|
|
|---|
door het Comité over Vrouw en Kerk van de
Belgische Bisschopsconferentie, red. Ann Bedeleem en Ilse van Halst, Leuven
1998, blz. 55 - 67.
Uittreksels van H o o f d s t u k 2. Andere Stemmen
Hier gepubliceerd met verlof van de
Commissie
Het
bovenvermeld kerkelijk standpunt wordt niet door iedereen overgenomen.Velen
hebben twijfels bij de argumenten die de paus hanteert om vrouwen niet toe te
laten tot het priesterschap. Zij hebben bedenkingen bij de invulling van de
eigenheid van de vrouw evenals bij de interpretatie van de gegevens
uit de Schrift en de traditie. Zij wijzen op de hypotheek die vanuit het
klerikaal kerkbeeld en het essentialisme op het ideaal van priesterschap als
dienst rust. Zij vragen aandacht voor vrouwen die zich geroepen weten tot het
priesterschap en voor het feit dat vrouwen uitgesloten worden van
bestuursambten juist omdat deze gekoppeld zijn aan het priesterambt.
Christus is God mensgeworden
De
stelling dat alleen mannen Christus kunnen vertegenwoordigen omwille van de
natuurlijke gelijkenis in geslacht stort op kritiek. Een sacramentele
referentie komt volgens deze critici niet tot stand door een natuurlijke
gelijkenis (hetzelfde geslacht) tussen het teken (priester) en het betekende
Jezus Christus), maar door liturgische handelingen en woorden waardoor het
teken in de geest van Jezus als teken words gecreëerd. Essentieel aan het
priesterschap is niet dat men man is maar dat men priester gewijd wordt en door
de Kerk gezonden wordt. Als de Kerk vrouwen zou wijden en hun het priesterambt
zou toevertrouwen, zouden zij evenzeer als hun mannelijke collegas in de
persoon van Christus kunnen optreden.
De
theologen die dit denkpatroon volgen, vinden het vreemd dat het kerkelijk gezag
zoveel belang hecht aan het man-zijn van Jezus. Johannes-Paulus II schrijft in
Mulieris Dignitatem terecht dat Gods voortbrengen geheel van goddelijke
aard is en dat zijn vaderschap bijgevolg eigenlijk geen mannelijke of
vrouwelijke eigenschappen bezit. Als men dit ernstig neemt en daarbij ook nog
voor ogen houdt dat de vrouw evenzeer als de man geschapen is naar Gods beeld
en gelijkenis, kan men van het man-zijn van Jezus Christus toch geen
noodzakelijke factor maken waardoor Hij Gods Woord in deze wereld kon zijn.
Kan
men wel volhouden dat Jezus een man moést zijn, omdat Hij de bruidegom
van de Kerk moest worden, zo vragen deze theologen zich verder af. Zeker, in
aansluiting bij de huwelijksterminologie van het verbond wordt met de termen
bruidegom en bruid de verhouding tussen Jezus Christus
en de Kerk op een sprekende manier verbeeld, maar het zijn en blijven
metaforen. Zoals de huwelijksrelatie tussen Jahweh en Israël niet inhoudt
dat Jahweh werkelijk mannelijk zou zijn en Israël vrouwelijk, zo zeggen
bruidegom en bruid evenmin iets over een wezenlijke
vrouwelijkheid van de Kerk of een noodzakelijke mannelijkheid van Christus.
(Zie deel IV, 1)
Het
feit dat Jezus een man was, zal ongetwijfeld zijn persoonlijkheid getekend
hebben. Het was geen bijkomstigheid. Maar dit geldt ook - weliswaar op een
andere manier - voor zijn jood-zijn. Jezus man-zijn wordt in de discussie
over het priesterschap voor vrouwen te sterk uitvergroot, luidt de kritiek van
de voorstanders van de priesterwijding voor vrouwen. Zij wijzen erop dat Jezus
op de eerste plaats het heil van de wereld is als Woord van God dat mens
geworden is, als de mens-van-God die in zijn concrete mens-zijn
één in wezen was met de Vader en zich zo, luisterend naar diens
wil, tot het uiterste in liefde gaf. De priester representeert deze mens Jezus
Christus in persoon. Een rol, zo besluiten ze, die mannen én die vrouwen
kunnen opnemen die zich geroepen weten en die in naam van de verrezen Heer zelf
door de Kerk tot deze bediening worden aangesteld.
Als
men - zoals de paus doet in Ordinatio Sacerdotalis - het ambt bekijkt
vanuit het hoger doel het streven naar de liefde, staat de
ambtsdrager niet boven maar tussen alle andere gelovigen. De ene taak of
functie is dan niet beter of hoger dan de andere. Deze bevestiging van het
principe van gelijkwaardigheid van alle gelovigen zegt echter niet voldoende.
Er rijzen immers vragen bij de invulling van deze gelijkwaardigheid en dit
zowel vanuit het klerikaal kerkbeeld als vanuit de vroegere ongelijkwaardigheid
tussen mannen en vrouwen.
De
invloed van een klerikaal kerkbeeld, dat vroeger algemeen gangbaar was, maakt
het moeilijk om het priesterschap als dienst echt ingang te laten vinden. Hoe
wear en waardevol het kerkelijk standpunt van de gelijkwaardigheid van alle
gelovigen ook moge zijn, het verleden heeft hier duidelijk sporen nagelaten.
Vroeger immers was het priesterambt zowel maatschappelijk als kerkelijk wel
degelijk verheven boven bijvoorbeeld de taken die vrouwen konden opnemen. Het
droeg als levensweg ook lang een groter heiligmakend aureool dan het leven als
gehuwde. Er moet dan ook terdege rekening mee gehouden worden dat er door de
geschiedenis een hypotheek rust op het principe van de gelijkwaardigheid van
alle gelovigen en van het priesterschap als dienst aan de gemeenschap.
In
Ordinatio Sacerdotalis worden de verschillende roepingen van vrouwen en
mannen binnen de fundamentele gelijkwaardigheid van alle gelovigen geplaatst.
De invulling van die eigen roeping van de vrouw blijft echter te vaag zodat
heel verschillende interpretaties mogelijk zijn. Zoals de analyse van de
argumentatie binnen de feministische beweging heeft aangetoond, blijft het
uiterst moeilijk om die eigenheid te benoemen. Vrouwen kunnen weliswaar alleen
al vanuit hun eigen geschiedenis andere zeer waardevolle ervaringen en
inzichten aanbrengen, ook in de Kerk. Maar termen als vrouwelijke
eigenheid houden het risico in opnieuw een norm of een ideaal te
suggereren waaraan vrouwen moeten voldoen en waarbij geen rekening wordt
gehouden met de vele manieren en schakeringen waarop vrouwen aan hun vrouw-zijn
gestalte kunnen geven.
Bovendien zet de vage omschrijving van de eigen vrouwelijke (en ook de eigen
mannelijke) natuur de deur wijd open voor interpretaties van het verschil
tussen vrouwen en mannen die sterk doen denken aan het oude patroon waarin de
vrouwelijke natuur minderwaardig was. Het feit dat het kerkelijk leergezag -
tot nader order nog steeds enkel mannen - de onderscheiden roeping voor vrouwen
verdedigt, roept bij velen opnieuw het discriminerende denken van vroeger op.
Ook toen waren het immers mannen die bepaalden wat de echte vrouwelijke aard
was. En deze vrouwelijkheid werd door mannen bewust en onbewust op
zon manier opgevat dat zij de leiding en de macht over de samenleving
(inclusief de vrouwen) niet hoefden te delen.
Traditie is niet heilig
De
kerkelijke traditie heeft in navolging van Jezus - die enkel mannen als apostel
koos - alleen mannen tot priester gewijd.
In
hun verklaringbij Ordinatio Sacerdotalis merkten de Belgische
bisschoppen op dat er over dit definitieve standpunt toch verder
kan worden nagedacht. Maar kan dit denkwerk nog wel in alle openheid en volgens
de regels eigen aan het theologisch onderzoek van vandaag gebeuren?
Bovendien is het niet enkel van belang dat de discussie over de argumenten op
theologisch vlak wordt voortgezet. Ook in de pastoraal en in het beleid van de
kerkgemeenschap moet de dialoog- onder meer omtrent de invulling van de
gelijkwaardigheid van mannen en vrouwen - open blijven en gestimuleerd worden.
Want de geloofwaardigheid van de verschillende standpunten hangt mee af van de
inspanningen om een echt partnerschap tussen mannen en vrouwen te realiseren.
Reacties in België
Gezien de symbolische aard van de met het geslacht verbonden rollen en
functies is het, psychologisch gezien, goed denkbaar dat het ambt door een
vrouw wordt waargenomen. Zoals de moeder, met haar vrouwelijke identiteit en
identiteitsbeleving, toch de vaderfunctie kan representeren, zo kan
mutatis mutandis de vrouw in de Kerk, ook de verwijzings- en
vertegenwoordigingstaak die het ambt in de Kerk is, psychologisch gezien,
perfect vervullen. Hierbij moet men natuurlijk wel degelijk rekening houden met
de grote verschillen die er tussen culturen zijn inzake mogelijkheden en
(cultureel bepaalde) aanvaardboarheid. (J. Corveleyn, AV juni 1996)
Heel de groep was er niet gelukkig mee dat één beeld
(Christus: bruidegom, Kerk: bruid) onder de vele sterk werd overtrokken, zelfs
verabsoluteerd. De priester is voorganger van een gemeenschap die Christus
aanwezig stelt. De priester moet naar Christus verwijzen. Hij wordt echter te
veel gesacraliseerd. Zou een vrouw, juist door geen man te zijn, niet beter
naar Christus kunnen verwijzen, op een minder dubbelzinnige
manier? (Gespreksgroep,AVjuni 1996)
ln de wereld van de vrouwelijke religieuzen ligt het mannelijk overwicht
soms heel moeilijk. Vrouwelijke religieuzen staan meestal onder de bisschop. Ze
voelen zich ingesnoerd door bisschoppelijke regels. Ze krijgen geen ruimte. In
de vieringen gaat de priester er soms gewoon van uit, dat hij de gang van zaken
bepaalt. Hij houdt absoluut geen rekening met de afspraken over manier van
zingen en bidden. Hij vindt het vanzelfsprekend alles zelf te doen. Vrouwelijke
religieuzen krijgen meestal een rector, die elders niet meer voldoet en
afgedankt is voor parochiewerk. Dit bevordert het imago dat zusters doetjes
zijn. (Gespreksgroep, AV Februari 1995)
Pastorale werksters en vrouwen ondervinden moeilijkheden in de
uitoefening van hun taak. Soms worden ze door priesters als onvoldoende
gevormd naar de achtergrond verdrongen. De vrouwelijke ziekenhuispastor
wordt door de mensen soms moeilijker aanvaard. Mensen spreken in een
parochieteam dat vooral door vrouwen gedragen wordt toch nog eerder de
mannelijke teamleden aan. Van vrouwen wordt minder aanvaard dat ze veel van
huis weg zijn en het gezin in de steek laten (bijvoorbeeld naar aanleiding van
avondvergaderingen, vormingsdagen...). Dit alles is niet het gevolg van slechte
wil, maar wordt bepaald door cultuur en traditionele rolpatronen. Vrouwen
moeten zich inschakelen in kwaliteitsvol pastoraal werk opdat van onderuit een
andere mentaliteit zou groeien. (Gespreksgroep, AV juni 1996)
Momenteel is er - in christelijke middens - een soort goedkoop spreken in
omloop alsof de emancipatie reeds voltrokken zou zijn, zodat men opnieuw kan
werken aan het seksuele verschil, aan de eigenheid van man en vrouw. Maar dat
houdt juist het risico in een nieuwe bron van dominantie te worden, precies
omdat het verschil in het verleden altijd in die richting heeft gewerkt. Het
moet uiteraard niet noodzakelijk of onvermijdelijk in die richting werken. Maar
we mogen toch niet naief zijn en het gewicht van onze voorgeschiedenis vergeten
die ook in onze kerkelijke geschiedenis - diepe sporen heeft getrokken.
(R. Burggraeve,AV juni 1996)
Getuigenis Suzanne, die doodziek was, zei: Ik vind het spijtig
dat ik dit laatste niet aan jou vragen kan. Ze stopte. Doe het toch
maar, zei ik. Wenend zei ze: Om de ziekenzalving te geven.
Glimlachend om haar verdriet relativeerde ze: Mannen zeggen dat vrouwen
dat niet mogen. (Getuigenis van een pastoraal werkster, AV februari 1995)
Wie probeert defeitelijk gegroeide ambtsvormen te fixeren door ze met
historische argumenten vast te knopen aan Jezus, komt in drijfzand terecht. We
moeten gewoon een onderscheid maken tussen de legitimiteit van een
ontwikkeling en haar onveranderlijkheid. Een legitieme ontwikkeling
is een ontwikkeling die, rekening houdend met de tijd en de plaats, de beste
manier incarneert om trouw te zijn aan Jezus evangelie. Elke kerkvorm die
de opbouw van Christusgemeenschap werkelijk dient, is evangelisch
gefundeerd. Dit betekent echter niet hetzelfde als door de historische Jezus
formeel zo gewild. Een kerkelijke ontwikkeling naar een drieledig ambt, zoals
we dat al eeuwen kennen, kan daarom zeer legitiem en in het evangelie
gefundeerd genoemd worden. Deze legitimiteit hoeft echter op zich helemaal geen
onveranderlijkheid in te houden. (R Schmidt,AV februari 1995)
We moeten eerlijk genoeg zijn om te durven bekennen dat onze cultuur geen
dogma is. Onze culuunrgevoeligheid heeft haar waarde, maar ook haar
relativiteit. Het evangelie incultureert zich in een cultuur en bekritiseert
ook alle culturen. En bijgevolg kan ik heel goed begrijpen dat heel veel mensen
nu zeggen vanuit mijn culturele gevoeligheid die niet zo is - en ik kan
maar zo voelen - kan ik daar niet mee overweg. Ik kan dit verstaan, maar
moeten we ook niet op onze eigen cultuur kritiek uitoefenen? Die is
immers niet universeel, noch in de tijd, noch in de ruimte.(Kardinaal
Danneels, AV juni 1994)
Ik heb nauwe contacten met de socio-culturele sector. Mijn bekommernis is
dat er, wellicht door het imago van de Kerk, een groeiend aantal mensen is dat
het conflict niet meer opneemt, maar het laat voor wat het is. Wij ervaren
stilaan dat er een kilte komt in de Kerk. Er zijn mensen die zich daar echt
niet meer druk over maken. Ik ervaar ook stilaan dat heel wat vrijwilligers die
minder theologisch en minder exegetisch geschoold zijn, het moeilijker krijgen
om voor zichzelf het onderscheid te maken hussen wat nu de religieuze gelovige
invulling van macht is en de feitelijk macht die zij ervaren in de Kerk en
daardoor hun engagement met de Kerk en concreet met de parochie in vraag
beginner te stellen. (Plenaire vraagstelling, AV juni 1995)
De traditie heeft Christus gebracht in het eigen kleed van elke tijd. Ze
heeft dit juist gedaan om het evangelie levend te houden. In feite is dit een
bevrijdend inzicht. Het maakt immers duidelijk hoe groot de vrijheid van de
Kerk is bij het concreet invullen van de noodzakelijke structuren. Ook op dit
punt geniet zij de volledige vrijheid van de kinderen Gods. Dit is een
geruststellende boodschap wanneer we denken aan de eeuwen en wellicht nog
millenia die de wereld en de mensheid nog te wachten staan. (P. Schmidt,
AV februari 1995)
Het gezag wordt niet aangevochten, omdat men Kerk, Jezus en verrijzenis
ontkent, maar omdat de culturele vorm ervan niet meer klopt. Zodra iemand zegt:
lk zal zeggen wat God voorschrijft, deugt er iets niet.
(Gespreksgroep, AV juni I995)
Het gaat er niet alleen om meer vrouwen in de [politieke en pedagogische]
besluitvorming te betrekken, maar ook en vooral de besluitvorming zelf tot een
minder discriminerende praktijk te maken. Een hogere betrokkenheid van
vrouwen kan dus het resultaat zijn van een niet-discriminerend beleid, maar
tegelijk kan in zoverre vrouwen traditioneel andere waarden en perspectieven
belichamen dan de man - de participatie van vrouwen ook bijdragen tot het
ontstaan van een meer democratische besluitvorming. (A. Snick, AV juni
1996)
Ik denk dat het besef van gelijkberechtiging en gelijkwaardigheid van
mannen en vrouwen en van het niet meer discrimineren in het participeren in
vormen van beslissing en beleid, op dit moment zon gezag begint te
krijgen in onze wereld en het besef van wat humaniteit vandaag vraagt, dat ook
een Kerk dit niet langer meer kan blijven loochenen of kan miskennen, ook niet
in haar eigen structuur. (E. van Waelderen, AV juni 1995)
In het vredeswerk kiezen wij vandaag duidelijk voor gelijke
rechten van vrouwen en mannen, waar ook ter wereld. Onze geloofwaardigheid
hangt af van een consequente toepassing van deze principes in onze Kerk en in
de wereld. Er zijn verschillende functies te vervullen. Mensen hebben
verschillende verantwoordelijkheden. Dat is heel duidelijk. Maar wij kunnen
niet aanvaarden dat meer dan de helft van de bevolking in onze Kerk in een
situatie van rechteloosheid verkeert. Want wij denken dat daar in feite de
knoop ligt. Rechteloosheid, niet zozeer wegens de wijdingsmogelijkheid, maar
wel meer op het vlak van de mogelijkheid om te beslissen. De discussie hierover
is al meer dan 20 jaar aan de gang (...) en er is nog maar weinig vooruitgang
geboekt.(AV juni 1994)
Er is inderdaad een probleem in het (...) feit dat de beslissingsmacht in
de Kerk gebonden wordt aan het wijdingssacrament. Dat is inderdaad discutabel.
Het is mogelijk jurisdictiemacht los te maken van de wijdingsmacht, alhoewel ik
vind dat dit toch goed bekeken moet worden. Het is niet klaar. Ik zeg ook niet
dat het zonder meer gescheiden moet worden want in feite is er ook een zekere
affiniteit tussen de twee. (Kardinaal Danneels, AV juni 1994)
De vraag of het ambt ook open moet zijn voor de
vrouw is bijna irrelevant. Laten wij eerder op zoek gaan naar andere ambten
waar de vrouw en de man volgens hun geaardheid kunnen functioneren,
waarschijnlijk complementair. (Gespreksgroep, AV juni 1996
)
Vrouwen willen priester worden, maar niet de priester van vandaag: een
priester-mislezer. Priester-zijn moet dan iets anders zijn. Het
moet een andere invulling krijgen.(Gespreksgroep, februari 1995)
De ervaringen met vrouwen in de pastoraal (en als pastores) zijn over het
algemeen positief. Deze vrouwen staan immers niet op een piëdestal zoals
hun collegas priesters. Zij zijn overduidelijk leek met de leken. Er is
dus een heel lage drempel. Inhoudelijk betekenen zij heel wat door hun eigen
benadering van de kerkvorming rond Christus. Hun vermogen tot
luisteren wordt daarbij in het bijzonder beklemtoond.
(Gespreksgroep, AV juni 1996)
Teneinde iedere twijfel over een kwestie van groot belang, die de
goddelijke constitutie van de Kerk betreft, weg te nemen, verklaar ik op grond
van mijn taak om mijn broeders te bevestigen (vgl. Lc. 22,32), dat de Kerk op
geen enkele manier bevoegd is om aan vrouwen de priesterwijding te verlenen en
dat alle gelovigen van de Kerk zich aan dit standpunt dienen te houden als
zijnde definitief. (Paus in Ordinatio Sacerdotalis)
Sommige mensen vragen ook als de paus zegt dat het voorbehouden van
het wijdingssacrament aan mannen behoort tot de grondconstitutie van de Kerk,
hoe moeten wij dit dan verstaan? Is het een geloofspunt? Maar het staat
niet in het Credo. Het staat ook niet expliciet in het evangelie alhoewel er
aanduidingen zijn in die richting, maar het staat er niet expliciet in. Er zijn
nu eenmaal dingen in de Kerk en in de grondstructuur van de Kerk, die door de
historische gegevenheid van de Kerk eigenlijk zo zijn dat men ze niet kan
veranderen. (Kardinaal Danneels, AV juni
1994)
In hoeverre zijn uitspraken van het leerambt bindend? Hoe moeten wij dit
plaatsen? Lumen Gentium geeft ons in nr. 25 alvast een duidelijk
onderscheid. Wat dogmatisch vastgelegd is of wat behoort tot het domein
van de onfeilbaarheid. Dit is aan strikte voorwaarden gekoppeld: als de paus ex
cathedra spreekt of als paus en bisschoppen samen in concilie of over de
wereld verspreid een leer inzake geloof en zeden als strikt geloofspunt
definiëren.
Dit
domein is strikt gebonden aan het geopenbaarde geloofsgoed. Ten aanzien van
deze standpunten wordt van de christenen een geloofsgehoorzaamheid gevraagd.
Het gewone authentieke leerambt wil ook richtinggevend zijn maar behoort niet
tot het domein van de onfeilbaarheid. Het sluit niet de pretentie in steeds in
volstrekte overeenstemming met het evangelie te zijn. Deze standpunten vragen
een religieuze volgzaamheid van verstand en wil. Ook al gaat het
hier niet over de strikte geloofsgehoorzaamheid, toch hebben deze uitspraken
ook een eigen gezagvol gewicht. Dat betekent geen slaafse onderwerping maar het
vraagt een grondhouding van eerbiedig erkennen en oprecht
aanvaarden. Men is in geweten verplicht zijn/haar denken en handelen te
confronteren met deze leer. (E. van Waelderen,AVjuni 1995)
Sommigen zijn geschokt door de abrupte affirmaties [in
Ordinatio Sacerdotalis]. Men mag niet vergeten dat vorige
documenten een diepgaande en bredere argumentatie aanbrachten (Inter
Insigniores; Mulieris Dignitatem). Het is ook mogelijk dat de toon
en de taal van de verklaring, alhoewel kerkjuridisch in zich verantwoord, voor
een hedendaags toehoorder andere en emotionele connotaties oproepen, die een
heel andere uitwerking hebben. Terwijl het woord definitief in
kerktaal betekent dat iets behoort tot de aanvaarde leer van de Kerk zoals ze
door paus en bisschoppen altijd wordt voorgehouden, kan hetzelfde woord
in moderne oren klinken als een spreekverbod of denkverbod of
een poging om monddood te maken.(Verklaring van de bisschoppen
van Belgie naar aanleiding van Ordinatio Sacerdotalis, 7 juni
1994)
Klik
hier als U onze campagne voor de wijding van vrouwen aktief wilt
steunen..

![]() |
In dit boek gaat Hans Wijngaards in op belangrijke historische bronnen, vanaf het begin van het christendom tot het jaar 900. Hij bewijst op overtuigende wijze dat vrouwen de rol van diaken op zich namen en hiertoe ook gewijd werden. Met zijn historische studie levert Wijngaards een belangrijke bijdrage aan het actuele debat over de wijding van vrouwen tot diaken. Klik hier! |