Nederlands/Vlaams Deutsch Francais English language Spanish language Portuguese language Italiano
Catalan Czech Esperanto Greek Igbo Japanese Korean Latin Malay language Norwegian Polish Swahili Tagalog
Openingspagina!

De overlevering van de Magdalena legende

De overlevering van de Magdalena legende

Hoofdstuk 4 in: Van hoer tot heilige door Petra Teunissen Nijsse; Onderzoek naar de overlevering en het publiek van de Middelnederlandse legende "Van Sunte Maria Magdalena bekeringhe"; Doctoraalscriptie Nederlandse Taal- en Letterkunde 1992; gepubliceerd op ons website met haar verlof.

"Wie kan de macht verklaren van een perkamenten boek dat vijfhonderd jaar geleden is volgeschreven? Alle bagage staat erin die een vrome geest nodig had op zijn reis naar de Eeuwigheid, van preken en gebeden en verzen af tot kruidenrecepten en volkswijsheden toe, en de uitgaven voor kaarsen en koren op een overgeschoten bladzij. Wat ik ook verwacht had [...] geen ontmoeting met het verleden directer dan een fotografie: een contact van aangezicht tot aangezicht als een gesprek met een opgeroepen geest." (Helene Nolthenius)

4.1. De Middelnederlandse manuscripten

4.1.1. Datering

Van de negen Middelnederlandse manuscripten zijn er drie gedateerd: DH1 (1479), DH3 (1478) en Lo (1465). Alle manuscripten worden na 1450 gedateerd. In L2 en B1 is de bekeringslegende later toegevoegd, waarschijnlijk aan het begin van de zestiende eeuw.

De dateringen bieden vrijwel geen mogelijkheden voor het vaststellen van de onderlinge afhankelijkheid van de manuscripten op grond van leeftijd.

4.1.2. Localisering

Vijf manuscripten bevatten een eigendomskenmerk en van DH1 en Gr is de herkomst vrijwel met zekerheid vast te stellen. De bekeringslegende is in de gehele Nederlanden verspreid geweest, van Arnhem tot Maaseik en van Amsterdam tot Hoeiaart. Enig verband tussen de verspreiding van de vertaling A' en van de bewerking C' is niet te zien.

De verspreiding van bewerking B' is zeer beperkt: de bewerking komt in slechts twee manuscripten voor, Ge en DH1. Deze manuscripten komen uit de kloosters Groenendael en Zevenborren in het Zoniënwoud, die veel contact met elkaar onderhielden. De verspreiding van deze bewerking lijkt een locale aangelegenheid.

4.1.3. Typen manuscripten

4.1.3.1. Legenda Aurea

In drie Middelnederlandse manuscripten, namelijk Lo, L1 en L2 is de bekeringslegende ingevoegd in verzamelingen legenden, die onder de titel Legenda Aurea of Passionaal gepresenteerd worden.

In de Legenda Aurea staat de legende van Maria Magdalena op 22 juli. In L2 staat de Passionaal-legende op deze plaats en is achterin, in een latere hand, de bekeringslegende opgenomen. Kennelijk zag de kopiïst een duidelijk onderscheid tussen de twee teksten. In L1 en Lo staat de bekeringslegende op de plaats van de gebruikelijke Magdalenalegende in het zomerstuk op 22 juli. Daar lijkt de legende gewoon deel uit te maken van het corpus van de Legenda Aurea.

In zijn bespreking van de Elsässische vertaling van de Legenda Aurea, waarvan het manuscript uit Freiburg een deel opneemt, maakt Kunze onderscheid tussen het corpus en "Sondergut": "Die Erfassung von Sondergut setzt voraus, dass bei jedem der zusätzlich in den Handschriften auftretenden hagiographischen Texte geklärt wird, wieweit er noch zur Überlieferung der ElsLa zu rechnen ist und wieweit nicht. Als entscheidendes Kriterium gilt hier, ob die historischen Überlieferungsträger das Stück primär mit der Absicht in ihre Codices aufnahmen, das Legendar als solches, wenn auch modifiziert, sich anzueignen bzw. weiterzugeben." Hij onderscheidt drie groepen:

a. teksten die in meerdere manuscripten van de Legenda Aurea voorkomen, in de normale volgorde van de kalender;

b. teksten die slechts in één manuscript voorkomen, maar in de normale volgorde van de kalender;

c. teksten die in één manuscript voorkomen, maar op een aparte plaats, bijvoorbeeld voor- of achteraan.

Kunze beschouwt groep a als bestanddeel van het werk. In die zin kan de Middelnederlandse bekeringslegende als onderdeel van de Legenda Aurea worden opgevat: de legende komt in drie Legenda Aurea manuscripten voor, waarvan twee maal in de lopende tekst op 22 juli.

4.1.3.2. Verzamelingen heiligenlevens

DH1, DH3, en Gr zijn opgezet als verzamelingen heiligenlevens. Deze verzamelingen zijn niet volgens de kalender gerangschikt en lijken te zijn samengebracht volgens de smaak van de samensteller van het manuscript. Sommige legendes zijn ontleend aan het corpus van de Legenda Aurea, andere zijn zelfstandige legendes, met een eigen, onafhankelijke overlevering.

DH1 is een geval apart. Het manuscript bestaat uit vijf, tamelijk onafhankelijke delen, die in de late Middeleeuwen door de kopiïst van deel 5 zijn samengevoegd. Deel 2 bevat de bekeringslegende en behoort vermoedelijk bij deel 3. De verzameling biedt een bonte stoet aan heiligen: maagden, martelaren en bisschoppen, die nauwelijks gemeenschappelijke kenmerken dragen.

DH3 bevat eveneens levensbeschrijvingen van maagden, bisschoppen en martelaren. Extra aandacht krijgen Sint Kunera, Jodocus (Joest) en Clara van Assisi. Van Clara van Assisi zijn zelfs twee legendes opgenomen. De initialen van deze legendes zijn veel rijker versierd dan van de andere. Maria Magdalena krijgt een veel eenvoudiger initiaal. De keuze voor Kunera en Kiliaan moet verklaard worden uit een regionale belangstelling voor deze heiligen: Kunera werd vooral locaal vereerd en de Kiliaanlegende is slechts sporadisch overgeleverd.

Deel 3 van het Groningse manuscript neemt een versie van de legende van Sint Servaas op, de bekeringslegende en tot slot de legende van Sint Alyt. Deel 2 bestaat uit de zeer lange tekst over Sint Ursula en de Elfduizend Maagden, die ook in het eerste deel van DH1 staat.

De bekeringslegende lijkt alleen vaker met een Ursula-legende en een Servaas-legende voor te komen dan met andere heiligenlevens. Daar juist Ursula en Servaas in de Nederlanden zeer populair waren, is van een oorzakelijk verband tussen de bekeringslegendes en deze legendes is geen sprake.

4.1.3.3. Verzamelhandschriften

Veel manuscripten in laatmiddeleeuwse kloosterbibliotheken waren verzamelhandschriften. De volgende beschrijving van Margry is goed van toepassing op de manuscripten B1 en DH2.

"Ter leniging van de meditatie- en leesbehoeften waren in de meeste tertiarissenkloosters naast de gebruikelijke liturgica [...] nogal wat (verzamel)handschriften van meditatieve, devoot ascetische, vroom-devotionele en mystieke aard aanwezig. Immers, de mystieke vroomheid werd bij voorkeur persoonlijk beleden, voor ieder moest de mogelijkheid bestaan om zich met een paar teksten te kunnen afzonderen. De meeste van deze handschriften bestonden uit compilaties van Middelnederlandse teksten van uiteenlopende mystieke schrijvers, legenden en gebeden."

B1 bevat vooral traktaten en collaties, DH2 is meer gevarieerd: traktaten, exempla, 'dicta' van kerkvaders en gebeden. In beide codices is de lange bekeringslegende een vreemde eend in de bijt. Dit geldt vooral voor het Berlijnse manuscript; na een groot aantal beschouwelijke teksten komt de bekeringslegende als laatste in het boek voor.

De bekendste teksten in manuscript B1 zijn de negen collaties van Johannes Brinkerinck. Collaties waren korte overdenkingen, die in kloosters werden gehouden in de kapittelzaal na de vespers en de avondmaaltijd. 's Nachts konden de kloosterlingen de inhoud van de collatie overdenken ("ruminare" = "herkauwen" in het spraakgebruik van de moderne devoten). Johannes Brinkerinck (ca. 1359-1419) hield deze collaties waarschijnlijk voor de bewoonsters van het Meester Geertshuis in Deventer, waarvan hij rector was. Eén van de zusters heeft de collaties opgeschreven, waarin Brinkerinck de zusters aanspoorde zich onderling bezig te houden met vrome gedachten en zich te onthouden van ijdele praat. Een kort voorbeeld uit één van de collaties over de genade voor vrouwen:

"Luttel ondersceit is in vroupersonen of in andere personen. Maer als die vroupersonen hem neersteliken pinen, soe crighen si dicke mere gracie ende werden meer verheven bi Onsen Lieven Heer dan manspersonen."

Een tweede belangrijke serie teksten zijn brieven uit het Grote Brievenboek van Henricus Suso, de dominicaanse mysticus. Zijn Grote Brievenboek, dat hij later zelf bewerkte tot het Kleine Brievenboek bevat brieven aan dominicanessen in de buurt van Konstanz. Het zijn "geistliche Sendschreiben, religiösen Ansprachen in Briefform", deels geschreven in het kader van zijn "Cura monalium".

Het traktaat "Een geestelic bomgert" is een lange tuinallegorie, door Schmidtke in verband gebracht met een Duitse allegorie van Pseudo-Veghe: "Wyngaerden der sele". Het hoofdthema is de verklaring van een godvruchtig innerlijk leven, neventhema's zijn de devotie van de Passie van Christus en de Mariadevotie. Volgens Schmidtke moet het ontstaan en de verbreiding van de allegorie in de kringen van Moderne Devotie gezocht worden.

Verder bevat B1 enige korte afzonderlijke traktaten, waaronder het aan Bernardus toegeschreven "De interiori domo seu de conscientia aedificanda" en een traktaat over de passie van Jezus. Deze twee traktaten zijn ook in DH2 overgeleverd. Een "Leringhe tot salicheit", met aanwijzingen voor het kloosterleven, wijst erop dat deze codex voor een klooster is geschreven.

De bekeringslegende is als laatste opgenomen. Het is opvallend dat deze versie van de bewerking C' veel meer betogende elementen bevat dan de andere redacties. Misschien heeft de kopiïst B1 speciaal zo geschreven dat de legende in een traktatenbundel niet uit de toon zou vallen. Een ander verband tussen de traktaten en de legende is misschien te zien in de beginregels van de eerste collatie van Brinkerinck "Van der bekeringhe":

"Maria Magdalena sochte den here vroe in der morghenstont, ende si vanct hem recht als enen gaerdenaer. Alsoe doen die in haerre ioncheit hem tot onsen lieven heren keren, die vijnden den here lichtelic ende recht als enen gaerdenaer, want hi plantet alrehande goede crude in hoerre herten, dat sijn alrehanden duechden."

DH2 is minder sterk dan B1 als een verzameling traktaten opgezet. Er is een aantal legendes: naast de bekeringslegende, de Passionaal-legende over Maria Magdalena en een tekst over Maria Magdalena's aanwezigheid bij de Verrijzenis bevat de codex ook nog een korte Marialegende, een aantal exempla en enige gebeden tot verschillende heiligen.

Het grootste deel van het manuscript wordt gevuld met een gedeelte uit Ruusbroecs Vanden gheestelijken Tabernakele, een doorlopende allegorie over de tabernakel van Het Oude Verbond. Het zeer uitvoerige traktaat kende al snel na het ontstaan (rond 1347) een grote verbreiding en was onder de moderne devoten zeer populair.

Naast de twee bij B1 al genoemde traktaten zijn enkele vrij korte 'godsdienstige overwegingen' opgenomen. De overwegingen behandelen een episode uit de bijbel en de titels bevatten vaak een getal: "Van vier orbaerlike punten diemen vercrijcht vander passien ons Heren" en "Dit is vanden seven droefnisse onser liever vrouwen". Van de tuinallegorie van Jacobus van Gruitrode met de titel "Rosengaert Jhesu ende Marien" is een gedeelte afgeschreven.

Zowel van Geert Grote, als van zijn opvolger als voorman van de Moderne Devotie Florens Radewijns zijn geschriften in vertaling opgenomen. Het feit dat een opschrift bij de kapittels van Geert Grote ontbreekt, wijst wellicht op een grote bekendheid van de gebruikers van de codex met deze teksten.

Ge kan ook een "verzamelhandschrift" genoemd worden. Het bestaat echter niet zoals DH2 en B1 uit veel verschillende teksten, maar uit drie duidelijk te onderscheiden delen: het Pseudo-Bonaventura-Ludolphiaans Leven van Jesus, Sermoenen voor het kerkelijk jaar en een verzameling heiligenlevens en exempelen. Het Leven van Jesus is een compendium van verhalen uit de evangelin over Jezus. Het werd veel gebruikt in de kringen van de moderne devoten als handleiding bij de meditatie, bijvoorbeeld over de Passie; het is meer een reeks overdenkingen over het leven van Jezus dan een evangeliënharmonie. De meeste manuscripten zijn afkomstig uit kloosters van de Windesheimer congregatie, het kapittel van Sion etc. De Sermoenen voor het kerkelijk jaar zijn 67 preken "per circulum anni" op de zon- en feestdagen van het tijdeigen van het jaar, merendeels vertalingen van/bewerkingen naar sermones van Peregrinus, maar ook van anderen. De verzameling heiligenlevens en exempelen, voor een deel in dezelfde volgorde als deel 2 van DH1, lijkt even willekeurig als de andere verzamelingen boven.

Gr bevat naast de legenden van Ursula, Servaas, Maria Magdalena en Alyt een Middelnederlandse vertaling van Profectus Religiosorum van David van Augsburg, een ascetisch geschrift. Het was oorspronkelijk voor novicen geschreven en (ook in vertaling) in het noorden van Europa zeer verspreid. Bij de moderne devoten had het werk een grote verbreidheid, de invloed van de Profectus is onder andere in de werken van Florens Radewijns en Thomas a Kempis aan te wijzen.

4.1.4. Samenvatting

Alle Middelnederlandse manuscripten zijn zeer eenvoudig uitgevoerd. De moderne devoten hechtten meer waarde aan een goede tekst dan aan een uiterlijk fraai uitgevoerde codex:

"Ze zullen in de regel niet in de commerciële stedelijke scriptoria zijn vervaardigd, maar mogelijk binnenshuis door enkele zusters of een inwonende priester zijn afgeschreven. Het uiterlijk van bij tertiarissen in gebruik zijnde handschriften was meestal van grote eenvoud. Geschreven op het goedkope papier met een vlot cursief schrift en weinig versieringen, gevat in een eenvoudige band."

Ook de inhoud van de manuscripten laat een aantal overeenkomsten zien. Van enige aanwijzingen betreffende de overlevering van de vertaling A' en de lange bewerking C' in een bepaalde context is helaas geen sprake. De korte bewerking B' is echter alleen overgeleverd in een serie heiligenlevens, die zowel in Ge als in DH1 in die volgorde voorkomt. Mede gezien de vrijwel woordelijke overeenkomst zijn de beide manuscripten waarschijnlijk van eenzelfde legger afgeschreven. Bovendien is deel 1 van DH1 door dezelfde kopiïst afgeschreven als Ge. Tot er meer redacties gevonden worden, kan de verspreiding van B' als een locale aangelegenheid beschouwd worden.

De verzamelhandschriften bevatten alle drie teksten die direct (Geert Grote) of indirect (Een geestelic bomgert) naar de kringen van de Moderne Devotie wijzen. Het is niet waarschijnlijk dat er een verband bestaat tussen de overlevering van de twee genoemde traktaten en de overlevering van de bekeringslegende in B1 als in DH2.

4.2. De Duitse manuscripten

4.2.1. Datering

De Nederduitse manuscripten worden allemaal aan het eind van de vijftiende en het begin van zestiende eeuw gedateerd. De meeste codices zijn wat jonger dan de Middelnederlandse exemplaren. Daar staat tegenover dat B2 en D2 nogal wat ouder zijn.

4.2.2. Localisering

Keulen lijkt een belangrijk centrum voor de verspreiding van de bekeringslegende: vijf Nederduitse manuscripten zijn in of in de buurt van Keulen te situeren. B2 komt uit de buurt van Münster en Ha waarschijnlijk uit Celle, beide in het noordoosten van Duitsland. Het Hoogduitse manuscript Fr behoorde tot het dominicanessenklooster Liebenau/Worms. De verspreiding van de bekeringslegende in het Duitse taalgebied lijkt iets minder divers dan in het Middelnederlandse taalgebied, maar het is zeer goed mogelijk dat de bekeringslegende in meer manuscripten verscholen ligt. Manuscripten uit de directe grensstreek heb ik niet gevonden.

4.2.3. Soorten manuscripten

4.2.3.1. Legenda Aurea

D1 en D2 zijn Ripuarische afschriften van de zuidelijke Middelnederlandse vertaling van de Legenda Aurea. In D2 is de volgorde sterk veranderd, de verzameling bevat ook veel 'Sondergut'.

Fr bevat een redactie van de Elsässische Legenda Aurea, een minder verspreide vertaling van de Legenda Aurea. De bekeringslegende is alleen in dit manuscript van deze vertaling overgeleverd.

4.2.3.2. Verzamelingen heiligenlevens

B2 en Ne bevatten een keuze uit de Legenda Aurea. In Ne zijn de legendes van Josef, Ida en de bekeringslegende in een andere hand geschreven en duidelijk onderscheiden van de andere legendes, waaronder een tweede Maria Magdalena-legende, waarschijnlijk de Passionaal-legende. B3 bevat naast zeer veel heiligenlevens twee andersoortige teksten, een sermoen van Augustinus en verhalen over verzoekingen die novicen van de kartuizers hebben weerstaan.

4.2.3.3. Verzamelhandschriften

Ook in de Duitse traditie zijn enkele typerende verzamelhandschriften overgeleverd. K2 en Ha bevatten naast traktaten, gebeden, kronieken en bijbelteksten enkele legendes. In K1 staat, naast gebeden en traktaten, maar één legende: de bekeringslegende en een tekst over de zeven vreugden van Maria Magdalena. De aandacht voor Maria Magdalena blijkt onder andere uit een illustratie van de boetende heilige in de folia met de bekeringslegende. In Ha en K1 gaat de bekeringslegende vergezeld van een gebed tot Maria Magdalena.

De traktaten hebben ongeveer dezelfde inhoud als de traktaten in de Middelnederlandse manuscripten. In K1 is het traktaat "Lectulus noster floridus" overgeleverd van Ps. Veghe, verwant met de "Gheestelijke Bomgert" uit B1.

4.2.4. De tekstuele overlevering

In Fr staat een vertaling van de Latijnse bron C. Er is vrij nauwgezet ten opzichte van het Latijn vertaald. Deze vertaling is onafhankelijk van de Middelnederlandse vertaling A' tot stand gekomen.

Ne is een redactie van de Middelnederlandse bewerking C' en wel C' in de meest zuivere vorm. Omdat ook de woordvolgorde zeer sterk op de redacties L1 en L2 lijkt, is het waarschijnlijk dat we hier met een oostelijk afschrift van de Middelnederlandse bewerking te maken hebben. Opvallend is de laatste zin van deze redactie:

"Sent Maria Magdalena spricht: 'Alle hait myr Got al myn sunden vergeven, ich in sal sy myr nummerme vergeven.'"

Deze zin komt ook in L2 voor, maar dan iets eerder in de laatste episode.

Ha is waarschijnlijk een zeer corrupte redactie met veel eigen kenmerken van de Middelnederlandse bewerking C'. Alle scènes uit C' staan in deze redactie, maar in een sterk veranderde volgorde en soms twee keer. Zo vraagt Maria in het eerste gesprek al aan Martha waarom ze zo huilt. Martha verzucht daarop dat ze verdrietig is omdat er zoveel slechte geruchten over Maria Magdalena de ronde doen. Maria Magdalena zegt dat ze er niets aan kan doen dat de mensen kletsen en belooft beterschap. In het tweede gesprek herhaalt deze dialoog zich, Maria Magdalena belooft weer beterschap en dan komt Christus binnen.

Ook zijn er enkele verschuivingen, bijvoorbeeld in de scène waarin Maria Magdalena tegen Martha klaagt dat Jezus er helemaal niet zo lieflijk uit ziet als Martha haar gezegd had. In C' klaagt Maria Magdalena hierover in de slaapkamer, als Martha haar komt halen voor de maaltijd bij Simon. In redactie Ha zegt Maria Magdalena dit direct als Jezus Christus binnenkomt en Martha hem haar aangewezen heeft.

Andere opmerkelijkheden ten opzichte van C': er is zeer weinig aandacht voor de persoon van Maria Magdalena in de eerste episode, slechts één zin; Maria Magdalena wordt wat agressiever geportretteerd; het einde is wat korter en de hele berisping van Simon is net als in B' opgenomen.

Van de teksten in de andere manuscripten zijn geen afschriften voorhanden. Van K1 en K2 zijn de incipits en explicits bekend. Deze wijzen er op dat het hier ook om redacties van C' gaat. Volgens Derendorf komen het begin en eind van B2 overeen met Ne en ligt de redactie tussen De Vooys 2 (B1) en 3 (DH2) in, het is dus ook een redactie van bewerking C'.

Waarschijnlijk is C' zeer sterk verbreid geweest in het Nederduitse taalgebied, in een aantal redacties en versies. Het is zeer goed mogelijk dat C' van oorsprong een Middelnederlandse bewerking is van de Conversio, die vooral in Ripuarische afschriften in het Duitse taalgebied is overgeleverd.

4.3. Samenvatting

4.3.1. Stemma

Het onderzoek van negentien manuscripten levert niet veel nieuwe inzichten op ten opzichte van Hansels conclusie naar aanleiding van zijn onderzoek met slechts zes manuscripten:

"Sowohl nach der handschriftlichen Überlieferung als auch aus dem literarischen Fortleben erweist es sich, dass die Legende von der Bekehrung seit dem 14. Jahrhundert aus niederländischen Klöstern hervorgegangen ist und in ihren ersten volkssprachlichen Übertragungen sich innerhalb der niederdeutschen Sprachgrenze verbreitet hat."

Van de verbreiding in het Hoogduitse taalgebied is slechts één specimen gevonden, het Freiburgse manuscript, een aparte vertaling van de Conversio. Waarschijnlijk is deze vertaling alleen in het Hoogduitse taalgebied verspreid geweest.

De Nederduitse overlevering wijkt niet erg af van de traditie in het Middelnederlands. Ook daar zijn de meeste manuscripten vijftiende eeuws en voornamelijk afkomstig uit vrouwenkloosters. De verdeling over de soorten manuscripten laat hetzelfde beeld zien: de bekeringslegende komt zowel in verzamelingen heiligenlevens (al dan niet Legenda Aurea) voor als in verzamelhandschriften.

Als aangenomen kan worden dat de bewerking C' vanuit het Middelnederlandse taalgebied naar het Nederduitse gebied is verspreid, dat de vertaling A' tot het Middelnederlandse taalgebied beperkt is gebleven en dat bewerking B' een locale, Brabantse aangelegenheid was, dan kan het stemma gehandhaafd en aangevuld worden:

archetypus

Latijn A

Latijn B Latijn C

Vertaling A'

Vertaling Fr

Gr

Lo x?

DH3

Bewerking B' Bewerking C'

DH1 Ne

Ge L1

DH2

L2 B1

Ha, dat waarschijnlijk corrupt is, en de andere Nederduitse manuscripten moeten waarschijnlijk ergens onder de stam van bewerking C' geplaatst worden.

4.3.2. Opmerkingen bij de overlevering

De overlevering beperkt zich grotendeels tot de vrouwenkloosters. De vraag is of hieruit de conclusie te trekken is dat de bekeringslegende een typisch 'vrouwelijke' tekst was. Gumbert komt in zijn onderzoek naar Europees boekschrift in 1478 tot de conclusie dat in het taalgebied van de Lage Landen een relatieve overheersing bestaat van kloosterlijke manuscripten en teksten. In Duitsland is dat iets minder, maar ook daar blijft het aandeel van wereldlijke teksten en manuscripten sterk achter bij bijvoorbeeld Frankrijk.

Obbema merkt iets soortgelijks op ten aanzien van de overlevering van Middelnederlandse geestelijke teksten: "Wat bewaard is komt vrijwel uitsluitend uit vrouwenkloosters en dan vooral van die gemeenschappen die zich na de beeldenstorm en het eerste oorlogsgeweld enigszins beschut wisten binnen de stadsmuren. De kritische periode met grote verliezen lag in het Noorden, ook voor de Middelnederlandse handschriften, al omstreeks 1600."

Dat er bijvoorbeeld een manuscript uit het Sint-Agnesklooster in Arnhem afkomstig is, is ook niet toevallig: "Het is aan de gunstige geografische ligging, juist aan de grens van de Republiek, te danken dat de handschriften van de regularissen van Sint Agnes in Arnhem, een karakteristieke, overwegend jongere selectie, nog door hun zielzorgers vanuit het Duitse Gaesdonck, voor een belangrijk deel gespaard konden blijven." Iets dergelijks geldt voor DH3: er zijn zoveel manuscripten uit het Sint-Agnesklooster te Maaseik overgeleverd, dat de kans daar een exemplaar van de bekeringslegende te vinden, tamelijk groot is.

De omstandigheden van de overlevering van Middelnederlandse manuscripten in aanmerking genomen, moet de verspreiding van de bekeringslegende veel groter geweest zijn, dan de huidige stand van zaken doet vermoeden. Waarschijnlijk geldt dit eveneens voor de Nederduitse manuscripten. Ook daar deed de Reformatie, de belangrijkste oorzaak van het verloren gaan van veel manuscripten, snel haar intrede.

Er lijkt Hansel veel aan gelegen te zijn om het beeld van Maria Magdalena als bekeerde zondares als typisch Duits te zien. Ook het met de legende verbonden 'festum conversionis' is volgens Hansel een typisch Duitse aangelegenheid. Van enige overlevering van een bekeringslegende in Romaanse volkstalen of in het Engels is weinig of niets te merken. Vrijwel alle manuscripten, althans in de bewerking C', maken melding van de datum van de bekering van Maria Magdalena. Het bestaan van een aparte bekeringslegende is het sterkste argument om een aparte cultus aan te nemen rond de bekering. Het is interessant te onderzoeken waarom juist in deze streken de aandacht voor het Weltleben en de bekering van Maria Magdalena zo sterk was en wie deze cultus propageerden.

Noten hoofdstuk 4

Inhoud van dit boek Beeld Meditaties Bibliografie Evangelie-teksten ‘Een Albasten Kruik’ Terug naar ‘home’ pagina

Links naar andere websites in de gehele wereld! Maak deze site een van je favourieten! Vertel een vriend over deze website! Laat ons je gedachten en voorstellen weten! Plaats een doorklikknop op je eigen website! Women's Ongoing Internet Consultation 'Vrienden' ondersteunen ons door een regelmatige bijdrage Wij hebben financiele steun nodig!

In dit boek gaat Hans Wijngaards in op belangrijke historische bronnen, vanaf het begin van het christendom tot het jaar 900. Hij bewijst op overtuigende wijze dat vrouwen de rol van diaken op zich namen en hiertoe ook gewijd werden. Met zijn historische studie levert Wijngaards een belangrijke bijdrage aan het actuele debat over de wijding van vrouwen tot diaken. Klik hier!

Join us  .  .  .  !