OOK VROUWEN PRIESTER? JAZEKER!header

Responsive image

BEGIN

REDEN GENOEG

TEGEN DE PAUS?

DEBAT

MENU

Nederlands/Vlaams Deutsch Francais English language Spanish language Portuguese language Catalan Chinese Czech Malayalam Finnish Igbo
Japanese Korean Romanian Malay language Norwegian Swedish Polish Swahili Chichewa Tagalog Urdu
------------------------------------------------------------------------------------

De Vrouw in de Kerk

Dr. G. Huls, publ. Bosch& Keuning N.V., 1965

Hoofdstuk 6

DE TEGENWOORDIGE KERKELIJKE POSITIE DER VROUW IN NEDERLAND

1. De Nederlandse Hervormde Kerk

De vraag naar meer intensieve en actieve deelname der vrouw aan het kerkelijk leven zette in de Nederlandse Hervormde Kerk merkwaardigerwijze niet in met het streven naar het actieve kiesrecht voor haar - dat trouwens ook pas in 1867 aan de mannen was gegeven! -, maar met de poging om de gemeente-diacones, die in verscheidene gemeenten werkzaam was, een kerkelijke plaats te geven. Reeds in 1891 werd namelijk door de kerkeraad van Eerbeek aan de Algemene Synode verzocht om haar als diaken verkiesbaar te verklaren. Een desbetreffend voorstel van de Synode werd echter na ampele besprekingen door de Provinciale Kerkbesturen verworpen. Hoewel deze kwestie daarna verscheidene malen ter tafel van de Synode werd gebracht, zou het tot l januari 1948 - de datum waarop het Reglement op de kerkelijke medewerkers werd ingevoerd - duren voordat de diacones kerkelijk erkend werd.

De zaak van het actiev ekiesrecht werd ter Synode van 1897 door de Classicale Vergadering van Alkmaar aanhangig gemaakt, die daartoe een voorstel indiende. Zowel door de rapporterende commissie als door de Synode zelf werden reeds dezelfde argumenten gebruikt, die later ook in andere Kerken telkens zullen terugkeren. Pro: de vrouw zal een verheffende en verrijkende invloed hebben, zij draagt financieel bij, zij kan ook al godsdienstonderwijzeres zijn etc. Contra: l Corinthe 14!, het is praematuur, de burgerlijke wetgever moet voorgaan, onenigheid in de gezinnen, zij zullen dan ook benoembaar willen zijn, het geeft verwarring, er bestaat weinig aandrang van de zijde der vrouwen enz. Aan een principiële bezinning kwam men niet toe en het gehele probleem werd vrijwel uitsluitend opportunistisch behandeld. Het voorstel zelf werd tenslotte verworpen. Verscheidene latere pogingen deelden dit lot, totdat er in 1922 een (grote) meerderheid voor te vinden was, zodat de vrouw vanaf l januari 1923 kiesgerechtigd is.

De mogelijkheid om een 'ambt' te bekleden zou echter nog geruime tijd op zich laten wachten. Wèl kon de vrouw reeds lang in één functie - zij het een kerkordelijk zwevende - haar kracht in dienst van de Kerk aanwenden: als godsdienstonderwijzeres. Reeds bij de invoering van het Algemeen Reglement in 1816 waren 'Catechizeermeesteressen' benoembaar, die later als 'godsdienstonderwijzeressen' werkzaam bleven en bevoegd waren om godsdienstonderwijs te geven, huis- en ziekenbezoek te doen en in openbare godsdienstoefeningen bijbellezingen te houden.

In 1902 verwierp de Synode met 10-9 (!) stemmen een voorstel om de vrouw als predikant toe te laten als 'niet naar de wil van God'. Sindsdien zijn vele pogingen aangewend om één of meer ambten geheel of gedeeltelijk voor de vrouw open te krijgen, tot 1957 evenwel zonder resultaat.

Wat de vrouwelijke theolo gen betreft, toonde de Synode zich in 1915 nog weinig toeschietelijk, maar vanaf 1924 kan de theologisch candidate in het kerkelijk album ingeschreven worden, het kerkelijk voorbereidend examen afleggen en tot hulpprediker benoemd worden, als hoedanig zij bevoegd was om in sommige gevallen openbare godsdienstoefeningen te leiden.

Bij het inwerking treden van de Kerkerde van 1951 werd de kerkrechtelijke chaos, waarin "de regeling van der verschillende 'niet-ambtelijke' werkzaamheden verkeerde, geordend door de instelling van de 'bedieningen', waarin ook vrouwen werkzaam kunnen zijn in:

a. het apostolaat als evangeliste, in welke functie zij o.a. het Evangelie mag verkondigen, kerkelijke samenkomsten mag leiden, kerkelijk onderricht mag geven en geestelijke zorg mag betonen; verder als vicaris tot bijstand der zendingspredikanten en voor de verbreiding van het Evangelie, de medische arbeid, het sociale werk en het onderwijs;

b. de geestelijke vorming van de jeugd als jeugdwerkleidster;

c. de catechese als catechete;

d. het pastoraat, als pastoraal medewerkster, waarbij zij onder bepaalde voorwaarden bevoegd is het Evangelie te prediken in een kerkdienst der gemeente; als hulpprediker, in welke functie zij, met enkele uitzonderingen, zoals de bediening der sacramenten en het houden van opzicht, dezelfde bevoegdheid heeft als de predikant tenslotte als vicaris, met dezelfde bevoegdheden en restricties als de hulpprediker.

e. het diaconaat voor ziekenverpleging of sociaal werk, terwijl zij ook gezamenlijk of persoonlijk als diacones kunnen worden erkend of geroepen.

Hiermee was uiteraard de vraag naar de toelating van de vrouw tot de ambten nog niet opgelost. Uit praktische overwegingen, nl, om de behandeling van het Ontwerp-Kerkorde niet met deze zaak te bezwaren is in 1951 de bestaande situatie ten aanzien van de vrouw en het ambt gecontinueerd, d.w.z. het bleef voor haar gesloten, hoewel een in 1948 benoemde commissie in meerderheid had geadviseerd om alle ambten voor haar open te stellen. In feite was de uitsluiting der vrouw uit het 'ambt' reeds vrijwel geheel een formele kwestie geworden, omdat het onderscheid tussen de vrouw in een bediening en de predikant sòms al geheel was weggevallen, zoals b.v. bij de dienst der gebeden, de leiding \an kerkdiensten, de kerkelijke bevestiging en inzegening van het huwelijk en de herderlijke zorg, sòms alleen van terminologische aard was, zoals 'de prediking van het Evangelie' inplaats van 'de verkondiging des Woords'. Deze weinig principiële en daarom onbevredigende situatie kon niet lang blijven bestaan.

Het is dan ook geen wonder dat in 1954 de Generale Synode met grote meerderheid besloot om deze zaak ter overweging aan de :classicale vergaderingen voor te leggen. Daar zich in hun adviezen geen duidelijke meerderheid aftekende en allerlei suggesties verden gedaan om de toelating der vrouw op een voorzichtige wijze in te voeren, stelde de Synode van het volgende jaar de beslissing uit en benoemde een nieuwe commissie. De behandeling van haar rapport leidde ertoe - na ingewonnen adviezen er classes - dat de Synode op 23 juni 1958 met 27-24 stemmen lesloot om de ambten van ouderling en diaken volledig voor de vrouw open te stellen, terwijl dat van predikant in principe eveneens voor haar werd geopend 'doch slechts in bepaalde gevallen en voor bepaalde werkzaamheden' met een door het breed moeramen der Generale Synode in het belang van de Kerk te verlenen 'dispensatie' (waarvan?).

Geheel duidelijk is de formulering van deze beperking niet, zodat geen verwondering behoeft te wekken, dat er thans pogingen worden aangewend om deze onklaarheid op te heffen,.Om moeilijkheden in de praktijk te voorkomen besloot de Synode, dat een vrouwelijk predikant als regel bij het aangaan van een huwelijk 'emeritaat' ontvangt, evenwel zonder de rechten van een emeritus-predikant, terwijl merkwaardigerwijze een vrouwelijke vicaris, die ontslag heeft gekregen wèl bevoegd blijft tot het rediken van het Evangelie! Verder werd bepaald, dat met elkaar gehuwden niet tegelijkertijd deel uit kunnen maken van een kerkeraad en - in een overgangsbepaling bij de Kerkorde - dat vrouwelijke predikanten in een vacature geen dienstwerk verrichten als de betrokken kerkeraad hier bezwaar tegen heeft.

Op grond van deze bepalingen kent de Ned. Herv. Kerk een jaarlijks groeiend aantal van honderden vrouwelijke ouderlingen en diakenen, terwijl thans een negental vrouwen de bovengenoemde 'dispensatie' hebben ontvangen en als predikant functioneren, waarvan één voor gewone en de andere voor bijzondere of buitengewone werkzaamheden.

Litteratuur:

Prof. Dr A, J. Rasker, De vrouw en het kerkelijk ambt, Wageningen, 1957.


De Gereformeerde Kerken

In de eerste decennia na 1886 werd er over de positie der vrouw in de Gereformeerde Kerken nauwelijks gesproken. In 1898 pleitte Dr. A. Kuyper al voor de invoering van het actieve vrouwenkiesrecht, maar later toonde hij zich hiervoor minder enthousiast, terwijl Bavinck juist een tegenovergestelde ontwikkeling doormaakte.

Deze zaak werd acuut, toen de kerken van Zandvoort en Brussel dit kiesrecht in 1921 op eigen gelegenheid invoerden. Via Classis en Particuliere Synode kwam het ter tafel van de Generale Synode van Utrecht (1924), die dit 'een zaak der Kerken in het gemeen' achtte en deputaten benoemde.

Vele malen kwam het vrouwenkiesrecht daarna nog aan de orde, totdat het tenslotte door de Generale Synode van Rotterdam in 1952 principieel aan haar werd toegestaan. De Gereformeerde Kerken in Indonesië waren hier reeds in 1950 toe overgegaan.

In de laatste jaren wordt het aantal stemmen steeds groter, dat pleit voor een nieuwe bezinning op de vraag of de vrouw ook niet het passief kiesrecht dient te krijgen, m.a.w. of zij niet verkiesbaar dient te zijn voor het dienen in één of meer ambten van de Kerk. Deze stemmen hebben al zoveel weerklank gevonden dat de Generale Synode van Groningen in 1963 deputaten heeft benoemd, waaronder twee dames, die de vraag moeten onderzoeken of de ambten, althans het diakenambt, voor de vrouw dienen te worden opengesteld. Om een indruk te krijgen hoe de vrouwen in deze kerken hiertegenover staan werd in 'De Gereformeerde Vrou', het maandblad van de Bond van Gereformeerde vrouwenverenigingen in Nederland, hierover in juni 1964 aan de hand van een tweetal vragen een officieuze enquête ingesteld. De uitslag was in meer dan één opzicht verrassend. Van de ongeveer 25.000 abonnees reageerden er 3190, een zelden voorkomend percentage.

De eerste vraag bedoelde gegevens te verzamelen voor een inventarisatie van alles wat in deze tijd door vrouwen in de kerk gedaan wordt. Hierbij bleek dat er vrouwen werkzaam zijn: l. als assistente van predikant en ouderling in het gemeentewerk; 2. in diaconaal werk; 3. in de evangelisatie; 4. in het thuisfront van de zending; 5, in de commissie van beheer; 6. in beroepingscommissies. Hiernaast zijn er ook al lange tijd vrouwen in de zending werkzaam. De kerkelijke status van al deze vrouwen zal vroeger of later aan de orde moeten komen. Dat de grote meerderheid van degenen, die op de enquête reageerden dit snel willen laten gebeuren, bleek uit de onverwachte uitslag in de beantwoording van de tweede vraag over de wenselijkheid of noodzakelijkheid van één of meer ambten voor de vrouw.

Ruim 8% had hierover geen mening, ruim 21% was er tegen, maar meer dan 70% sprak zich uit vóór openstelling en wel in deze zin, dat 23,5% alle ambten opengesteld wilde zien, 22% dat van ouderling en diaken en 21% dat van diaken alleen.

Deze reactie zal ongetwijfeld iets te zeggen hebben aan de volgende Synode, die het rapport van deputaten te behandelen zal krijgen.

Litteratuur:

Dr N. JF. Hommes, De vrouw in de Kerk, Franeker, 1951.


Andere Kerken

De kleinere kerkelijke groeperingen van gereformeerde signatuur houden zich in het algemeen met dit probleem nog weinig bezig, al werd b.v. in 1950 op de Bondsdag van Christelijk Gereformeerde Vrouwenverenigingen reeds aangedrongen op een grondige herziening van de verhouding van de vrouw en het ambt en haar benoembaarheid als diaken bepleit.

De Gereformeerde Kerken in Hersteld Verband hadden het diakenambt reeds voor de vrouw opengesteld, maar moesten dit in 1945 bij hun hereniging met de Ned. Herv. Kerk weer ongedaan maken.

In de Evangelisch-Lutherse Kerk heeft de vrouw reeds zeer lange tijd stemrecht, terwijl er vanaf 1931 vrouwelijke predikanten werkzaam zijn.

De Doopsgezinde Broederschap acht nog steeds ieder gemeentelid, dus ook" de vrouw, principieel gerechtigd om de kerkdienst te leiden en de sacramenten te bedienen, hoewel dit in de praktijk vrijwel steeds door de predikant wordt gedaan. Hierdoor is het echter wel begrijpelijk dat deze Broederschap de eerste predikante heeft toegelaten in de persoon van Mej. A. Zernike (1911). De Remonstrantse Broederschap gaf in 1915 aan de vrouw het stemrecht en tevens het recht om als predikant beroepen te worden, hetgeen in 1920 voor het eerst geëffectueerd werd.



This website is maintained by the Wijngaards Institute for Catholic Research.

John Wijngaards Catholic Research

since 11 Jan 2014 . . .

John Wijngaards Catholic Research