|
|
|---|
Hoe konden de mensen
Maria zien als priester, wanneer vrouwen de Heilige Wijdingen niet kunnen
ontvangen?
Theologen en geestelijke
schrijvers waren zich heel goed bewust van de beperkingen die de vrouw werden
opgelegd. Ze stelden vast dat er duidelijk spanning was tussen de priesterlijke
functies en de priesterstatus van Maria enerzijds, en het feit dat ze een lid
was van het zwakkere geslacht anderzijds.
In een tekst uit de 4de eeuw,
die in de Middeleeuwen keer op keer zou worden herhaald, werd het bezwaar zelfs
direct met Maria in verband gebracht:
Als vrouwen waren aangesteld om namens God als priester op te
treden, of om in de Kerk officiële liturgische handelingen te verrichten,
dan zou Maria zelf, die het voorrecht ontving dat ze in haar lichaam de Grote
Koning, de hemelse God, Gods Zoon, mocht dragen, op een gegeven moment in het
Nieuwe Testament het priesterambt hebben uitgeoefend. Maar ze oordeelde een
dergelijke handeling niet terecht. Zelfs het toedienen van het doopsel werd
haar niet toevertrouwd, aangezien Christus zelf niet door haar is gedoopt maar
door Johannes
Het waren de Apostelen aan wie deze ambten werden
toevertrouwd en zij benoemden hun opvolgers
Nooit is er een vrouw benoemd
onder de bisschoppen en de priesters. Maar, zo zal iemand zeggen, had Filippus
niet die vier profeterende dochters?. Ja, maar ze oefenden niet het
priesterambt uit. Epiphanius of
Salamis, Panarion 79, § 3.
Hoe probeerde men die tegenstrijdigheid op te lossen? In de tijd van de
Kerkvaders, werd de vraag niet expliciet opgeworpen. De Vaders
stelden gewoon vast dat Maria de
priesterlijke waardigheid bezat en lieten de vraag onopgelost liggen.
Vanaf de Middeleeuwen werd het conflict meer direct aangepakt. Theologen
vroegen zich af hoe het verbod op de wijding van de vrouw zich verhield tot
Onze Lieve Vrouw. In het algemeen concludeerden zij dat Maria, hoewel ze dan
misschien niet het sacrament van de Heilige Wijdingen op de gewone manier had
ontvangen, zij op de een of andere wijze de genade en de macht die in het
priesterschap verondersteld worden, gelijkelijk had gekregen. Dit is met de
grootste klem betoogd door de H. Albertus
de Grote , Kerkvader.
De theologen bedachten verschillende
formuleringen:
1.Maria ontving de Heilige Wijdingen op een en dezelfde wijze.
Maria bezat alle sacramentele genaden op volmaakte wijze. Zij
heeft alle sacramenten ontvangen die in haar tijd waren ingesteld en door allen
algemeen ontvangen. Zo ging voor haar geen enkel gevolg en geen enkele genade
van de sacramenten verloren. En volgens Albertus (= St Albertus de Grote) heeft
ze alle sacramenten ontvangen behalve de Heilige Wijdingen, maar die Ordes
ontving ze gelijkelijk, want ze bezit de waardigheid ervan, de macht, de
dienstverlening in de Kerk, en is de hoogste priester geworden na
Christus. Jan Mombaer (1501),
Rosetum, title 24, section 5.
In zijn Mariale stelt Albertus de Grote
de volgende vraag: Heeft de Heilige Maagd alle wijdingen bezeten van
priesterschap en bisschopsambt? Hij antwoordt dat ze op generlei wijze
het (sacramentele) karakter van deze wijdingen bezat, maar dat ze slechts op de
meest uitnemende en edelste wijze deelde in taken en functies, zodat en
dit zijn de woorden van Albertus Zij bezat het priesterschap op de
hoogste wijze, d.w.z. ze bezat de hoogste graad van priesterschap.
Elders zullen we spreken over de kwaliteit en de grootheid van
Marias priesterschap: en dan zal duidelijk worden dat Christus niet
alleen met Maria de volheid van zijn eigen zalving heeft gedeeld, maar die ook
totaal heeft geschonken. Ferdinand Chirino de Salazar (1575 - 1646
AD), Canticum, dl. 2, pp. 95.
2. Maria is, anders dan de uiterlijke wijding die aan huidige
priesters worden gegeven, priester gewijd door een innerlijke wijding. Daarom
was het de Heilige Geest zelf die Maria heeft gewijd.
We kunnen zeggen dat de Heilige Maagd niet uiterlijk is gewijd
maar innerlijk, en zodoende is gewijd tot een geestelijke priester, niet een
volgens de wet.' -- De glorierijke Maagd is niet uiterlijk maar innerlijk
priester gewijd, niet naar de wet maar naar de Geest.' -- Meer dan welke
vrouw en op een andere wijze is Maria gewijd met onzichtbare olie. Hoe zou
Christus anders geboren hebben kunnen worden uit een Maagd, tenzij die Maagd
gezalfd was met hemelse olie [= de olie van de Heilige Geest].' Ippolito Marracci Sacerdotium
Mysticum Marianum (ca.1647), passim.
"In de eerste schepping is de vrouw genomen uit de man. In de tweede
zal het de man zijn, de hemelse man, die genomen wordt uit de vrouw,maar uit
een heel bijzondere vrouw, te weten een vrouwelijke hogepriester. Om
hogepriester te worden, moet men worden gewijd, men moet een slachtoffer
hebben, het heiligen en offeren. Men moet onderrichten en bidden. Men moet het
priesterschap meedelen. Men moet zielen voortbrengen en ze herscheppen. Welnu.
Al deze voorwaarden zijn voldaan in Maria. Zij is gezalfd en gewijd door de
Heilige Geest zelf.. . . F.
Maupied , Orateurs Sacrés, Paris 1866, dl. 86, pag. 228.
3. Het was Christus die Maria heeft gezalfd en haar tot priester
heeft gemaakt. Christus heeft haar zijn eigen priesterschap meegedeeld. Hij
heeft haar geestelijk tot afgezant gemaakt en haar laten delen in zijn eigen
waardigheid.
"Christus de Heer heeft aan Maria veel beter en veel vollediger dan
aan welke andere persoon of zelfs aan de hele Kerk de betekenis van zijn naam
doorgegeven. Hij die 'Christus' wordt genoemd, dat is 'de gezalfde', omdat hij
heilig was, koning was en priester, omdat hij heer was en profeet, heeft de
volheid van zijn olie uitgestort over Maria, en heeft haar zo gemaakt tot
heilige, tot koningin, tot priester, en eeuwigdurende heerseres."
"Aangezien de Maagd de functies vervulde van alle priesterschap, oud en
nieuw kunnen we terecht zeggen dat de olie die de naam Christus inhoudt
[Christus betekent 'gezalfde'] geheel is opgebruikt en over haar uitgestort."
..."De allergezegendste Maagd heeft de functie van priester vervuld
, omdat zij met haar wil die volkomen in overeenstemming was met de wil van
haar zoon, hem heeft opgedragen en geofferd op het altaar van het kruis, gelijk
hij zichzelf heeft geofferd... en zoals ze elke dag tezamen met de priesters
het lichaam van haar Zoon opdraagt in het onbloedig offer van de Allerheiligste
Eucharistie."
"De heilige en goddelijke wijding stelde Christus aan als
hogepriester en bisschop. En ook de Maagd, die in hogere en meer uitnemende
graad dan anderen van deze zalving is doordrongen, ontving een priesterschap
dat grootser en uitnemender is." Ferdinand Chirino de Salazar (1575 - 1646
AD), Canticum, dl. 2, pag. 92, 94-95.
"Het is waarlijk de Zoon van God zelf die priester is en offeraar, net
zoals hij zelf het slachtoffer is, maar tezamen met Maria. Hij deelde met haar
zijn rol van priester en slachtoffer, welke hij aan haar medeelde door een
uitbreiding van zijn eigen priesterschap, door de zalving van zijn genade en
zelfs door het merkteken van het priesterschap, niet in formele zin, maar op
een meer uitnemende wijze dan het priesterschap van alle andere priesters,
zodat zij met hem nog nobeler en beter kon samenwerken tot verzoening van de
zondaars." Auguste Nicolas
, La Vierge Marie daprès lÉvangile, Paris
1858, pag. 295.
"Hoe zou Christus de twee waardigheden [=koninklijke en
bisschoppelijke] niet meedelen aan Maria, daar hij toch de Zoon en zij zijn
Moder was?...Als Christus koning was - een titel die hij niet had ontvangen van
zijn moeder, zijn moeder zijn koninklijke waardigheid meedeelde, met hoeveel te
meer reden zou hij de bisschoppelijke waardigheid aan haar meedelen, aangezien
hij de grote Bisschop was, een titel die hij door zijn moeder had ontvangen
[=door haar priesterlijke afstamming.]" Antonio Vieira (1608-1697), Sermon on
the Rosary, ib. pag. 78-80a.
4. Hoewel Maria niet sacramenteel gewijd was, bezat ze toch in de
allerhoogste mate het wezen van het priesterschap. In Maria lag de
uitnemendheid van het priesterschap besloten.
"Haar verheven hoedanigheid en haar sekse lieten niet toe dat God de
Heilige Maagd riep tot een mysterie dat alleen mannen naar het uiterlijk konden
opdragen en waartoe alleen mannen door de Kerk konden worden afgevaardigd.
Hoewel ze vrouw was, had de Heilige Maagd al de onzichtbare genade van de
apostelen en de priesters in zichzelf. Ze was al gezalfd met de volheid van
genade. In Jeruzalem had zij publiekelijk een priesterrol vervuld, toen ze hem
in menselijke gedaante en niet als sacrament opdroeg, en toen zij hem later
opdroeg op Kalvarië, daar het offer haar eigen wezen diende te
weerspiegelen. En zo zij al afwezig was bij het Laatste Avondmaal en het
mysterie niet opdroeg onder de sacramentele tekenen zoals de apostelen en
priesters doen naar de wijze van Melchisedech, droeg zij hem toch innerlijk op
door de universele geest en volheid van genade waarmee Jezus Christus haar had
vervuld." Jean-Jacques Olier (1608 -
1657), Recueil, manuscript in Saint Sulpice, Paris, Rue du Regard, pag.
230.
"....Als moeder van Jezus bezit Maria recht en souvereiniteit over de
apostelen, niet door het gezag van jurisdictie, wat niet overeen zou komen met
haar sekse, maar door de uitnemendheid van geest en genade. Daarom was zij na
de Hemelvaart niet de voornaamste gezagsdrager maar veeleer het hart van het
mystieke lichaam... Priesters bezitten twee vermogens, één over
het fysieke lichaam van Jezus, wanneer zij het door de gewijde woorden
tegenwoordig stellen op het altaar, het andere over zijn mystiek lichaam... Het
eerste vermogen is een afschaduwing van Maria's moederschap, het andere van
haar hoogste macht." F. Bourgoing
, Vérités et excellences de Jésus Christ, Paris
1636, dl. 2, Méditation 19, § 3, pag. 183-184.
"Niets van wat er aan waardigheid schuilt in de waardigheid van een
bisschop zal ik weigeren aan de Moeder. Vanwege haar sekse en haar
bescheidenheid schrijf ik haar datgene wat mannelijk is in dit ambt niet toe:
ik onthoud haar al wat alleen maar zorgen zijn en hindernis voor beschouwing,
en ik kan haar royaal en vrijgevig alle grootheid toekennen, zelfs de
allerhoogste, die de menselijke geest zich maar kan indenken.... Als het zo
duidelijk behoort tot de eer van de Bisschop dat hij met plechtige woorden het
Lichaam van Christus kan maken en als de Bisschop bij God pleit voor de
zondaar, zal dan de Maagd, die het meest was voorbestemd om dit te doen,
die titel onthouden worden, ook al bewerkstelligt zij zo overvloedig wat
wezenlijk is aan dat ambt?" Jacques
le Vasseur (1610), Diva Virgo, hoofdstuk 22, pag. 171,
176.
'Laat ons nu onze aandacht eens richten op de titel van onze
verhandeling die zegt "dat de maagd de waardigheid van het priesterschap heeft
bezeten zonder het [sacramentele] karakter ervan...." De uiterst geleerde
Raymond Jones heeft gezegd dat alle privileges en alle waardigheid van de Kerk
te vinden zijn in Maria in zoverre ze met haar overeenstemmen. En daarom zeg ik
dat de waardigheid van priester in haar is zonder het [sacramentele] karakter
ervan. .Christopher of
Avendaño (1628), Marial de las Fiestas, Franse editie, pag.
209.
5. Maria deelde in de priesterrol van Jezus zelf.
Maria deelt in . . . de rol van Jezus als priester en
slachtoffer en haar zoon verleent haar die. Haar handen zijn het altaar. Haar
onderwerping vervult de taak van de priester en haar hart is het slachtoffer
van liefde. Hubert
Lebon , Marie, mére admirable, Paris 1861, pag.
98.
Maria is naar haar aard priesteres. In andere priesters wordt
die rol toegevoegd; in Maria daarentegen is het een samengaan, dat wil zeggen:
het is er op een verhevener manier... De reden van de superioriteit van het
priesterschap van Maria is gelegen in de hypostatische verbintenis [=de eenheid
van het goddelijke en het menselijke in Christus] waartoe Maria behoort door
het feit dat ze moeder is van God.
Evenals Jezus Christus geen priester is
door een rol die hem van buitenaf werd toebedeeld maar vanwege de hypostatische
eenheid via welke zijn menselijke natuur heeft aangenomen, zo deelt de Maagd
die behoort tot de hypostatische orde in het priesterschap op de wijze waarop
het priesterschap in Jezus is, en niet zoals het aan andere priesters wordt
meegedeeld." Gaetano Guida Il
sacerdozio di Maria, 1873, pag. 31.
6. In Maria is de hinderpaal van haar sekse overwonnen.
Aangezien de hinderpaal van haar sekse zodoende duidelijk is
overwonnen door het gezag van de heiligen, door het voorbeeld van de Schrift en
de kracht van de rede...., kunnen we nu overgaan van een discussie van
legaliteit naar de feiten: laten wij in de Koningin van de Rozenkrans of in de
Rozenkrans van de Maagd, de titel zien en de macht en het uitoefenen van haar
bisschoppelijke waardigheid... De Heilige Maagd was niet alleen bisschop in de
eigenlijke betekenis van de term, maar meer in het bijzonder: 1. Bisschop
volgens de woordbetekenis. 2. Bisschop door de tekenen van haar waardigheid. 3.
Bisschop door de sleutelmacht. Antonio
Vieira (1608-1697), Sermon on the Rosary, ib. pag.
81.
7. Het priesterschap van Maria bleef onopgemerkt door het feit dat ze
zo dicht bij Christus stond.
Geen sterveling heeft ooit zó gedeeld in het
priesterschap van Jezus Christus als deze koningin van de apostelen en van de
priesters.... De reden waarom er nauwelijks ooit wordt gesproken over haar
priesterschap is dat ze alijd zo dichtbij de grote Hogepriester staat, in wiens
tegenwoordigheid alle gedeelde priesterschap verdwijnt als een ster voor de
zon. Als Maria's priesterschap verdwijnt en zijn naam verliest in het
aangezicht van het eeuwige priesterschap, is dat niet echt een verlies. Dat
komt door een samensmelten van hart en geest in één unieke
offerande." Philpin de
Rivière , Union de Marie au fidèle, Paris 1861, pag.
265, 301.
8. Maria's priesterschap lag al besloten in haar moederschap.
Vrouwen zijn uitgesloten van de waardigheid van het
priesterschap, en Maria zelf kan het vanwege haar sekse niet ontvangen. Zo men
haar priester noemt is het niet omdat zij door de apostelen werd gewijd maar
doordat de priesterlijke waardigheid al op uitnemende wijze besloten ligt in
haar waardigheid als moeder van God. Haar goddelijk moederschap gaf haar het
recht volledig bepaalde functies van het priesterschap te vervullen. Ze heeft
die ook werkelijk vervuld, bijvoorbeeld toen zij Jezus opdroeg in de Tempel en
in het bijzonder toen zij hem op Kalvarië opdroeg tot ons heil. Zij heeft
beslist de genade bezeten die iemand tot priester maakt, zonder echter de macht
om het lichaam en bloed van haar aanbiddelijke Zoon op het altaar op te
dragen." J.B. Petitalot ,
La Vierge Marie daprès la theologie, Paris 1876, pag.
60-61.
9. Maria is de enige vrouwelijke priester.
Maria is priester, want zij was een
vertegenwoordigster in het Verlossingswerk van haar sekse - hoewel in volledige
afhankelijkheid van de universele vertegenwoordiging door Christus. Maar het
priesterschap van Maria bljft beperkt tot haar persoon. Geen andere vrouw kan
haar opvolgen en haar bijzondere taak voortzetten. Het is daarom de mannelijke
priester die bij zijn wijding Maria's aandeel heeft ontvangen. Het is echter
duidelijk dat hij het heeft ontvangen ten gunste van van de vrouwen, meer dan
tot zijn eigen voordeel. In één woord, dit verband
beïnvloedt het priesterschap zodat de priester, de vertegenwoordiger en
dienaar van Christus, eveneens en tegelijkertijd de dienaar is van Maria, een
instrument van Maria voor haar seksegenoten. De waardigheid en de betekenis van
het priesterschap komt daarom in een nieuw licht te staan vanuit een
mariologisch perspectief.H. Oswald , Dogmatische
Mariologie, Paderborn 1850, pag. 198.
Conclusie
Hoewel dus de theologen en geestelijke schrijvers vanwege de
culturele en theologische opvattingen van hun tijd niet inzagen dat het verbod
op de wijding van de vrouw aanvechtbaar is, bleven zij de priesterrol van Maria
beamen.
Daardoor stellen zij impliciet en soms zelfs expliciet dat de sekse
van Maria geen hinderpaal is voor haar priesterschap. Maar als
één vrouw priester kan zijn, kunnen alle vrouwen dat. Sekse of
gender op zich is geen voldoende reden om vrouwen uit te sluiten van de
wijding.
Het Vaticaan heeft zich van meet af aan verzet tegen de wijding van
vrouwen. Het ligt voor de hand dat dit de reden is waarom
Het Heilig Officie onder Paus
Benedictus een verbod uitvaardigde tegen afbeeldingen van Maria in
priestergewaad en later, onder Paus
Pius XI , de devotie zelf tot Maria Priester heeft verboden.

![]() |
In dit boek gaat Hans Wijngaards in op belangrijke historische bronnen, vanaf het begin van het christendom tot het jaar 900. Hij bewijst op overtuigende wijze dat vrouwen de rol van diaken op zich namen en hiertoe ook gewijd werden. Met zijn historische studie levert Wijngaards een belangrijke bijdrage aan het actuele debat over de wijding van vrouwen tot diaken. Klik hier! |