OOK VROUWEN PRIESTER? JAZEKER!header

Responsive image

BEGIN

REDEN GENOEG

TEGEN DE PAUS?

DEBAT

MENU

Nederlands/Vlaams Deutsch Francais English language Spanish language Portuguese language Catalan Chinese Czech Malayalam Finnish Igbo
Japanese Korean Romanian Malay language Norwegian Swedish Polish Swahili Chichewa Tagalog Urdu
------------------------------------------------------------------------------------
Wie Mag Toeven Binnen Uw Tent?

Wie Mag Toeven Binnen Uw Tent?

door het Comité over Vrouw en Kerk van de Belgische Bisschopsconferentie, red. Ann Bedeleem en Ilse van Halst, Leuven 1998, blz. 55 - 67.

Uittreksels van H o o f d s t u k 2. Andere Stemmen

Hier gepubliceerd met verlof van de Commissie

Het bovenvermeld kerkelijk standpunt wordt niet door iedereen overgenomen.Velen hebben twijfels bij de argumenten die de paus hanteert om vrouwen niet toe te laten tot het priesterschap. Zij hebben bedenkingen bij de invulling van de ‘eigenheid van de vrouw’ evenals bij de interpretatie van de gegevens uit de Schrift en de traditie. Zij wijzen op de hypotheek die vanuit het klerikaal kerkbeeld en het essentialisme op het ideaal van priesterschap als dienst rust. Zij vragen aandacht voor vrouwen die zich geroepen weten tot het priesterschap en voor het feit dat vrouwen uitgesloten worden van bestuursambten juist omdat deze gekoppeld zijn aan het priesterambt.

Christus is God mensgeworden

De stelling dat alleen mannen Christus kunnen vertegenwoordigen omwille van de natuurlijke gelijkenis in geslacht stort op kritiek. Een sacramentele referentie komt volgens deze critici niet tot stand door een natuurlijke gelijkenis (hetzelfde geslacht) tussen het teken (priester) en het betekende Jezus Christus), maar door liturgische handelingen en woorden waardoor het teken in de geest van Jezus als teken words gecreëerd. Essentieel aan het priesterschap is niet dat men man is maar dat men priester gewijd wordt en door de Kerk gezonden wordt. Als de Kerk vrouwen zou wijden en hun het priesterambt zou toevertrouwen, zouden zij evenzeer als hun mannelijke collega’s in de persoon van Christus kunnen optreden.

De theologen die dit denkpatroon volgen, vinden het vreemd dat het kerkelijk gezag zoveel belang hecht aan het man-zijn van Jezus. Johannes-Paulus II schrijft in Mulieris Dignitatem terecht dat Gods voortbrengen geheel van goddelijke aard is en dat zijn vaderschap bijgevolg eigenlijk geen mannelijke of vrouwelijke eigenschappen bezit. Als men dit ernstig neemt en daarbij ook nog voor ogen houdt dat de vrouw evenzeer als de man geschapen is naar Gods beeld en gelijkenis, kan men van het man-zijn van Jezus Christus toch geen noodzakelijke factor maken waardoor Hij Gods Woord in deze wereld kon zijn.

Kan men wel volhouden dat Jezus een man moést zijn, omdat Hij de bruidegom van de Kerk moest worden, zo vragen deze theologen zich verder af. Zeker, in aansluiting bij de huwelijksterminologie van het verbond wordt met de termen ‘bruidegom’ en ‘bruid’ de verhouding tussen Jezus Christus en de Kerk op een sprekende manier verbeeld, maar het zijn en blijven metaforen. Zoals de huwelijksrelatie tussen Jahweh en Israël niet inhoudt dat Jahweh werkelijk mannelijk zou zijn en Israël vrouwelijk, zo zeggen ‘bruidegom’ en ‘bruid’ evenmin iets over een wezenlijke vrouwelijkheid van de Kerk of een noodzakelijke mannelijkheid van Christus. (Zie deel IV, 1)

Het feit dat Jezus een man was, zal ongetwijfeld zijn persoonlijkheid getekend hebben. Het was geen bijkomstigheid. Maar dit geldt ook - weliswaar op een andere manier - voor zijn jood-zijn. Jezus’ man-zijn wordt in de discussie over het priesterschap voor vrouwen te sterk uitvergroot, luidt de kritiek van de voorstanders van de priesterwijding voor vrouwen. Zij wijzen erop dat Jezus op de eerste plaats het heil van de wereld is als Woord van God dat mens geworden is, als de mens-van-God die in zijn concrete mens-zijn één in wezen was met de Vader en zich zo, luisterend naar diens wil, tot het uiterste in liefde gaf. De priester representeert deze mens Jezus Christus in persoon. Een rol, zo besluiten ze, die mannen én die vrouwen kunnen opnemen die zich geroepen weten en die in naam van de verrezen Heer zelf door de Kerk tot deze bediening worden aangesteld.

Als men - zoals de paus doet in Ordinatio Sacerdotalis - het ambt bekijkt vanuit het hoger doel ‘het streven naar de liefde’, staat de ambtsdrager niet boven maar tussen alle andere gelovigen. De ene taak of functie is dan niet beter of hoger dan de andere. Deze bevestiging van het principe van gelijkwaardigheid van alle gelovigen zegt echter niet voldoende. Er rijzen immers vragen bij de invulling van deze gelijkwaardigheid en dit zowel vanuit het klerikaal kerkbeeld als vanuit de vroegere ongelijkwaardigheid tussen mannen en vrouwen.

De invloed van een klerikaal kerkbeeld, dat vroeger algemeen gangbaar was, maakt het moeilijk om het priesterschap als dienst echt ingang te laten vinden. Hoe wear en waardevol het kerkelijk standpunt van de gelijkwaardigheid van alle gelovigen ook moge zijn, het verleden heeft hier duidelijk sporen nagelaten. Vroeger immers was het priesterambt zowel maatschappelijk als kerkelijk wel degelijk verheven boven bijvoorbeeld de taken die vrouwen konden opnemen. Het droeg als levensweg ook lang een groter heiligmakend aureool dan het leven als gehuwde. Er moet dan ook terdege rekening mee gehouden worden dat er door de geschiedenis een hypotheek rust op het principe van de gelijkwaardigheid van alle gelovigen en van het priesterschap als dienst aan de gemeenschap.

In Ordinatio Sacerdotalis worden de verschillende roepingen van vrouwen en mannen binnen de fundamentele gelijkwaardigheid van alle gelovigen geplaatst. De invulling van die eigen roeping van de vrouw blijft echter te vaag zodat heel verschillende interpretaties mogelijk zijn. Zoals de analyse van de argumentatie binnen de feministische beweging heeft aangetoond, blijft het uiterst moeilijk om die eigenheid te benoemen. Vrouwen kunnen weliswaar alleen al vanuit hun eigen geschiedenis andere zeer waardevolle ervaringen en inzichten aanbrengen, ook in de Kerk. Maar termen als ‘vrouwelijke eigenheid’ houden het risico in opnieuw een norm of een ideaal te suggereren waaraan vrouwen moeten voldoen en waarbij geen rekening wordt gehouden met de vele manieren en schakeringen waarop vrouwen aan hun vrouw-zijn gestalte kunnen geven.

Bovendien zet de vage omschrijving van de eigen vrouwelijke (en ook de eigen mannelijke) natuur de deur wijd open voor interpretaties van het verschil tussen vrouwen en mannen die sterk doen denken aan het oude patroon waarin de vrouwelijke natuur minderwaardig was. Het feit dat het kerkelijk leergezag - tot nader order nog steeds enkel mannen - de onderscheiden roeping voor vrouwen verdedigt, roept bij velen opnieuw het discriminerende denken van vroeger op. Ook toen waren het immers mannen die bepaalden wat de echte vrouwelijke aard was. En deze ‘vrouwelijkheid’ werd door mannen bewust en onbewust op zo’n manier opgevat dat zij de leiding en de macht over de samenleving (inclusief de vrouwen) niet hoefden te delen.

Traditie is niet heilig

De kerkelijke traditie heeft in navolging van Jezus - die enkel mannen als apostel koos - alleen mannen tot priester gewijd.

In hun verklaringbij Ordinatio Sacerdotalis merkten de Belgische bisschoppen op dat er over dit ‘definitieve standpunt’ toch verder kan worden nagedacht. Maar kan dit denkwerk nog wel in alle openheid en volgens de regels eigen aan het theologisch onderzoek van vandaag gebeuren?

Bovendien is het niet enkel van belang dat de discussie over de argumenten op theologisch vlak wordt voortgezet. Ook in de pastoraal en in het beleid van de kerkgemeenschap moet de dialoog- onder meer omtrent de invulling van de gelijkwaardigheid van mannen en vrouwen - open blijven en gestimuleerd worden. Want de geloofwaardigheid van de verschillende standpunten hangt mee af van de inspanningen om een echt partnerschap tussen mannen en vrouwen te realiseren.

Reacties in België

‘Gezien de symbolische aard van de met het geslacht verbonden rollen en functies is het, psychologisch gezien, goed denkbaar dat het ambt door een vrouw wordt waargenomen. Zoals de moeder, met haar vrouwelijke identiteit en identiteitsbeleving, toch de vaderfunctie kan representeren, zo kan “mutatis mutandis” de vrouw in de Kerk, ook de verwijzings- en vertegenwoordigingstaak die het ambt in de Kerk is, psychologisch gezien, perfect vervullen. Hierbij moet men natuurlijk wel degelijk rekening houden met de grote verschillen die er tussen culturen zijn inzake mogelijkheden en (cultureel bepaalde) aanvaardboarheid.’ (J. Corveleyn, AV juni 1996)

‘Heel de groep was er niet gelukkig mee dat één beeld (Christus: bruidegom, Kerk: bruid) onder de vele sterk werd overtrokken, zelfs verabsoluteerd. De priester is voorganger van een gemeenschap die Christus aanwezig stelt. De priester moet naar Christus verwijzen. Hij wordt echter te veel gesacraliseerd. Zou een vrouw, juist door geen man te zijn, niet beter naar Christus kunnen verwijzen, op een minder dubbelzinnige manier?’ (Gespreksgroep,AVjuni 1996)

‘ln de wereld van de vrouwelijke religieuzen ligt het mannelijk overwicht soms heel moeilijk. Vrouwelijke religieuzen staan meestal onder de bisschop. Ze voelen zich ingesnoerd door bisschoppelijke regels. Ze krijgen geen ruimte. In de vieringen gaat de priester er soms gewoon van uit, dat hij de gang van zaken bepaalt. Hij houdt absoluut geen rekening met de afspraken over manier van zingen en bidden. Hij vindt het vanzelfsprekend alles zelf te doen. Vrouwelijke religieuzen krijgen meestal een rector, die elders niet meer voldoet en afgedankt is voor parochiewerk. Dit bevordert het imago dat zusters doetjes zijn.’ (Gespreksgroep, AV Februari 1995)

‘Pastorale werksters en vrouwen ondervinden moeilijkheden in de uitoefening van hun taak. Soms worden ze door priesters als “onvoldoende gevormd” naar de achtergrond verdrongen. De vrouwelijke ziekenhuispastor wordt door de mensen soms moeilijker aanvaard. Mensen spreken in een parochieteam dat vooral door vrouwen gedragen wordt toch nog eerder de mannelijke teamleden aan. Van vrouwen wordt minder aanvaard dat ze veel van huis weg zijn en het gezin in de steek laten (bijvoorbeeld naar aanleiding van avondvergaderingen, vormingsdagen...). Dit alles is niet het gevolg van slechte wil, maar wordt bepaald door cultuur en traditionele rolpatronen. Vrouwen moeten zich inschakelen in kwaliteitsvol pastoraal werk opdat van onderuit een andere mentaliteit zou groeien.’ (Gespreksgroep, AV juni 1996)

‘Momenteel is er - in christelijke middens - een soort goedkoop spreken in omloop alsof de emancipatie reeds voltrokken zou zijn, zodat men opnieuw kan werken aan het seksuele verschil, aan de eigenheid van man en vrouw. Maar dat houdt juist het risico in een nieuwe bron van dominantie te worden, precies omdat het verschil in het verleden altijd in die richting heeft gewerkt. Het moet uiteraard niet noodzakelijk of onvermijdelijk in die richting werken. Maar we mogen toch niet naief zijn en het gewicht van onze voorgeschiedenis vergeten die ook in onze kerkelijke geschiedenis - diepe sporen heeft getrokken.’ (R. Burggraeve,AV juni 1996)

Getuigenis ‘Suzanne, die doodziek was, zei: “Ik vind het spijtig dat ik dit laatste niet aan jou vragen kan.” Ze stopte. “Doe het toch maar”, zei ik. Wenend zei ze: “Om de ziekenzalving te geven.” Glimlachend om haar verdriet relativeerde ze: “Mannen zeggen dat vrouwen dat niet mogen.” (Getuigenis van een pastoraal werkster, AV februari 1995)

‘Wie probeert defeitelijk gegroeide ambtsvormen te fixeren door ze met historische argumenten vast te knopen aan Jezus, komt in drijfzand terecht. We moeten gewoon een onderscheid maken tussen de “legitimiteit” van een ontwikkeling en haar “onveranderlijkheid”. Een legitieme ontwikkeling is een ontwikkeling die, rekening houdend met de tijd en de plaats, de beste manier incarneert om trouw te zijn aan Jezus’ evangelie. Elke kerkvorm die de opbouw van Christus’gemeenschap werkelijk dient, is evangelisch gefundeerd. Dit betekent echter niet hetzelfde als door de historische Jezus formeel zo gewild. Een kerkelijke ontwikkeling naar een drieledig ambt, zoals we dat al eeuwen kennen, kan daarom zeer legitiem en in het evangelie gefundeerd genoemd worden. Deze legitimiteit hoeft echter op zich helemaal geen onveranderlijkheid in te houden.’ (R Schmidt,AV februari 1995)

‘We moeten eerlijk genoeg zijn om te durven bekennen dat onze cultuur geen dogma is. Onze culuunrgevoeligheid heeft haar waarde, maar ook haar relativiteit. Het evangelie incultureert zich in een cultuur en bekritiseert ook alle culturen. En bijgevolg kan ik heel goed begrijpen dat heel veel mensen nu zeggen “vanuit mijn culturele gevoeligheid die niet zo is - en ik kan maar zo voelen - kan ik daar niet mee overweg.” Ik kan dit verstaan, maar moeten we ook niet op onze eigen cultuur kritiek uitoefenen? Die is immers niet universeel, noch in de tijd, noch in de ruimte.’(Kardinaal Danneels, AV juni 1994)

‘Ik heb nauwe contacten met de socio-culturele sector. Mijn bekommernis is dat er, wellicht door het imago van de Kerk, een groeiend aantal mensen is dat het conflict niet meer opneemt, maar het laat voor wat het is. Wij ervaren stilaan dat er een kilte komt in de Kerk. Er zijn mensen die zich daar echt niet meer druk over maken. Ik ervaar ook stilaan dat heel wat vrijwilligers die minder theologisch en minder exegetisch geschoold zijn, het moeilijker krijgen om voor zichzelf het onderscheid te maken hussen wat nu de religieuze gelovige invulling van macht is en de feitelijk macht die zij ervaren in de Kerk en daardoor hun engagement met de Kerk en concreet met de parochie in vraag beginner te stellen.’ (Plenaire vraagstelling, AV juni 1995)

‘De traditie heeft Christus gebracht in het eigen kleed van elke tijd. Ze heeft dit juist gedaan om het evangelie levend te houden. In feite is dit een bevrijdend inzicht. Het maakt immers duidelijk hoe groot de vrijheid van de Kerk is bij het concreet invullen van de noodzakelijke structuren. Ook op dit punt geniet zij de volledige vrijheid van de kinderen Gods. Dit is een geruststellende boodschap wanneer we denken aan de eeuwen en wellicht nog millenia die de wereld en de mensheid nog te wachten staan.’ (P. Schmidt, AV februari 1995)

‘Het gezag wordt niet aangevochten, omdat men Kerk, Jezus en verrijzenis ontkent, maar omdat de culturele vorm ervan niet meer klopt. Zodra iemand zegt: “lk zal zeggen wat God voorschrijft”, deugt er iets niet.’ (Gespreksgroep, AV juni I995)

‘Het gaat er niet alleen om meer vrouwen in de [politieke en pedagogische] besluitvorming te betrekken, maar ook en vooral de besluitvorming zelf tot een minder discriminerende praktijk te maken. Een hogere betrokkenheid van vrouwen kan dus het resultaat zijn van een niet-discriminerend beleid, maar tegelijk kan in zoverre vrouwen traditioneel andere waarden en perspectieven belichamen dan de man - de participatie van vrouwen ook bijdragen tot het ontstaan van een meer democratische besluitvorming.’ (A. Snick, AV juni 1996)

‘Ik denk dat het besef van gelijkberechtiging en gelijkwaardigheid van mannen en vrouwen en van het niet meer discrimineren in het participeren in vormen van beslissing en beleid, op dit moment zo’n gezag begint te krijgen in onze wereld en het besef van wat humaniteit vandaag vraagt, dat ook een Kerk dit niet langer meer kan blijven loochenen of kan miskennen, ook niet in haar eigen structuur.’ (E. van Waelderen, AV juni 1995)

‘In het “vredeswerk” kiezen wij vandaag duidelijk voor gelijke rechten van vrouwen en mannen, waar ook ter wereld. Onze geloofwaardigheid hangt af van een consequente toepassing van deze principes in onze Kerk en in de wereld. Er zijn verschillende functies te vervullen. Mensen hebben verschillende verantwoordelijkheden. Dat is heel duidelijk. Maar wij kunnen niet aanvaarden dat meer dan de helft van de bevolking in onze Kerk in een situatie van rechteloosheid verkeert. Want wij denken dat daar in feite de knoop ligt. Rechteloosheid, niet zozeer wegens de wijdingsmogelijkheid, maar wel meer op het vlak van de mogelijkheid om te beslissen. De discussie hierover is al meer dan 20 jaar aan de gang (...) en er is nog maar weinig vooruitgang geboekt.’(AV juni 1994)

‘Er is inderdaad een probleem in het (...) feit dat de beslissingsmacht in de Kerk gebonden wordt aan het wijdingssacrament. Dat is inderdaad discutabel. Het is mogelijk jurisdictiemacht los te maken van de wijdingsmacht, alhoewel ik vind dat dit toch goed bekeken moet worden. Het is niet klaar. Ik zeg ook niet dat het zonder meer gescheiden moet worden want in feite is er ook een zekere affiniteit tussen de twee.’ (Kardinaal Danneels, AV juni 1994)

‘De vraag of het ambt ook open moet zijn voor de vrouw is bijna irrelevant. Laten wij eerder op zoek gaan naar andere ambten waar de vrouw en de man volgens hun geaardheid kunnen functioneren, waarschijnlijk complementair.’ (Gespreksgroep, AV juni 1996 )

‘Vrouwen willen priester worden, maar niet de priester van vandaag: een priester-mislezer. “Priester-zijn” moet dan iets anders zijn. Het moet een andere invulling krijgen.’(Gespreksgroep, februari 1995)

‘De ervaringen met vrouwen in de pastoraal (en als pastores) zijn over het algemeen positief. Deze vrouwen staan immers niet op een piëdestal zoals hun collega’s priesters. Zij zijn overduidelijk leek met de leken. Er is dus een heel lage drempel. Inhoudelijk betekenen zij heel wat door hun eigen benadering van de kerkvorming rond Christus. Hun vermogen tot ‘luisteren’ wordt daarbij in het bijzonder beklemtoond.’ (Gespreksgroep, AV juni 1996)

‘Teneinde iedere twijfel over een kwestie van groot belang, die de goddelijke constitutie van de Kerk betreft, weg te nemen, verklaar ik op grond van mijn taak om mijn broeders te bevestigen (vgl. Lc. 22,32), dat de Kerk op geen enkele manier bevoegd is om aan vrouwen de priesterwijding te verlenen en dat alle gelovigen van de Kerk zich aan dit standpunt dienen te houden als zijnde definitief.’ (Paus in Ordinatio Sacerdotalis)

‘Sommige mensen vragen ook “als de paus zegt dat het voorbehouden van het wijdingssacrament aan mannen behoort tot de grondconstitutie van de Kerk, hoe moeten wij dit dan verstaan?” Is het een geloofspunt? Maar het staat niet in het Credo. Het staat ook niet expliciet in het evangelie alhoewel er aanduidingen zijn in die richting, maar het staat er niet expliciet in. Er zijn nu eenmaal dingen in de Kerk en in de grondstructuur van de Kerk, die door de historische gegevenheid van de Kerk eigenlijk zo zijn dat men ze niet kan veranderen.’ (Kardinaal Danneels, AV juni 1994)

‘In hoeverre zijn uitspraken van het leerambt bindend? Hoe moeten wij dit plaatsen? Lumen Gentium geeft ons in nr. 25 alvast een duidelijk onderscheid. Wat dogmatisch vastgelegd is of wat behoort tot het domein van de onfeilbaarheid. Dit is aan strikte voorwaarden gekoppeld: als de paus ex cathedra spreekt of als paus en bisschoppen samen in concilie of over de wereld verspreid een leer inzake geloof en zeden als strikt geloofspunt definiëren.

Dit domein is strikt gebonden aan het geopenbaarde geloofsgoed. Ten aanzien van deze standpunten wordt van de christenen een geloofsgehoorzaamheid gevraagd. Het gewone authentieke leerambt wil ook richtinggevend zijn maar behoort niet tot het domein van de onfeilbaarheid. Het sluit niet de pretentie in steeds in volstrekte overeenstemming met het evangelie te zijn. Deze standpunten vragen een “religieuze volgzaamheid van verstand en wil”. Ook al gaat het hier niet over de strikte geloofsgehoorzaamheid, toch hebben deze uitspraken ook een eigen gezagvol gewicht. Dat betekent geen slaafse onderwerping maar het vraagt een grondhouding van “eerbiedig erkennen” en “oprecht aanvaarden”. Men is in geweten verplicht zijn/haar denken en handelen te confronteren met deze leer.’ (E. van Waelderen,AVjuni 1995)

‘Sommigen zijn geschokt door de abrupte affirmaties [in Ordinatio Sacerdotalis]. Men mag niet vergeten dat vorige documenten een diepgaande en bredere argumentatie aanbrachten (Inter Insigniores; Mulieris Dignitatem). Het is ook mogelijk dat de toon en de taal van de verklaring, alhoewel kerkjuridisch in zich verantwoord, voor een hedendaags toehoorder andere en emotionele connotaties oproepen, die een heel andere uitwerking hebben. Terwijl het woord ‘definitief’ in kerktaal betekent dat iets behoort tot de aanvaarde leer van de Kerk zoals ze door paus en bisschoppen altijd wordt voorgehouden, kan hetzelfde woord in moderne oren klinken als een spreekverbod of denkverbod of een poging om monddood te maken.’(Verklaring van de bisschoppen van Belgie naar aanleiding van Ordinatio Sacerdotalis, 7 juni 1994)

Klik hier als U onze campagne voor de wijding van vrouwen aktief wilt steunen..

historische overzichten


This website is maintained by the Wijngaards Institute for Catholic Research.

John Wijngaards Catholic Research

since 11 Jan 2014 . . .

John Wijngaards Catholic Research