OOK VROUWEN PRIESTER? JAZEKER!header

Responsive image

BEGIN

REDEN GENOEG

TEGEN DE PAUS?

DEBAT

MENU

Nederlands/Vlaams Deutsch Francais English language Spanish language Portuguese language Catalan Chinese Czech Malayalam Finnish Igbo
Japanese Korean Romanian Malay language Norwegian Swedish Polish Swahili Chichewa Tagalog Urdu
------------------------------------------------------------------------------------
Matteüs 27, 55-61

Teksten over Maria van Magdala

Matteüs 27, 55-61

Op een afstand stonden daar ook veel vrouwen te kijken. Ze waren Jezus gevolgd uit Galilea en hadden Hem onderhouden.Daar waren ook Maria van Magdala bij, Maria de moeder van Jakobus en Jozef, en de moeder van de zonen van Zebedeüs. Toen het avond geworden was, kwam een rijk man uit Arimatea, die Jozef heette; ook hij was een leerling van Jezus geworden. Hij voegde zich bij Pilatus. Hij vervoegde zich bij Pilatus om het lichaam van Jezus te vragen. Pilatus gaf toen het bevel om het aan hem af te staan. Jozef nam het lichaam, wikkelde het in zuiver linnen, en legde het in zijn nieuwe graf, dat hij in de rots had laten uithouwen. Hij rolde een grote steen voor de ingang en ging weg. Maria van Magdala en de andere Maria waren daar tegenover het graf gaan zitten.

Marcus 15,40-47

Op een afstand stonden er ook vrouwen toe te kijken, onder wie Maria van Magdala,Maria de moeder van Jakobus de jongere en Joses, en Salome, die Hem waren gevolgd toen hij in Galilea was en Hem onderhouden hadden, en nog vele andere vrouwen die met Hem naar Jeruzalem waren opgetrokken. En toen het avond geworden was – het was voorbereidingsdag, dat wil zeggen de dag vóór de sabbat – durfde Jozef van Arimatea, een vooraanstaand lid van de raad, die zelf ook leefde in de verwachting van het koninkrijk van God, het aan om naar Pilatus te gaan en het lichaam van Jezus te vragen. Pilatus was verbaasd dat Hij al dood zou zijn, en hij riep de centurio bij zich en vroeg hem of Hij al gestorven was. Toen hij dat van de centurio vernomen had, gaf hij het lijk aan Jozef. Deze kocht een linnen doek, nam Hem van het kruis af, en wikkelde Hem in het linnen; hij legde Hem in een graf dat in de rots was uitgehouwen, en hij rolde een steen voor de ingang van het graf. Maria van Magdala en Maria van Joses keken toe waar Hij werd neergelegd.

Marcus 16,1-11

Toen de sabbat voorbij was, kochten Maria van Magdala, Maria van Jakobus, en Salome kruiden om Hem te gaan zalven. In alle vroegte op de eerste dag van de week gingen ze na zonsopgang naar het graf. Ze zeiden tegen elkaar: ‘Wie zal voor ons de steen bij de ingang van het graf wegrollen?’ Toen ze opkeken, zagen ze dat de steen weggerold was; hij was overigens buitengewoon groot. Toen ze het graf binnengingen, zagen ze rechts een jongeman zitten met een wit kleed om, en ze schrokken hevig. Maar hij zei hun: ‘Schrik niet. U zoekt Jezus van Nazaret, die gekruisigd is. Hij is tot leven gewekt, Hij is niet hier. Kijk, hier is de plaats waar ze Hem neergelegd hadden. Maar ga tegen zijn leerlingen en tegen Petrus zeggen: ‘Hij gaat u voor naar Galilea. Daar zult u Hem zien, zoals Hij u gezegd heeft.’ Ze vluchtten naar buiten, van het graf weg, bevend van angst en buiten zichzelf. Ze zeiden niemand iets, want ze waren bang.

Nadat Hij ’s morgens vroeg op de eerste dag van de week was opgestaan, vertoonde Hij zich het eerst aan Maria van Magdala, bij wie Hij zeven demonen uitgedreven had. Zij ging het vertellen aan zijn metgezellen, die om Hem rouwden en weenden. Toen die hoorden dat Hij leefde en door haar gezien was, geloofden ze het niet.

Lucas 8, 2-4

In de tijd die daarop volgde trok Hij door steden en dorpen om de goede boodschap van het koninkrijk van God te verkondigen. De twaalf vergezelden Hem, en ook enkele vrouwen, die van boze geesten en ziekten genezen waren – Maria van Magdala, uit wie zeven demonen waren weggegaan, Johanna, de vrouw van Chusas, een hoge beambte van Herodes, en Susanna – en nog vele andere vrouwen, die hen uit eigen middelen onderhielden.

Lucas 23, 55-56

De vrouwen die met Hem uit Galilea waren meegekomen, waren Jozef gevolgd en zagen het graf en hoe zijn lichaam erin werd neergelegd. Toen gingen ze naar huis en maakten kruiden en balsem klaar.

Lucas 24,1-11

Op sabbat namen ze de voorgeschreven rust in acht, maar op de eerste dag van de week gingen ze ’s morgens heel vroeg naar het graf, met de kruiden die ze hadden klaargemaakt. Ze vonden de steen weggerold van het graf en gingen naar binnen, maar vonden er het lichaam van de Heer Jezus niet. Ze wisten niet wat ze ervan moesten denken. Opeens stonden er twee mannen voor hen in stralend witte kleren. Daar schrokken ze van en ze sloegen hun ogen neer, maar zij zeiden: ‘Waarom zoekt u de levende bij de doden?. Hij is niet hier, Hij is tot leven gewekt. Vergeet niet at Hij u destijds in Galilea heeft gezegd: De Mensenzoon moet overgeleverd worden in handen van zondaars, gekruisigd worden en op de derde dag weer opstaan. Toen herinnerden ze zich zijn woorden. Ze keerden van het graf terug naar huis en vertelden dat alles aan de elf en aan alle anderen. Het waren Maria van Magdala, Johanna en Maria van Jakobus en de overige vrouwen die bij hen waren. Ze vertelden het dus aan de apostelen, maar in hun ogen was het onzin wat de vrouwen zeiden, en ze geloofden hen niet.

Johannes 20,1-18

Op de eerste dag van de week ging Maria van Magdala, in alle vroegte, terwijl het nog donker was, naar het graf en zag dat de steen voor de opening van het graf was weggehaald. IJlings liep ze naar Simon Petrus en de andere leerling die van wie Jezus hield. ‘Ze hebben de Heer uit het graf gehaald’, zei ze. ‘Wisten we maar waar ze Hem hebben neergelegd!’. Daarop gingen Petrus en de andere leerling op we naar het graf. IJlings liepen de twee er samen naartoe, maar de andere leerling liep harder dan Petrus en kwam het eerste bij het graf aan. Hij wierp er een blik in en zag dat de linnen doeken er nog lagen. Maar hij ging niet naar binnen. Toen kwam ook Simon Petrus, na hem, bij het graf aan en ging meteen naar binnen. Hij zag dat de doeken er nog lagen, maar ook hoe de doek die zijn hoofd had bedekt, niet bij de andere doeken lag: hij was opgerold en lag helemaal apart. Toen pas ging ook de andere leerling die het eerst bij het graf was aangekomen, naar binnen. Hij zag en kwam tot geloof. Ze wisten toen nog niet wat de Schrift zei: dat Hij uit de doden móést opstaan. Daarop gingen de leerlingen terug naar huis.

Maria echter stond buiten bij het graf te huilen. En terwijl ze huilde, wierp ze een blik in het graf en zag daar twee in het wit geklede engelen zitten, de een aan het hoofdeinde, de ander aan het voeteneinde van de plaats waar Jezus had gelegen. Ze spraken haar aan. ‘Waarom huilt u zo?’ Ze antwoordde: Ze hebben mijn Heer weggehaald en ik weet niet waar ze Hem hebben neergelegd!’ Na deze klacht keerde ze zich om en zag Hem staan, maar ze wist niet dat het Jezus was. Jezus vroeg: ‘Waarom huilt u zo?’ In de mening dat het de tuinman was zei ze: ‘Heer, als u het bent die Hem hebt weggenomen, zeg me dan waar u Hem hebt neergelegd, dan kan ik Hem laten halen.’ Jezus zei: ‘Maria!’ Ze keerde zich nu naar Hem toe en zei: ‘Rabboeni!’ (Dat is het Hebreeuws voor meester.) ‘Houd me niet vast’, zei Jezus,. ‘Ik moet nog opstijgen naar de Vader. Ga liever naar mijn broeders en zeg hun: ‘Ik stijg op naar mijn Vader die ook jullie Vader is, naar mijn God die ook jullie God is.’ Daarop ging Maria van Magdala aan de leerlingen verkondigen: ‘Ik heb de Heer gezien’, en ze vertelde hun wat Hij tegen haar gezegd had.

Teksten over Maria van Betanië

Op hun reis ging Hij een dorp in.Een vrouw, Marta genaamd, ontving Hem. Zij had een zuster die Maria heette.Die kwam aan de voeten van de Heer zitten en luisterde naar zijn woorden. Marta had het heel druk met bedienen. Ze ging naar Jezus toe en vroeg: ‘Heer, laat het u koud dat mijn zuster mij alleen laat bedienen? Zeg haar dat ze mij komt helpen.’ De Heer gaf haar ten antwoord: ‘Marta, Marta, je maakt je bezorgd en druk over van alles, maar slechts één ding is nodig. Maria heeft het beste deel gekozen en dat zal haar niet worden ontnomen.’

Johannes 11, 1-5

Er was iemand ziek, een zekere Lazarus uit Betanië, het dorp van Maria en haar zuster, Marta. Maria is de vrouw die de Heer met balsem zalfde en zijn voeten met haar haren afdroogde; de zieke Lazarus was haar broer. De zusters stuurden Jezus de boodschap: ‘Heer, hier is iemand ziek, iemand van wie u houdt.’ Toen Jezus dit hoorde, zei Hij: ‘Deze ziekte loopt niet uit op de dood, maar op de verheerlijking van God, want de Zoon van God moet erdoor verheerlijkt worden.’ Jezus hield veel van Marta, van haar zuster en van Lazarus.

Johannes 11, 38-46

Bij de aankomst van Jezus bleek Lazarus al vier dagen in het graf te liggen. Nu lag Betanië dichtbij Jeruzalem, op een afstand van ongeveer vijftien stadiën. Heel wat Joden waren dan ook naar Marta en Maria toe gekomen om hun medeleven te betuigen met het verlies van hun broer. Marta, die gehoord had dat Jezus op komst was, was Hem tegemoet gegaan. Maria was thuisgebleven. Marta zei tegen Jezus: ‘Heer, als u hier geweest was, zou mijn broer nooit gestorven zijn. Maar ik weet zeker dat U ook nu nog alles aan God kunt vragen en dat Hij het U zal geven.’ ‘Je broer zal opstaan’, verzekerde Jezus haar. ‘Dat weet ik’, zei Marta, ‘hij zal opstaan bij de opstanding op de laatste dag.’ ‘Ik ben de opstanding en het leven’, zei Jezus. ‘Wie in Mij gelooft, mag dan wel sterven, toch zal hij leven.; en iedereen die leeft en in Mij gelooft, zal in eeuwigheid niet sterven. Geloof je dat?’ ‘Ja Heer’, antwoordde Marta, ‘ik geloof vast dat U de Messias bent, de Zoon van God, degene die in de wereld komen zou.’

Na deze woorden ging ze haar zuster Maria roepen. ‘De meester is er’, fluisterde ze haar toe. ‘Hij laat je roepen.’ Zodra ze het hoorde, ging ze op weg, naar Hem toe. Jezus was namelijk nog niet in het dorp, maar bevond zich nog op de plaats waar Marta Hem ontmoet had. De Joden die bij Maria in huis waren om hun medeleven te betuigen, zagen haar het huis uit snellen en gingen haar achterna, in de veronderstelling dat ze bij het graf wilde gaan treuren. Toen Maria de plaats bereikt had waar Jezus zich bevond, wierp ze zich, zodra ze Hem zag, voor Hem neer en zei: ‘Heer, als U hier geweest was, zou mijn broer nooit gestorven zijn.’ Toen Jezus zag hoe ze weeklaagde en ook hoe de Joden die haar vergezelden weeklaagden, ontstak Hij in toorn en wond zich op. ‘Waar hebt u hem neergelegd?’ vroeg Hij. ‘Komt u maar kijken, Heer’, zeiden ze. Jezus begon te huilen, zodat de Joden zeiden: Hij moet wel veel van hem gehouden hebben!’

Johannes 12, 1-8

Jezus kwam zes dagen voor het paasfeest naar Betanië, de woonplaats van Lazarus, de man die door Jezus uit de doden was opgewekt. Men gaf daar een maaltijd ter ere van Hem; Marta trad op als gastvrouw en Lazarus was een van degenen die met Hem aan tafel zaten. Maria kwam met een litra echte, heel dure nardusbalsem naar Jezus toe, zalfde daarmee zijn voeten en droogde die met haar haren af. Het huis werd vervuld van de balsemgeur. Judas Iskariot, een van zijn leerlingen, degene die Hem zou overleveren, merkte op:’ Waarom heeft men die balsem niet voor driehonderd denariën verkocht en het geld aan de armen gegeven?’ Dat zei hij niet omdat hij zo met de armen begaan was, maar omdat hij een dief was en zich, als beheerder van de kas, de inkomsten toeëigende. Toen kwam Jezus tussenbeide:’Laat haar! Ze moest die balsem bewaren voor de dag van mijn begrafenis. De armen zullen jullie altijd bij je hebben, maar Mij niet.’

Inleiding Beeld Meditaties Bibliografie Evangelie-teksten ‘Een Albasten Kruik’ Terug naar ‘home’ pagina

This website is maintained by the Wijngaards Institute for Catholic Research.

John Wijngaards Catholic Research

since 11 Jan 2014 . . .

John Wijngaards Catholic Research