|
|
|---|
Een traditie met sterke papieren
door Hans Wijngaards
in De Bazuin 83 (2000), 12 mei, blz. 16-18
Maria heeft eeuwenlang sterk tot de verbeelding van roomskatholieken
gesproken. De relatie tussen haar en het priesterschap is voor de meesten
echter niet meer bekend. Toch werd haar priesterlijke rol in het verleden door
velen beschreven. Maar ergens aan het begin van de twintigste eeuw werd het
plotseling verboden om Maria als priester aan te duiden.
Al
eeuwenlang hebben christenen een grote liefde voor Maria. Onder gewone
gelovigen, maar ook onder pausen en theologen leefde de overtuiging dat zij een
modelpriester was. Maar deze traditie dreigt verloren te gaan vanwege de
meningsverschillen over de wijding van vrouwen.
Omdat
wij maar een kort kerkelijk geheugen hebben, zijn we bijna vergeten dat in de
aanloop naar de dogmaverklaring van 1854, de onbevlekte ontvangenis van Maria
vaak werd gerechtvaardigd op grond van haar priesterzijn. De traditie paste
vaak de woorden van Hebreeën 7, 26 op haar toe: Zon
hogepriester hadden wij ook nodig: een die heilig is, schuldeloos, onbesmet,
afgescheiden van de zondaars, en hoog verheven boven de hemelen. Zo
schreef de benedictijnse prior Jacques Biroat in 1666 dat Paulus
redenering betrekking heeft op Christus moeder. Zij deelt in het
priesterschap van haar zoon en is de oorsprong van onze verzoening met God.
Daarom moest zij volkomen onschuldig zijn en afgescheiden van zondaars. Zij
moest worden gevrijwaard van de erfzonde. Zijn conclusie: Maria werd
onbevlekt ontvangen omdat zij een priester zonder smet moest zijn.
DE
MEESTE KATHOLIEKEN zijn tegenwoordig niet meer bekend met de relatie tussen
Maria en het priesterschap. Jean-Jacques Olier (1608-1657), de stichter van het
befaamde seminarie Saint Sulpice in Parijs, kende die relatie wel: De
groet van de Gezegende Maagd had op Sint Jan in Elisabets schoot de werking van
de sacramentele woorden van de doop, zij heiligden hem en schonk hem de volheid
van de gaven van de Heilige Geest... Aldus diende de Gezegende Maagd, als
bisschop in de Kerk, het vormsel toe aan de zoon van de hogepriester Zacharias,
heiligde hem en, door de werking van haar macht, bestempelde hem met de Heilige
Geest.
Alle
christenen delen in Christuspriesterschap, maar de priesterlijke rol die
aan Maria werd toegeschreven overstijgt dit algemene priesterschap van de
gelovigen ruimschoots. De jezuïet Ferdinand Chirino de Salazar (1575-1646)
verwoordde eeuwen traditie toen hij schreef: Christus, de
gezalfde, goot de overvloed van zijn zalving uit over Maria, maakte haar
een heilige, een koningin en een priester voor altijd. Maria verkreeg een
priesterschap verhevener en voortreffelijker dan dat van ieder ander. Want in
overeenstemming met priesters die de heilige geheimen uitvoeren en voltrekken,
en samen met Christus en op dezelfde mystieke wijze als hij doet, brengt zij
altijd het eucharistisch offer zoals zij, in eenheid met hem, het offer van
Calvarie bracht. De traditie benadrukte aldus het offerend
priesterschap van Maria, een geloof dat al begonnen was in de kerk van de
eerste eeuwen.
De
kerkvaders wijzen erop dat Maria tot een priesterlijke familie behoorde, zoals
blijkt uit haar verwantschap met Elisabet. Zij was Aärons staf die
uitbot als een garantie van het eeuwige priesterschap, aldus Sint
Methodius. Volgens de legenden bracht Maria haar kinderjaren door in het
Heilige der Heiligen, waar alleen de hogepriester mocht komen, en dan nog
slechts éénmaal per jaar. De kerkvaders hielden ervan Maria namen
en eretitels te geven als het heiligdom, de ark van het
verbond, het gouden wierookvat en het
reukofferaltaar, alle duidend op haar priesterlijke waardigheid. En
Theodorus Studita schrijft: Gegroet jonge vrouw, offerpriester,
wereldwijd zoenoffer voor stervelingen, door wie van het Oosten tot het Westen
de naam van God words verheerlijkt onder alle volkeren, en die overal een
wierookoffer brengt aan zijn naam, zoals de heilige Maleachi zegt.
MARIAS PRIESTERSCHAP werd in de Middeleeuwen nog veel
gedetailleerder uitgewerkt. Vertrekpunten waren de schriftteksten waarin zij
werd verondersteld priesterlijke functies te hebben vervuld. Bij de opdracht
van Jezus in de Tempel bijvoorbeeld functioneert Maria als een gewijde
maagd die Jezus aanbiedt voor onze verzoening als een God aangenaam
slachtoffer in de woorden van Sint Bernardus van Clairvaux (1090-1153).
Ubertino van Casale (1259-1330) voegde hieraan toe dat er geen andere priester
aanwezig was. Alleen zij kon Jezus aanbieden, en zij was, na Jezus, de grootste
van alle priesters. Veel theologen becommentariëren het feit dat Maria
onder het kruis stond in de houding van een offerende priester.
Onder
hen vinden we de kerkleraar Antoninus van Florence (1389-1459), die schrijft:
Maria is de koningin die staat aan Gods rechterhand in
gouddoorstikt gewaad (Psalm 45,14). Zij is ook de rechtschapen priesteres
want zij spaarde haar eigen zoon niet, maar stond onder het kruis, niet zoals
de gezegende Ambrosius zegt om slechts getuige te zijn van het lijden en de
dood van haar zoon, maar om de verlossing van het menselijk geslacht vooruit te
helpen, toegewijd als zij was om de Zoon van God aan te bieden voor de redding
van de wereld.
Bovenstaande uitingen over Marias priesterschap zijn er slechts enkele
van meer dan honderd representatieve theologen, bisschoppen en spirituele
schrijvers die tezamen meer den zestien eeuwen omspannen. Zij variëren van
Epiphanius II (achtste eeuw): Ik noem de Maagd zowel priester als altaar,
zij is de tafelbediende die de Christus heeft gegeven, het hemelse
brood voor de vergeving van zonden tot paus Pius IX die in 1873 schreef:
Van zijn maagdelijke ontvangenis tot zijn wrede dood heeft Maria zichzelf
zo innig met het offer van haar goddelijke Zoon verbonden dat zij door de
Kerkvaders Virgo Sacerdos (maagd-priester) werd genoemd.
MAAR ALS MARIA zo voortdurend en met overtuiging priester wordt genoemd,
hoe zit het dan met de complicatie dat zij een vrouw is? Het is een probleem
waar de traditie zich zeer wel van bewust blijkt te zijn.
In de
Grieks-Romeinse cultuur, die het denken van de kerkvaders en de middeleeuwse
theologen sterk beïnvloedde, was het onvoorstelbaar dat een vrouw het
leiderschap toevertrouwd kreeg zoals dat gekoppeld was aan het priesterschap.
Vrouwen werden beschouwd als minderwaardig aan de man, zowel intellectueel als
emotioneel. Als onvolledige menselijke wezens konden zij geen enkel
openbaar ambt bekleden. Zij werden niet in staat geacht om heilige,
sacramentele macht uit te oefenen of Christus te representeren, die als man wel
een volledig menselijk wezen was. Bovendien konden vrouwen vanwege hun
menstruatie maar het beste uit het heiligdom worden geweerd, om bezoedeling en
ontheiliging te voorkomen. Om de discussie helemaal te beslechten, werden hier
nog theologische argumenten aan toegevoegd: Christus had geen vrouw onder zijn
apostelen gekozen; God hield vrouwen in een ondergeschikte positie als straf
voor hun aandeel in de erfzonde; Paulus verbood vrouwen om te onderwijzen.
Hoe
overleefde Marias priesterschap deze manier van denken en redeneren?
Gedurende de eerste tien eeuwen groeide de traditie van Marias
priesterlijke status zonder dat dit met zoveel woorden tegenover de uitsluiting
van vrouwen werd geplaatst, ook al was die spanning wel aanwezig. In de vierde
eeuw wees Epiphanius van Salamis erop dat als Maria een priester was, Jezus
door haar zou zijn gedoopt en niet door Johannes de Doper. Maar het maakte geen
eind aan de traditie Marias priesterlijke waardigheid te loven.
DE
MIDDEEEEUWSE wetenschappers vonden een oplossing voor de tegenspraak tussen
Marias priesterschap en het verbod op vrouwelijke ambtsdragers. Albertus
de Grote (ca. 1200-1280) formuleerde de klassieke oplossing. Maria had niet het
sacramentele merkteken van de heilige wijdingen ontvangen, maar zij bezat het
wezen van het sacrament in overvloed. In elke hiërarchie bezitten
hogergeplaatsten alle macht en waardigheden van hun ondergeschikten. Omdat
Maria zich bevindt op het hoogste niveau in de kerk bezit zij alle waardigheden
en bevoegdheden die ook priesters, bisschoppen en zelfs pausen bezitten.
Realiseerde kerkleraar Albertus zich dan niet dat zijn visie gevolgen had voor
de uitsluiting van vrouwen louter op basis van hun geslacht? Ik meen van wel.
Het is in dit verband veelbetekenend dat hij weliswaar zorgvuldig de
standaardbezwaren tegen de wijding van vrouwen opsomt, maar zijn oordeel
daarover achterwege laat.
Vele
theologen gaven een vervolg aan het denken van Albertus.
- Bij gewone
priesters is het sacramentele merkteken uitwendig, in Maria is het eigen en
onvervreemdbaar.
- Het was de
Heilige Geest zelf die haar zalfde op het moment van haar ontvangenis.
- Maria deelde in
de priesterlijke zalving die Jezus had ontvangen. Hij was immers de gezalfde
bij uitstek.
- Zoals Jezus
nooit formeel was gewijd, ofschoon hij de hogepriester voor altijd is, zo is
Maria de grootste priester na hem, en evenmin met een sacramentele wijding.
In de
devotie voor Maria-Priester kwam het probleem van de onmogelijkheid van
vrouwelijke priesters duidelijk naar voren. Dat werd soms expliciet verwoord,
bijvoorbeeld door de jezuïet Antonio Vieira (1608-1697): In Maria is
het obstakel van haar geslacht overwonnen door het gezag van de heiligen, het
voorbeeld van de Schrift en de kracht van de rede. Horen wij hier niet de
stem van een latente traditie, een bewustzijn in het hart van het christelijk
geloof, dat het priesterschap vrouwen niet geweigerd zou moeten worden vanwege
hun geslacht omdat, zo er íemand priester is, Maria dat wel is?
DE
AANVAARDING van vrouwelijke priesters die besloten ligt in de erkenning van
Maria als Priester, kan heel goed het aloude concept illustreren van het
Evangelie in het hart, de sensus fidei, de bovennatuurlijke
geloofszin van de gelovigen. De dominicaan Yves Congar (1904-1995) omschrijft
deze geloofszin als levende traditie, levend omdat het aanwezig is in de
geest van mensen die er bewust en onbewust naar leven, in een geschiedenis die
is samengesteld uit activiteiten, problemen, twijfels, oppositie, nieuwe
bijdragen en kwesties die om een oplossing vragen. Kardinaal John Henry
Newman (1801-1890) herinnert ons eraan dat de afwezigheid van dogmatische
uitspraken geen bewijs is voor de afwezigheid van indrukken of impliciete
oordelen in de gedachte van de Kerk. Er kunnen zelfs eeuwen verstrijken zonder
de formele uitdrukking van een waarheid die altijd al bestond in het verborgen
leven van miljoenen gelovige zielen.
De
discussie over het priesterschap van Maria werd aan het begin van de twintigste
eeuw abrupt beëindigd. Paus Leo XIII nam nog in 1904 met instemming een
schilderij in ontvangst waarop Maria in priesterlijke gewaden was afgebeeld.
Maar het Heilig Officie, de voorloper van de Congregatie voor de Geloofsleer,
verbood in 1913 de praktijk van het afbeelden van Maria als een priester. In
1907 verbond paus Pius X nog een aflaat van 300 dagen aan het gebed
Maria, Maagd Priester, bid voor ons, maar in 1926 verklaarde het
Heilig Officie dat de devotie tot Maria Priester niet is goedgekeurd en
niet gestimuleerd mag worden. Is het toeval dat juist in die tijd in
andere christelijke kerken de strijd voor de wijding van vrouwen begon?
Op
onze zolder van vergeten schatten ligt ook de aloude overtuiging dat Maria,
priester zonder smet, priesters steunt in hun dienstwerk. Priesters hadden de
gewoonte zichzelf aan te bevelen in haar zorg en spraken voor elke mis de
intentie uit de eucharistie op te dragen door Marias onbevlekte en
priesterlijke handen.
Het
commentaar van de traditie is wellicht het beste uitgedrukt in een
vijftiende-eeuws Frans schilderij dat Maria laat zien aan het altaar, gekleed
in priesterlijke gewaden en op het punt staande de Heilige Communie uit te
delen. De paus knielt voor haar. Zouden wij enige betekenis kunnen zien in een
fronsende engel die naast de Heilige Vader is geschilderd, en die zijn kostbare
tiara vasthoudt?
Hans Wijngaards
"Het priesterschap van
de Maagd" (Detail), begin 15de eeuw, School van Amiens, Frankrijk.
Om een vergroting van het schilderij te zien, klik op de afbeelding. Voor een
ruimere afdruk van het geheel (262 Kb), klik hier. Om de gehele collectie beelden te
zien, klik hier.

![]() |
In dit boek gaat Hans Wijngaards in op belangrijke historische bronnen, vanaf het begin van het christendom tot het jaar 900. Hij bewijst op overtuigende wijze dat vrouwen de rol van diaken op zich namen en hiertoe ook gewijd werden. Met zijn historische studie levert Wijngaards een belangrijke bijdrage aan het actuele debat over de wijding van vrouwen tot diaken. Klik hier! |