OOK VROUWEN PRIESTER? JAZEKER!header

Responsive image

BEGIN

REDEN GENOEG

TEGEN DE PAUS?

DEBAT

MENU

Nederlands/Vlaams Deutsch Francais English language Spanish language Portuguese language Catalan Chinese Czech Malayalam Finnish Igbo
Japanese Korean Romanian Malay language Norwegian Swedish Polish Swahili Chichewa Tagalog Urdu
------------------------------------------------------------------------------------

De Vrouw in de Kerk

Dr. G. Huls, publ. Bosch& Keuning N.V., 1965

Hoofdstuk 7

DE POSITIE DER VROUW IN DE WERELDKERK

l. De Rooms-katholieke Kerk

In hoofdstuk 4 hebben wij reeds gezien hoe de ontwikkeling in de Oude Kerk ertoe geleid heeft, dat de vrouw uit de officiële functies werd verdrongen. Met name de invoering van het offerbegrip in het Avondmaal en het daarmee gepaard gaande zware accent op het ambt als priesterlijk-cultische functie en als vertegenwoordiging van Jezus Christus op aarde, waarbij de apostolische successie een rol van grote betekenis vervult, lieten voor de vrouw geen plaats meer.

Sindsdien is dit officieel zo gebleven. In de Codex Juris Canonici - het rooms-katholieke kerkelijk wetboek - staat in canon 968 § 1: 'alleen een gedoopte man kan geldig geordineerd worden'. Deze bepaling is tot op heden toe door de leiding der Kerk niet aangevochten of als een probleem gesteld, al lokte zij b.v. in het begin der zeventiende eeuw reeds een fel protest uit van een goed rooms-katholieke vrouw, Marie de Gournay (1556-1645), die hier hevig tegen fulmineerde.

Toch is er in andere kringen van deze Kerk een sterker wordende stroming te ontdekken, die met de bestaande situatie weinig gelukkig is. De toenemende invloed van de lekenbeweging, de 'nieuwe theologie' en de andere tendensen, die op het 2e Vaticaanse Concilie heel duidelijk aan het woord kwamen, zijn factoren die hierbij van groot belang zijn. Ook al worden deze vragen vooralsnog hoofdzakelijk in het Westeuropese gedeelte der Kerk gesteld, de gehele ontwikkeling wijst onmiskenbaar in de richting van een drang naar herziening van oude tradities.

Het Concilie zelf is hierin al symbolisch voorgegaan, door vrouwen als waarneemsters toe te laten. Ook in de oude Kerk was het wel voorgekomen, dat vrouwen een Concilie bijwoonden, zoals b.v. op het zevende oecumenische Concilie van Nicaea in 787, dat gedurende een deel der zittingen zelfs gepresideerd werd door keizerin Irene! Maar gedurende 1000 jaar daarna was dit niet meer gebeurd. In september 1964 heeft Paus Paulus VI, op aandrang van verscheidene kanten, een 15-tal vrouwen als waarneemsters bij de zittingen uitgenodigd, acht oversten van religieuze orden en zeven leken, waaronder de nederlandse mej. A. M. Roelofsen, de secretaresse van de Internationale Katholieke Vrouwelijke Jeugdfederatie. Hiervoor had o.a. kardinaal Suenens, aartsbisschop van Mechelen-Brussel, onder applaus van de vergadering, al eerder gepleit, omdat de charismata, die aan de vrouw gegeven werden van grote betekenis voor de Kerk zijn en de vrouwen de helft van het mensdom uitmaken!

In oktober 1964 werd de nederlandse Prof. Dr. C. A. E. M. Mohrmann als eerste vrouw benoemd tot consultrix van de Liturgische Raad, een commissie, die belast is met de uitwerking van de door het Concilie besloten liturgische vernieuwing.

In nog een ander opzicht heeft het Concilie een beslissing genomen, die van grote betekenis kan zijn voor de positie van de vrouw in de Kerk. Nog geen week na het besluit om toehoorsters uit te nodigen, besloot het Concilie om een oeroude functie, nl. die der diakenen te herstellen. Tot nog toe was de diakenwijding slechts een formele trap vóór de priesterwijding. Nu zullen echter leken-diakenen een groot deel van het werk van de priester kunnen gaan overnemen, met uitzondering van het opdragen van de mis. Wèl mogen ze dopen, huwelijken inzegenen, het sacrament der zieken bedienen e.d. Tot dit diaconaat zullen ook gehuwde mannen kunnen worden toegelaten. De angst, dat deze beslissing als een precedent gezien zou worden en het traditionele coelibaat der priesters in gevaar zou brengen, heeft tot een amendement geleid dat jonge, ongehuwde mannen, die diaken worden, niet zullen mogen trouwen. Desondanks blijft dit een besluit, dat ook voor de vrouw in de Rooms-katholieke Kerk zeer verstrekkende consequenties kan hebben.

Het eeuwenoude poolijs van de mannelijke traditie gaat aan de randen smeltverschijnselen vertonen en het laat zich niet voorzien met welke snelheid dit proces zich zal voortzetten. Het kon wel eens sneller zijn dan wij denken.

Deze veranderende houding ten aanzien van de vrouw hangt ongetwijfeld samen met de opvattingen van de 'nieuwe theologie', die in de Rooms-katholieke Kerk steeds meer veld wint. Naast vele andere facetten toont deze theologie grote interesse voor de plaats en de functie van de leken in de Kerk, die eigenlijk nooit een kans gekregen hebben om een rol van betekenis te vervullen, omdat alle verantwoordelijkheid bij de geestelijkheid was terecht gekomen. Ook hier blijft men vooralsnog wel een fundamenteel onderscheid tussen de geestelijke stand en het lekendom maken, maar in de zich ontwikkelende nieuwe ecclesiologie (leer van de Kerk) worden heel andere accenten gelegd dan vroeger het geval was. De nadruk b.v. op de Kerk als volk Gods, dat een verantwoordelijkheid draagt voor de wereld, opent nieuwe perspectieven voor een volledige samenwerking tussen geestelijken en leken. Dat deze leken mannen èn vrouwen zijn wordt hierbij zó zwaar beklemtoond, dat een rooms-katholiek theoloog, Y. Congar, het heeft aangedurfd om te zeggen dat dit Concilie dat der bisschoppen is, het volgende dat der leken en het daarop volgende dat der vrouwen zal zijn!

Vanuit deze theologie wordt ook kritiek geoefend op de officiële leraar van de Rooms-katholieke Kerk, Thomas van Aquino, van wiens uitspraken over de vrouw wij er reeds enkele citeerden (blz. 76).

Ook in Nederland heeft dit probleem grote belangstelling. Het Nederlands Katholiek Vrouwendispuut heeft op zijn conferenties het onderwerp: 'De plaats der vrouw in de Kerk' de laatste jaren reeds tweemaal aan de orde gesteld. Hier hebben enkele theologische hoogleraren zeer frappante uitspraken gedaan. Met name Prof. Dr. E. Schillebeeckx O.P. betoogde dat de vraag naar de toelating van de vrouw tot het ambt volkomen open ligt, daar de traditionele argumenten, die er steeds tegen hebben gepleit, volkomen ontoereikend zijn gebleken. Een totaal nieuwe bestu dering van betekenis en functie van het ambt - zo zegt hij - zal nodig zijn om te kunnen uitmaken of misschien ook niet de vrouw in staat is om zowel de gemeente te kunnen vertegenwoordigen bij God als Christus tegenover de gemeente.

Tot ongeveer dezelfde conclusie komt de nederlandse jesuïeten-pater H. van der Meer, die in 1962 bij professor Rahner in Innsbruck op dit onderwerp promoveerde.

Een opvallende herleving van de oud-kerkelijke activiteiten der vrouw is in de laatste tijd merkbaar in enkele westeuropese landen. Met name in Frankrijk en Duitsland zijn duizenden vrouwen - voornamelijk religieuzen, maar ook leken - samen met de parochiegeestelijkheïd werkzaam op het gebied van opvoeding, apostolaat, catechese, armenzorg, jeugdwerk e.d. Het merkwaardige hierbij is, dat zij geen 'hulpjes' van de priester zijn, maar b.v. voor de catechese een rechtstreekse delegatie van de bisschop - die dé eigenlijke catecheet is - ontvangen. Ook in die gedeelten van de Rooms-katholieke Kerk, waar het aantal priesters veel te klein is, b.v. in Zuid-Amerika, zetten vrouwen zich in voor de zielzorg, de evangelisatie, sociaal werk en zelfs voor de liturgische voorbereiding, zodat de priesten er alleen zo nu en dan maar behoeft te komen voor de bediening der sacramenten.

Al zal de Rooms-katholieke Kerk dus voorlopig nog wel geen vrouwelijke priesters hebben, toch is hier een beweging op gang gekomen, die binnen zeer afzienbare tijd het mannelijke gezicht der Kerk wel eens grondig zou kunnen wijzigen.

Litteratuur

Drs Tine Govaart-Halkes, Storm na de stilte (De plaats van de vrouw in de Kerk), Utrecht, 1964.


2. De Oosters-orthodoxe kerken

In dit gedeelte der Christenheid - evenals in de Oud-katholieke Kerk - leeft het vraagstuk van de plaats der vrouw in de Kerk nog bijzonder weinig. Dit hangt ongetwijfeld samen met de totaal verschillende problematiek in de westerse en oosterse Kerken. In het Oosten speelt de devotie een grote rol, de mystiek, de ascese, de vergoddelijking van de mens, en daarom zijn de formele, juridische, dogmatische en ethische vragen, de betekenis van de Kerk voor de wereld e.d. van veel minder belang. In dit opzicht is men sterk geneigd om zich aan de bestaande tradities gebonden te achten. Dit geldt ook nog als een vanzelfsprekendheid voor het exclusief mannelijke priesterschap. De inbreng van deze Kerken in het oecumenisch gesprek op dit gebied is dan ook minimaal. Op verzoek van het Department voor samenwerking van man en vrouw in de Kerk heeft de hoogleraar aan het seminarium voor oosters-orthodoxe priesters in Parijs, prof. Paul Evdokimov, een boek over dit onderwerp geschreven om een inzicht te geven in de visie dezer Kerken op dit vraagstuk. Hieruit blijkt, dat men wel oog heeft voor de verschillende charismata, die door de Heilige Geest aan mannen èn vrouwen geschonken zijn, dat Maria een grote plaats inneemt, maar de mogelijkheid voor de vrouw om als priester te kunnen optreden wordt met een paar korte zinnen afgewezen, omdat deze mogelijkheid volkomen buiten het gezichtsveld dezer Kerken valt. Er wordt eenvoudig geconstateerd, dat de vrouw het charisma voor het priesterschap ten enenmale mist en dat het een verraad aan haar wezen als vrouw zou betekenen wanneer men haar dit op zou dragen.

Ook In andere publicaties, die van deze zijde als bijdrage aan het gesprek binnen de Wereldraad van Kerken verschenen zijn, worden geen wezenlijk verdere stappen gedaan. Men beroept zich op de canon.es der oude Kerk, die op hun beurt weer allerlei voorschriften uit de levitische wetgeving hebben overgenomen, zodat alleen al haar cultische onreinheid (Leviticus 12 en 15: 19vv) haar voor altijd voor het priesterschap ongeschikt maakt. Met een beroep op dezelfde canones, waarin het diaconessen-ambt der oude Kerk nog voorkomt, zou men geneigd zijn iets dergelijks weer in te voeren. Op grond hiervan kan de vrouw in de Kerk van Roemenië vanaf 1949 zitting hebben in een 'parochieraad', waarin haar taak, naast het geven van confirmatie-onderricht, ziekenbezoek en ander barmhartigheidswerk o.a. bestaat in het deel uitmaken van het kerkkoor, bibliotheekbeheer en het schgonhouden van het kerkgebouw ... met uitzondering van het altaar.

Gezien de ambtsopvatting in het Oosten mogen wij aannemen, dat deze meningen algemene instemming vinden. Ook al gaan deze Kerken er hier en daar toe over om bij de ‘randdiensten' vrouwen te betrekken, het ziet er voorlopig niet naar uit, dat men hier rijp is voor een verandering in de bestaande situatie.

Litteratuur:

P. Evdokimov, De vrouw en het heil der wereld, R'dam, 1962.


3. De anglicaanse Kerken

In de moederkerk van het Anglicanisme, de 'Church of England', heeft de vrouw reeds vanaf 1841 op verschillende manieren actief deelgenomen aan het kerkelijk werk. Thans zijn er diverse 'orders', zowel beschouwelijke als actieve. Onder deze laatste zijn er, die zich toeleggen op onderwijs, ziekenhuisarbeid, maatschappelijk werk, zending en gemeentediensten, waarin vrouwen hun gehele werktijd beschikbaar hebben.

Toen in 1862 Dr Tait, de bisschop van Londen, op eigen initiatief Elizabeth Ferard tot eerste 'deaconess' met handoplegging ordende, kwam daarna de kwestie van de toelating van de vrouw tot de een of andere vorm van het ambt voortdurend aan de orde. Nadat eerst in 1919 een uitgebreid rapport was uitgebracht, besloten de Lambeth-conferenties (dit zijn bisschopsconferenties uit de anglicaanse kerken van Engeland, de dominions en Amerika) van 1920 en 1930 'deaconess,' te erkennen als 'de voor vrouw enige rang van het ambt'. Als zodanig draagt zij een geestelijk ambt, dat levenslang duurt en een onuitdelgbaar karakter draagt. Dit werd echter niet zonder meer algemeen aanvaard. De beide 'Convocations' van de bisdommen Canterbury en York bleven discussiëren over de vraag of zij in dit ambt wel wezenlijk behoort tot 'het apostolisch ambt in de kerk van God'. Deze 'deaconess' vervult een specifiek vrouwelijk ambt, dat van de door mannen beklede functies duidelijk onderscheiden is. Zij is beter met onze 'hulppredikster' dan met de ons bekende vrouwelijke diaken of diacones te vergelijken, omdat zij tot taak heeft om lichamelijke en geestelijke bijstand te verlenen, met name aan vrouwen, doop- en confirmatieonderricht te geven, assistentie te verlenen bij de Doop en de zieken-communie, de nooddoop te bedienen, het morgen- en avondgebed te leiden e.d. Dit is de enige officiële functie, die het kerkelijk wetboek aan de vrouw toekent. In deze orde der 'deaconesses' wordt zij, na een theologische opleiding te hebben genoten, met gebed en handoplegging toegelaten. Een aartsbisschoppelijke commissie pleitte reeds in een rapport van 1935 ('The ministry of Women') voor de volledige opname van de 'deaconess' in de geestelijkheid en voor uitbreiding van haar bevoegdheden. Naar het oordeel dezer commissie zal zij gerechtigd moeten worden om op scholen en college's voor meisjes bij het Avondmaal de beker uit te reiken en verder alle bevoegdheden moeten krijgen, die ook aan de mannelijke leken zijn toegestaan. De meerderheid van deze resoluties is in de jaren 1939 en 1940 door beide huizen aangenomen, maar nog niet volledig tot uitvoering gekomen.

De openstelling van het volledige priesterschap voor de vrouw heeft tot dusver nog geen meerderheid kunnen vinden. De commissie, die reeds in 1935 een onderzoek naar dit vraagstuk had in te stellen, moest echter al verklaren, dat zij geen theologische gronden had kunnen vinden waarop de toelating van de vrouw zou dienen te worden afgewezen. Uitsluitend de traditie - zo verklaarde zij - had hier tot nu toe de doof slag gegeven, die, samen met de algemeen heersende opinie, als de leiding van de Heilige Geest werd gezien. De aandrang om deze traditie te herzien wordt echter in de laatste tijd steeds sterker. In 1949 gaf R. W. Howard in zijn boek: 'Should women be Priests?' (Kunnen vrouwen priester zijn?') en in 1954 E. Picton-Turberville in 'Should Women be Priests and Ministers?' (Kunnen vrouwen priesters en predikanten zijn?') op deze vraag een bevestigend antwoord en vonden hierin de bijval van velen.

Er zijn met name drie oorzaken aan te wijzen waarom de anglicaanse kerken in de laatste tijd steeds nauwer bij dit probleem betrokken worden.

In de laatste wereldoorlog verief de bisschop van Hongkong een 'deaconess in het prriesterschap, met een beroep op de noodzaak om het pastorale werk voortgang te doen vinden. Hoewel de betreffende 'deaconess' later weer tot haar vorige werkkring terugkeerde, vond de bisschop steun bij de toenmalige aartsbisschop van Canterbury, William Temple. Dit feit heeft vele Anglicanen over deze kwestie aan het denken gezet.

Het tweede feit, waardoor dit denken gestimuleerd werd, was het verzoek aan de Lambeth-Conferentie in 1948 van de anglicaanse Kerk in China om gedurende een proeftijd van twintig jaar de mogelijkheid te scheppen om 'deaconesses' als priester te laten fungeren. Een commissie van veertien bisschoppen werd aangewezen om advies hierover uit te brengen. Zij kwam niet tot een principiële afwijzing, maar concludeerde dat men niet een incidentele oplossing moest geven, doch dat dit een zaak van de gehele anglicaanse kerkgemeenschap moest zijn.

Een derde stimulans om zich met dit probleem bezig te houden kwam voor de Anglicanen uit de (lutherse) Kerk van Zweden, waarmee reeds eeuwen lang zeer nauwe relaties worden onderhouden, omdat deze laatste Kerk nog bisschoppen kent, die in de apostolische successie staan. Toen deze in 1958 vrouwen tot het ambt toeliet (zie blz. 106) kwam men in anglicaanse kringen voor de vraag te staan of men de in feite bestaande intercommunie (het wederzijds toelaten van de leden tot het Avondmaal) wel kon handhaven als een vrouw dit bediende.

Om al deze redenen is in de kringen van het Anglicanisme een hernieuwde bezinning gaande op het wezen van het ambt en met name op de vraag of en hoe de vrouw hierin kan worden toegelaten. Men denkt voorlopig schijnbaar niet zozeer aan een toelating tot de bestaande ambten als wel aan een uitbreiding van hun aantal, om zich aan de veranderde situatie in de wereld aan te passen. Deze nieuwe ambten zullen als 'volledige' ambten worden erkend en daarin zullen ongetwijfeld ook vrouwen haar plaats vinden.

Het is waarschijnlijk met deze achtergrond dat de aartsbisschoppen van Canterbury en York in 1963 de opdracht gaven aan een commissie - ook in 1920 en 1936 waren er al dergelijke commissies benoemd om 'de verschillende redenen te bestuderen, die de ordinatie van vrouwen verhinderen en het priesterschap voor haar ontoegankelijk maken'. Op het eerste gezicht lijkt deze omschrijving nogal negatief, maar is zo beslist niet bedoeld. Met een zekere spanning wordt naar de resultaten dezer studie uitgezien.

Vrouwen zijn nu al wel sterk vertegenwoordigd in allerlei nietambtelijk werk, tot in het 'Huis der leken' toe, dat deel uitmaakt van het hoogste besturende lichaam der Kerk: de 'Church Assembly'.

In de Episcopaalse Kerk van Schotland is de situatie praktisch dezelfde als die in de Kerk van Engeland.


4. De. protestantse Kerken

Het zal ons niet verwonderen, dat we in de veelheid der protestantse Kerken een grote verscheidenheid van standpunten aantreffen ten aanzien van de plaats en de functie der vrouw. Dit hangt uiteraard samen met uiteenlopende tradities, nuanceringen in de Schriftbeschouwing, ambtsgedachte, volksaard en nog een groot aantal andere factoren meer.

Het is niet de bedoeling om hier een volledig overzicht te geven van de huidige situatie in alle kerken. Ware dit mogelijk, dan zou het nog van zeer betrekkelijke waarde zijn, omdat het slechts een momentopname zou geven van een ontwikkeling, die met grote snelheid gaande is. Het aantal Kerken, dat nog niet officieel met dit probleem geconfronteerd wordt slinkt zienderogen. Veelal probeert men tussenoplossingen te zoeken en overgangsmaatregelen te nemen, die echter na korter of langer tijd toch niet blijken te bevredigen, zodat men verdergaande stappen gaat doen.

Om een indruk van deze dynamische ontwikkeling te geven volgt hieronder een aantal van deze momentopnamen.

In de lutherse Kerken is een merkwaardig verschil te ontdekken tussen die van het europese continent en die van de Verenigde Staten. Terwijl men zou verwachten dat de grootste mate van progressiviteit in Amerika gedemonstreerd werd, is juist het tegendeel het geval. De vraag naar de vrouw in het volledige ambt wordt daar in deze Kerk nog in vrij grote meerderheid negatief beantwoord. In Europa daarentegen is men volop bezig ruimte te scheppen voor haar dienst.

In Duitsland b.v. is in vrijwel alle 'landskerken' een mogelijkheid geschapen om de vrouw aan het werk deel te laten nemen. Omdat ieder van deze meer dan dertig Kerken haar eigen houding zelfstandig kan bepalen, vinden we hier een grote veelheid van oplossingen. Naast diaconessen, gemeentezusters, godsdienstleraressen, kerkelijke jeugdleidsters e.d. zijn er honderden academisch gevormde vrouwelijke theologen werkzaam. Reeds in de twintiger jaren begonnen verscheidene landskerken haar positie officieel te regelen zodat er vanaf die tijd 'Pfarrgehilfinnen', 'Pfarr(amts) helferinnen' en 'Vikarinnerf aangesteld konden worden, die aanvankelijk vrijwel het gehele predikantswerk mochten doen, met uitzondering evenwel van de bediening van Woord en Sacramenten. Gedurende de oorlogsjaren begon hierin verandering te komen. Door de afwezigheid van vele mannelijke predikanten was men vaak gedwongen om vrouwen als 'Vikar-Pfarrer' te ordenen, die het volledige gemeentewerk - soms zelfs van tien gemeenten tegelijk - voor haar rekening kregen. In de na-oorlogse jaren heeft dit hier en daar bepaalde spanningen teweeggebracht, enerzijds omdat de vroegere predikanten weer op hun plaats terugkeerden, anderzijds omdat de noodsituatie in de oorlog niet voldoende gelegenheid had geboden om haar positie bijbels-theologisch te doordenken. Deze latere bezinning heeft er echter in vele gevallen toe geleid, dat zij de mogelijkheid heeft gekregen om volledjg als predikant te worden geordend. Dit is vooral het geval in de geünieercte Kerken, waarin lutheranen en gereformeerden verenigd zijn. De Raad van de evangelisch-geünieerde Kerken van Duitsland, waarin zeven van deze landskerken zijn opgenomen, heeft principieel besloten tot toelating van de vrouw tot het ambt. Dit besluit moet echter door de aangesloten Kerken afzonderlijk goedgekeurd worden, hetgeen door sommigen reeds is gedaan, b.v. in Rijnland, waar 39 'Vikarinnen tegelijk als predïkant bevestigd werden. Ook de landskerken in Oost-Duitsland, die veelal in een noodsituatie zijn terecht gekomen, gaan hier in steeds grotere mate toe over. Veelal legt men aan de vrouwelijke predikanten nog enige beperkingen op, bij wijze van overgangsmaatregel. Soms bestaan deze hierin, dat zij slechts beroepen kan worden in gemeenten, waar reeds minstens twee mannelijke predikanten werkzaam zijn (Rijnland b.v.) of dat zij slechts predikant kan zijn zolang zij ongehuwd blijft (Hessen-Nassau). Soms worden haar bepaalde werkzaamheden ontzegd (b.v. in Saksen, waar zij tot alles bevoegd is, behalve het afnemen van geloofsbelijdenis, huwelijksinzegening en het leiden van begrafenissen!), terwijl in andere gevallen in een 'Pastorinnengesetz' haar werk als een eigensoortig ambt wordt omschreven (Thüringen en Hannover). In Oost-Berlijn is men bezig te experimenteren met een vorm van gemeentepastoraat. Hier worden drie mannelijke en één vrouwelijke predikant in 'team-work' ingezet. Telkens is er één in de wijk werkzaam, terwijl de drie anderen overdag een ander beroep uitoefenen. Samen bespreken zij echter de problemen en bereiden het gemeentewerk voor, terwijl zij ook afwisselend de kerkdiensten leiden. Van de ruim 600 theologisch gevormde vrouwen, die in de evangelische Kerken van Duitsland werkzaam zijn, dragen er thans 357de naam 'Pastorin' of 'Pfarrerin' en hebben dus de officiële predikantsbevoegdheid. Dat de haar geboden nieuwe mogelijkheden stimulerend op de vrouw werken, wordt bewezen door het feit, dat het aantal vrouwelijke theologische studenten in veel gevallen relatief zeer aanzienlijk is. Waarschijnlijk is dit mede de oorzaak, dat de 'Evangelische Bond van Academici' zich in 1964 tot de leidinggevende organen der landskerken gewend heeft met het dringend verzoek om de predikantsbevoegdheden zonder enige restrictie aan vrouwelijke theologen te verlenen.

In de plaatselijke kerkeraden, in regionale en landelijke synoden en in de Synode van de Evangelische Kerk van Duitsland hebben vrouwen al geruime tijd zitting.

In de Scandinavische landen, waar de lutherse Kerk Staatskerk is, liggen de problemen weer wat anders.

In Denemarken werken ongeveer duizend diaconessen, uitgaande van drie moederhuizen, als verpleegsters en gemeentezusters. Zij vervullen weliswaar geen kerkordelijk geregelde functie, maar zijn toch officieel als arbeidsters der Kerk erkend.

De zaak van de vrouwelijke predikant is hier op een enigszins brute wijze opgelost, zonder dat de Kerk hier nog volledig rijp voor was. Een voorstel om haar hiertoe bevoegd te verklaren werd namelijk aan het parlement voorgelegd, dat - tegen het advies van de meerderheid der Kerk in - dit voorstel in 1947 aanvaardde. Van de negen bisschoppen was er aanvankelijk slechts één - die van Odense - bereid om ook werkelijk een vrouw te ordenen, hetgeen in april 1948 met een drietal geschiedde. De andere bisschoppen weigerden dit te doen, maar verklaarden wèl vrouwelijke predikanten in hun diocees te zullen accepteren. Hoewel een aantal mannelijke predikanten gedreigd had hun ambt te zullen neerleggen, wanneer zij vrouwelijke collega's kregen, heeft geen hunner dit in werkelijkheid gedaan. Thans zijn er twaalf vrouwen als predikant werkzaam en is er nog slechts één bisschop, die principieel weigert om vrouwen te ordenen. De spanningen, die rond 1950 over deze kwestie bestonden, zijn sterk verminderd en thans wordt de predikante vrij algemeen aanvaard.

In Noorwegen benoemde de bisschopsconferentie in 1936 een commissie, die in haar rapport van 1938 voorstelde om in de noorse Kerk een apart vrouwen-ambt te creëren, dat zich vooral zou bezig houden met de zielzorg. De Rijksdag, die dit voorstel te beoordelen kreeg, ging echter verder en stelde in datzelfde jaar alle staatsambten inclusief het predikantsambt volledig voor de vrouw open, met deze beperking evenwel, dat de regering slechts daar een predikante kon benoemen, waar de gemeente daarmee instemde. In 1956 wilde de regering deze beperking laten vervallen, teneinde zonder voorbehoud de verklaring over de 'Rechten van de mens' van de Verenigde Naties, waarbij alle discriminatie o.a. in verband met sexe wordt afgewezen, te kunnen handhaven. Deze opvatting van de regering werd door twee van de negen noorse bisschoppen gedeeld.

Wellicht mede door deze weinig kerkelijke gang van zaken is de animo de Noorse vrouwen om haar Kerk in dit ambt te dienen nog niet bjjster groot en is de weerstand hiertegen nog vrij sterk. Toch werkt hier een vrouw als predikant op het waarschijnlijk meest noordelijke plekje ter wereld, nl. dominee Ingrid Bjaerkas - de echtgenote van een bankier in ruste - op het eiland Senja in de Noordelijke IJszee, voor welke plaats geen man te vinden was en die haar werk per boot en watervliegtuig moet doen.

In Zweden is de verhouding van Kerk en diaconessen nog object van studie, al wordt haar werk reeds vanaf 1920 als kerkewerk erkend. Zij worden met een door de kerkorde voorgeschreven liturgie door de bisschop tot haar werk ingezegend.

In 1920 werd reeds aan de bisschopsconferentie verzocht de vrouw als predikant toe te laten. Op grond van de traditie werd dit toen geweigerd. In de lutherse Kerk van Zweden bestaat namelijk nog de apostolische successie der bisschoppen, waardoor o.a. avondmaalsgemeenschap met de anglicaanse Kerk mogelijk is.

Vooral echter door de dreigende vervreemding der vrouw van de Kerk, diende Dr Björkquist in 1938 een voorstel in tot instelling van een speciale vrouwendienst, die zich voornamelijk met de dringend noodzakelijke zielzorg aan vrouwen zou moeten bezighouden. De minderheid van een terzake ingestelde koninklijke commissie verklaarde zich met dit voorstel accoord, maar de meerderheid sprak zich uit voor de volledige openstelling van het ambt voor de vrouw en stelde een nieuw wetsartikel voor, om de vrouw als predikant toe te laten in gemeenten, waar minstens één mannelijke predikant naast haar staat, terwijl zij in de andere kerkelijke diensten geheel met de man gelijkgesteld zal zijn. In 1958 viel tenslotte de beslissing ten gunste van de vrouw uit, zodat in 1960 de eerste drie vrouwelijke predikanten geordend konden worden, terwijl er thans negen zijn, waarvan één getrouwde vrouw, wier echtgenoot zelf aan de bevestiging deelnam. De laatste die geordend werd (eind 1964) heeft geen volledige academische opleiding gehad, maar was gemeente-assistente en verwierf haar theologische kennis door zelfstudie. Dit alles heeft echter ten gevolge gehad, dat tenslotte negen predikanten hun ambt hebben neergelegd, niet zozeer op bijbelse gronden als wel door de hoog- kerkelij kejgedachte, dat nu de intercommunie met de anglicaanse Kerk verbroken dreigde te worden en de traditie van eeuwen werd aangetast. Overigens zijn de ervaringen met de vrouwelijke predikant hier zo goed, dat rnen in enkele gemeenten er al toe overgaat om bepaalde taken in de zielzorg liever aan een vrouw dan aan een man op te dragen.

De finse Kerk is inzake het vrouwelijke diaconaat één van de meest progressieve van Europa. Volgens Synodebesluit van 1943 moet namelijk iedere gemeente diaconessen in dienst hebben, die volledig als draagsters van een ambt erkend worden en haar opleiding in diaconessenhuizen ontvangen. In elk der zes bisdommen is een predikant speciaal met het werk van het diaconaat belast.

Hoewel er in Finland meer dan 300 vrouwelijke theologische studenten zijn, hebben deze vooralsnog weinig meer kans dan om als leraressen godsdienstonderwijs op scholen te mogen geven, daar zij nog geen mogelijkheden hebben om als volledig predikant haar Kerk te dienen. Toch is er sinds begin 1964 voor haar een apart ambt ingesteld, namelijk dat van 'lektorin' terwijl het niet onmogelijk geacht moet worden dat zij binnenkort als volwaardig predikant zullen kunnen optreden. De weerstand hiertegen is namelijk snel aan het verminderen. Terwijl dit in 1959 nog met een overweldigende meerderheid werd afgewezen, was in 1964 de stemmenverhouding gewijzigd in 63 tegen en 55 vóór.

In Oostenrijk zijn in de laatste tien jaar ook belangrijke veranderingen gaande. Tot 1951 bezat de vrouw hier zelfs nog geen kiesrecht. In dat jaar is haar evenwel zowel het actieve als het passieve kiesrecht toegekend, met dien verstande echter, dat het aantal vrouwen in de kerkelijke bestuurscolleges beperkt wordt tot maximaal een vierde deel van het totaal aantal leden. De Synode der Evangelische Kerk heeft nog niet kunnen besluiten om de vrouw volledig als predikant toe te laten, al kent deze Kerk al wel een aantal vrouwelijke functionarissen.


In de meer hervormd-presbyteriaal ingerichte Kerken verkeert de positie van de vrouw ook al in allerlei stadia van ontwikkeling. Al zijn hier in veel gevallen nog geen definitieve beslissingen genomen, elke Kerk van enige omvang is of wordt met deze kwestie geconfronteerd. Ook hiervan kunnen wij slechts enkele illustraties geven.

In Schotland komt - met uitzondering van de Free Church, die nog geen 200 (meestal kleine) gemeenten telt en waar de vrouw zelfs nog geen stemrecht heeft - het punt 'de positie der vrouw' regelmatig op de agenda der kerkelijke vergaderingen voor. De Church of Scotland was de eerste Kerk, die de dienst der 'deaconess' officieel erkende en haar in een ambt bevestigde (1888). De 'Orde der diaconessen' vindt haar taak in zending, apostolaat, sociaal werk, ziekenverpleging, pastoraat enz.

Van de toelating tot het ouderlingschap is de vrouw hier niet ver af geweest. Een in 1926 door de 'United Free Church' nog praematuur geacht voorstel hiertoe kwam in 1931, na de hereniging met de Church of Scotland, weer ter sprake in de General Assembly (Algemene Kerkvergadering). Het gevolg van de besprekingen hierover was de opstelling van een rapport, waarin werd aanbevolen de vrouw toe te laten tot het diaconaat, terwijl de meerderheid van de rapporteurs eveneens bereid bleek om de beletselen ten aanzien van het ouderlingschap voor de vrouw weg te nemen. Het eerste voorstel werd in 1934 door de Assembly aanvaard, het tweede verworpen. Tien jaar later echter waren ook de bezwaren hiertegen zodanig verminderd, dat de Assembly hiertoe bereid bleek. De kerkeraden en andere adviserende instanties wezen het echter in meerderheid af, zodat het voorstel werd ingetrokken. Dit betekende echter geen afstel, want in 1959 verscheen een nieuw rapport, dat de gehele positie der vrouw in de Kerk aan de orde stelde, de toelating der vrouw tot het ambt van ouderling bepleitte en - terecht - de vraag opwierp wat de principiële rechtvaardiging is van het feit, dat zij in sommige gevallen (b.v. de 'deaconess') wèl bevoegd is tot de prediking van het Woord, maar niet tot de bediening der Sacramenten. Na vele besprekingen werd tenslotte het desbetreffende voorstel door de 1500 leden tellende Assembly verworpen, maar . .. door staking der stemmen!!

Daar de vrouw hier nog niet als predikant is toegelaten, vormt dit feit voorlopig nog één van de beletselen voor een hereniging met de 'Congregational Union of Scotland'.

Buiten de ambtelijke vergaderingen speelt de vrouw een steeds grotere rol, zowel in gemeentelijk als in algemeen-kerkelijk werk, waarvan de invloed zich ongetwijfeld zal doen gelden op het verdere beraad over haar officiële positie.

De kleine 'United Free Church' die zich in 1929 niet wilde verenigen met de Church of Scotland en die overigens nogal tamelijk traditionalistisch is ingesteld, liet de vrouw reeds in 1930 als predikant toe, en één van haar trad in 1960 als 'moderator' (presidente) der Synode op. De presbyterianse Kerk in Engeland nam in 1956 het besluit om de vrouwjoe te laten al predikant.

De 'Église Reformée de la France' laat de vrouw reeds geruime tijd toe tot de kerkekelijke gemeenteraden ('conseils de paroisse') en synoden, die hier niet volledig uit ambtsdragers bestaan. Na eerst enkele voorbereidende mogelijkheden voor haar geopend te hebben, werd zij later, op gelijke voet met de man tot het volledige predikantsambt toegelaten, zij het onder enkele beperkende voor-waarden. Alleen een ongehuwde vrouw kan dit ambt bekleden en wanneer zij trouwt moet zij ontslag vragen, anders wordt het haar verleend. Op verzoek van een plaatselijke kerkeraad kan echter, in bijzondere omstandigheden, aan een weduwe of aan een gehuwde vrouw tijdelijk toestemming worden verleend om godsdienstoefeningen te leiden. In 1961 heeft de Hervormde Kerk van Elzas-Lotharingen zich aan deze regelingen geconformeerd.

In Zwitserland ligt de situatie nogal gecompliceerd, omdat de Kerken in de19 kantons hier geheel zelfstandig zijn en dus tot uiteenlopende beslissingen kunnen komen, hetgeen ook in feite het geval is. Momenteel zijn er 15 kantonale Kerken waar vrouwen stemrecht hebben en vertegenwoordigd zijn in alle bestuursorganen dezer Kerken, zodat b.v. in Schaffhausen een vrouw als voorzitster van de Synode op kon treden.

In 6 van deze kantons staat thans het predikambt voor de vrouw open, o,a. in Zürich, waar in 1963 twaalf vrouwelijke theologen als predikant bevestigd werden van wie er enkele gehuwd zijn. Zij zijn volledig in het ministerie van predikanten opgenomen. Drie van deze Kerken leggen haar nog enkele beperkende bepalingen op. In één kanton heeft men een apart 'vrouwenambt' ingesteld. Als voorbeeld van de overal bezig zijnde ontwikkeling kan het kanton Bern gelden. In 1940 werd het ambt voor de vrouw opengesteld onder dezelfde voorwaarden als thans nog in de Ned. Herv. Kerk gelden: voor elk geval moest een aparte goedkeuring gegeven worden. In 1953 stond men het zonder deze autorisatie toe voor gemeenten, waar ook één of meer mannelijke predikanten werkzaam waren, en in 1963 werd ook deze beperking opgeheven! Dat deze zaak in de loop der jaren ook in de gemeenten is gaan leven, bleek bij de stemming over deze zaak onder de leden der Kerk, waarvan zich ruim 12.000 vóór en slechts ruim 1.000 tegen verklaarden.


Deze tamelijk willekeurig gekozen voorbeelden zijn typerend voor een ingrijpende wijziging, die zich bezig is te voltrekken. Was dit probleem enkele tientallen jaren geleden nog vrijwel nergens actueel te noemen, momenteel ontkomt vrijwel geen enkele Kerk eraan om er zich mee bezig te moeten houden.

Ook in landen, waar de Protestanten zeer kleine minderheden vormen, wordt er over gediscussieerd, zoals b.v. in Italië, waar het protestantse blad 'La Luce' enkele malen uitvoerig aandacht aan deze materie heeft gegeven. Door de Synode van de Protestantse Kerk in België werd in 1964 met grote meerderheid besloten om twee vrouwelijke theologen beroepbaar te verklaren. Ook weer onder het nodige voorbehoud - de cijfers dateren van 1958 en sindsdien is de houding van verscheidene Kerken al weer veranderd - laten van de 41 hervormd-presbyteriale Kerken, die Hd van de Wereldraad zijn, er 9 vrouwen toe tot het volledige predikantsambt, terwijl 6 van de 19 Zwitserse kantonale Kerken dit eveneens doen. Enkele Kerken doen dit nog slechts in bepaalde gevallen, terwijl er 25 nog niet zover zijn. Van deze 41 Kerken laten 19 wèl vrouwen toe tot het ambt van ouderling, terwijl er nog slechts 11 helemaal geen vrouwelijke ambtsdragers kennen.


In de andere werelddelen verschilt de situatie in het algemeen niet wezenlijk met die van de europese Kerken.

In de Verenigde Staten, die ± 300 verschillende kerkgemeenschappen tellen, bestaat een grote verscheidenheid ten aanzien van de aan de vrouw geboden mogelijkheden haar Kerk te dienen. Van de reeds besproken Kerk-typen laten de Protestantse Episcopale Kerk (± 2.400.000 leden) en de Lutherse Kerken (samen ± 4.800.000 leden) nog geen vrouwen tot het volledige ambt toe. Dit is sinds 1956 wèl het geval in de Presbyteriaanse Kerk der Verenigde Staten (± 2.000.000 leden) waar dit in 1930 en 1947 nog afgewezen was.

Vele andere Kerken passen niet in het patroon episcopaal-presbyteriaal, maar hebben vaak een eigen opvatting van het ambt, waardoor cijfers over vrouwelijke ambtsdragers slechts een betrekkelijke waarde hebben. Men onderscheidt veelal aan het eind van de theologische studie de volgende drie mogelijkheden: 'licensed' ('gediplomeerd') 'ordained' (gewijd) en 'pastor' (predikant met aanstelling). Binnen deze drie mogelijkheden zijn ook nog weer allerlei variaties aanwezig, zoals b.v. bij de Methodisten waar tot 1956 de vrouwelijke pastors 'plaatselijke predikers' waren en de mannelijke 'predikanten', hoewel ze overigens dezelfde bevoegdheden hadden.

Met deze reserve ten aanzien van de ambtsopvatting, geef ik de laatste mij bekende cijfers, waarbij moet worden bedacht dat niet alle Kerken op de desbetreffende enquête hebben geantwoord. In de Verenigde Staten zijn ruim 3.000 vrouwelijke predikanten met volledige bevoegdheid, die een eigen gemeente dienen. Daarnaast zijn er nog ruim 6.000, die 'licensed' of 'ordained' zijn, maar die werken als hulppredikster, godsdienstonderwijzeres, zendelinge e.d. De enquête - die overigens ook aan het licht bracht, dat er in de Verenigde Staten vrouwelijke rabbijnen voorkomen! - wees uit, dat 8 Kerken vrouwelijke candidaten wel hun diploma gaven, maar nog niet de bevestiging tot predikant en dat 7 Kerken haar een speciale status toekenden, d.w.z. een eigen ambt voor haar hadden.

Verscheidene van de grootste Kerken der Verenigde Staten laten haar volledig toe, zoals b.v. de Methodjst Church' (ruim 8.000.000 leden), waar zij tot 1956 slechts beperkte bevoegdheden had, in het merendeel der 'Baptist Churches' (samen ruim 13.500.000 leden) de 'Congregational Church' (ruim 1.000.000 leden) en de 'Disciples of Christ' (l .700.000 leden). De protestantse Kerk met het grootste aantal vrouwelijke predikanten is de 'Church of God', waar er meer dan 1100 werkzaam zijn. In gemeenschappen waar het ambtsbegrip nauwelijks of helemaal geen rol speelt, zoals b.v. in het Leger des Heils en bij de Quakers is de gezamenlijk gedragen verantwoordelijkheid van man en vrouw als vanzelfsprekend aanvaard.


Vrijwel in alle Kerken zijn de vrouwen vertegenwoordigd in plaatselijke kerkeraden en regionale bestuurscolleges, terwijl zij in het 'niet-ambtelijk' werk een bijzonder grote rol spelen.

Bij de vraag naar de oorzaak van de hier en daar nog vrij sterke tegenstand tegen de toelating der vrouw, bleken in enkele Kerken schriftuurlijke bezwaren doorslaggevend te zijn, maar de grote meerderheid der bezwaren was van praktische aard: de te zwakke stem der vrouw, vooral in grote kerkgebouwen, de moeilijkheden bij het pastorale werk, het huisbezoek in de avonduren e.d., dus van weinig principiële betekenis.


In Azië en Afrika volgden oorspronkelijk de jonge Kerken ten aanzien van de vrouw veelal dezelfde praktijk als de Kerken uit wier zendingswerk zij ontstonden. In de laatste tientallen jaren blijkt dit proces hier echter veel sneller te verlopen dan in de europese Kerken het geval is. Met name geldt dit het diaconaat, maar ook ten aanzien van de andere ambten gaat dit in steeds groeiend tempo. De traditionele vooroordelen tegen de vrouw in het ambt bestaan hier namelijk meestal niet en het is daar uiteraard moeilijk duidelijk te maken dat het Evangelie wèl op sociaal en ander terrein de gelijkwaardigheid van man en vrouw predikt, terwijl er juist in de Kerk een discriminatie zou moeten blijven bestaan. De voortgaande zelfstandigwording der jonge Kerken heeft dan ook in vele gevallen reeds geleid tot een volledige openstelling van de ambten.

Dit is het geval in de meeste Kerken van Indonesië, waar men in het algemeen wel de drie ambten van diaken, ouderling en predikant heeft overgenomen, maar waar deze niet zo streng onderscheiden zijn als bij ons het geval is. Dit geldt met name de grens tussen de ouderling en de predikant omdat door het gering aantal predikanten de ouderling vaak de kerkdiensten moet leiden. De meeste Kerken laten vrouwen in de kerkeraden toe, soms uitdrukkelijk in de kerkorde genoemd, soms ook als vanzelfsprekend onder 'lidmaten' begrepen. Daarom maakt men van de vrouwelijke predikant in veel gevallen dan ook geen principiële kwestie, maar is net meer een zaak van de beschikbaarheid van theologisch gevormde vrouwen. Waar die aanwezig zijn, is men in de meeste gevallen bereid om haar als predikant te aanvaarden. In de laatste tijd worden er steeds meer meisjes door haar Kerken naar de theologische scholen gezonden, zodat te verwachten ïs dat binnen enkele jaren de meeste Kerken vrouwelijke predikanten zullen hebben. Dit is thans o.a. reeds het geval in de Molukse Protestantse Kerk, de Timorese Evangelisch Christelijke Kerk, de Minahasische Evangelisch Protestantse Kerk, de Christelijke Kerk in Midden-Celebes, de Oost Javaanse Christelijke Kerk en de Protestantse Kerk van westelijk Indonesië. Sedert 1956 is mevrouw Manuputty-Manusama rectrix van de theologische school van Makassar.

Het diakenambt is in de meeste Indonesische Kerken niet tot bijzonder grote ontwikkeling gekomen omdat - veel meer dan in het Westen het geval is - de sociale zorg wordt overgenomen door de familie en hier zelden een andere instantie voor te hulp geroepen zal worden. Waar dit ambt echter functioneert staat het in de meeste gevallen open voor de vrouw, zoals b.v. sinds 1962 in de Christelijke Kerk van Soemba, die voortgekomen is uit de zending van de Gereformeerde Kerken in Nederland.

In de 'Verenigde Kerk van Christus' in Japan, waarin presbyterianen, congregationalisten en methodisten verenigd zijn, neemt het officiële aandeel der vrouw in het kerkewerk snel toe. De sociale gelijkstelling van man en vrouw, die sinds de oorlog bezig is zich te realiseren, wordt ook in de Kerk toegepast, zodat er thans reeds enkele honderden vrouwen tot het ambt zijn toegelaten, die vooral werkzaam zijn in het pastoraat.


5. De diaconessen

Een vernieuwing van het protestantse vrouwelijke diaconaat vond in de vorige eeuw in Duitsland plaats. Invloed van de herleving van allerlei vrouwenarbeid in de Rooms-katholieke Kerk, maar vooral het vele, in de vrijheidsoorlog verrichte liefdewerk, opende veler ogen voor de geweldige betekenis, die haar dienst in de Kerk zou kunnen hebben. Het was Theodoor Fliedner, wien het gelukte om dit te realiseren. Tijdens een collectereis voor zijn gemeente kwam hij in Nederland in contact met de diaconessen der Doopsgezinden (zie blz. 87) en het gevolg hiervan was, dat hij in 1836 in Kaiserswerth een diaconessenhuis opende met aanvankelijk één diacones: Gertrud Reichardt, Al heel spoedig kon er echter uitbreiding aan gegeven worden en vond dit werk overal navolging.

Kaiserswerth werd het moederhuis van een diaconessengemeenschap, die zich tot allerlei werk bereid verklaarde: gemeente-arbeid, ziekenzorg, jeugdwerk, in opvoedingsgestichten, kortom tot hulp in alle nood. Fliedner wilde hiermee het apostolisch diaconessenambt herstellen en daarom zegende hij de zusters ook in. Het gebrek aan Kerkbesef, dat zijn stempel op zoveel werk der negentiende eeuw heeft gedrukt, o.a. ook op de zending, was er echter de oorzaak van, dat deze oplossing uit kerkelijk oogpunt niet geheel bevredigend kon zijn. De bevoegdheid om mee dit 'ambt' te bekleden moest hij namelijk aan zijn 'huisgemeente' in het moederhuis ontlenen, zonder dat de Kerk dit ambt kerkrechtelijk had erkend. Hij moest zich slechts tevreden stellen met het opnemen van enkele kerkelijke functionarissen in het bestuur van het huis om althans een zekere kerkelijke basis te hebben.

Hierdoor is de kerkelijke positie der diacones vrijwel overal enigszins zwevend gebleven en kan Fliedners oplossing niet als geheel bevredigend worden beschouwd, ook al heeft zijn werkin vele landen navolging gevonden. Dit geschiedde vooral door de vele reizen, die Fliedner gemaakt heeft zowel door Europa als naar Noord-Amerika en zelfs naar Jeruzalem. Bij zijn dood in 1864 bestonden er reeds 30 moederhuizen met 1600 diaconessen in 4 werelddelen, die onderling vaak een enigszins uiteenlopend karakter hadden.

In Nederland kwam het eerste huis in Utrecht tot stand (1844). Dit gebeurde onder invloed van het Réveil, waardoor het geen verwondering wekt, dat de kerkelijke status der diacones in het geheel niet als een belangrijk punt aan de orde werd gesteld. In de oprichtingscirculaire van januari 1844 lezen we: 'voegzaam kunnen zulke zusters met de naam van Diakonessen worden bestempeld; een naam, die niet moet strekken ter aanduiding van een bepaalde bediening of waardigheid in de gemeente ...' Toch deed zij veel en veelzijdig kerkelijk werk in het diaconaat: onder armen, zieken, gevangenen en gevallenen, in de 'Inwendige Zending' enz. Een poging om haar kerkelijke positie beter te regelen werd in Arnhem gedaan, waar de kerkeraad der Hervormde Gemeente in 1883 een huis stichtte, maar de uitvoering van het werk aan een vereniging, met twee kerkeraadsleden in het bestuur, overdroeg, terwijl de directeur predikant voor bijzondere werkzaamheden was. Door deze personele unie dacht men als gemeente, evenals Amsterdam dit in 1566 deed, het 'diaconessenambt' te kunnen herstellen en sprak men van 'inzegening der diaconessen van de Nederduitse Hervormde Gemeente'. Uiteraard is het in de huidige situatie een kerkrechtelijke onmogelijkheid, dat een plaatselijke gemeente een 'ambt' aan de drie, die in de Kerkorde genoemd zijn, toevoegt, zodat ook deze poging, hoe goed bedoeld ook, niet als bevredigend en geslaagd kan worden gezien.

In de laatste tijd wordt echter overal het streven sterker om de band met de Kerk nauwer aan te halen en hierin, zo mogelijk, een erkende plaats voor de diacones te vinden. Door het historisch groeiproces liggen hier vele moeilijkheden, o.a. omdat vele huizen een interkerkelijk karakter hebben gekregen. In de huidige Kerkorde der Ned. Herv. Kerk is de mogelijkheid geopend, dat de diacones persoonlijk of de diaconessen gemeenschappelijk in een diaconale bediening gesteld worden (Ord. 15-5-9v). Ook internationaal bestaat de tendens om tot nauwere samenwerking te komen. In 1946 werd op de Internationale Conferentie van Diaconessenhuizen als één van de conclusies geformuleerd: 'De diaconessenhuizen zien hun arbeid als een functie der Kerk, tot getuigenis van Jezus Christus. Waar dit mogelijk is trachten zij de kerkelijke erkenning van de Diaconessenhuizen of -gemeenschappen en de kerkelijke inzegening der diaconessen tot haar bediening te verkrijgen'. In hoeverre dit tot nu toe gerealiseerd is, hebben wij bij het overzicht van de positie der vrouw in de buitenlandse Kerken in bepaalde gevallen al kunnen zien.

Naast de 'Kaiserswerther General Konferenz', waartoe behalve duitse ook zwitserse en Scandinavische huizen behoren, die de Kaiserswerther regel volgen, bestaat thans de oecumenische bond 'Diakonia', waarin o.a. de nederlandse en de engelse diaconessen-gemeenschappen verenigd zijn. 'Diakonia' is thans bezig de band met de Wereldraad van Kerken te verstevigen, vooral met het oog op het werk van de departementen voor het onderling hulpbetoon der Kerken en voor de samenwerking van man en vrouw.


6. De Wereldraad van Kerken

Reeds op de eerste Assemblee van de Wereldraad van Kerken, gehouden te Amsterdam in 1948, hield één der commissies (Commissie IV) zich bezig met de vragen naar het leven en werken der vrouw in de Kerk. Een aan deze vergadering voorafgaande enquête naar de bijdragen van vrouwen in het kerkelijk leven, had reeds aangetoond, dat verscheidene Kerken - voorzover zij niet reeds vrouwen tot het volledige ambt toelieten - in de eerstvolgende tien jaar ingrijpende veranderingen op dit gebied verwachtten. De commissie hield zich echter ook bezig met de niet-ambtelijke werkzaamheden der vrouw in de Kerk, zoals de zendelinge, de evangeliste, de diacones, de jeugdleidster en de maatschappelijk werkster, voor wie werd aangedrongen op een zodanig verbeterde opleiding, dat zij meer als gequalificeerde kerkelijke functionarissen zouden kunnen werken.

Vooral de velerlei activiteiten van vrouwen in de zending, waarmee de Kerk in de negentiende eeuw was voorgegaan in het mee laten dragen van verantwoordelijkheden, gaf aanleiding tot diepgaande discussies over de mogelijkheden om haar nog meer in te schakelen in de dienst der Kerk. Al werd op deze Conferentie nog niet aangedrongen op een volledige openstelling van de ambten voor de vrouw, toch constateerde men een grote achterstand bij wat al mogelijk zou zijn, zonder deze laatste consequentie te trekken. Het was met name Miss Sarah Chakko, één van de later (1951) benoemde presidenten van de Wereldraad -helaas spoedig daarop overleden -, die de aanwezige Kerken attent maakte op deze achterstand en vanuit haar jonge Kerk in India vurig pleitte voor het zoeken naar vormen van samenwerking tussen man en vrouw in het leven der Kerk.

Het punt van de ordinatie der vrouw, dat wel aan de orde kwam, bracht tegenstellingen tussen de Kerken aan de dag, die voornamelijk samenhangen met de divergerede ambtsopvattingen (zie hoofdstuk 8), maar ook andere tradities, sociale vooroordelen, en intuïtieve afkeer hiervan bleken een rol te spelen.

Men kwam tenslotte tot de conclusie, dat het nodig was om de gehele problematiek dieper te bestuderen, waartoe de 'Commissie voor het leven en werken der vrouwen in de Kerk' werd samengesteld, terwijl verder de oecumenische persdienst groter aandacht aan deze vragen zou moeten besteden en meer vrouwen in de organen van de Wereldraad dienden te worden gekozen. De Commissie begon haar werk in 1949. Zij completeerde eerst de gegevens over het werk, dat vrouwen in de verschillende Kerken doen. Het resultaat van dit onderzoek werd neergelegd in het boek van Kathleen Bliss 'The Service and Status of Women in the Churches' (London, 1952), Hoe verder men zich in de problematiek verdiepte, des te meer kwam men tot de conclusie, dat het onjuist was om zich uitsluitend bezig te houden met het werk van.de vrouw. Men besefte het gevaar, dat men het hoofdkwartier zou gaan worden van kerkelijke vrouwen-organisaties, terwijl men uit de bestudering van de Bijbel steeds meer tot de conclusie kwam, dat het Gods opdracht is om als man en vrouw samen te werken en samen de verantwoordelijkheid te dragen. Er is geen apart vrouwenprobleem in de Kerk, er is slechts het probleem hoe man en vrouw samen, ieder met eigen gaven, elkaar aanvullend en corrigerend, in de Kerk het meest vruchtbaar werkzaam kunnen zijn.

Deze gedachten werden door de tweede Assemblee van de Wereldraad te Evanston in 1954 overgenomen, die je Commissie ophief en daarvoor een eigen 'Departement voor de samenwerking van man en vrouw; in Kerk in de plaats stelde, met de opdracht 'de Kerken te helpen om te streven naar een zodanige samenwerking van mannen en vrouwen, waardoor zij beiden in staat zijn hun volledige aandeel aan Kerk en samenleving te geven' (Evanston Report, blz. 204v). Na Evanston zijn verscheidene consultations' (bijeenkomsten van werkgroepen) gehouden om een begin te maken met de uitvoering van deze opdracht. De eerste vond plaats in Bossey (Zwitserland, 1955), gevolgd door andere, o.a. in Kifissia in Griekenland (1959), om de belangstelling voor dit probleem ook in de oesters-katholieke Kerken te stimuleren.

Mede als gevolg hiervan werden in verschillende landen comité's gevormd om deze samenwerking in praktijk te brengen, terwijl ook 'Evangelische Academies' en vormingscentra zich met deze zaak gingen bezighouden.

Dezelfde was het geval in Noord-Amerika, Afrika en Azië. In de twee laatstgenoemde werelddelen bleek een groot probleem te zijn, hoe vrouwen tot voldoende ontwikkeling gebracht kunnen worden om mee de verantwoordelijkheid te dragen.

Omdat op de derde Assemblee van de Wereldraad in 1961 te New Delhi de Internationale Zendingsraad volledig werd geïntegreerd, bleek het nogmaals nodig om de naam van het Departement te wijzigen. Thans heet het officieel: 'Departement van de samenwerking an man en vrouw in Kerk, gezin en samenleving'.

In het eerste deel van zijn rapport, dat door de Assemblee werd aanvaard, constateert het Departement, dat het beginsel van samenwerking tussen man en vrouw als gelijkwaardige leden van het lichaam van Jezus Christus vrijwel algemeen wordt aanvaard, hetgeen tot uiting komt o.a. in het feit dat reeds tientallen Kerken de vrouw volledig tot de ambten hebben toegelaten. Verder verschaft het rapport gegevens over de situaties in de diverse Kerken en doet het tenslotte een drietal aanbevelingen:

1. de Kerken, die reeds vrouwen in het ambt, en ook beroepskrachten hebben, dienen na te gaan hoe deze effectiever gebruikt kunnen worden en op welke wijze het mogelijk is om de medewerking van vrouwen in andere kerkelijke organen te bereiken;

2. op de Afdeling voor Interkerkelijke Hulpverlening wordt een beroep gedaan om meer studiebeurzen ter beschikking te stellen, opdat de in de Kerk werkzame vrouwen in staat gesteld worden om haar theologische of andere studie af te maken of aan te vullen;

3. er dienen 'consultations' (bijeenkomsten van werkgroepen) in verschillende streken van de wereld gehouden te worden, waarop men zich bezint hoe vrouwen kunnen worden geschoold om, in samenwerking met de man, de Kerk het best te dienen. Naast het aannemen van deze aanbevelingen droeg de Assemblee van New Delhi aan het 'Department on Faith and Order' (Geloof en Kerkerde) op om, samen met het 'Department on Co-operation' een studie te maken van de theologische, bijbelse en kerkelijke aspecten van een eventuele toelating van de vrouw tot de ambten.

Deze studie werd als rapport aangeboden aan de vierde wereldconferentie van 'Faith and Order' (Geloof en Kerkorde) op om, samen met het 'Department on Co-operation' een studie te maken van de theologische, bijbelse en kerklijke aspectenvaneen eventuele toelating van de vrouw tot de ambten.

Deze studie werd als rapport aangebodenaan de vierde wereld-conferentie van 'Faith and Order' te Montreal in 1963. Vanuit verschillende tradities en ambtsopvattingen, vanuit de anthropologische en de oecumenische gezichtshoek, werd een poging gedaan om dit probleem bijbels te doorlichten. Het werd in 1964 gepubliceerd onder de titel: 'Concerning the Ordination of Women', om de Kerken te stimuleren zich voortdurend met dit onderwerp bezig te blijven houden, opdat er tenslotte een eentemmigheid zal mogen groeien.

Ook na New Delhi werden de 'consultations' voortgezet, o.a. in Afrika. De eerste was hier in 1958 in Ibadan (Nigeria) gehouden, waar echter nog geen vrouwen aanwezig waren! Op de volgende bijeenkomst in Cameroun was dit gelukkig wèl het geval en waren er zelfs baby's bij op de ruggen van hun moeder. In deze 'consultations' zijn vertegenwoordigsters van allerlei denominaties bijeen: Baptisten, Gereformeerden, Methodisten, Lutheranen, Anglicanen enz. Op de laatste 'All-Africa Conference' te Kampala (Uganda, 1963) waren ook waarnemers van niet bij de Wereldraad aangesloten Kerken, o.a. de Rooms-katholieke Kerk, aanwezig. Hier kwamen de specifieke problemen van de inschakeling der afrikaanse vrouw naar voren, waarbij oer-oude tradities bijzonder sterk bleken te zijn, omdat eeuwenlang uitsluitend de man gewend was de verantwoordelijkheid te dragen. Deze tradities kunnen alleen doorbroken worden als er mogelijkheden voor de vrouw geschapen worden om een opleiding te volgen, die haar in staat stelt haar capaciteiten te ontwikkelen.

Er werd besloten om aan de Conferentie van 'Geloof en Kerkorde' te Montreal te berichten, dat de afrikaanse Kerken sterk geïnteresseerd zijn voor het vraagstuk van ambtsbediening door vrouwen.


Om tenslotte een zekere indruk te geven van de stand van zaken in de bij de Wereldraad aangesloten Kerken volgen hier enkele getallen. Deze dateren eveneens uit 1958 - latere volledige gegevens zijn waarschijnlijk niet bekend - toen er nog slechts 168 Kerken waren aangesloten. Thans zijn het er meer dan 200, zodat deze cijfers op dit moment beslist te laag zijn, omdat verscheidene van de na 1958 aangesloten Kerken al vrouwelijke ambtsdragers kenden, en van de reeds toen aangesloten Kerken diverse ertoe overgingen, terwijl geen enkele op het besluit hiertoe teruggeomen is.

Van deze 168 Kerken lieten er 48 vrouwen toe tot het volledige ambt, terwijl 9 dit gedeeltelijk voor haar hadden opengesteld of een apart ambt voor haar hadden gecreëerd, d.w.z. 38% van de Kerken, die op de enquête antwoordden. 90 Kerken (61%), lieten de vrouw (nog) niet toe, terwijl 21 niet voldoende antwoordden.

Een nieuwe enquête zou beslist een vrij sterke verschuiving ten gunste van de vrouw laten zien, omdat vrijwel overal dit probleem aan de orde is en men - soms langzaam - tot steeds verder gaande beslissingen komt.




This website is maintained by the Wijngaards Institute for Catholic Research.

John Wijngaards Catholic Research

since 11 Jan 2014 . . .

John Wijngaards Catholic Research