak een
uitnodiging had aangenomen van zondaars, wees ook nu de uitnodiging van de
tegenstander niet af.
Uiteraard was ik niet gevraagd. Waar Johannes was uitgescholden voor een
duivel en Jezus was beschuldigd van samenwerking met de vorst van de duivels,
toen hij eens een bezetene genezen had, daar kon de Joodse hiërarchie
mijn bloed helemaal wel drinken: een ongehuwde vrouw, een
excentriekeling die achter nieuwe leraren aanliep en nota bene was meegetrokken
in het gezelschap van de laatste nieuwlichter. Naar het heidense Galilea! Naar
Magdala nota bene, naar Magdala! Het kon niet erger!
In mijn voormalig ouderlijk huis zat ik mij te verbijten. Iemand moest
eigenlijk eens met grote hoofdletters boven het hoofd van Jezus schrijven: zien
jullie niet wie je vóór je hebt? Jullie gooien je eigen Redder,
je Messias, overboord!
Mijn handen speelden met het mooie kruikje aan mijn gordel, het kruikje
dat ik had willen gebruiken wanneer Israël Jezus zou eren als koning of
hogepriester. Ik weet wel, Jezus had dat niet gewild en zelfs de suggestie
beslist van de hand gewezen. Maar was hij niet de Gezalfde van de Allerhoogste?
Dat moesten ze inzien! Ik veerde overeind. Ik zou een teken stellen. Als de
Farizeeër ook maar het minste besef had van symboliek, zou hij het moeten
begrijpen
Ik liep haastig naar zijn woning, trad zonder vragen binnen en keek rond
of ik mijn Meester zag. Ik ging regelrecht op hem af, nam het kruikje uit mijn
gordel, tikte de hals stuk van het kostbare albast, en goot de hele inhoud over
zijn hoofd. Toen knielde ik aan zijn voeten om er eerbiedig een kus op te
drukken, terwijl de tranen uit mijn ogen stroomden en maar niet wilden
ophouden. Onhandig veegde ik die vloed van tranen weg, met mijn sluier, zelfs
met mijn haren.
Boven mijn hoofd hoorde ik de kille woorden van de Farizeeër en de
domme van Judas, maar ook het lieve antwoord van mijn Meester.
Zij heeft goed gehandeld. Ze heeft heel goed door dat ik
binnenkort zal sterven. Ze treurt om mijn dood en begrafenis. En wat de armen
betreft, Judas, als jullie doen wat ik je heb voorgehouden, zul de armen altijd
bij je hebben. Maar ik ben er niet lang meer... En tot mij: Jij
hebt alleen maar liefde betoond. Sta nu maar op, jouw geloof heeft je
gered!
De Meester wilde nog eenmaal samenzijn met ons allen, en liet ons een
afscheidsmaal klaar maken. Die gelegenheid gebruikte hij om de dingen te zeggen
die nog in zijn hart opkwamen. Toen gaf hij ons zijn allerlaatste
onderrichting. Hij stond van tafel op, legde zijn bovenkleed af en omgordde
zich met een linnen doek. Hij vulde een wasbekken met water, maakte mijn
sandalen los en waste mijn voeten. Het teken van de slaaf. Daarna ging hij de
hele zaal rond en knielde bij ieder van ons neer, ook bij degenen die om het
hardst protesteerden.
Begrijpen jullie het? , vroeg hij vermoeid. Zo moeten jullie
anderen willen dienen. Wie hier de grootste wil zijn, moet de geringste
worden. Had hij het gemompel opgevangen van sommigen onder ons, die zelfs
op dit moment nog kibbelden over komend leiderschap?
Het ogenblik kwam dat hij moest gaan. We liepen met hem naar een plaats
waar hij normaal graag met ons heen ging om te bidden. Hij liet ons achter met
het verzoek om met hem te waken. Helaas vielen van velen van ons de ogen toe,
vanwege de maaltijd en het emotionele gebeuren van die voetwassing. Ik zag
Jezus in de verte op zijn knieën vallen, alsof alle kracht uit hem was
weggevloeid. Ik herinnerde mij de smaak van het angstzweet dat ik enkele dagen
eerder had geproefd, toen de opschudding om hem heen, en de vijandigheid van
sommigen in de straten van Jeruzalem had gezien. Ik had in een spontaan gebaar
het zweet weg gekust, en nog kan ik het effect ervan terughalen op mijn lippen
en in mijn neus. Doodszweet van hem die altijd van zo velen pijn en ziekte had
weggenomen.
Enige tijd later hoorden we wapengerinkel. Er kwam een bende soldaten
aan, die onze Meester gevangen wilden nemen. Als jullie mij moeten
hebben, laat deze mensen dan gaan, zei hij zachtmoedig. Het was het begin
van het einde.
Wat er daarop gebeurde, ik kan het niet verdragen om erover te spreken.
Heel de wereld weet wat mijn Meester is aangedaan en anders moet u het maar
nalezen in de brieven en boeken van mijn vrienden. Ik kan sindsdien de stad
niet meer zien, in die straten niet meer lopen, waar elke steen me herinnert
aan de pijn en de schande, de onmenselijkheid van hen die hij tot echte
menselijkheid had willen brengen.
U moet me geloven. Ik ben toen het gebeurde niet teruggedeinsd, net zo
min als hij. Ik ben er voluit bij geweest, tezamen met zijn moeder, mijn lieve
vriendin, die wij de andere Maria noemen. De apostelen durfden het
niet aan, het was trouwens ook heel gevaarlijk voor ons in de stad. Maar
verbied een vrouw om te zijn bij wie zij liefheeft
Toen het allemaal voorbij was, mijn Meester in een graf in de rots met
een enorme steen ervoor, zijn wij vrouwen vóór het ochtendgloren
nog eenmaal teruggegaan, om zijn lichaam de allerlaatste eer te bewijzen. Maar
de steen lag er niet meer, het graf was leeg. Er waren wel andere dingen te
zien: opgerolde kleding, en twee lichtend witte gestalten. Engelen? Ik had geen
behoefte aan engelen, ik zocht mijn Meester. Schreiend van teleurstelling ben
ik naar buiten gelopen. In het halfduister zag ik daar een gestalte. Ik dacht
dat het de tuinman was en vroeg:
Als u mijn Meester uit het graf hebt genomen, zeg me dan waar ik
hem kan vinden, en ik haal hem terug.
Een vertrouwde stem, een stem die mij honderden malen bij
naam had genoemd, zei vriendelijk: Maria
. Mijn Meester stond
mij daar op te wachten!
Rabbouni, juichte ik en omhelsde hem. U gaat toch niet
weer weg, asjeblief? U blijft nu toch bij ons?
Hij liet me een ogenblik begaan. Toen maakte hij zich uit die omhelzing
los.
Je moet me niet hier vasthouden. Ik moet verder. Maar ga naar mijn
broeders en zeg hun dat ik ben opgestaan uit het graf. Ik zal hen voorgaan naar
Galilea. Daarop verdween hij uit het gezicht.
Ik ben de andere vrouwen gaan roepen en heb verteld wat me was
overkomen. Kom, zei ik, ik heb een boodschap van Jezus voor
de leerlingen.
De deur was potdicht, toen we aankwamen en we werden ternauwernood
binnen gelaten. Verheugd vertelde ik wat me was overkomen, en ook de anderen
berichtten wat ze gezien hadden bij het graf. En wat denk je? We werden beticht
van beuzelpraat.
Wij echter hebben sinds die dag de boodschap van Jezus doorgegeven en de
schat van zijn vrede ontdekt, die in het hart van iedere mens verborgen ligt,
maar die gezocht wil worden.
Inleiding
Beeld
Meditaties
Bibliografie
Evangelie-teksten
Een Albasten
Kruik
Terug naar home
pagina

![]() |
In dit boek gaat Hans Wijngaards in op belangrijke historische bronnen, vanaf het begin van het christendom tot het jaar 900. Hij bewijst op overtuigende wijze dat vrouwen de rol van diaken op zich namen en hiertoe ook gewijd werden. Met zijn historische studie levert Wijngaards een belangrijke bijdrage aan het actuele debat over de wijding van vrouwen tot diaken. Klik hier! |