Nederlands/Vlaams Deutsch Francais English language Spanish language Portuguese language Italiano
Catalan Czech Esperanto Greek Igbo Japanese Korean Latin Malay language Norwegian Polish Swahili Tagalog
Openingspagina!

Gebruik van de Magdalena legende

Gebruik van de Magdalena legende

Hoofdstuk 5 in: Van hoer tot heilige door Petra Teunissen Nijsse; Onderzoek naar de overlevering en het publiek van de Middelnederlandse legende "Van Sunte Maria Magdalena bekeringhe"; Doctoraalscriptie Nederlandse Taal- en Letterkunde 1992; gepubliceerd op ons website met haar verlof.

"Ghenen onkundighen lueden sal men boeken lenen. Die susteren sullen op sekeren tijden een yghelick een boeck bidden, daer sye uut lesen moeghen, van der boeckwaerster, als na der primen of na der missen als sie uut ghaen, seggende, een luttel nyghende mytten hoefde: 'een boeck'." (Statuten van het tertiarissenklooster Bethlehem te Hoorn)

De bekeringslegende komt voor zover bekend alleen in manuscripten voor die in kloosters afgeschreven en gebruikt zijn. Het aantal vrouwenkloosters daarvan is relatief groot: het Sint-Agnesklooster in Arnhem, het Sint-Maria Magdalenaklooster in Amsterdam, het Sint-Ursulaklooster in Delft en het Sint-Agnesklooster in Maaseik werden bewoond door vrome vrouwen; Groenendaal en Zevenborren in het Zoniënwoud bij Brussel zijn kloosters van reguliere kanunniken. Vrijwel al deze kloosters voorzagen in hun behoefte aan boeken door zelf af te schrijven; de codices met de bekeringslegende (behalve misschien DH2) zijn niet alleen in deze kloosters gebruikt, maar daar ook geschreven.

5.1. De vrouwenkloosters

In de late Middeleeuwen kreeg de Kerk steeds minder invloed. Doordat allerlei misstanden aan het licht kwamen, voelden de mensen zich minder thuis in de Kerk. De prediking van de apostolische armoede van Franciscus van Assisi en Geert Grote deden vele gelovigen beseffen hoe onchristelijk kerk en wereld feitelijk waren. Die prediking appelleerde direct aan een persoonlijke bekering en riep op tot navolging van Christus, om zodoende te proberen zich in de geest met de lijdende Christus te identificeren. De navolgingsdevotie werd een uiterst belangrijke inspiratiebron voor de Moderne Devotie en voor tal van andere laat-middeleeuwse geloofsuitingen. Een van de effecten van deze verinnerlijking en privatisering van het geloof was de grote opkomst van vrouwenkloosters in het begin van de vijftiende eeuw.

5.1.1. Het Sint-Agnesklooster te Maaseik

De geschiedenis van het Sint-Agnesklooster in de eerste 150 jaar van zijn bestaan is voor tijdgenoten opgeschreven in twee kroniekjes.

Twee begijnen uit het begijnhof buiten de Hepperpoort konden zich niet vinden in het leven in hun hof, dat buiten de muren van Maaseik lag, en vestigden zich binnen het stadje om samen een aan God gewijd leven te gaan leiden. In 1429 hadden ze een twintigtal meisjes om zich heen verzameld. De vrede met de andere begijnen werd hersteld en op het begijnhof buiten de stadsmuur werd voor hen een apart convent gebouwd. In 1430 werd het klooster besloten, de zusters namen de regel van Augustinus aan. Het liefst waren ze toegetreden tot het kapittel van Windesheim, de kloostertak van de Moderne Devotie, maar dat bleek onmogelijk, omdat het kapittel geen vrouwenkloosters meer in de gelederen wilde opnemen. Ze verenigden zich met drie andere kloosters in een eigen congregatie, het kapittel van Venlo. Dit stond eveneens onder invloed van de Moderne Devotie. Ten gevolge van oorlogshandelingen vluchtten de zusters in 1482 naar Susteren, en in 1485 vestigden zij zich binnen Maaseik.

De zusters verdienden de kost met spinnen en weven. Tussen 1430 en 1550 hielden de libraria of "boeckbewaerster" en enkele andere zusters zich met het schrijven van boeken bezig. Slechts een gering aantal kanunnikessen heeft de schrijfkunst beoefend. Er zijn geen handschriften bekend die zij in opdracht van andere kloosters of van particulieren zouden hebben geschreven.

Tot toe nu zijn 68 manuscripten, 63 Middelnederlandse en 5 Latijnse, teruggevonden, die uit het Sint-Agnesklooster te Maaseik afkomstig zijn. Al is dit aantal buitengewoon groot, toch is het slechts ongeveer een derde van de codices die ooit de bibliotheek vulden. De collectie van het klooster is zo goed bekend omdat in 1795 Maria Josepha Bollen, de laatste priores, op bevel van de Fransen een lijst opmaakte van de handschriften en boeken die zich toen in de bibliotheek van het klooster bevonden. In 1795 waren dat niet minder dan 156 handschriften, maar de lijst is onvolledig, het moeten er minstens 166 geweest zijn. Het aantal handschriften dat is overgeleverd, is veel groter dan uit andere vrouwenkloosters in Limburg.

Uit de inhoud van de handschriften, die in de jaren 1430-1550 in het klooster zijn geschreven, blijkt dat de zusters de invloed van de Moderne Devotie ondergingen, ook al behoorde het klooster niet tot het kapittel van Windesheim zelf. Zo werd in 1574 een reguliere kanunnik uit het Sint-Hieronymusklooster te Roermond, aangesloten bij het Windesheimse kapittel, rector van het Sint-Agnesklooster.

5.1.2. Het Sint-Agnesklooster in Arnhem

Ook over de geschiedenis en het boekenbezit van het Sint-Agnesklooster in Arnhem zijn we goed ingelicht. De vergadering van de zusters werd rond 1420 georganiseerd door Gese Tytes, een zuster van het Gemene Leven uit het Mr. Geertshuis te Deventer. In een korte levensbeschrijving van haar, waarvan het origineel tussen 1475 en 1485 werd geschreven, staat:

"Ende als si onsen lieven Heren aldus ene wile tijts in alre oetmodicheit gedient hadde, soe waert si in ghehorsamheit uutgesant toe Arnhem ende daer was si ene wile tijts moder int zusterhuis tot Sante Agnieten; mer het weren doe noch zusteren als wi zijn. Ende als si daer ene wile geweest hadde ende hadde die rechte doechden daer alsoe veel alst in oer was, helpen planten ende oprichten, soe quam si overmyds ghehorsamheit weder te huys."

Oorspronkelijk woonden de zusters, als Zusters van het Gemene Leven, "tot her otten huus bynnen aernhem", waarmee de heer Otto Willemsz bedoeld is. Niet lang na 1427 betrokken zij de nieuwe kloostergebouwen, die nog onvoltooid waren, op de Beek.

De zusters van gingen tussen 1420 en 1459 over tot de derde orde van Sint Franciscus, iets wat veel voorkwam in die tijd bij de zusterhuizen van het Gemene Leven. Waarschijnlijk hebben zij bij die gelegenheid als patroon van hun klooster Sint Paulus gekozen naast Sint Agnes. Op 16 januari 1459 machtigde Paus Pius II in de bul "Spetiosus forma" de bisschop van Utrecht om het Sint-Agnesklooster te doen overgaan tot de reguliere orde van Sint Augustinus en in te lijven bij het kapittel van Windesheim, al is dit laatste waarschijnlijk niet doorgegaan om dezelfde reden als bij de zusters in Maaseik.

Het klooster bloeide en telde in 1580 honderd zusters. Het einde kwam in 1634, toen de laatste vier zusters onderdak kregen in het Catharinagasthuis, dat in het klooster gehuisvest werd.

De regularissen hadden, zowel geestelijk als materieel, een goede band met het Antoniusklooster te Albergen, tot 1447 een huis van de broeders van het Gemene Leven, daarna een klooster van het kapittel van Windesheim. De eerste rector Everhard van Oeden kwam uit het Sint-Antoniusklooster, evenals de volgende rectoren. Vrij veel gegevens over Agnietenklooster zijn bekend uit de Annalen van Albergen. Zo deed Andreas van Diepenheim schrijfwerk voor het Arnhemse klooster.

Ook omtrent de boekerij is het een en ander bekend. Er zijn twaalf manuscripten met inschriften bekend, het oudste uit het begin van de vijftiende eeuw, het jongste uit 1550. Veel boeken zijn naar het klooster van hun zielzorgers Gaesdonck in Goch overgebracht, een Windesheimer klooster. Opvallend is het grote aantal manuscripten met collaties van Johannes Brinkerinck, verklaarbaar vanwege de nauwe banden met het Meester Geertshuis, waar Brinkerinck rector was en waar zijn collaties zijn opgeschreven.

5.1.3. Het Convent tot Sinte-Ursulen te Delft int Oesteynde.

Helaas is er over het Sint-Ursulaklooster in Delft veel minder bekend dan over de andere vrouwenkloosters. Zelfs het stichtingsjaar staat niet vast. Het convent stond aan de Zusterslaan of Gasthuislaan in Delft. De kloosterkapel werd gewijd in 1454 door Judocus Borre Wijbisschop van Utrecht. De zusters hadden de derde regel van Sint Franciscus aangenomen en waren aangesloten bij het Utrechts kapittel. Ook dit klooster overleefde de Reformatie niet; de resterende zusters kregen van de stedelijke overheid een alimentatie. Er is een klein aantal boeken van het klooster bekend.

5.1.4. Het Maria-Magdalenaklooster te Amsterdam

Dit klooster, ook wel genoemd het "convent van Betaniën te Amsterdam", is gesticht in de tweede helft van de vijftiende eeuw. De kloosterlingen waren "bekeerde zusters", die "door de genade des H. Geestes bekeerd, na hare leden door onreine lusten bezoedeld te hebben, haar leven met deugdelijke bedrijven poogden te beteren."

"De gissing ligt voor de hand dat soortgelijke conventen niet door de eerste bewoonsters zelf in het aanzijn geroepen werden, maar door de christelijke barmhartigheid van invloedrijke individuen, die, anders dan de meeste hunner tijdgenoten, de verloren dochteren der zinnelijkheid niet met smaad overladen, maar behouden wenschten te zien."

Aldus Moll. Dat de conventualen werkelijk bekeerde zondaressen waren, blijkt nog uit een brief van Rosenbosch, protonotarius van de paus anno 1474, waarin de zusters van Sint-Maria-Magdalena "bekeerde zondaressen" of "zusters van het bekeerde leven" genoemd werden.

Uit de kapittelbrief van 1462 blijkt duidelijk wat de oorspronkelijke opzet van de stichters was: de brief begint met een aanhef over de dwaze maagden:

"Omdat er voor de liefdadige werken geen gebrek was aan dolende schapen op de weg en de schaapskooi en de opvang en eerlijkheid minder werd, vreesde ik dat de leidingen van de pastorale zorg ons dringend herinnerden dat de zondige vrouwen net zo vermoeid zijn en zonder olie, als de maagden onder de Babylonische slavernij, die wij moeten ontrukken van de duivelse familie en laten overgaan naar de familie van Jezus Christus, waarin deze zielen gezond gemaakt zullen worden en die wij overeenstemmend en gepast zullen verzorgen."

Het jaar van stichting staat niet vast. Het oudste stuk, waarin het klooster genoemd wordt, is van 3 mei 1462, toen het kapittel van Sint-Marie te Den Haag vergunning gaf voor het bouwen van een eigen kerk en het kiezen van een biechtvader. Het klooster ontstond aan het Sint-Jans-Molenpad. In 1506 werden de grenzen vastgesteld: het besloeg het terrein tussen de Oudezijds Achterburgwal, De Vesten, de Barndesteeg en de Bethaninstraat.

In 1490 kregen de conventualen het genot van alle privileges, toegekend aan de kloosters van de congregatie van Windesheim. Ze hadden de regel van Sint Augustinus aangenomen, maar waren volgens Van Eeghen geen reguliere kanunnikessen.

Het klooster nam in aanzien en rijkdom toe door de steun van voorname burgers van Amsterdam, onder wie waarschijnlijk Dirck Boelens, burgemeester in 1447. Dat het convent rijk was en zeer goed ingericht blijkt onder andere uit de logeerpartijen van voorname vreemdelingen en van bijvoorbeeld leden van de Rekenkamer. Deze logeerpartijen verliepen niet allemaal even vlekkeloos: in 1533 betaalt de stad Amsterdam aan het klooster voor hetgeen het gevolg van de graaf van Hoochstraten, die daar in augustus gelogeerd heeft, in de keuken en in het gehele klooster heeft gebroken, ruim een pond, waarvan vijf gulden voor de wijn van de pater, die toen opgedronken is.

Het boekenbezit is min of meer gereconstrueerd door de inschriften in enkele manuscripten. Het meest gebruikte inschrift is: "Dit boec hoert tot Sinte Maria Magdalenen susteren te Amsterdam by den Mynrebroeders staende", dit ter onderscheiding van een ander Maria-Magdalena-klooster in Amsterdam, dat op het Spui stond. Er zijn ook enkele manuscripten bekend met inscripties uit later tijd, zoals DH2. Naar alle waarschijnlijkheid zijn deze inscripties bij het herbinden echter overgenomen van het niet te restaureren origineel.

5.1.5. Een manuscript uit Hoorn

Het Groningse manuscript heeft in deel 1 een eigendomskenmerk: het zou toebehoord hebben aan de tertiarissen van Sint-Clara in Hoorn. Le Long, die in ieder geval het tweede deel in bezit had, merkt op dat dit uit het Sint-Caeciliaklooster uit Hoorn komt. Over het derde deel, waarin de bekeringslegende voorkomt, is helaas niets bekend, maar ook daarvoor mag wel een Hoornse herkomst aangenomen worden.

In het eerste kwart van de vijftiende eeuw zijn niet minder dan vier vrouwenkloosters in Hoorn gesticht, waaronder het Sint-Caeciliaklooster. De meeste zusters waren tertiarissen van Sint Franciscus van het kapittel van Utrecht. Afgezien van het afleggen van de geloften bestond er heel weinig verschil in leefwijze tussen de zusters van het Gemene Leven en de tertiarissen van het Utrechts kapittel. In Hoorn was de band tussen de broeders van het Gemene Leven en de zusters sterk. In 1385 is in Hoorn een fraterhuis opgericht, dat veel invloed had op de vrouwenconventen van het stadje, onder andere omdat de broeders vaak als biechtvader voor de zusters optraden. Bovendien was Pauwel Alberts, die het huis in Hoorn stichtte, één van de oprichters van het Utrechts kapittel.

5.1.6. De bibliotheken van de zusters

De collecties van de vrouwenkloosters vertonen grote overeenkomsten. De boekerij van het Sint-Agnesklooster, door Deschamps zeer uitvoerig beschreven, kan als typerend voor veel vrouwenconventen uit de late Middeleeuwen gezien worden.

Zo bezaten de nonnen vrijwel geen werken in het Latijn, voor de tertiarissenkloosters van het Utrechts kapittel was het lezen en bezit van Latijnse boeken zelfs verboden. Alle vrouwenklooster bezaten de benodigde gebedenboeken en andere (semi)liturgische werken, die overigens vaak niet in de 'gewone bibliotheek' werden bewaard. Ook stonden in alle bibliotheken een of meer codices met sermoenen van Bernardus; diverse heiligenlevens, al dan niet in de vorm van een Passionaal; geschriften van Jan van Ruusbroec, Otto van Passau, Gregorius (Dialogen), Mechtild van Hackeborn, David van Augsburg, Geert Grote en andere voormannen van de Moderne Devotie. Van de mystici was vooral Henricus Suso zeer populair. Een of meer Levens van Jezus of ander evangelieharmonien behoorden tot de standaardinventaris. Theologie en filosofie waren zeer zeldzaam. Het aandeel van de verzamelhandschriften met traktaten en overdenkingen van verschillende auteurs, aangevuld met gebeden, is groot. De manuscripten met de bekeringslegende vielen zeker niet uit de toon in de bibliotheken van de vrouwenconventen.

De bekeringslegende komt zowel in de vertaling A' als de bewerking C' in de vrouwenkloosters voor. Verband tussen de orde waartoe de kloosters behoorden en de keuze voor één van beide teksten is niet te leggen. Voor welke versie de kloosters kozen, was waarschijnlijk afhankelijk van de toevallig aanwezige legger. Of de bewerking C' speciaal voor vrouwen is geschreven, is niet aan te tonen, omdat de herkomst van B1 en L1 niet bekend is. Als de herkomst van B1 en L1 bekend wordt kan het beeld misschien veranderen.

5.1.7. Boekengebruik bij de zusters

De vrouwenkloosters stonden allemaal onder de sterke invloed van de Moderne Devotie; het Sint-Agnesklooster in Arnhem weliswaar het meest direct door de stichting vanuit het Meester Geertshuis, maar ook de zusters in de andere kloosters hadden fraters of Windesheimese kanunniken als biechtvaders, of behoorden tot het Utrechts kapittel.

Een groot deel van het leven in een laatmiddeleeuws, hervormd, vrouwenklooster was gewijd aan de bijbel. Het was in de zusterhuizen gewoonte om bij de dagelijkse arbeid van spinnen en weven gezamenlijk de psalmen op te zeggen. Juist in de sfeer van de Moderne Devotie was het zeer gebruikelijk te mediteren over het leven en sterven van Jezus aan de hand van allerlei vrij bewerkte evangelieharmonieën. Ook de sermoenen van Bernardus, bijvoorbeeld zijn beroemde kerstpreek en zijn overdenkingen over de Passie werden veelvuldig gebruikt als handleiding bij de meditatie.

Het doel van de meditatie was het navolgen van Christus: "De voorwaarde tot en de vrucht van de overdenking van de mysteriën uit het leven van Christus is de navolging." Men oefende deze Passie-devotie echter ook om een wapen tegen bekoring te hebben, een toevlucht in benauwdheid en beproeving, een middel om gebreken uit het hart te bannen.

De moderne devoten vonden het belangrijker het leven van Jezus in het hart te prenten en zich inwendig tot hem keren, dan veel te lezen. In het stervensuur zouden de "hoeche boecken" van Bernardus en Ruusbroec weinig baten, dan bracht alleen de Passie van Christus nog vrede. Boeken speelden dus een belangrijke rol als hulpmiddel bij de meditatie, maar het mocht niet bij lezen blijven.

In de regels en statuten van vrouwenkloosters zijn enkele passages gewijd aan het boekengebruik en het lezen. In de Regel van Sion, een augustijnse regel uit Amsterdam, staat in het kapittel "Van die tijt te studeren":

"Des heilighen daghes sellen die susteren pinen te studeren ende die hilighe scrifte lesen, omdat hem die tijt meer bequaem is ende si dan ledigher sijn dan op wercke daghe, in welke si hem totten arbeit haerre handen gheven moeten. Nochtan na onse reghel die seit: Die boeken sellen op seker ure alle daghe gheeyschet worden, sellen si des werckedaghes omtrent een half ure tusschen tween teykenen der misse ende ter vesperen boeken om te studeren eysschen worden, sellen si werckedaghes omtrent een half ure tusschen tween teykenen ter misse ende ter vesperen boeken om te studeren eysschen int ghemeen of bisonder, opdat si als si een luttel ghesmaket hebben van die gheestelike soeticheit bequaem moghen wesen in den dienste Gods. Mer buten die ure en moet niement studeren ende laten dat werc sijnre handen of den dienste Gods, opdat alle dinghen nae ordinancien in haer tijt gheschien, utghenommen clergie een ure of meer na goetduncken des rectoers ende der priorinnen hebben moghen."

De statuten van de tertiarissen van Bethlehem te Hoorn, waarschijnlijk afgeleid van een augustijnse regel uit Zwolle, meldt over de "bewaerster der boeken":

"Die bewaerster der boeken behoert toe, dat sie bewaeren sal alle die boeken des cloesters, die niet en hoeren totten dienste Gods. Ende die sal niet gheteykent hebben elck by namen. Ende sy sal sie elcs jaers twewerf of driewerf uutleggen ende verluchten sie, ende sie sal vlitelike besien, datter niet verdorven en worde. Die mater sal oec in een cedel gheteykent hebben alle die boeken, die die bewaerster der boeken heft in hoerre hoede, opdat sie weten mach, waeraf sye rekenynge eysschen sal, als tot doen is. Item, alle des convents boeken sullen gheteykent wesen myt des convents name. Ende die boekenbewaerster sal daer to sien, dat sy alle die boeken teykene, die men buten leent, ende den name des menschen, dien sie dat gheleent heft, ende woe lange. Nyemant en sal sie boeken uutleenen sonder orlof der mater. Noch men sal oec van buten gheen boeken lenen sonder orlof des rectoirs, noch ongewoentliken boeken ter tafelen lesen, die rectoir en hebbe sie ierst besien, of die materie guet sy ende dientlick to lesen. Ghenen onkundighen lueden sal men boeken lenen. Die susteren sullen op sekeren tijden een yghelick een boeck bidden, daer sye uut lesen moeghen, van der boeckwaerster, als na der primen of na der missen als sie uutghaen, seggende, een luttel nyghende mytten hoefde: "een boeck". [...] Item, is yn enighen boeken yet onrechtes of dat schijnt loghenachtich, sal men ierst brengen totten rectoir, dat hijt oversie, eer ment onder die susteren ijt meer coemen laet."

Hoe de conventualen nu specifiek met heiligenlevens omgingen, blijkt onder andere uit het volgende kapittel uit de Hoornse statuten:

"Aldus wort die dach toegebracht myt heyligher oefenynck. Wanneer tijden sijn dat men callen mach, sullen die susteren vrintlick, mynlick ende troestlick malcanderen toe spreken mit sueten aensichten ende mynliken woerden, wat goedes voert te nemen, to spreken van der collacie, van der lectie des merghens, van historie der heilighen, van allerley goeder oefeninge."

De zusters bespraken dus alles wat er die dag gelezen werd: de evangelielezing, de collatie en de heiligenlevens. Waarschijnlijk las men de heiligenlevens in de refter, in de volgorde die de kalender aangaf. In de refter stond een kleine bibliotheek (vaak een plank of een klein kastje) voor alle boeken die tijdens de maaltijden werden voorgelezen. Daarnaast zullen in ieder klooster wel eigen favoriete levens en legenden gelezen zijn, bijvoorbeeld van de patroonheilige of van locaal vereerde heiligen. Williams-Krapp heeft uitgerekend dat men in goed voorziene conventen, bijvoorbeeld in Maaseik, voor haast elke gewone dag wel over een leven van een heilige kon beschikken om in koor of refter voor te lezen.

Goed voorbeeld doet goed volgen en de heiligenlevens werden dan ook, evenals de evangeliën, gelezen in het kader van de 'imitatio'. De heiligen waren de voorbeelden die nagevolgd moesten worden. Meer dan de instandhouding van een reliekencultus of het afroepen van wonderkracht dienden juist de heiligenlevens tot lering en stichting van de zusters.

5.2. De mannenkloosters

5.2.1. Groenendaal

Op 21 augustus 1304 schonk Jan II, Hertog van Brabant, aan de heremiet Johannes de Busco een huis in Groenendaal in het Zoniënwoud. Arnold van Diest volgde Johannes de Busco na en woonde er twintig jaar. Franco van Coudenberg verkreeg de woning in 1343 van Jan III; er woonden toen vijf mannen, waaronder de mysticus Jan van Ruusbroec en minstens twee andere priesters. Kort daarna werd een begin gemaakt met de bouw van de kerk.

Een zeer belangrijk moment in de geschiedenis van Groenendaal was de intrede op 10 maart 1350 in de orde van reguliere kanunniken van Sint Augustinus onder Sint Victor in Parijs. Franco van Coudenberg werd de eerste proost. De bezittingen namen zeer snel toe, onder andere door vrijstellingen van Johanna en Wenceslas van Brabant.

Onder proost Hendrik van Zelle sloot het convent zich aan bij het kapittel van Windesheim in 1412. Hendrik werd de eerste prior. Groenendaal beleefde onder Thomas Moninx 1467-1485 zijn bloeitijd: de kerk werd vergroot, er werd een vrouwenhuis en een klooster voor lekebroeders gebouwd. Verder werden de conventualen bij de hervorming van andere kloosters betrokken, helaas met weinig succes. Het belang van Groenendaal voor het Kapittel van Windesheim komt onder andere tot uiting in de zittingen in 1528 en 1552 van het Generale Kapittel van Windesheim in Groenendaal.

Hoewel het klooster door oorlogshandelingen verwoest werd, is het gedeeltelijk weer opgebouwd. Helaas niet voorgoed: in 1784 werd het eens glorierijke Groenendaal opgeheven. Er resten nu nog wat brokstukken.

Groenendaal was niet alleen bekend als een centrum van rust en inkeer, waar Johannes van Ruusbroec zijn mystieke ervaringen opschreef en waar Geert Grote verblijf hield, maar ook als een centrum van kunst. Niet alleen de vele prachtige kloostergebouwen, die vaak het onderwerp van kunstenaars waren, maar ook de talrijke kunstwerken die het klooster versierden waren bekend. Heel belangrijk was het schrijfatelier: uit de bibliotheekcatalogus van Rooclooster zijn meer dan duizend werken uit Groenendaal bekend. Een groot aantal banden is aan de boekbinderij van Groenendaal toegeschreven, die hiervoor wellicht samenwerkte met de boekbinderij van Rooclooster.

5.2.2. Zevenborren

Evenals in Groenendaal en Rooclooster hebben in Zevenborren in de veertiende eeuw heremieten gewoond. Aegidius van Breedeyck besloot rond 1380 zich uit de wereld terug te trekken. Met zijn volgelingen vestigde hij zich in het Zoniënwoud bij Zevenborren, met uitdrukkelijke toestemming van hertogin Johanna van Brabant. Op 4 november 1388 schonk hertogin Johanna aan Breedeyck en zijn gezellen de kluis van Zevenborren. Als ze een "feierliches Jahrgedächtnis" voor de hertogin hielden, mochten ze een klooster van reguliere kanunniken van Sint Augustinus stichten. Op 29 maart 1389 legden vier mannen de goederen bij elkaar om een nieuwe priorij te stichten. In het zelfde jaar wijdde de bisschop van Civitas Nova de bestaande gebouwen en legden drie mannen de geloften af. Breedeyck werd de eerste prior en stelde ook de eerste statuten van het klooster op die in 1398 door de bisschop van Kamerijk en in 1405 door de paus bevestigd werden.

In 1417 kwam de toestemming om zich bij het kapittel van Windesheim aan te sluiten. Hoewel verscheidene conventualen zich ertegen verzetten is de aansluiting nog hetzelfde jaar gerealiseerd. Net als in Groenendaal namen de monniken de insluiting aan, naar de wijze van de kartuizers, en werd Zevenborren een besloten convent. Op 12 juni 1443 werd de klausuur aangenomen onder prior Jacobus Voetwater. Zevenborren heeft altijd veel steun gehad van de plaatselijke adel; zo werd na een brand in 1518 met steun van de prins-bisschop van Luik het klooster weer opgebouwd.

Op 6 februari 1578 verlieten de monniken ten gevolge van het oorlogsgeweld hun priorij en zochten toevlucht bij familie en vrienden. Het klooster werd weliswaar wederom opgebouwd, maar tijdens in de Franse tijd kwam de definitieve opheffing.

De kloosterbewoners voorzagen met kopieerwerk in hun levensonderhoud, maar schreven ook zeer veel af voor eigen gebruik. Uit de bibliotheek zijn vele codices overgeleverd.

5.2.3. Boekenbezit en boekengebruik in het Zoniënwoud

De bibliotheken van Groenendaal en Zevenborren waren zeer groot en in hun tijd ook beroemd. Van belang is dat er een groot verschil bestond tussen de eigenlijke bibliotheek voor de monniken, de 'libraria' met de Latijnse teksten en de refterbibliotheken. Derolez wijst op de mogelijkheid dat in Zevenborren een refterbibliotheek voor de lekebroeders was ingericht, het 'refectorium laicorum'. Voor de monniken of clerici, was er het 'refectorium sacerdotum'. De lekebroeders, die de drievoudige gelofte niet hadden afgelegd en die vooral voor de dagelijkse gang van zaken zorgden, kenden veelal geen Latijn en hun refterbibliotheek was dan ook gevuld met boeken in de landstaal.

De beide manuscripten met de bekeringslegende uit Groenendaal en Zevenborren hebben tot deze 'refectorium laicorum' behoord. In het Groenendaalse manuscript staat in de codex een opmerking hierover: "Desen boeck behort toe den leecken broeders in die refter." Uit een leeslijst voor de refter uit Zevenborren blijkt dat zeer regelmatig heiligenlevens gelezen werden tijdens de maaltijd. Bij de Windesheimse kanunniken blijkt de bekeringslegende dus gelezen te zijn in de refter voor de lekebroeders volgens het calendarium.

Van der Woude zegt over de lezingen volgens het calendarium: "De geestelijke invloed die van het Windesheimse calendarium is uitgegaan, kan men slechts schatten, maar de betekenis moet voor de Windesheimers niet gering zijn geweest. Het calendarium is immers het rooster voor de overdenkingen gedurende een geheel jaar, het is in een gesloten systeem het opnieuw beleven van het gehele heilswerk. Het belangrijkste onderdeel was het 'pars de tempore' waardoor zeer in het bijzonder het leven en werk van Christus werd gereleveerd. Maar ook het 'pars de sanctis' [...] was ongetwijfeld voor de Windesheimers belangrijk. De betekenis van de heiligenverering lag in de intercessio van de heiligen en in de stimulerende werking van hun voorbeeld. Deze heiligenverering, door het calendarium methodisch gereguleerd, werd door de inrichting van het monastieke leven in de Windesheimer kloosters voortdurend ondersteund. [...] Iedere dag was een deel, een punt gewijd aan de bezinning op de betekenis van de heiligen. Niet alleen in de 'hora canonica' werden de heiligen van de dag feestelijk gememoreerd en vereerd, ook tijdens de maaltijden werden heiligenlevens en preken voorgelezen."

De bewerking B' is alleen uit deze twee verwante kloosters bekend. Misschien is vertaling A' in een van beide kloosters, speciaal voor de lekebroeders, bewerkt. De grote aandacht voor Martha, die het symbool is van het actieve aan God gewijde leven, kan wijzen op de positie van de lekebroeders ten opzichte van de koormonniken, die in hun contemplatie Maria Magdalena volgden. Ook kan het bijbelverhaal over de voetwassing speciaal toegevoegd zijn voor de minder bijbelvaste lekebroeders.

5.3. De manuscripten zonder eigendomskenmerk

De tekst van B1 is gelardeerd met theologische redeneringen en is waarschijnlijk door een goed onderlegde, mannelijke geestelijke geschreven. Of de tekst bewust voor dit manuscript is geschreven en alleen in deze codex is overgeleverd, is niet zeker. Het is aannemelijk dat deze codex voor een mannenklooster is geschreven dat onder de sterke invloed van het kapittel van Windesheim stond.

Over het primaire publiek van L1 is niets met zekerheid te zeggen, hoewel een monastieke omgeving het meest waarschijnlijk is. De preken en evangelieën voor de vasten werden doorgaans in kloosters gelezen en voorgelezen, zowel in mannen- als in vrouwenconventen. Of het manuscript ook als zodanig gefunctioneerd heeft, is niet met zekerheid te zeggen. Vaak zal het zeker niet gebruikt zijn: de codex vertoont nauwelijks gebruikssporen en was al in 1640 in de collectie van de Leidse Universiteits Bibliotheek opgenomen.

5.4. De Duitse manuscripten

Ook in het Nederduitse en Hoogduitse taalgebied werd de bekeringslegende voornamelijk gelezen door monialen uit hervormde kloosters en bij kartuizers. De invloed van de Moderne Devotie, die ook in Duitsland groot was, is goed terug te vinden. In Keulen, waar zeker vier manuscripten gefunctioneerd hebben, waren een fraterhuis en een klooster van reguliere kanunniken van het kapittel van Windesheim gevestigd. In deze kloosters werden veel manuscripten, zoals liturgica, geproduceerd, zowel voor eigen gebruik, als voor de verkoop. De twee manuscripten uit de stadsbibliotheek van Darmstadt zijn in deze ateliers vervaardigd voor augustijnse vrouwenkloosters in de Keulen. Ook met het fraterhuis in Münster is een verband te leggen: B2 is daar weliswaar niet geschreven, maar wel ingebonden.

Het bovenstaande in overweging nemende, is het aannemelijk dat de Middelnederlandse bekeringslegende, door moderne devoten bewerkt tot C', via de fraterhuizen en Windesheimse kloosters in het Nederduitse taalgebied terecht is gekomen. Het fraterhuis is Keulen kan de intermediair geweest zijn.

5.5. Waarom de bekeringslegende in deze kloosters?

Waarom lazen kloosterlingen, die onder invloed van de Moderne Devotie geleefd hebben, de bekeringslegende? Wat rechtvaardigde het bestaan van de aparte legende over de Conversio naast de Passionaal-legende?

Ten eerste was Maria Magdalena een bijzonder populaire heilige. De moderne devoten wilden leven zoals in de tijd van de eerste christengemeenschappen en stelden een groot belang in het leven van Christus op aarde. Maria Magdalena leefde tijdens Christus' tijd op aarde, net als de discipelen, met wie zij nauw verbonden was. Ze verdiende het zelfs als eerste Christus te zien na de Verrijzenis: zo belangrijk was zij voor Christus. Volgens middeleeuwse auteurs was Maria Magdalena haar Redder daarom zeer nabij geweest, in leven, maar vooral ook in sterven. Ook over de klacht van Maria Magdalena onder het kruis is veel geschreven, een klacht die wellicht als voorbeeld diende voor passie-overwegingen.

Maria Magdalena was ook heel bekend als symbool voor het contemplatieve leven, in tegenstelling tot Martha, die het symbool voor het actieve leven was. In een tijd, waarin steeds meer kloosters besloten werden en er bewust tijd en geld vrij gemaakt werd voor meditatie, gebed en contemplatie, kan het voorbeeld van Maria Magdalena zeer inspirerend gewerkt hebben.

Maria Magdalena genoot grote populariteit in de Middeleeuwen en paste goed in de belevingswereld van de moderne devoten. "Hoe meer hoe beter" kan een argument zijn voor het lezen van meerdere legendes over dezelfde heilige. Typerend is DH2: Maria Magdalena was patroonheilige van het klooster en in de bewuste codex staan de bekeringslegende, de Legenda Aurea versie en een tekst over Maria Magdalena's aanwezigheid bij Christus' Verrijzenis.

Met Maria Magdalena's aanwezigheid bij het sterven komen we bij het tweede punt: de laatmiddeleeuwse devotie voor Christus' passie. Maria Magdalena wordt op zeer veel schilderijen afgebeeld onder het Kruis, zij heeft de hele passie van dichtbij meegemaakt. En had zij hem niet drie maal gezalfd? Garth parafraseert een sermoen van Petrus Damianus:

"It was good ointment which Mary poured on the feet of the Lord, it was better ointment which she poured on His head when He was lying at dinner, and it was the best ointment which she prepared for the whole body of Christ. In the same degree, Mary was happy when she anointed the feet of Jesus, more happy when she anointed His head, and the most happy when she prepared the drops of ointment for His whole body."

Maria Magdalena's zalving in Bethanië en de opwekking van haar broer Lazarus werden als prefiguratie van Jezus' begrafenis en Verrijzenis gezien. In dit licht is de eerste zalving van Christus heel belangrijk en verdient zij wellicht een aparte legende. Dat het evangelieverhaal op zich al heel belangrijk was, blijkt onder andere uit twee Levens van Jezus. In het Pseudo-Bonaventura-Ludolfiaanse Leven van Jezus is de zalving van Maria Magdalena een apart kapittel en naast de vergeving van de overspelige vrouw het enige 'kleine' bijbelverhaal in deze compilatie. Ook Brugman, wellicht in navolging van het Pseudo-Bonaventura-Ludolfiaanse Leven, bespreekt de zalving in het huis van Simon de farizeeër uitgebreid en laat de aangekondigde overwegingen over de genezing van de verlamde en de overspelige vrouw onbehandeld.

De uitgebreide schildering van het wereldlijke leven van Maria Magdalena in de legende, en dan vooral in de bewerking C', lijkt me deels een literaire conventie. Naast stichting hadden heiligenlevens ook een wat prozaïscher functie, namelijk verstrooiing. Door nu het "Weltleben" van Maria Magdalena zo kleurig mogelijk te verbeelden, werd het contrast en dus de spanning tussen het leven vóór en ná de bekering groter.

5.6. Tekst voor liturgie?

Voor een monastieke liturgische viering van de Conversio op 1 maart heb ik vrijwel geen bewijzen gevonden. Ook al wordt van 1 maart in de redacties van de bekeringslegende gesproken, in de kalenders van de manuscripten wordt Maria Magdalena op 22 juli genoemd en ook in het Windesheimer calendarium staat de heilige op 22 juli. De Acta Sanctorum verwijst onder maart naar het "Breviarium Hildesiense" waarin een datum voor de Conversio zou voorkomen. Dit breviarium (onder Windesheimse invloed) heb ik niet kunnen traceren.

In de manuscripten staat de bekeringslegende enkele malen op de plaats van de Passionaal-legende in het zomerstuk. Het lijkt erop dat de bekeringslegende, vooral de completere legende C', de Passionaal-legende verdrong. De legende is dus waarschijnlijk niet geschreven, in ieder geval niet zo verbreid geraakt, omdat er tijdens de liturgie van 1 maart iets te lezen moest zijn.

5.7. Publiek buiten de kloosters?

De bekeringslegende is niet alleen in manuscripten overgeleverd, maar heeft zelfs de drukpers gehaald. Rond 1540 verscheen bij Peter Jansz. in Leiden "Bekeringe van Maria Magdalena ... als Ysidorus beschrijft". Er is ook een Nederduitse, wat jongere druk bekend, vermoedelijk "Van deme koninglikeme weghe des crutzes cristi", Lübeck: Steffen Arndes, rond 1495. Op fol. 36R-48V staat "Historie van der bekeringhe der hylghen vrouwen Sunte Marien Magdalenen."

In Leiden werd in deze tijd vooral devotioneel werk gedrukt voor de lokale markt. Het fonds van Peter Jansz. is een mooie afspiegeling hiervan: onder "den thooren van sinte Pancracius Kercke" drukte hij ongeveer veertig tamelijk onopvallende werkjes, voornamelijk schoolboeken en devotionalia. Af en toe drukte hij iets voor anderen, vooral voor boekverkopers in Amsterdam.

Zijn deze drukken van de bekeringslegende bestemd geweest voor burgers of voor kloosters? Waarschijnlijk zullen bemiddelde inwoners van Leiden en Lübeck het werkje gekocht hebben, heiligenlevens waren zeer populair onder 'leken'. Het lijkt me echter voorbarig om uit de omstandigheid dat de bekeringslegende gedrukt werd, af te leiden dat de tekst in deze vorm alleen door een lekenpubliek gelezen werd. Het complete devotionele fonds van Jansz. zou niet misstaan hebben in een gemiddelde bibliotheek van een vrouwenklooster: psalters, Regel voor Minderbroeders, Bernardus' Sermoenen, Hondert articulen van Suso, passie-overwegingen etc. Dat kloosters in deze tijd niet alleen zelf afschreven, maar ook wel gedrukte werken kochten, blijkt onder andere uit de bibliotheekinventaris van het Sint-Agnesklooster in Maaseik. In de late Middeleeuwen waren er zeer veel kloosters in en in de omgeving van Leiden en Lübeck. Van Gerard Leeu is bovendien bekend dat hij veel devotionalia drukte, die in kloosters gelezen werden. Naar alle waarschijnlijkheid heeft hij zelfs op verzoek van kloosters gedrukt. Of dit in het Leidse geval ook zo geweest is, is niet aan te tonen, maar onmogelijk is het niet. Contacten tussen drukkers en kloosters zullen er zeker geweest zijn, want de drukkers waren voor hun kopij grotendeels afhankelijk van kloosters in de buurt. Een monastiek publiek, naast een lekenpubliek, voor de gedrukte werken lijkt me zeker niet uitgesloten.

5.8. Samenvatting

De bekeringslegende is vooral gelezen in kloosters die onder invloed van de Moderne Devotie stonden. Via deze kloosters is de Middelnederlandse bewerking C' in hervormde religieuze gemeenschappen in het Duitse taalgebied terecht gekomen. Het is onwaarschijnlijk dat de Nederlandse kloosters konden kiezen of zij de vertaling A' of bewerking C' in hun bibliotheek wilden opnemen. Voor bewerking B' kunnen naar alle waarschijnlijk de Windesheimse lekebroeders als direct publiek aangewezen worden.

Maria Magdalena was zo populair, dat de bekeringslegende niet alleen in negentien manuscripten is overgeleverd, maar zelfs tweemaal de drukpers gehaald heeft. Zo bereikte het aangrijpende verhaal over een tijdgenote van Christus, de apostola apostolorum, een voor die tijd groot publiek.

Noten hoofdstuk 5

Inhoud van dit boek Beeld Meditaties Bibliografie Evangelie-teksten ‘Een Albasten Kruik’ Terug naar ‘home’ pagina

Links naar andere websites in de gehele wereld! Maak deze site een van je favourieten! Vertel een vriend over deze website! Laat ons je gedachten en voorstellen weten! Plaats een doorklikknop op je eigen website! Women's Ongoing Internet Consultation 'Vrienden' ondersteunen ons door een regelmatige bijdrage Wij hebben financiele steun nodig!

In dit boek gaat Hans Wijngaards in op belangrijke historische bronnen, vanaf het begin van het christendom tot het jaar 900. Hij bewijst op overtuigende wijze dat vrouwen de rol van diaken op zich namen en hiertoe ook gewijd werden. Met zijn historische studie levert Wijngaards een belangrijke bijdrage aan het actuele debat over de wijding van vrouwen tot diaken. Klik hier!

Join us  .  .  .  !