OOK VROUWEN PRIESTER? JAZEKER!header

Responsive image

BEGIN

REDEN GENOEG

TEGEN DE PAUS?

DEBAT

MENU

Nederlands/Vlaams Deutsch Francais English language Spanish language Portuguese language Catalan Chinese Czech Malayalam Finnish Igbo
Japanese Korean Romanian Malay language Norwegian Swedish Polish Swahili Chichewa Tagalog Urdu
------------------------------------------------------------------------------------

De Vrouw in de Kerk

Dr. G. Huls, publ. Bosch& Keuning N.V., 1965

Hoofdstuk 8

HET 'AMBT'

1. De betekenis van de ambtsopvatting voor de kerkelijke positie der vrouw.

Zowel bij het overzicht van de ontwikkeling van de plaats der vrouw in de Oude Kerk als bij dat van haar huidige positie in de verschillende Kerken is al meermalen gebleken, dat de opvatting, die men over het 'ambt' huldigt daarbij vaak van beslissende betekenis is.

Steeds meer begint men in te zien, dat de twee 'zwijgteksten' in het Nieuwe Testament niet zo maar uit het geheel mogen worden losgerukt. Deze methode, die door de Getuigen van Jehovah, vaak met veel succes, wordt toegepast en die ook ten aanzien van de slavernij en andere situaties in zwang is geweest, wordt steeds meer verlaten, omdat men de onhoudbaarheid ervan in gaat zien.

Er rest dan nog een ander argument: de betekenis en functie van het 'ambt'. Hoe meer men dit ambt losmaakt van de gemeente, dit er boven stelt en er een priesterlijk karakter aan geeft, des te groter wordt de weerstand om de vrouw hierin toe te laten.

In vergelijking met deze beide momenten zijn de andere discussiepunten van veel minder betekenis.

Deze laatste zijn van zeer uiteenlopende aard. In de enorme hoeveelheid boeken, tijdschrift-artikelen, rapporten, verslagen van kerkelijke vergaderingen, enz. die aan deze materie gewijd zijn, worden allerlei aspecten van dit probleem behandeld: anthropologische, psychologische, sociologische, praktische, traditionele, oecumenische, emotionele, biologische en nog vele andere.

Hiernaast worden ook nog al eens speculatieve beschouwingen ten beste gegeven, waarbij vaak één bepaald aan de Bijbel, en dan voornamelijk aan het Nieuwe Testament, ontleend beeld zodanig verabsoluteerd wordt, dat men de schijn wekt alsof hier alles mee gezegd is. Hierbij is b.v. te denken aan Christus alsjde Bruidegom en de gemeente als de bruid. Op de klank af concludeert men dan maar dat 'dus' de ambtsdragers mannen dienen te zijn, zonder zich daarbij te realiseren, dat zelfs in de meest hoogkerkelijke opvatting de 'ambtsdrager' nooit uitsluitend Christus, maar altijd op de één of andere wijze ook de gemeente, dus het bruids-element, representeert, waarvoor dan ook zeker vrouwen zouden dienen te fungeren. Met deze - overigens geheel willekeurig uit een groot aantal beelden gekozen - symboliek tot een wettisch voorschrift te willen maken, doet men de bedoeling ervan geweld aan, te meer als men ziet, dat in het Nieuwe Testament elk gelovige iets van Christus representeert (zie par. 5 van dit hoofdstuk).

De genoemde argumentaties moeten dan ook vrijwel altijd dienen ter ondersteuning van het standpunt pro of contra 'de vrouw in het ambt', dat men op grond van zijn visie op de Bijbel en het ambt is gaan innemen.

Daarom is het van belang om hier iets van de achtergrond der verschillende ambtsopvattingen duidelijk te maken. Het is uiteraard niet de bedoeling om in dit verband een volledige ambtstheologie der verschillende Kerken te geven - dit zou veel te ver voeren - maar wèl om enige grondlijnen open te leggen, waardoor het begrijpelijk wordt waarom sommige Kerken (nog) niet en andere wèl tot de toelating der vrouw in de ambten zijn overgegaan.

Aan het slot wil ik dan trachten duidelijk te maken waarom m.i. het Nieuwe Testament geen enkele aanleiding geeft om de vrouw uit de functies der Kerk te weren op grond van een 'ambtsbegrip', dat daar te vinden zou zijn.

2. De episcopale visie op het ambt

De episcopale opvatting zoekt de oorsprong van het ambt in de 12 apostelen, die Jezus riep. Volgens Marcus 3 : 13vv stelt Jezus er twaalf aan, opdat zij met Hem zouden zijn en opdat Hij hen zou uitzenden om te prediken en om macht te hebben om boze geesten uit te drijven. Als uitgezondenen worden zij 'apostelen' genoemd, die ook in de joodse wereld wel bekend waren: een sjalieach was een gevolmachtigd gedelegeerde van zijn opdrachtgever, als het ware deze zelf. De apostelen representeren hun Heer: 'wie u ontvangt, ontvangt Mij, en wie Mij ontvangt, ontvangt Hem, die Mij gezonden heeft' (Matth. 10 : 40).

Het is ook niet toevallig, dat Jezus juist een twaalftal van deze apostelen heeft aangesteld. Men ziet hier een aansluiting aan het feit, dat in Numeri 4 : lvv aan Mozes een twaalftal mannen ter assistentie wordt toegewezen, terwijl ook Israël als geheel uit 12 stammen was opgebouwd.

In deze laatste functie, als stamvaders van het nieuwe Israël, is dit twaalftal uiteraard gesloten en kunnen hiervoor geen opvol gers aangesteld worden. Alleen voor Judas moet een plaatsver vanger worden aangewezen. Maar als gevolmachtigde gedele geerden kan hun aantal uitbreiding ondergaan, hetgeen we dan ook na Jezus' hemelvaart zien gebeuren. Mannen als Barnabas, Paulus, Jacobus (de broeder des Heren), Silas, Timotheus, Andronicus en Junias (Rom. 16:7) en vele anderen krijgen deel aan deze apostolische bevoegdheid, omdat de twaalven nu eenmaal niet overal tegelijk kunnen zijn.

Ditzelfde motief leidt er ook toe, dat de apostelen overal een 'tweede ambt' gaan instellen. Het klassieke voorbeeld hiervan vindt men in Handelingen 6. Bij de dagelijkse verzorging worden de grieks-sprekende weduwen ten achter gesteld bij de hebreeuws-sprekende. Om hierin te voorzien dragen de apostelen een deel van de taak die voor hen te omvangrijk wordt, over aan anderen, die geen apostel zijn. Zeven mannen worden hiervoor met gebed en handoplegging aangesteld.

Hetzelfde zien we ook elders gebeuren, als de apostelen, die meestal slechts korte tijd op dezelfde plaats verblijven, plaatselijke ambtsdragers, 'oudsten' of 'opzieners' aanstellen, aan wie zij een deel van hun bevoegdheden overdragen, zoals b.v. in Handelingen 14:23.

Ook voor dit 'tweede ambt' meent men voorbeelden te kunnen aanhalen uit het Oude Testament en bij Jezus.

Mozes heeft het niet gelaten bij de aanstelling van twaalf stamhoofden, maar toen het volk klaagde over voedselgebrek, stelde hij op Gods bevel 70 mannen aan, 'oudsten en opzieners' (Num. 11:16), op wie een deel van de Geest, die op Mozes was, gelegd werd.

Naar dit voorbeeld zou Jezus ook 70 (of 72) mensen aangewezen hebben 'om hen twee aan twee voor Zich uit te zenden naar alle steden en plaatsen, waar Hij zelf komen zou' (Lucas 10:lvv). Hun instructie is voor een deel gelijk aan die der apostelen: ook zij moeten prediken, zieken genezen en demonen uitwerpen. Ook van hen geldt: 'Wie naar u hoort, hoort naar Mij; en wie u verwerpt, verwerpt Mij; en wie Mij verwerpt, verwerpt Hem, die Mij gezonden heeft'. Maar anderzijds is er een verschil met de apostelen, dat in de episcopale visie op het ambt een zó belangrijke rol gaat spelen, dat dit voor alle eeuwen hèt essentiële verschil gaat worden tussen net eerste (apostelen; en net 'tweede' ambt (oudsten, diakenen enz.). Van de apostelen had Jezus gezegd: 'Wie u ontvangt, ontvangt Mij'. Van de zeventig zegt Hij: 'Wie naar u hoort, hoort naar Mij'. Wie de apostel ontvangt, ontvangt Jezus zelf, maar wie één van de zeventig ontvangt, hoort alleen maar Jezus' boodschap, ziet de tekenen van Zijn Rijk, maar Jezus zelf is er nog niet.

Op dit verschil voortbordurend maakt men een wezenlijk onderscheid in het ambt van de apostelen enerzijds en de zeven mannen van Handelingen 6, de opzieners, de oudsten en diakenen anderzijds. Dit essentiële verschil meent men te kunnen illustreren met Handelingen 8:14vv, waar Filippus in Samaria het Evangelie predikt, tekenen doet, onreine geesten uitwerpt en zieken geneest. Hij zou zichzelf echter bewust zijn geweest, dat hij voor één ding de bevoegdheid miste: de oplegging der handen als mededeling van de Heilige Geest. Dit bleef voorbehouden aan de apostelen Petrus en Johannes, die op het gerucht dat in Samaria het Woord Gods geloof had gevonden, daarheen gingen en de Heilige Geest door gebed en handoplegging meedeelden. Men veronderstelt dezelfde afhankelijkheid van de apostelen bij het ambt der opzieners, oudsten, diakenen e.d., waarbij men echter moet toegeven, dat de gegevens hiervoor in het Nieuwe Testament uiterst schaars zijn.

Behalve de handoplegging als mededeling van de Heilige Geest ontstaat er nòg een verschil tussen het 'eerste' en het 'afhankelijke' ambt. In de eerste tijd verwachtte men de spoedige wederkomst van Christus. Men maakte zich dus toen nog weinig zorgen over de opvolging van zijn gevolmachtigde vertegenwoordigers hier op aarde. Maar toen die wederkomst uitbleef en zijn apostelen één voor één stierven werd de kwestie van hun opvolging urgent. Wie moest na hun dood Christus representeren en 'tegenwoordig stellen'? Hiervoor ging men een constructie bedenken, die geen enkel aanknopingspunt in het Nieuwe Testament vindt, doch die men daarin slechts vanuit de ontwikkeling in de Oude Kerk terug kan projecteren.

Men veronderstelt dan dat de gang van zaken in de eerste gemeenten ongeveer als volgt is geweest: de apostelen stellen in iedere gemeente een 'tweede ambt' in, waarbinnen zich allerlei differentiaties kunnen voordoen: opzieners, die oorspronkelijk waarschijnlijk dezelfde zijn als de oudsten, diakenen en misschien nog wel enkele andere functies. De oudsten geven, naar het voorbeeld der joodse synagogen, leiding.

De ontwikkeling leidde er echter toe, zoals bij sommige joodse groepen ook het geval was, dat uit dit gezelschap één van hen de leiding kreeg. Het karakter der christelijke samenkomsten als huissamenkomsten werkte deze ontwikkeling in de hand: de gastheer trad op als huisvader en kreeg onder zijn medeopzieners een zeker gezag, waarvan men dan Stephanas (l Cor. 16:15) als voorbeeld meent te kunnen aanhalen. Men gaat zelfs zó ver, dat men veronderstelt dat tegen het einde van de nieuwtestamentische tijd dit overal het geval was, hoewel het Nieuwe Testament ons geen enkele situatie tekent, waarin één man de leiding van een gemeente heeft. Aanvaardt men echter deze veronderstelling wèl, dan ligt het voor de hand om in deze figuren, die de bisschop (opziener) van hun gemeente zijn, degenen te zoeken aan wie de apostelen hun specifieke bevoegdheden gaan overdragen. Naar analogie van Mozes, die door handoplegging zijn taak aan Jozua overdraagt (Num. 27:18-23 en Deut. 34:9, hetgeen overigens het enige voorbeeld uit het Oude Testament van een bepaalde overdracht is), meent men ook in het Nieuwe Testament de praktijk te kunnen ontdekken dat dit specifieke aan anderen overgedragen wordt. Het meest aangehaalde voorbeeld hiervoor is 2 Tim. l: 6, waar Paulus aan Timotheus schrijft: 'Ik herinner u eraan de gave Gods aan te wakkeren, die door mijn handoplegging in u is'.

Opvallend en te denken gevend is echter het feit, dat in l Tim. 4:14 reeds gesproken werd van een handoplegging van de gezamenlijke oudsten, waar het 'eerste ambt' dus in het geheel niet aan te pas kwam.

Dit is wèl reeds het geval in geschriften uit de 2e en 3e eeuw na Christus. Daar speelt de overdracht van de apostolische bevoegdheden op de plaatselijke bisschoppen reeds een dermate belangrijke rol, dat b.v. Clemens van Rome 100) en Ignatius van Antiochië (± 100) in hun geschriften dit als een door God gewilde situatie beschrijven. In de strijd tegen het Gnosticisme en tegen Marcion was het noodzakelijk om zich op een autoriteit te kunnen beroepen. Deze autoriteit vond men in hen, die hun ambt rechtstreeks van de apostelen ontvangen hadden.

Waar het Nieuwe Testament nog niets van weet: één ononderbroken keten van een apostolische successie (opvolging) komt in de tweede eeuw na Christus reeds op. Vanaf die tijd wordt de garantie der waarheid gelegd in een voortdurende overdracht van apostolische bevoegdheden van de ene generatie op de volgende.


Het is geen wonder, dat een dergelijke streng juridische opvatting van het ambt - die, zoals we zagen op zeer wezenlijke punten geen steun vindt in het Nieuwe Testament - sterke accenten legt op de formele dingen: op de strikte beperking tot het twaalftal als stamvaders van het nieuwe Israël, op de scherpe afgrenzing der apostelen en hun opvolgers ten opzichte van de 'leken' en het 'tweede ambt', op de essentiële functie van de handoplegging om de overdracht geldig te doen zijn en op de betekenis van de tradities. In deze visie speelt dan ook het feit, dat de twaalven mannen waren - hetgeen, zoals we op blz. 24 zagen alleen al uit praktische overwegingen niet anders mogelijk was - een grote rol: mannen werden door Jezus als zijn apostelen aangewezen, welnu dan moeten ook hun opvolgers mannen zijn.

Er is echter nog een ander moment in de ontwikkeling der Oude Kerk aan te wijzen, dat zo mogelijk nog funester heeft gewerkt ten aanzien van de mogelijkheden, die aan de vrouw gegeven werden.

Parallel met de geschetste ontwikkeling van een apostolische successie, groeit een opvatting omtrent de Kerk als het mystieke lichaam van Jezus Christus, waarin diens incarnatie (vleeswording) zich voortdurend voortzet. Deze vleeswording zou nl. niet eenmaal plaatsgevonden hebben in Bethlehem, maar gaat steeds door, inzonderheid in de bediening der sacramenten, welke leer tenslotte op het 4e Lateraans Concilie in 1215 zijn definitieve gestalte gekregen heeft in het dogma van de transsubstantiatie (wezensverandering van brood en wijn). De eucharistie (Avondmaal) gaat steeds meer het karakter krijgen van een offermaaltijd, de genade van God wordt verstoffelijkt, het sacrament wordt er het voertuig van. Wat wij eten en drinken in de eucharistie is het werkelijke lichaam en het werkelijke bloed van Jezus Christus. Het verwondert ons uiteraard niet, dat deze offergedachte ook de noodzakelijkheid van een priester eist, die rechtsgeldig dit offer kan brengen.

Terwijl in het Nieuwe Testament, met name in de Hebreeënbrief, zeer nadrukkelijk wordt gesteld, dat Jezus een 'priesterschap heeft, dat op geen ander kan overgaan' (Hebr, 7:24), omdat Hij het offer 'eens en voor altijd' heeft gebracht, toen Hij Zichzelf ten offer gaf (Hebr. 7:27), kwam in de Kerk langzamerhand toch weer de gedachte op van het offer dat telkens herhaald kan en moet worden. Is deze gedachte eenmaal aanvaard, dan treden ook in de structuur van de gemeente wijzigingen op. Het Nieuwe Testament verklaart alle gelovigen, zonder uitzondering tot priesters (l Petrus 2:5 en 9; Openbaringen 1:6; 5:9v), zelfs tot hogepriesters (Hebr. 10:19-22). Behalve de functie van Jezus Christus kent het Nieuwe Testament dan ook geen sacraal-cultische handelingen, die door een bepaalde groep uit de gemeente zouden moeten of kunnen worden verricht.

Dit 'priesterschap van alle gelovigen' komt in de Oude Kerk al spoedig in het gedrang. Naarmate het Avondmaal een sterker offerkarakter krijgt, stijgt ook de betekenis van degene, die dit offer kan brengen. In het episcopale systeem gaat men er algemeen van uit, dat dit recht uitsluitend was gegeven aan de apostelen, die dit weer over konden dragen op hun opvolgers: de bisschoppen, die op hun beurt de dragers van het 'tweede ambt' deze bevoegdheid konden verlenen. Er groeit dus in de gemeente een aparte groep 'priesters', die op bijzondere wijze Christus representeert en het kruisoffer van Golgotha 'tegenwoordig kan stellen'. Men gaat er van uit dat deze beide 'standen' van geestelijkheid (clerus) en leken in de gemeente van het begin af bestaan hebben, al moet men toegeven dat in de eerste tijd, toen de gemeenten nog klein waren, veel door 'leken' werd gedaan. Maar in feite acht men dit een door God gewilde onderscheiding, die een principieel karakter draagt. De geestelijkheid heeft - met name in het Rooms-katholicisme - bepaalde rechten, zoals die van de voorrang, het dragen van de clericale kleding, een bijzondere plaats in de kerk, aanspraak op bepaalde titulatuur en het onderscheid gaat zelfs tot op het kerkhof door, waar de graven der geestelijken zo mogelijk van die der leken gescheiden moeten zijn.

De geestelijkheid is verheven in de 'bovennatuur', is een instantie die tussen het volk en God in staat en van wie de 'leken' afhankelijk worden.

Bij een dergelijke visie op het priesterschap in de Kerk, die vanuit het Nieuwe Testament niet te verdedigen is, wekt het geen verwondering, dat hierin voor vrouwen geen plaats is. Bij het bespreken van de oorzaken van de verdwijning der vrouw uit de diensten der Kerk hebben wij reeds gezien, dat verscheidene Synoden met zoveel woorden de periodieke cultische onreinheid der vrouw als motief hanteerden om haar voor het priesterschap ongeschikt te verklaren. Deze opvatting - hoewel niet vaak meer nadrukkelijk uitgesproken - is tot op de huidige dag de geldende gebleven en daarom wordt de vraag om zich opnieuw op de toelating van de vrouw tot het priesterschap te bezinnen, in deze kringen nog slechts bij uitzondering gesteld. Het door de traditie gevormde beeld van de priester maakt het bijzonder moeilijk om zich deze als vrouw voor te stellen. Bovendien heeft als bijkomende factor hoogstwaarschijnlijk ook nog de vrees meegespeeld dat vrouwelijke priesters een gevaar konden opleveren voor de ongehuwde staat (coelibaat), die men langzamerhand van de mannelijke priesters was gaan eisen.

Al met al blijkt het episcopale klimaat weinig gunstig te zijn voor de toelating van de vrouw tot het volle ambt.


3. De congregationalistische opvatting van het ambt

Verreweg het gemakkelijkst inzake de toelating der vrouw hebben het de congregationalistische Kerken, ook wel Independenten genoemd, die in het midden der zeventiende eeuw in Engeland ontstaan zijn en thans voornamelijk in de Verenigde Staten voorkomen. Oorspronkelijk streng calvinistisch in de leer, onderscheidden zij zich echter van de andere (presbyteriaal ingerichte) Kerken door een afwijkend Kerkbegrip. Zij wilden zich zo dicht mogelijk bij de nieuwtestamentische voorbeelden aansluiten. De eenheid der Kerk is in wezen onzichtbaar, omdat zij de uitverkorenen van alle tijden omvat. Zichtbaar is de Kerk slechts in een grote veelheid van plaatselijke gemeenten ('congregaties'), die ieder voor zich een gemeenschap vormen, geheel onafhankelijk van de andere.

Het hoogste gezag berust bij de gemeentevergadering, waarvan men oorspronkelijk aannam, dat de Heilige Geest hierin wel voor de nodige eenstemmigheid zou zorgen. Pas toen dit in de praktijk niet het geval bleek te zijn is men noodgedwongen tot het democratisch principe der meerderheid van stemmen overgegaan, ledere congregatie kiest zijn eigen functionarissen, waarvan er als regel een vijf- of zestal is: herder, leraar, ouderling, diaken, helper en soms nog weduwe.

Zij worden echter volledig als representanten en functionarissen der gemeente gezien en worden dan ook door vertegenwoordigers van deze gemeente (en dus niet door andere ambtsdragers) bevestigd.

Wanneer het 'ambt' op deze wijze wordt gewaardeerd als geheel 'van onder opkomend' (uit de gemeente), niets 'van boven af' in zich heeft en geen enkel sacerdotaal (priesterlijk) element bevat, kunnen er ook geen aan het ambtsbegrip ontleende bezwaren tegen de toelating van de vrouw hierin aangevoerd worden. Alle gelovigen, mannen zowel als vrouwen, kunnen als mandatarissen van de gemeente belast worden met een opdracht, die in feite aan de gehele gemeente gegeven is.

In deze situatie wekt het dan ook geen verwondering, dat geen enkele congregationalistische Kerk bezwaar heeft tegen de toelating der vrouw in de gemeente-functies. Hierover is nauwelijks discussie geweest, omdat het als een vanzelfsprekend uitvloeisel van het 'priesterschap van alle gelovigen' werd gezien.


4. De reformatorische (presbyteriale) visie op het ambt.

Het ambtsbegrip dat we in de grote meerderheid der reformatorische Kerken vinden is veel minder uniform dan in de episcopale gedachtenwereld het geval is. Uiteenlopende opvattingen over de Kerk, verschillende waardering voor de betekenis van kerkorde en kerkrecht, bepaalde verhoudingen tot de Staat en nog vele andere oorzaken hebben tot gevolg gehad, dat nogal sterk genuanceerde ambtsopvattingen worden gevonden.

Ondanks deze verschillen zijn er toch enkele dingen, die het reformatorische ambtsbegrip scherp afgrenzen tegenover het episcopaalse.

In de eerste plaats behoort hiertoe de in alle vroege protestantse Kerkorden uitgesproken hartgrondige verwerping van elke hiërarchie in de Kerk, waarbij het gezag van de paus het het meest moet ontgelden.

Vervolgens is men het er ook over eens, dat een heilsbemiddelend priesterschap in de Kerk niet meer aanwezig kan zijn, omdat de Hogepriester Jezus Christus eens en voor altijd de toegang tot God heeft geopend.

In de derde plaats wilde men - althans in theorie - het onderscheid tussen clerus en leken fundamenteel opgeheven zien, als in strijd met het priesterschap van alle gelovigen.

Anderzijds stond men in de kringen der reformatie, ondanks een grote mate van individualisme, in het algemeen positief tegenover de organisatie der kerkelijke gemeenschap. Met slechts zeer weinige uitzonderingen zag men zowel in de kleinste groepen als in de grootste volkskerken in, dat een zekere orde noodzakelijk was, met andere woorden: dat er 'ambten' moesten zijn. Maar bij de uitwerking dezer gedachte en dus ook bij de inhoud die men aan dit 'ambt' gaf, ging men uiteenlopende wegen.


Luther zag de Kerk als een tegen de burgerlijke gemeenschap aanleunende volkskerk, waarbij hij aan de burgerlijke overheid een grote macht toekende. Maar hij was zich de zelfstandigheid van de Kerk ten volle bewust en verwachtte haar vernieuwing van binnen uit, krachtens het priesterschap van alle gelovigen, Als hier de zuivere bediening van Woord en sacramenten maar plaats heeft, dan is al het overige bijkomstig. Dientengevolge is voor hem het enig belangrijke ambt dat van de prediker - die Luther soms bij voorkeur 'bisschop' noemt - en dat voor hem het enige ambt is, dat op Christus en de apostelen teruggaat. Ook al hebben de lutherse Kerken, met name in de duitse landen, in de praktijk concessies moeten doen, principieel geldt voor Luther dat de gemeente krachtens het priesterschap van alle christenen één uit haar midden tot dit ambt verkiest, die haar mandataris is en in haar opdracht zijn taak vervult. Dit ambt schept dan ook geen wezenlijk onderscheid tussen hem en de andere leden der gemeente, maar hij is één van hen en wanneer hij naar hun oordeel in zijn opdracht faalt, kan hij van zijn mandaat ontheven worden en wordt een ander in zijn plaats gesteld. Ook de hoogste functies in de Kerk moeten van onder af opkomen.

Mede door de delegatie van vele kerkelijke bevoegdheden aan de overheid, zijn andere ambten in de lutherse Kerken niet tot grote ontwikkeling gekomen, al werd er buiten Duitsland hier en daar wel behoefte aan gevoeld. Zo kwam b.v. in Straatsburg ten behoeve van de tuchtoefening het oudsten-ambt op, hetgeen invloed gehad heeft op Calvijn, die hier in de jaren 1538-1541 vertoefde.


Calvijn heeft zoals in zoveel opzichten, andere accenten gelegd dan Luther. Terwijl deze laatste de orde en inrichting der Kerk een betrekkelijke zaak achtte, waar allerlei omstandigheden invloed op konden uitoefenen, is dit voor Calvijn veel meer een zaak van gehoorzaamheid aan de Schrift. Ook al heeft hij in de praktijk allerlei concessies aan de overheid moeten doen, wezenlijk is voor hem, dat Jezus Christus als Hoofd Zijn lichaam, d.i. de Kerk regeert. Deze verdraagt dus geen mensenheerschappij, maar Woord en Geest moeten het doen. Deze maken echter gebruik van mensen. In de eerste tijd is Calvijn meer geneigd om deze mensen te zoeken onder de charismatisch begaafde gemeenteleden, maar door het optreden van allerlei geestdrijvers (o.a. de Wederdopers), die ook allen beweerden 'de Geest te hebben', ging Calvijn er steeds meer toe neigen om de verkondiging van het Woord - en daarmee de bediening der sacramenten - toe te vertrouwen aan het instituut der 'ambtsdragers', waardoor het 'algemene ambt' van alle gelovigen in het gedrang gaat komen. In de eerste uitgave van zijn Institutie (1536) spreekt hij nog slechts over twee ambten, maar in de volgende edities zijn het er vier geworden. Zoals bijna alles in zijn Kerkorde wil Calvijn deze uit de Schrift aflezen. Oudsten en diakenen komen op verscheiden plaatsen voor, maar de laatste twee, de 'pastor' (herder) en de 'doctor' (leraar) vindt hij in Epheze 4:11. Dit kan hij echter alleen maar doen door een aantal andere functionarissen in de gemeente, die hier ook genoemd worden, te elimineren. Er staat namelijk in dit vers: 'Hij (nl. Christus) heeft zowel apostelen als profeten gegeven, zowel evangelisten als herders en leraars, om de heiligen toe te rusten tot dienstbetoon' enz. Er moet dus een drietal functies afvallen (apostelen, profeten en evangelisten), hetgeen Calvijn bereikt door deze willekeurig te verklaren tot buitengewone ambten, die weliswaar in buitengewone omstandigheden wel weer kunnen worden opgewekt, maar in ordelijk ingerichte Kerken geen plaats hebben.

Bovendien zit er een grote mate van willekeur in om de lijst uit Epheze 4 als uitgangspunt te nemen. Ook b.v. in Romeinen 12:6-8 en in l Corinthe 12:4-11 worden allerlei diensten in de gemeente opgesomd, die daar een plaats hebben en waarvan niet valt in te zien waarom de Kerk van nu deze zou kunnen missen. Het is zonneklaar, dat Calvijn in zijn situatie in Genève behoefte had aan een drietal (resp. viertal) ambten. Hij wilde deze uit de Heilige Schrift funderen. Dit lukte hem vrij gemakkelijk - al kost het wel enige moeite om de Geneefse predikant in het Nieuwe Testament terug te vinden! -, maar het kon niet anders dan ten koste van een aantal andere functies, die daar óók voorkomen. In andere plaatsen, met name in Straatsburg, waar Calvijn van 1538 tot 1541 tijdens zijn verbanning uit Genève verbleef, had hij al voorbeelden van deze 'ambtsdragers' gezien. Naast de prediking van het Evangelie en de bediening der sacramenten, dat in de tijd der Reformatie als allereerste noodzaak werd gezien, was ook al spoedig het probleem der kerkelijke tucht actueel. Hiernaast moest er gezorgd worden voor armen, zieken, vluchtelingen enz. als daad der christelijke barmhartigheid, terwijl tenslotte ook de opleiding van predikanten een urgente zaak was. Welnu, voor al deze functies waren in Straatsburg al mensen werkzaam en omdat de latere situatie in Genève hiervan niet wezenlijk verschilde, heeft Calvijn juist deze overgenomen - zij het met enkele ondergeschikte wijzigingen - en er een bijbelse fundering aan gegeven.

In vergelijking met het ambtsbegrip en de ambtspraktijk van de Rooms-katholieke Kerk vallen onmiddellijk enige principiële verschillen op.

In de eerste plaats vormen de 'ambtsdragers' geen aparte, in de bovennatuur geplaatste en wezenlijk van het volk onderscheiden klasse (clerus) meer, maar worden - en dit geldt met name de ouderlingen en diakenen - uit het midden der gemeente gekozen.

Vervolgens heeft het 'ambt', ook dat van de Woordverkondiging en sacramentsbediening, zijnpriesterlijk karakter in de exclusieve zin van het woord verloren, omdat het Avondmaal zijn offerkarakter is kwijt geraakt en daarom totaal anders gewaardeerd wordt dan de mis.

In de derde plaats kreeg het priesterschap van alle gelovigen een zwaarder accent, omdat de gemeente - in theorie althans - mondig werd verklaard en mee mocht spreken bij de verkiezing der ambtsdragers.

Al zijn er dus zeer belangrijke winstpunten geboekt, die ook aan de vrouw een grotere kans schijnen te geven om haar verantwoordelijkheid in de gemeente mee te dragen, toch zijn er anderzijds in Calvijns ambtsbegrip elementen, hetzij overgebleven uit het Rooms-katholieke ambtsbegrip, hetzij nieuw ingevoerd, die toch weer een belemmering voor haar zullen blijken om zich ten volle te kunnen ontplooien. Deze elementen zijn in vrijwel alle, naar Calvijns richtlijnen ingerichte kerkorden, in meerdere of mindere mate aanwezig.

In de eerste plaats heeft hij de neiging om de ambten teveel uit het geheel van de gemeente te isoleren en ze te zelfstandig te maken. In de eerste druk van zijn Institutie (1536) ziet hij de gemeente nog sterk als een organische gemeenschap, lichaam van Christus, maar in de latere uitgaven komt het 'instituut' van het ambt steeds meer op de voorgrond, zodat de ambtsdragers toch min of meer een aparte klasse gaan vormen, zodat hij op een gegeven ogenblik zelfs weer spreekt van 'clerus' en 'volk'.

Door de beperking van de ambten tot een drietal (resp. viertal), die dan ook nog alle bij de 'regering' der Kerk betrokken worden - al is dit in sommige calvinistische Kerken niet het geval met de diakenen - wordt de deur geopend voor een visie op het 'ambt' waarin wereldse elementen van 'hoogheid', 'macht', 'heersen' konden binnendringen, hetgeen, zeker in de zestiende eeuw, niet bevorderlijk was voor de gedachte om hieraan ook vrouwen te laten deelnemen. Aan dit gevaar is Calvijn niet ontkomen, omdat hij de vergaderingen der ambtsdragers, zoals bij zelf erkent, gaat opbouwen naar analogie van de politieke stadsregering van Genève. Dit geldt o.a. de plaatselijke kerkeraad, die hij zo nu en dan zelfs 'senatus' noemt, en die er, volgens hem, van het begin af in iedere gemeente geweest is. Tegenover de éénhoofdige leiding in de rooms-katholieke parochie is een meerheid van personen, die deze leiding hebben, ongetwijfeld een winstpunt, maar om de Geneefse kerkeraad zó maar in het Nieuwe Testament terug te willen vinden, gaat veel te ver.

Ook in de terminologie, die Calvijn voor de 'ambtsdragers' gebruikt, komt de verwantschap met de wereldlijke overheid duidelijk tot uitdrukking. Hij gebruikt voor hun functie woorden, die associaties wekken aan hoogheid en eer, spreekt over de 'waardigheid' van het ambt en noemt hen 'meesters', 'engelen', 'plaatsvervangers' en 'vertegenwoordigers' Gods. Gaat men de ambtsdragers eenmaal een persoonlijke kwaliteit toekennen, die principieel van die van de gemeenteleden verschilt, dan staat de deur wijd open om ook weer onder de ambtsdragers onderling een hiërarchie op te bouwen. Calvijn loopt deze deur dan ook prompt door en verklaart, dat de apostelen in rang en waardigheid boven alle anderen stonden, zodat ook b.v. de evangelisten een mindere waardigheid dan zij bezitten. De oudsten zijn 'in eer waardiger' dan de weduwen, terwijl de diakenen weer onder de presbyters (oudsten) staan. Hiermee is een hele scala van waardigheden opgesteld, die - zij het veel minder sterk dan in de rooms-katholieke hiërarchie - het priesterschap van alle gelovigen zal gaan beschadigen.

Dit losmaken der ambten uit het geheel der gemeente wordt ook nog bevorderd door het feit, dat deze laatste bij de verkiezing der predikanten slechts zijdelings en bij die der oudsten en diakenen in het geheel niet betrokken werd. Ook al heeft hij zijn ideeën niet geheel vrij kunnen ontwikkelen, omdat de stedelijke overheid een flinke stem in het kapittel had, toch neemt hij genoegen met een wijze van verkiezing, die hij in de laatste editie van de Institutie (1559) en in de Kerkorde van 1561 uiteenzet. Een predikant wordt verkozen door de andere predikanten en de keuze moet door het volk goedgekeurd worden. De oudsten en diakenen echter worden door de magistraat, op voorstel van de predikanten, gekozen en wel uit de burgerlijke overheidsinstanties: twee uit de Kleine Raad, vier uit de Raad der 60 en zes uit de Raad der 200.

De oorspronkelijke erkenning van het priesterschap aller gelovigen en de nauwe relatie hiervan met het 'ambt', openden perspectieven voor een volledige erkenning van de vrouw in het meedragen der verantwoordelijkheid. De later gelegde accenten, waardoor het ambt meer in de sfeer van de 'regering', in plaats van die van de dienst gebracht werd, verkleinden deze perspectieven aanzienlijk. De toenmalige positie der vrouw in de samenleving liet het nauwelijks of in het geheel niet toe, dat zij hieraan deel nam. Dientengevolge werd de plaats, die zij in de kerkorde van Calvijn kreeg - of beter gezegd: niet kreeg - meer bepaald door de cultuursituatie van die tijd dan door wat de Schrift over haar aandeel in het gemeenteleven zegt. Wij zagen reeds (blz. 82) dat Calvijn desondanks haar in zijn Institutie een 'publicum officium' (een openbaar ambt) wil toekennen als diaken, die armen en zieken verzorgt, maar dit wordt in zijn kerkorde niet gerealiseerd.

Al sluit de calvinistisch-presbyteriale ambtsopvatting de toelating van de vrouw hierin niet uit - hetgeen in een episcopale opvatting in veel sterkere mate het geval is - het wekt geen verwondering, dat bepaalde hierin voorkomende elementen toch remmend op deze toelating gewerkt hebben.

Het is echter de vraag of deze ambtsopvatting alle bijbelse elementen voldoende verdisconteerd heeft, met andere woorden: of deze remmende factoren legitiem bijbels zijn.

Litteratuur:

Dr A. A. van Ruler, Bijzonder en algemeen ambt, Nijkerk, 1952.


Noodzakelijke correcties op de presbyterUtle ambtsopvatting Aan het presbyteriale systeem van kerkinrichting, zoals dit thans in vrijwel alle Kerken van gereformeerde signatuur functioneert, kan een aantal vragen gesteld worden in verband met het 'ambt', die bijzonder moeilijk te beantwoorden zijn. In willekeurige volgorde stel ik er enkele.

Terwijl enerzijds sterke nadruk wordt gelegd op de eenheid en gelijkwaardigheid van de ambten en er in verschillende formuleringen tegen hiërarchie gewaarschuwd wordt, opdat 'niet het ene ambt over het andere, noch de ene ambtsdrager over de andere heerschappij voere', waarom wordt dan de predikant voor onbeperkte tijd en de ouderling en diaken slechts voor een korte termijn gekozen? Waarom' moet principieel dan een predikant voorzitter van de kerkeraad zijn? Waarom wordt alleen een predikant met handoplegging in zijn ambt bevestigd? Waarom houdt een predikant na zijn emeritaat en in enkele andere gevallen nog een aantal rechten, terwijl dit bij ouderlingen en diakenen na hun aftreden niet het geval is?

Waarom is er juist een drietal ambten? Waarom worden ook de ouderlingen en diakenen bevestigd door een predikant, zonder dat de andere ouderlingen en diakenen hieraan deelnemen? Waarom moeten alle ambten betrokken worden bij de 'regering' der Kerk? Waarom kan dan het klassieke formulier van bevestiging der ouderlingen en diakenen zeggen dat de ouderlingen 'den anderen, die het Evangelie prediken, tot hulp en bijstand zijn, gelijk in het Oude Testament de gemene Levieten in den dienst des Tabernakels den Priesters bijgevoegd waren'? Waarom is de uitoefening van het ambt van predikant alleen mogelijk als 'full-time' werk en dat van ouderling en diaken - financieel gezien - alleen als vrije-tijdsbesteding? Is er een fundamenteel onderscheid tussen de ambtsdragers en de andere gemeenteleden? Deze vragen kunnen met tientallen andere vermeerderd worden.

Aan de Nederlandse Hervormde Kerk, die in 1951 bij de invoering van haar nieuwe Kerkorde, welke het Algemeen Reglement van 1816 verving, meende aan het oude presbyteriale systeem wat meer reliëf en soepelheid te kunnen geven, kan nog een aantal nieuwe vragen worden gesteld. Ook hiervan slechts enkele. Wat is het bijbelse onderscheid tussen ambten en bedieningen? Wat is het principiële verschil tussen de 'prediking van het Evangelie', waartoe b.v. bepaalde evangelisten en catecheten bevoegd zijn (Ord. 13-35-2 t.m. 5) en de 'verkondiging des Woords' waartoe alleen predikanten de bevoegdheid hebben?

Hoe is het duidelijk te maken dat aan het recht om het Evangelie te verkondigen niet tegelijkertijd het recht verbonden is om de sacramenten te bedienen? Hoe is het te verdedigen, dat in een combinatie van gemeenten lidmaten der Kerk bevoegdheid kunnen krijgen voor de prediking van het Evangelie voor een tijdvak van ten hoogste vijf jaar (Ord. 2-25/7)? Waarom wordt deze bevoegdheid beperkt tot één of meer gemeente(n) der Kerkprovincie? Hoe kunnen zij - en anderen - dit doen in een kerkdienst, wanneer de Kerkorde (Art. XI) zegt dat de gemeente in haar kerkdiensten samenkomt tot de dienst des Woords (waartoe zij niet bevoegd zijn), de dienst der sacramenten (waartoe zij eveneens elke bevoegdheid missen) enz. ? Hoe kan een predikant voor buitengewone werkzaamheden (Ord. 13-3) nog ambtsdrager zijn, nu hij niet gekozen wordt door een gemeente, niet in een kerkeraad zitting heeft en in de classicale vergadering slechts adviserende stem heeft, dus in geen enkel opzicht meer iets te maken heeft met de 'regering der Kerk'? Waarom blijven vrouwelijke hulppredikanten en vicarissen, wier aanstelling uit hoofde van leeftijd of huwelijk is geëindigd, bevoegd tot de prediking van het Evangelie, terwijl aan vrouwelijke predikanten geen emeritaatsbevoegdheden kunnen worden verleend (Ord. 13-28)? Waarom kunnen zij, die in een bediening zijn gesteld, niet tevens een ambt dragen (Ord. 1-16-2)?

Ook deze vragen zijn gemakkelijk met tientallen andere aan te vullen.


Ik ben ervan overtuigd, dat al deze vragen dáárom zo moeilijk te beantwoorden zijn, omdat men in het presbyteriale systeem niet de volledige consequenties getrokken heeft uit datgene, wat door de Reformatie in het Nieuwe Testament opnieuw ontdekt werd.

Tegenover Rome verdedigde de Reformatie het in de Schrift hervonden priesterschap van alle gelovigen, waardoor het 'ambt' van zijn exclusief priesterlijk karakter, als een heilsbemiddelende instantie tussen de 'leken' en God, beroofd werd. Inzake de organisatie der Kerk achtte men, op grond van de situatie in het Nieuwe Testament, de leiding der gemeente veiliger bij een vergadering van meer personen dan in de handen van één mens. Tenslotte meende men de waarheid Gods beter gegarandeerd te hebben in de Heilige Schrift dan in een aan alle formaliteiten voldoende apostolische successie.

Bij de uitwerking en toepassing dezer bijbelse gegevens is men echter, helaas, veelal halverwege blijven steken. Ik noem weer slechts een paar voorbeelden. Het, vooral tegenover de rooms-katholieke onderscheiding van clerus en leken, fel verdedigde principe der mondigheid van alle gemeenteleden, bleef in kerkordelijk opzicht vrijwel een frase. Het kwam bijna uitsluitend tot uitdrukking in de deelname aan de verkiezing der ambtsdragers en zelfs daarbij functioneerde tot voor kort slechts de helft der gemeente, nl. de mannen. Het priesterschap der gelovige vrouwen had in de structuur der gemeenteorganisatie helemaal niets om het lijf. In plaats van het ene ambt in de Rooms-katholieke Kerk kwam niet een open aantal ambten om in de behoefte der gemeente te voorzien en waarvoor de Heilige Geest de nodige cbarismata schenkt, maar het aantal werd angstvallig tot een drietal beperkt. Doordat men de voornaamste basis van het ambt; het charisma van de Heilige Geest, dat door de gemeente erkend en geordend wordt, uit het oog verloor, ging men een tegenstelling ambt-charisma construeren, waarin het ambt toch weer een grote mate van exclusiviteit kreeg tegenover de gemeente en boven haar kwam te staan. Men kon de spanning van het: èn algemeen priesterschap èn afzonderlijke ambten niet volhouden en loste deze spanning op door in de praktijk te kiezen vóór het ambt en tegen de gemeente als lichaam van Christus. Verder werd de 'regeermacht', die voorheen uitsluitend bij de bisschop berustte, nu toegekend aan alle drie de ambten, waarvan deze zelfs een wezenlijk kenmerk zou gaan worden. Het 'onuitdelgbaar karakter' van het priesterschap bleef voor een gedeelte nog voortleven in de predikant, wiens ambt essentiële verschillen bleef vertonen met dat van de ouderling en de diaken, waardoor in plaats van de bisschoppelijke macht nu veelal een 'dominocratie' ging ontstaan.

Deze niet-consequente doorvoering van de herontdekkingen der Reformatie, heeft ongelukkige gevolgen gehad voor de ontplooiing van het gemeentelijk leven in de reformatorische Kerken.

Dit geldt met name de beperking van het aantal ambten tot een drietal, waaraan men met een enorme krampachtigheid heeft vastgehouden. Dit drietal, dat in de Oude Kerk nooit in deze vorm bestaan heeft en ook niet op het Nieuwe Testament teruggevoerd kan worden, was een momentopname in een ontwikkeling, zoals die tussen de jaren 1536 en 1561 door Calvijn in zijn

stadssaatje Genève ais wenselijk en nodig werd ervaren. Men heeft de fatale fout gemaakt om deze momentopname uit de Kerkgeschiedenis van meer dan 1900 jaar normatief te gaan maken voor alle tijden en plaatsen. Oorspronkelijk kende men in verscheidene presbyteriale Kerken nog een zekere flexibiliteit, zoals b.v. op de eerste nederlandse Kerkvergadering, het Convent van Wezel (1568), dat over een vijftal ambten spreekt, nl. naast de drie bekende ook nog de doctores en de profeten, maar in het algemeen bleef het bij de drie. Achteraf heeft men zelfs veelal nog getracht om dit drietal als 'goddelijk recht' te funderen, b.v. in het drievoudig ambt van Christus. Ook toen men later in de Kerken ging ontdekken, dat men voor de bewerktuiging der Kerk met dit drietal onmogelijk meer toe kon, hield men er toch aan vast en ging naast (in de praktijk: onder) de ambten 'hulpdiensten', 'bedieningen', 'bijzondere en buitengewone werkzaamheden' e.d. creëren. Ook de Nederlandse Hervormde Kerk durfde bij de invoering van haar Kerkorde, in 1951 tegen dit drietal geen 'nee' te zeggen. Zij wist echter uit de praktijk al lang, dat zij er ook geen 'ja' tegen zeggen kon. Toen zei zij maar: 'bedieningen', waarvan slechts heel' weinig mensen precies weten wat het onderscheid tussen deze en de ambten in bijbelse zin is. In elk geval is duidelijk dat hierdoor weer een stukje hiërarchie in de Kerk is binnengesmokkeld. Op deze wijze heeft men ook nog in andere opzichten Calvijns oplossingen in zijn situatie tot starre schema's gemaakt, die vaak het functioneren van de gemeente als lichaam van Christus hebben gehinderd.

Ik heb diep respect voor Calvijn en ook voor de wijze waarop hij de Kerk heeft gereformeerd. Ik weet ook, dat de meest perfecte organisatie geen waarachtig geestelijk leven aan de Kerk garandeert, omdat dit uiteindelijk van andere factoren afhankelijk is. Tenslotte weet ik ook, dat de Kerk 'eigensoortig' is en met geen enkele andere organisatie te vergelijken. Maar anderzijds ben ik ervan overtuigd dat iedere vorm van menselijk samen-zijn, die nu nog dezelfde zou wezen als omstreeks het jaar 1550, ernstige defecten moet vertonen. Wanneer het een goddelijk gebod zou zijn, dat de organisatie der Kerk voor alle tijden onveranderlijk moet blijven, zou ik er volledig vrede mee hebben, dat zij zich niet had aangepast aan latere ontwikkelingen. Dan zouden wij moeten constateren dat de Heilige Geest zich op één bepaalde structuur had vastgelegd en dat wij daarmee tot het eind der tijden moesten volstaan.

Maar als een nader onderzoek van de nieuwtestamentische gegevens zou uitwijzen dat een grote mate van bewegelijkheid mogelijk is, zodat b.v. Calvijn in zijn situatie in Genève toch een 'bijbelse' Kerkorde kan hebben, hoewel die grondig afwijkt van wat wij in de eerste christengemeenten vinden, dan zal dit ook consequenties hebben voor de vraag hoe de organisatie van de Kerk in deze tijd moet zijn.

Het is dus zaak om na te gaan wat het Nieuwe Testament zegt over wat hierin wezenlijk en wat bijkomstig is, omdat een gebrekkige organisatie de doorwerking van het Evangelie in sterke mate kan belemmeren.


Het is duidelijk, dat Jezus na zijn hemelvaart de Kerk niet heeft achtergelaten als een groep individualisten. Hij heeft aan zijn discipelen wèl de Heilige Geest beloofd, maar niet met de bedoeling dat zij als een stelletje geestdrijvers verder zouden leven. Reeds aanstonds bij zijn publieke optreden stelt Jezus een twaalftal aan, 'opdat zij met Hem zouden zijn en opdat Hij hen zou uitzenden om te prediken en om macht te hebben boze geesten uit te drijven' (Mare. 3:14). Juist door dit twaalftal wordt het nieuwe Godsvolk geconstitueerd. Zij zijn de stamvaders van het nieuwe Israël. Zij hebben een belangrijke functie bij de grondlegging der Kerk. Voor één groot gevaar worden zij echter van het begin af door hun Heer gewaarschuwd: als Jacobus en Johannes gaan denken, dat deze functie met glorie en met eer gepaard zal gaan, dat dit heersen en macht uitoefenen met zich mee zal brengen, zegt Jezus: 'Wie groot wil worden onder u zal uw dienaar zijn; en wie onder u de eerste wil zijn, zal aller slaaf zijn. Want ook de Zoon des mensen is niet gekomen om zich te laten dienen, maar om te dienen en zijn leven te geven als losprijs voor velen' (Mare. 10:35-45).

Dit dienen blijft het beheersende gezichtspunt, wanneer later aan de twaalf nog andere bevoegdheden gegeven worden. Het blijft ook de grondwet voor alles wat er in de apostolische en na-apostolische tijd in de Kerk door mensen zal worden gedaan. Dit twaalftal wordt door Jezus tot zijn 'apostelen' (gevolmachtigde vertegenwoordigers) gemaakt. Als oor- en ooggetuigen van zijn leven, sterven, opstanding en hemelvaart, moeten zij de betekenis hiervan verkondigen. Gelijk de Vader Jezus gezonden heeft, zendt Hij hen (Joh. 20:21). Zij ontvangen de volmacht om te binden en te ontbinden (Matth. 18:18), om zonden toe te rekenen en kwijt te schelden (Joh. 20:23).

Op grond van dit alles spelen de apostelen bij het ontstaan en de uitbreiding der Kerk een grote rol.

De vraag, die ons hier het meest interesseert is: hoe gaat het in de gemeenten, waar niet voortdurend een apostel kan zijn en hoe gaat het na de dood der apostelen?

Wij zagen reeds, dat in de 'katholieke' theorie over het ambt wordt aangenomen, dat de apostelen de hun verleende volmacht door een 'wijding' aan anderen doorgaven, zodat er tot op de huidige dag een onafgebroken keten van opvolgers der apostelen bestaat, die deze volmacht uitoefenen. Slechts zij zijn de eigenlijke ambtsdragers, die dan desgewenst weer anderen in 'afhankelijke ambten' kunnen wijden om een deel van hun taak aan dezen over te dragen.

Deze theorie is uit het Nieuwe Testament onbewijsbaar en op vele punten daarmee zelfs in strijd.

In feite is een wezenlijk gedeelte van het apostel-zijn onoverdraagbaar: als oor- en ooggetuigen van Jezus' leven, dood en opstanding kunnen zij na korte tijd al geen opvolgers meer hebhen. In de plaats daarvan komen de apostolische geschriften van het Nieuwe Testament, die het getuigenis van Jezus Christus voor alle tijden hebben vastgelegd.

Andere aspecten van het apostel-zijn moeten in de gemeenten echter blijvend functioneren en nieuwe taken ontstaan. Wie zullen dit moeten doen?

Deze gemeenten zijn geen groepen onmondige 'leken' maar vormen een 'koninklijk priesterschap', 'Gods volk' (l Petr. 2:9 en 10), zij hebben de Heilige Geest ontvangen en Deze zorgt ervoor dat alle voor het leven en functioneren der Kerk noodzakelijke charismata (gaven) in haar midden gevonden worden.

Deze Kerk wordt in het Nieuwe Testament, juist wanneer het over haar functies gaat, bij voorkeur getekend onder het beeld van 'het lichaam van Christus' (b.v. Rom. 12; l Cor. 12; Epheze 4). Er komen ook andere beelden voor, zoals 'volk Gods', 'kudde', 'bruid' e.d., zodat wij het beeld van het lichaam niet zullen mogen verabsoluteren, alsof daarmee alles over de Kerk gezegd is, wat erover te zeggen valt. Maar toch wordt dit zó uitvoerig uitgewerkt, dat hierin zeer wezenlijke dingen over haar worden uitgesproken. In l Cor. 12:12 schrijft Paulus b.v. 'Gelijk het lichaam één is en vele leden heeft, en al de leden van het lichaam, hoe vele ook, één lichaam vormen, zo ook Christus'. In zijn Kerk als zijn lichaam leeft en werkt Christus door de Heilige Geest, zodat alle leden, zowel mannen als vrouwen, organen van dat lichaam zijn, die zonder uitzondering een functie hebben ten dienste van het geheel. Aan ieder lid van de gemeente heeft de Heilige Geest één of meer charismata geschonken, zodat ieder verantwoordelijkheid draagt voor het functioneren van het gehele lichaam en niemand overbodig is (Rom. 12:5vv.; l Cor. 12:7, 11,18; 14:26; Eph. 4:7,16; l Petr. 4:10 e.a.). In het 'koninklijk priesterschap', dat aan allen gemeen is, is het charisma datgene waarin de verscheidenheid van deleden van het lichaam van Christus tot uitdrukking komt. Vandaar dan ook dat we in de jonge gemeenten een geweldige verscheidenheid van deze charismata ontdekken, die allemaal in opdracht van Christus en als organen van zijn lichaam hun functie vervullen en hun dienst verrichten. Er zijn apostelen, profeten en leraars. We horen van evangelisten en herders, diakenen en mensen die uitdelen en barmhartigheid bewijzen. Anderen geven leiding en besturen de gemeente. Er wordt verteld van 'de zeven' (Hand. 6), - wier taak overigens niet helemaal duidelijk is -, van zielzorgers en arbeiders, van vermaners en voorgangers. In l Corinthe 12 wordt een hele reeks mensen genoemd met gaven van het woord der wijsheid en der kennis, van het wonderen werkend geloof en van genezing, van het spreken in vreerade talen (glossolalie), het uitleggen daarvan en het onderscheiden van geestesuitingen. In verscheidene gemeenten zijn opzieners, oudsten en weduwen, terwijl er ook functies bestaan (van Titus b.v.), waarvan de naam ons niet eens bekend is.

Waar Christus door de dienst der apostelen zijn Kerk sticht, zorgt de Heilige Geest ervoor dat de gemeenten hier van de persoon van de apostel afhankelijk blijven. Ook wanneer de apostel vertrekt ontbreekt het de gemeente aan geen enkel charisma, om als lichaam van Jezus Christus te kunnen blijven functioneren: zij hebben het apostolisch woord en de charismata van de Heilige Geest.

Omdat deze charismata de functies zijn, waardoor Christus zelf in zijn gemeente leeft en werkt, daarom is ieder lid geroepen met haar of zijn charisma de gehele gemeente te dienen. Maar om dezelfde reden zijn al deze diensten dan ook principieel gelijkwaardig. Er is geen kwalitatief onderscheid tussen 'hogere' en 'lagere' diensten of tussen een 'wezenlijk' en een 'afhankelijk' ambt. Ieder charisma moet aan het geheel dienstbaar zijn, het meest zelfs van 'die leden van het lichaam, welke het zwakst schijnen', daar 'God het lichaam zó heeft samengesteld, dat Hij meer eer gaf aan hetgeen misdeeld was' (l Cor. 12:22vv). Als Paulus spreekt van 'het streven naar de hoogste charismata (l Cor. 12:31), dan is dat even paradoxaal bedoeld als toen Jezus zei: 'wie de eerste wil zijn, zij aller slaaf', want de hoogste gave is die ... van de liefde, met andere woorden: die dienst is het 'hoogst', die het minst door wereldse motieven als macht, autoriteit, eer, aanzien e.d. wordt ingegeven en het meest de opbouw van de gemeente bedoelt (l Cor. 14:3vv, 12, 17, 26).

Omdat de charismata functies in het lichaam van Christus zijn, hebben zij ook een zeker gezag. In bijzondere mate was dit het geval met de apostelen, die met eigen oor hadden gehoord en met eigen oog hadden gezien hetgeen zij verkondigden. Daarom wordt over hun 'volmacht', 'bevoegdheid', 'gezag' verscheidene malen in het Nieuwe Testament gesproken. In deze unieke zin is het later niet meer mogelijk om gezag te hebben. Dan kan men slechts verwijzen naar wat de apostelen hebben gezegd en geschreven. Maar als een lid der gemeente in gehoorzaamheid aan dit apostolisch woord haar of zijn charisma ten dienste stelt van het geheel, heeft dit het gezag van Jezus Christus Zelf in zich, omdat Hij door haar of hem handelt. Dit gezag is niet aan enkele 'belangrijke' of 'hoge' diensten in de gemeente gebonden (wie zal uitmaken wat 'belangrijk' en 'minder belangrijk' is?), maar aan alles wat in de naam van Christus gebeurt.

Alleen omdat de gemeente lichaam van Jezus Christus is en Hij in en door haar zijn dienst vervult, kan zij de spanning van gezag én vrijheid, gehoorzaamheid én mondigheid, onderschikking én gelijkstelling verdragen (l Petr. 5:2v). Wordt één van deze beide momenten overspannen, dan dreigt het gevaar, dat de Kerk gaat ontaarden òf in een machtsinstituut òf in een extatisch gezelschap van geestdrijvers.

Aan geen van beide gevaren is de Kerk in de loop van haar geschiedenis ontkomen. Soms werden de 'autoriteit', de 'macht', het 'gezag' zo overtrokken, dat de vrijheid en de verantwoordelijkheid van het individu vrijwel geheel verloren gingen. Maar soms ook heeft men het hebben van charismata zó individualistisch opgevat, dat men de totaliteit van de gemeente uit het oog verloor. Het klassieke voorbeeld hiervan zijn de samenkomsten van de gemeente in Corinthe (l Cor. 14), waarover we reeds spraken (blz. 51). Hier eist men de onbeperkte vrijheid voor zich op om het eigen charisma te kunnen tonen, zonder te beseffen, dat men lid van een lichaam, deel van'een geheel is. Daar blijkt al duidelijk, hoe nodig het is, dat er in de gemeente orde heerst. Alleen waar orde is wordt de gemeente gebouwd.

Daarom geeft de Heilige Geest onder de vele andere charismata ook die van het 'leiding geven' (Rom. 12:8; l Tim. 5:17) en van het 'besturen' (l Cor. 12:28). De dragers hiervan dienen ervoor te zorgen, dat alle charismata in de gemeente zó samenwerken, elkaar zó aanvullen, dat zij als lichaam van Christus functioneert.

Aan sommigen van deze charismata geeft men direct al in het begin (in Jeruzalem: Hand. 6) of later een min of meer vaste plaats in de gemeente, omdat deze functies blijvend in de Kerk nodig zullen zijn: het Woord moet altijd worden verkondigd, de sacramenten moeten worden bediend, de gemeente moet worden geleid, de wereld moet voor Christus worden gewonnen, de van Hem ontvangen liefde moet gestalte krijgen in de barmhartige daad en zo is er nog meer. Zonder dat het gewone gemeentelid van haar of zijn verantwoordelijkheid voor deze functie wordt ontheven, worden toch bepaalde leden met een bijzonder charisma voor deze diensten aangewezen, 'geordend', om de continuïteit te verzekeren. Andere charismata lenen zich minder of in het geheel niet voor zulk een vastlegging omdat ze daarvoor òf te spontaan, oòf te incidenteel zijn.

De grenzen tussen geordende en niet-geordende diensten in het Nieuwe Testament blijven vloeiend, hetgeen er al op wijst, dat er in de Kerk nooit een star schema zal mogen zijn, waarin alles voor alle tijden op dezelfde wijze wordt vastgelegd. Er zal een grote openheid moeten blijven voor allerlei veranderende situaties, waarin de Kerk van alle tijden zal mogen weten, dat zij daarin ten aanzien van geen enkel charisma te kort komt (l Cor. 1:7).

Het ligt buiten het bestek van dit boekje om na te gaan op welke wijze het in de nieuwtestamentische tijd tot deze 'ordening' van verschillende diensten gekomen is. Soms geldt die 'ordening' slechts voor één enkele gemeentesamenkomst (l Cor. 14:27-33), soms voor enkele weken (2 Cor. 8:18vv), soms ook onbeperkt (blijkbaar b.v. bij de oudsten). In de verschillende streken waar het tot gemeente-organisatie komt, gaat het ook niet uniform toe: met name in hoofdzakelijk joods-christelijke gemeenten legt men andere accenten dan in de heiden-christelijke. Zo zijn er meer dingen, die een grote speelruimte binnen de ordening blijken toe te laten.


Voor ons onderwerp zijn uit het voorgaande enkele belangrijke conclusies te trekken.

1. Een 'ambt' in de gemeente van Jezus Christus is niet een zaak van menselijke willekeur of van louter menselijke orde. Het is een functie in het lichaam van Christus en berust op een charisma van de Heilige Geest. Daarom komt het 'van boven af ' en niet 'van onder op'. Daarom kan het - voorzover het in gehoorzaamheid aan de Heer functioneert - met gezag optreden.

Voor één groot misverstand zullen wij ons echter moeten hoeden: deze dingen gelden niet voor een bepaalde groep 'ambtsdragers' alleen, maar in wezen voor alle charismata en de op grond daarvan verrichte diensten in de gemeente. Of bepaalde diensten 'geordend' of 'niet-geordend' zijn is veelal een betrekkelijke zaak, afhankelijk van een bepaalde situatie. In de europese Kerken zal een ordening van het diaconaat b.v. steeds als noodzakelijk ervaren worden, maar in veel oosterse Kerken is dit vrijwel of geheel overbodig, omdat de familie of de dorpsgemeenschap de zorg voor de hulpbehoevende mens op zich neemt. Er is een orde in de gemeente nodig, de continuïteit van velerlei diensten moet verzekerd worden, maar degenen, die tot de vervulling hiervan geroepen worden verschillen geestelijk-qualitatief in niets van de andere gemeenteleden. Waar geen apostel of 'apostolisch man' meer is, wordt de gemeente dan ook bij de verkiezing der 'ambts-dragers' betrokken, niet om door een democratische meerderheid op grond van sympathieën of antipathieën tot een keus te komen, maar om in gemeenschappelijke verantwoordelijkheid iemand voor een dienst aan te wijzen, die daarvoor een charisma van de Heilige Geest blijkt te bezitten. En aangezien in het gehele Nieuwe Testament aan de vrouw geen enkel charisma wordt ontzegd, maar - integendeel - alle charismata zowel aan mannen als vrouwen worden geschonken, kan er vanuit dit aspect van het 'ambtsbegrip' geen enkel bezwaar worden ingebracht om de vrouw in welk ambt dan ook te kiezen, wanneer zij hiervoor een charisma blijkt te hebben.

2. Vanuit de nieuwtestamentische gegevens wordt ook nog een ander aspect van het ambtsbegrip duidelijk, dat bij de vraag over de toelating der vrouw tot de ambten vaak een nogal belangrijke rol heeft gespeeld: de kwestievan 'de regering' der Kerk. Bij de bespreking zowel van de episcopale als van de presbyteriale ambtsopvatting is ons gebleken, dat men in beide systemen aan het ambt steeds de 'regeermacht' verbindt. Slechts in enkele presbyteriaal ingerichte Kerken sluit men de diakenen hiervan uit, maar als regel geldt: de ambtsdrager of hij nu priester, predikant, ouderling of diaken is, regeert ook de Kerk. Wie het charisma van de Woordverkondiging, van het opzicht houden of van de barmhartigheid heeft, wordt automatisch geacht ook dat van het 'leiding geven' te bezitten. Dit laatste was dan het criterium voor het 'ambt' en voor het zitting krijgen in de kerkeraad en werd dan als argument gehanteerd om de vrouw buiten het ambt te houden, omdat 'heersen' haar niet was toegestaan. Uit het Nieuwe Testament wordt echter duidelijk, dat het 'leiding geven' een geheel eigen charisma is, naast prediking, opzicht, diaconaat e.d. Leiding geven, orde scheppen is er nooit terwille van zichzelf, maar om het gehele lichaam als organisme te laten functioneren. Daarom garandeert het charisma van de Woordverkondiging of dat van de barmhartigheid nog in geen enkel opzicht, dat de dragers hiervan ook de beste 'leidinggevenden' zijn. Nieuwtestamentisch gezien is de binding van 'ambt' en 'regeermacht' dus in geen enkel opzicht te verdedigen en de daaraan ontleende argumentatie om de vrouw buiten het ambt te laten dus onhoudbaar.

Bovendien is er geen enkel bijbels motief te vinden, waardoor ook niet aan de vrouw het charisma van het 'leiding geven' geschonken zou kunnen zijn. Wanneer men er zich op zou willen beroepen, dat volgens de Schrift de vrouw niet mag 'heersen', dan zou men zich het allerfelst moeten verzetten tegen de regering van een koningin, hetgeen men - gelukkige inconsequentie! -niet doet. Het nieuwtestamentisch woordgebruik voor dit charisma heeft echter nergens het karakter van 'regeren', 'heersen' o.a., maar steeds van 'leiding geven', 'hoeden', 'zorgen' e.d. Ook dit leidinggeven kan slechts in de vorm van. de dienst aan het geheel worden uitgeoefend, en misschien zal juist op dit punt de vrouw meer beschermd zijn dan de man om deze dienst op een autoritaire wijze uit te voeren. Als de vrouw hiervoor het charisma blijkt te bezitten, dan zal zij ook hiervan niet mogen worden uitgesloten.

3. Evenmin als het Nieuwe Testament een vastgesteld aantal geordende diensten kent, zo min zal de Kerk van nu zich mogen vastleggen op een schema, dat steeds moet gelden. Met andere woorden: het aantal 'ambten' zal principieel steeds open moeten blijven, al zal anderzijds een zekere mate van continuïteit dienen te worden betracht. Niet alle diensten in de gemeente behoeven kerkordelijk te worden omschreven en vastgelegd, enerzijds omdat vele van deze diensten als levensfuncties van het lichaam van Christus als een vanzelfsprekendheid en het beste zonder ordening verricht kunnen worden, anderzijds omdat dit de mogelijkheid van een buitengewone roeping zou bemoeilijken. Het belangrijkste is, dat kerkordelijk tot uitdrukking wordt gebracht, dat niet alleen de 'ambtsdragers', maar alle leden een charisma en daarmee een opdracht tot dienst hebben. Is dit gebeurd, dan spelen allerlei praktische kwesties als tijdsduur van de ordening e.d. - evenals in het Nieuwe Testament - een secundaire rol. Als criteria voor deze ordening geldt slechts de noodzakelijkheid, dat het Woord des Heren snelle voortgang hebbe (2 Thess. 3 : 1), dat de gemeente gebouwd en wanorde vermeden worde (l Cor. 14:33), dat het in een behoefte voorziet (Hand. 6:3; l Cor. 12: 21), dat het welzijn van allen gediend worde (l Cor. 12:7) e.d. Het belangrijkste is, dat de Kerk los komt uit haar verstarring, waarin zij vrijwel alles delegeerde aan een paar ambtsdragers, terwijl de gemeenteleden - vaak tot hun genoegen - tot nonactiviteit waren gebracht. Het gemeente-zijn en het christen-zijn gaat niet op in activiteit alleen. Ook het element van rusten, van stil-leven op de genade van God in Jezus Christus is hier een wezenlijk element van, dat ik graag volledig wil verdisconteren. Maar er is ook een andere kant aan en daarover gaat het hier: als Kerk functioneren in de wereld. Dit zal weer volledig mogelijk moeten worden. Vele sectarische bewegingen in het verleden, de Pinksterbeweging en andere groepen van nu zijn een reactie op een verstarring in de Kerk, die deze niet over het hoofd zal mogen zien. Daarnaast worden er felle pleidooien gevoerd voor 'het ambt van de leek', zowel in protestantse (o.a. Prof. Kraemer) als in rooms-katholieke (H. Bouchette e.a.) kring, terwijl zelfs de vraag gesteld wordt of ons 'ambtsbegrip' niet een belemmering vormt voor de doorwerking van het Evangelie in onze tijd (Prof. Hoekendijk).

Welk deel van het in velerlei opzicht falen der Kerk zal op rekening moeten worden geschreven van het feit, dat zij slechts een paar van de vele charismata, die haar geschonken zijn, erkende en in dienst stelde, terwijl zij de meeste werkeloos liet sluimeren en daarmee aan de atrophie prijs gaf?

Alleen binnen een Kerkorde, die ruimte laat voor alle charismata, die zowel aan mannen als aan vrouwen geschonken worden, zal een beter functioneren van het lichaam van Christus mogelijk zijn. Het blijkt soms, dat bepaalde charismata sluimeren en opgewekt moeten worden (l Tim. 4:14; 2 Tim. l: 6) en met deze mogelijkheid zal de Kerk in deze tijd serieus rekening dienen te houden, met name ten aanzien van die der vrouw. Wat de Kerk uit de Bijbel had behoren te weten, begint haar pas door een bepaalde cultuurontwikkeling duidelijk te worden: dat het niet goed is, dat de (mannelijke) mens alleen zij (Genesis 2:18). Moge zij dit spoedig en volledig inzien en haar achterstand snel inhalen.

Litteratuur:

Dr. H. Kraemer, Het vergeten ambt in de kerk, Den Haag, 1963 (3e druk).

Dr. A. J. Rasker, De vrouw en het kerkelijk ambt, Wageningen, 1957.



This website is maintained by the Wijngaards Institute for Catholic Research.

John Wijngaards Catholic Research

since 11 Jan 2014 . . .

John Wijngaards Catholic Research