|
|
|---|
Door R.J.A. van Eyden, Te Elfder Ure jg. 12, nr.
5, mei 1965, 168-183.
Van
de hand van Drs. Tine Govaart-Halkes verscheen het boek Storm na de stilte.
De plaats van de vrouw in de Kerk, Utrecht 1964. Het wordt aangeboden als
een terreinverkenning en een persoonlijk commentaar. Voor beide kan men de
schrijfster dankbaar zijn. Zij verkent het terrein met een oplettend oog voor
het wezenlijke in de ontwikkeling èn voor interessante details. De korte
schetsen van goed gekozen actuele studies en gebeurtenissen geven een
oriënterend overzicht van het besproken terrein en de nieuwe inzichten die
daar leven. Deze informatie wint aan levendigheid door de persoonlijke
stellingname, die daarbij telkens zichtbaar wordt.
De
schrijfster kiest overtuigd voor een gezonde vernieuwing. In de omkeer van deze
tijd helps zij zoeken near wegen vooruit. Opvallend is de milde toon als
verouderde vormen ter sprake komen, en de praktische kijk in de verschillende
voorstellen. Dit boek is daarom zo weldadig omdat hier demand spreekt, aan wie
een werkelijk partnership van man en vrouw in de kerk ter harte gaat, en die
bereid is daarover zelfstandig na te denken. Uit heel dit werk spreekt het
besef van medeverantwoordelijkheid voor de toekomst van kerk en samenleving.
Ieder lezer (met uitzondering van de a priori onwelwillende) kan vaststellen,
hoe verdienstelijk zij de discussie over een belangrijk onderwerp heeft verder
gebracht.
Dit
boek nodigt uit tot een nadere bezinning op het gebodene. Vooral het hoofdstuk
over de vrouw en het kerkelijk ambt leent zich voor een verder vragen. Hier
mogen den enkele notifies volgen die daarmee bezig zijn.
In de
niet-katholieke literatuur over dit onderwerp vindt men herhaaldelijk de
vermelding, dat in de r.k. kerk de vrouwelijke ambtsdrager principieel wordt
afgewezen. Gezien de feitelijke pleats van de vrouw in deze kerk moet men die
afwijzing wel voor definitief houden. Het bestuur van de kerk berust
uitsluitend bij manner, het beleid is paternalistisch. Het kerkelijk wetboek
bevat bepalingen, die discriminerend zijn ten aanzien van vrouwen, bijv. de
bepaling dat alleen de man het ambt kan bekleden. De ambtsdragers zijn gebonden
aan de celibaatswet, waardoor de vrouw nog meer afwezig is. De theologie komt
niet boven de vraag uit, of het feit dat het ambt niet door vrouwen bekleed kan
worden, berust op de positieve wil van God òf op de bindende traditie
van de kerk. Op het vlak van de lekenarbeid in de kerk zijn evenmin gelijke
mogelijkheden voor de vrouw. Zou hier ooit de mogelijkheid van de vrouw in het
ambt binnen het gezichtsveld komen ?
Wat
kan men van katholieke zijde daarop antwoorden? Dat de uitsluiting van de vrouw
uit het ambt niet onwrikbaar en onveranderlijk vaststaat. Er zijn aanwijzingen
dat ook hier, zoals op zoveel andere terreinen, een kentering in het denken op
komst is. Verschillende factoren hebben daaraan meegewerkt. Tengevolge van de
vrijwel voltooide gelijkberechtiging van man en vrouw in het sociale en
politieke leven, gaat men de ondergeschikte pleats van de vrouw in de kerk
steeds meer als een anachronisme ervaren. Veel gewichtiger is echter dat zich
in de theologie een nieuw verstaan van de kerk en het ambt heeft ontplooid.
Tenslotte het feit dat de meeste niet~katholieke kerken al geruime tijd
geconfronteerd worden met de vraag near de vrouw in het ambt, welke discussie
in tal van kerken resulteerde in de gehele of gedeeltelijke openstelling van
het ambt. Zonder twijfel zal daarom de openstelling van het ambt ook hier in
toenemende mate aan de orde komen als een vraag die oprijst binnen de
katholieke kerk zelf èn als een vraag die oprijst uit de ontmoeting met
andere kerken. De actualiteit van het probleem is niet langer te ignoreren. Het
is bovendien een zaak van oecumenische verantwoordelijkheid zich niet langer
van deze discussie afzijdig te houden.
Als
inleiding kan dienen de bezinning op de fundamentele tweezaamheid van de mens.
De opvatting dat de man de eigenlijke mens en de vrouw een mincer geslaagde
variant daarop is, is in strijd met wet de Schrift leers over de gelijkheid van
man en vrouw in scheppings- en herscheppings-opzicht. De mannelijke en de
vrouwelijke wijze van mens-zijn zijn complementair aan elkaar. Zij realiseren
zich zo wezenlijk in partnership, dat een miskenning van de vrouw tegelijk de
man aantast en omgekeerd.
Als
er een wederzijdse complementariteit is op alle terreinen van het
menselijk leven, waarom zou dit den niet gelden ten aanzien van het kerkelijk
ambt? Als het ambt een gestalte heeft gekregen, waarin het vrouwelijk aandeel
principieel geweerd wordt, is deze gestalte den ook niet problematisch wet het
mannelijk aandeel betreft? Aan het ambt dat alleen op mannelijke wijze wordt
gerealiseerd, ontbreekt de complementaire vrouwelijke wijze, zodat het niet
zijn voile menselijke mogelijkheid bereikt. De vrouw zal immers op haar eigen
wijze het ambt vervullen zonder imitatie van de mannelijke ambtdrager. Zij zal
ten dele ander werk doen den de manner, zij zal echter vooral hetzelifde
werk op andere wjze doen. Zij zal het ambtelijk werk met een nieuwe visie
en een nieuw élan verrijken, en het met nieuwe intuïtie en tact
bezielen (vgl. A. J. Rasker, De vrouw en het kerkelijk ambt, Wageningen
1957, blz. 45 v.). De vrouwelijke vormgeving brengt nieuwe accenten in het
ambtelijk werk, die een tegenwicht vormen voor mannelijke eenzijdigheid. Door
de vrouwelijke inbreng naast de mannelijke wint het ambt aan menselijkheid. Men
verzet zich soms tegen het voorstel van de vrouw in het ambt met de opmerking,
dat het onnatuurlijk is dat een vrouw een mannelijk ambt uitoefent. Deze
misvatting van het ambt is verklaarbaar uit de omstandigheid, dat we tot nu toe
alleen de mannelijke vormgeving van de ambtsuitoefening kenden.
De
achterstelling van de vrouw, die uiteindelijk altijd met religieuze argurnenten
verdedigd werd, bleek in feite cultuurhistorisch bepaald te zijn. Achter de
theologische argumenten verscholen zich emotionele weerstanden. Hier was vaak
een soort religieuze ideologic in het spelt Prof. H. Kraemer constateerde eens:
Er is geen onderwerp, waarover de kerk zulke verouderde denkbeelden heeft
gekoesterd (en grotendeels nog koestert) en waarbij zij zich dermate laat
beïnvloeden door niet-christelijke, heidense denkbeelden omtrent de sexen
en door patriarchale denkschemas, als op het punt van de vrouw en hear
pleats in de kerk (Het vergeten ambt in de kerk,
s-Gravenhage 1962, blz. 67). De kerk heeft veel te fang vastgehouden
aan voorbije cultuurpatronen en deze nodeloos verabsoluteerd. Op de duur was
echter de allerwege groeiende overtuiging van de gelijkwaardigheid (niet:
gelijkgeaardheid; geen nivellering van de sexen) van man en vrouw niet meer
buiten te keren. Er zijn tekenen dat het bolwerk van het mannelijk
superioriteitsgevoel (Kraemer, blz. 68) begins te wankelen.
Dat
zegt nog niet dat de conclusies voor het concrete kerkelijke leven al gezien en
doorgevoerd worden. Wel wordt nu de bijdrage van de vrouw aan het kerkelijk
leven door de kerkelijke autoriteiten als bijzonder belangrijk erkend. Maar de
structurele veranderingen, waaruit de ernst van deze erkenning zou blijken,
blijven nog uit. Het is opmerkelijk dat - nu de kerk bezig is hear achterstand
in te halen en zich zet aan gewichtige vernieuwingen zoals de revisie op het
gebied van de huwelijksmoraal, en het herstel van het diakenambt met de
mogelijkheid van gehuwde diakens de discussie over de vrouw in het ambt slechts
aarzelend op gang komt. Het zou in het belang zijn van de vernieuwing van het
kerkelijk ambt en tegelijk in het belang van de dialoog tussen de christelijke
kerken, wanneer de verantwoordelijke leiders en theologen een actieve
belangstelling aan dit theme zouden wijden. En dat niet eerst op het moment,
dat men de vraag niet langer vermijden kan.
Het
onderzoek vraagt near de mogelijkheid en vervolgens near de wenselijkheid van
de vrouw in het ambt. Tot aan deze tijd verwierp men unaniem zelfs de
mogelijkheid, waarbij men zich beriep op de Heilige Schrift, de
natuurwet, de traditie en de speculatieve theologie Enkele katholieke en vele
niet-katholieke auteurs hebben de waarde van cdeze argumenten critisch gewogen.
Hier worden enige van de belangrijkste werken genoemd en enkele aantekeningen
geplaatst bij de verschillende argumentaties.
Kan
men zich op de Schrift beroepen voor de uitsluiting van de vrouw uit het
ambt ? Het Nieuwe Testament laat zien dat de vrouw op vele wijzen deelneemt aan
het kerkelijk leven. Maar er worden ook beperkingen genoemd. De voornaamste
teksten zijn 1 Kor. 14, 33 vv. en 1 Tim. 2, 11 w., waarin Paulus zegt dat de
vrouw geen onderricht mag geven en moet zwijgen in de gemeente. Nu gaat het er
maar om hoe men dit moet interpreteren. Een fundamentalistische wijze van
omgaan met de bijbel is geen bewijs van groter gehoorzaamheid aan de Schrift.
Een zorgvuldige exegese brengt aan het licht, dat het hier niet gaat om een
algemeen leer- en spreekverbod voor de vrouw.
Prof.
Schillebeeckx onderzocht de paulijnse teksten over de onderworpenheid van de
vrouw aan de man (Het huwelijk. Aardse werkelijkheid en heilsmysterie,
Bilthoven 1963, 135-154), en toont aan dat we hier niet te doen hebben met
dogmatische maar met pastorale uitspraken. Paulus heeft de feitelijke
tweederangspositie van de vrouw in de maatschappij van die tijd
vertheologiseerd, gefundeerd op het tweede Genesisverhaal, waarin
de ondergeschikte pleats van de vrouw ook al neerslag was van een feitelijke
sociale situatie. De onderworpenheid van de vrouw behoort derhalve niet tot
datgene, dat door de bijbelse openbaring zelf geaffirmeerd wordt. Een
uitgebreide studie over de ondergeschiktheid van de vrouw schreef Else
Kähler, Die Frau in den Paulinischen Briefen. Unter besonderer
Berucksichtigung der Begriffes der Unterordnung, Zürich-Frankfurt
1960.
Bovendien dienen de afzonderlijke teksten verstaan te worden vanuit de
boodschap van de Schrift als geheel, die getuigt van de gelijkberechtiging of
juister de gelijkbegenadiging van man en vrouw, van hun gelijkwaardigheid in de
Heer. Beslissend is de totale visie van het Nieuwe Testament.
De
gereformeerde theoloog N. J. Hommes zet uiteen, dat het in de genoemde teksten
van Paulus gaat om aanwijzingen voor de gehuwde vrouw omtrent het bewaren van
het decorum in de bijeenkomst van de gemeente. Het vraagstuk van de vrouw in
het ambt is bij Paulus op geen enkele manier aan de orde (De vrouw in de
kerk. Nieuw Testamentische perspectieven, Franeker 1951). G. Huls, een
hervormd theoloog, komt eveneens tot de bevinding dat wet de Schrift leers over
de man-vrouw verhouding en over het kerkelijk ambt de toegang tot het ambt niet
afsluit voor de vrouw (De dienst der vrouw in de kerk, Wageningen 1951).
Tot dezelfde conclusie komt de studie van de anglicaanse theologe M. E. Thrall,
The Ordination of Women to the Priesthood. A Study of the Biblical Evidence,
London 1958.
Bevat
de natuurwet den misschien een veto? De handboeken verklaarden het een
eis van de natuurwet, dat alleen de man subject van het sacrament van het
priesterschap is Prof. Schillebeeckx ging hier kort op in (Studieweekend
Katholiek Vrouwendispuut, mei 1963). De vroegere theologen hebben feitelijk
bestaande maatschappelijke situaties al te nonchalant geidentificeerd met de
natuurwet. In de oude samenleving was het practisch ondenkbaar, dat
de vrouw een publiek ambt bekleedde. Men schreef dit daarom toe aan de
natuurwet. In feite steunde het op een bepaald cultuurpatroon. Op welke
concrete wijze de fundamentele menselijkheid in de variërende
omstandigheden geëerbiedigd moet worden, zegt de natuurwet immers niet.
Van deze bepaalde taakverdeling tussen de sexen zag men het
historisch en contingent karakter niet, zodat men het verhief tot een
natuurrechtelijk gegeven. Zo heeft men vaker datgene wet een concreet
voorschrift was, slechts geldig in een bepaalde situatie, voor een universeel
geldend beginsel gehouden. Tengevolge daarvan bleef het kerkelijk gezag
dikwijls een vroeger verbod, dat in een bepaalde situatie acdaequaat en zinvol
was, handhaven nog fang nadat die situatie verdwenen was (bijv. het
renteverbod). De feiten bewijzen intussen dat de vrouw alle ambten en beroepen
(zelfs in de ruimtevaart) kan bekieden, ook het kerkelijk ambt.
De
leer en de praktijk van de kerkelijke traditie behoudt het ambt alleen
aan de man voor. De kerkvaders, het magisterium en de scholastiek leren in alle
toonaarden, dat de vrouw geen ambt bekleden kan. Dit schijnt een imponerend
getuigenis te zijn. Wie echter nauwkeuriger toeziet, komt tot de bevinding, dat
dit eeuwenlang zonder meer van elkaar overgenomen materiaal de toets der
kritiek niet kan doorstaan. Door niemand is dit grondiger onderzocht den door
dr. H. van der Meer S.J. in zijn bij Karl Rahner verdedigde proefschrift
Theologische Ueberlegangen uber die Thesis Subjectum ordinationis est
solus mas (Innsbrück 1962, manuscript). Hij stelde zich niet ten
doel bewijzen pro of contra te geven, maar alleen de bewijskracht van de
gangbare argumenten tegen de vrouw in het ambt kritisch te wegen. Het resultaat
was verrassend: geen enkel van de aangevoerde argumentaties bleek houdbaar. Hij
konkludeert den ook dat het theologisch geenszins vaststaat, dat het ambt lure
diving voor de vrouw ontoegankelijk is, en dat er een geheel nieuwe bestudering
nodig is om te weten of het ambt voor de vrouw wel of niet toegankelijk is.
Als
een gewichtig traditeargument gelds dat in het verleden de vrouw nooit een
sacramenteel ambt ontving, hoewel wordt toegegeven, dat zeker in de eerste
eeuwen vele vrouwen kerkelijke functies bekleed hebben. Vooral in het oosten
stond het ambt van diakones range tijd hoog in aanzien. Is het wel zo zeker dat
men dit ambt als niet-sacramenteel beschouwde? Interessant is de bepaling uit
de Constitutiones Apostolorum VIII 19-20 (vierde eeuw): Omtrent de
diakonessen, Bartholomaeus, bepaal ik als volgt: U, de bisschop, zult hear de
handen opleggen in aanwezigheid van de priesters, de diakens en de diakonessen,
en aldus bidden: Eeuwige God, Vader van onze Heer Jezus Christus, Schepper van
man en vrouw, die Maria, Debora, Anna en Choelda vervuld hebt met de Geest, die
het niet beneden U geacht hebt dat Uw eniggeboren Zoon uit een vrouw geboren
werd, die in de verbondstent en in de temper vrouwen ter bewaking van Uw
heilige poorten hebt aangesteld, wil nu ook neerzien op deze Uw dienares, die
tot het dienstwerk is uitgekozen; schenk hear de Heilige Geest, reinig hear van
alle smet near lichaam en geest, opdat zij het haar toevertrouwde werk waardig
volbrenge, tot Uw eer en tot lof van Uw Christus; met Hem zij aan U en de
Heilige Geest glorie en aanbidding in eeuwigheid. Amen.
Wij
vinden hier alle elementen van het wijdingssacrament terug: handoplegging door
de bisschop in aanwezigheid van de clerus, gebed om de Heilige Geest voor de
wijdeling en het verlenen van een bevoegdheid in de kerk. De oude kerk zag
duidelijk onderscheid tussen de priesterfunctie en deze diakonessenfunctie
(bijv. Const. Apost. III 9). Maar het lijkt twijfelachtig of zij beide
onderscheidde als sacrament en niet-sacrament. Getuigt het willen afbakenen
waar precies nog sacrament is en waar niet meer, niet van een juridische
installing, die vreemd was aan de oude kerk ? In de school van Thomas van
Aquine erkende men het sacramenteel karakter van het diakonaat als participatie
aan het wijdingssacrament.
Nog
onlangs hebben twee theologieprofessoren, uit Oostenrijk en Peru, de terugkeer
van vrouwen in het diakenambt bepleit: J. Funk S.V.D., Klerikale Frauen?
(In: Osterreichisches Archiv für Kirchenrecht 14, 1963, 271-290) en J.
Idigoras S.J., La femme dans lordre sacré?, Lima 1963
(manuscript; zie samenvatting in: Inform. Cath. Intern. 15 november 1963).
Wat
te denken van de theologische symboolargumentaties tegen vrouwelijke
priesters ? Toen de gangbare argumenten, volgens welke de vrouw niet in staat
is tot onderrichten en besturen, niet meer overtuigend waren, cook een nieuw
soort argumentatie op: vanuit de symboliek van het priesterambt. Christus en de
kerk verhouden zich als bruidegom en bruid. De ambtsdrager representeert
Christus als bruidegom tegenover de gemeente, zodat alleen de man daarvoor in
aanmerking kan komen. Dezelfde konklusie volgt ook uit een ander beeld: de
priester verwekt door het toedienen van de heilsmiddelen het bovennatuurlijk
genadeleven in de mens, zoals de man het natuurlijk leven leven verwekt.
Van
der Meer heeft de ontoereikendheid van deze motiveringen aangetoond. Hier
tracht men een bestaande ordering in het kerkelijk leven te handhaven met een
beroep op de symboliek, die daarin ligt. Men heeft de rangorde, waarbij de
eigenwaarde van de dingen prevaleert op hun symboolwaarde, omgekeerd. Het
symbool wordt normatief geacht voor de werkelijkheid. Ongetwijfeld verlenen
symbolen een onvervangbare dienst, daar het kennen van de geloofswerkelijkheid
tot stand komt via symbolen. In de theologie kan men echter niet argumenteren
met symbolen, zoals Thomas al zei (Symbolica theologia non est
argumentative, 1 Sent. 11). Symboolredenaties en metaforische
acrobatiek (Thrall, p. 83) hebben het theologisch denken in niet geringe
mate vertroebeld. Een symbolisch beargumenteerde barrière tussen man en
vrouw in de ambtelijke dienst en de leiding der kerk is noch bijUels noch
dogmatisch te motiveren. Bij de handhaving van deze barrière door vele
mannen spelen niet-theologische factoren en ten dele zeer primitieve instincten
een rol (Rasker, blz. 40). Daarom is het nodig na te gaan waarop veel verzet
tegen de vrouw in het ambt uiteindelijk berust. Wie het door Van der Meer
verzamelde argumentatiemateriaal overziet, bemerkt dat Anne Marie Heiler
nauwelijks overdrijft als zij opmerkt: Het beroep op kerkgeschiedenis en
kerkelijk recht, op dogma en bijbel exegese is, zo niet in alle den toch in de
allermeeste gevallen slechts een zich verbergen achter opgetrokken muren,
waarachter veel dieper liggende voorstellingen, angsten en complexen liggen.
Deze zijn niet alleen van sociologische aard, maar gaan zeer dikwijls terug op
bepaalde taboevoorstellingen omtrent de vrouw (In: W. Bitter, Hrsg.,
Krisis und Zukunft der Frau, Stuttgart 1962, blz. 205).
Uit
het bovenstaande blijkt dat er aan de mogelijkheid van de vrouw in het ambt
principieel niets in de weg staat. Daarmee is nog niets gezegd over de
wenselijkheid. Zijn er gegevens die de wenselijkheid aantonen ?
Ongetwijfeld zijn er meerdere sociologische en anthropologische gronden aan te
voeren. Maar het uiteindelijke kriterium ligt in de vraag, wet in deze tijd
dienstig is voor de opbouw van de kerk. De konkrete gestalte van het
kerkelijk leven kan niet zonder meer aan de Schrift worden ontleend. Naargelang
de situatie verandert, kan ook de gestalte van het ambt veranderen. In deze
tijd zijn bijv. de problemen van de wereldkerk zo gecompliceerd dat een
gezamenlijk beraad en beleid nodig is. Het collegiale episcopaat krijgt
sterkere accenten, terwijl het monarchisch episcopaat wordt getemperd; een
kroonraad zal de paus terzijde staan. De behoeften van de gemeenschap bepalen
de vormgeving en de functionering van het ambt.
De
vraag is nu of de veranderde situatie ook vrouwelijke ambtsdragers wenselijk
maakt. Er is een nieuwe visie gegroeid op de kerk en daarmee samenhangend op
het ambt. De kerk is het yolk Gods, instrument ter vestiging van het Rijk Gods
op aarde. Dit volk als geheel en al zijn leden zijn geroepen tot getuigenis in
de wereld: dit is het priesterschap van alle gelovigen. Krachtens dit
priesterschap rust op iedere gedoopte man en vrouw de taak Christus te
representeren in de wereld. Dit algemeen priesterschap, dat deelneming is aan
het priesterschap van Christus, vormt de fundamentele dimensie in de kerk, die
vooraf gaat aan de onderscheiding tussen ambtsdrager en leek. Geheel en al in
dienst van dit priesterlijk Godsvolk staat nu het ambtelijk priesterschap. Dit
bijzonder priesterschap staat niet naast het algemene, en is daarvan niet een
hogere graad, maar een bijzondere verwerke lijking.
Op
mannen en vrouwen rust gelijkelijk de opdracht Christus evangelie te
brengen aan de wereld. Dit laatste kan geschieden op laicale en op ambtelijke
wijze. Waar het de laicale vervulling van deze apostolische taak betreft rust
vanouds op mannen en vrouwen dezelfde verantwoordelijkheid. Waarom zou nu de
gelijke verantwoordelijkheid ophouden als het ambt in zicht komt? Waarom zou de
ambtelijke representatie van Christus niet eveneens aan mannen en vrouwen
opgedragen kunnen worden ? Als de vrouwelijke bijdrage van vitaal belang is op
lekenterrein waarom den niet evenzeer in het ambt?
Het
gaat hier niet om gelijkheid van rechten maar om gelijke gelegenheid tot
dienen. Het zou dwaas zijn als de openstelling van het kerkelijk ambt, dit
laatste voor de vrouw nog gesloten beroep, werd nagestreefd als de bekroning
van de emancipatie. Het ambt wordt immers ontvangen als een charisma van de
Heilige Geest. Maar zou de Heilige Geest niet ook aan een vrouw het charisma
kunnen geven van het dienen in het ambt?
In
deze visie staat de priester niet meer tegenover de gemeenschap maar tussen de
medegelovigen. Dit brengt een andere wijze van optreden mee: niet meer heersend
maar dienend, niet meer autoritair maar collegiaal. Deze verschuiving near het
dienend karakter zou nog sterker worden wanneer er ruimte geboden werd aan de
vrouwelijke vormgeving van het ambt. De kerk (in de zin van: hiërarchie)
werd vaak een zorgzame rnoeder genoemd. Dit beeld was toch wet bevreemdend,
waar deze moederlijke zorg principieel alleen door mannen gedragen werd.
Er
mag nog op gewezen worden dat de taak van de vrouwelijke priester of diaken
niet beperkt client te worden tot pastoraat voor vrouwen of meisjes in
ziekenhuizen, internaten, jeugdwerk enz. Evenmin kan haar functie gereduceerd
worden tot een op de achtergrond blijvende assistentie aan de man, die zijn
uitgebreide werk niet meer aan kan. Maar zij heeft een geheel eigen,
zelfstandige en onvervangbare taak in de dienst aan de kerk. Wel zijn er
situaties, waarin de bediening van het woord of van het sacrament of de
pastorale dienstverlening beter door een vrouw dan door een man kan geschieden
(en omgekeerd), maar dit is een zaak van efficiënte taakverdeling.
De
primaire reden van een eventuele openstelling van het ambt zou dus gelegen zijn
in een vernieuwde ambtsopvatting. Maar andere overwegingen zouden o.a. kunnen
zijn: vermindering van het priestertekort; het wegnemen van de uitzichtloze
situatie van de vrouwelijke kandidaten, die zich geroepen weten en geschikt
bevonden zijn; een kerkelijk aggiornamento, dat beantwoordt aan de eigentijdse
democratische gezindheid, die aan mannen en vrouwen gelijke rechten en plichten
toekent (uitgedrukt bijv. in de Universele verklaring van de reahten van de
mens).
Welke
repercussies kan dit hebben op oecumenisch terrein ? In verschillende
kerken, met name de anglicaanse, berustte de aarzeling gedeeltelijk op de vrees
dat een dergelijke verandering de uiteindelijke eenwording kan tegenhouden, en
daarbij denkt men vooral aan de r.k. kerk. Deze zorg komt voort uit een
oecumenisch verantwoordelijkheidsbesef. Tegelijk beseft men echter dat een
nieuw verstaan van Gods wil moet leiden tot een nieuw handelen in
gehoorzaamheid. In een studierapport van de hervormde kerk in Schotland wordt
gezegd: De kerk van Schotland is volkomen vrij elke ordering in eigen
huis aan te brengen, die de geest van God haar ingeeft, en de verrijking van
haar leven kan door God gebruikt worden tot verrijking van al de kerken, als de
hereniging tot stand komt (The Place of Women in the Church,
Edinburgh 1959, p. 37). Prof. A. Dumas ziet ontwikkelingen in de kerken,
die de hoop rechtvaardigen dat de discussie over de vrouw in het ambt de
verdeeldheid niet zal versterken maar dat de kerken hierin een vrucht zullen
zien van de bijbelse en liturgische vernieuwing (in: Concerning the
Ordination of Women, uitgave van de Wereldraad van Kerken, Genève
1964, p. 40. Uitvoerig besproken door mevr. Govaart in het nieuwe Amerikaanse,
door katholieken, protestanten en orthodoxen gezamenlijk uitgegeven tijdschrift
Journal of Ecumenical Studies 2, 1965, Spring Issue).
Deze
zorg om de kerkelijke eenwording niet te vertragen, die bij de voorstanders van
de openstelling van het ambt oprecht klinkt, wordt bedenkelijk als zij door
tegenstanders als een wapen gehanteerd wordt. Dit laatste komt voor aan
reformatorische en aan katholieke zijde. Er ligt een nauwelijks verholen
dreigement in de vermaning van W. Karnpe, wijbisschop van Limburg, aan de
Evangelische kerken, die het ambt van Pastorin invoeren, om goed te bedenken
wet zij hier doen, in verband met de latere hereniging, daar de vrouw in het
priesterambt voor de katholieke kerk absoluut ondenkbaar is (in: Der Dom,
Paderborn, 2 februari 1964, blz. 2). Een dergelijke zelfingenomenheid
begint echter sporadisch te worden. De kerken van de reformatie mogen van de
katholieke kerk verwachten, dat men daar oprecht bereid is deze vraag in studie
te nemen, ook als men beseft dat een eerlijke bestudering tot konklusies kan
leiden, die ingrijpende veranderingen vragen.
Dit
onderwerp heeft niet alleen met de eenwording van de kerken, maar ook met de
eenheid binnen een kerk te maken. In de Lutherse staatskerk van Zweden ontstond
verdeeldheid sinds op palmzondag 1960 drie vrouwelijke theologen priester
gewijd werden. De groep rond B. Giertz, bissohop van Göteborg, gaf een
manifest uit met de oproep aan priesters en leken het werk van de vrouwelijke
priesters te boycotten Twee jaar eerder stelde hij 23 thesen op, waarin bewezen
werd dat het optreden van de vrouw in het ambt in strijd is met de Heilige
Schrift. Dergelijke spanningen zouden ook in de katholieke kerk, die verspreid
is in landen met sterk verschillende opvattingen en tradities, evenzeer te
verwachten zijn, als niet een geleidelijke voorbereiding had plaats gevonden.
In verband hiermee worden nu een aantal bedenkingen besproken.
Men
wijst er op dat deze tijd nog niet rijp is voor deze op zichzelf wel gewenste
vernieuwing, zodat men er voorlopig teeter over zwijgen kan. Het zou echter
verkeerd zijn met de vernieuwing van kerk en ambt te willen wachten tot ieder
daartoe openstaat. Wel is het noodzakelijk de gemeenschap voor te bereiden op
de vernieuwing, in dit geval: haar vertrouwd te maken met de gedachte dat ook
vrouwen een kerkelijk ambt kunnen bekleden. Men kan overigens al wijzen op het
begin van een kentering van de publieke mening in de kerk. Althans in sommige
gebieden, want in de landen waar de vrouw in het maatschappelijk leven een
minderwaardige plaats inneemt, is dit onderwerp nog nauwelijks aan de orde. Men
behoeft zich echter door de openstelling van het ambt niet bedreigd te voelen.
Het doet aan niemands vrijheid enige afbreuk, terwijl het de
vrijheidsbelemmering voor anderen opheft. Aan geen enkele vrouw word het ambt
en aan geen enkele gemeensahap wordt de vrouwelijke ambtsdrager opgedrongen.
Het is goed denkbaar dat er in westelijke landen wel vrouwelijke priesters zijn
en in Arabische en Spaanse landen nog niet. Dit zou den een uiting zijn van de
pluriformiteit van de kerk, die wij als gezond en heilzaam zijn gaan waarderen.
Soms
vreest men dat het ijveren voor de gelijkberechtiging in het ambt afbreuk doet
aan de verbetering van de plaats van de vrouw als leek. Men wil de positie van
de vrouw in het lekenwerk versterken, en vindt het streven van anderen near de
openstelling van het ambt ongewenst. Het is vooral de Duitse theologe Elizabeth
Gössmann, die dit standpunt in haar geschriften en redevoeringen naar
voren brengt. Men kan zich afvragen of men hier niet met een zekere
blikvernauwing te doen heeft. Waarom zou men niet tegelijkertijd een
rechtmatige plaats zowel in het lekenapostolaat als in het kerkelijk ambt voor
de vrouw kunnen nastreven? Zolang de vrouw wel op de andere terreinen van het
kerkelijk leven, maar niet op dat van het ambt wordt toegelaten, is er geen
sprake van een werkelijke erkenning van haar gelijkwaardige plaats in de kerk,
en dit zal ook een terugslag hebben op haar positie in het lekenapostolaat.
Degenen die zo aandringen op een ambtelijke taak voor de vrouw, zo zegt men,
dienen te bedenken, dat een opdracht die buiten het ambt ligt, vaak nog
belangrijker is dan de taak van de ambtsdrager. De aktiviteit van de leek bezit
een gelijke onmisbaarheid voor het leven van de kerk als die van de priester.
Als men nu de priesterfunctie aan de vrouw onthoudt, zou dat er op kunnen
wijzen dat zij een belangrijke, geheel eigen opdracht heeft buiten de sector
van het bijzondere ambt. Hierop luidt het nuchtere antwoord van Mevr. Govaart:
maar het een sluit het ander toch niet uit! (blz. 184). In ieder geval is het
opvallend dat niemand uit de belangrijkheid van het lekenapostolaat van mannen
de wenselijkheid afleidt dat alle mannen leek blijven en dat geen van hen
priester wordt. Natuurlijk zal men ook blijven uitzien naar andere
mogelijkheden, waarin de vrouw haar eigen kwaliteiten kan ontplooien in dienst
van de kerk. Hier kan men bijv. denken aan de nieuwe functie van
parochie-assistente. Maar dit staat niet in de weg aan de mogelijkheid, dat
daarnaast ook vrouwen deelnemen aan de ambtelijke arbeid van de kerk.
Met
het bovengenoemde hangs samen dat men soms beducht is voor een toenemende
clericalisatie van de kerk. Al te lang hebben de clerici zich een onevenredig
grote macht aangematigd ten koste van de lekeninvloed in de kerk. Daarom is er
nu het meest behoefte aan een sterke uitbouw van de lekeninvloed en aktiviteit.
Wanneer er straks ook vrouwelijk clerici komen, versterken zij opnieuw het
clericale element (Men herinnert zich dat hetzelfde bezwaar werd ingebracht
tegen het herstel van het diakenambt). Het gevaar bestaat dat de vrouwelijke
ambtsdragers de vrouwen in lekenfuncties willen overvleugelen. - Denkt men hier
niet te zeer in een (ten dele) verouderde tegenstelling? Zal niet juist de
vrouwelijke arnbtsdrager er op uit zijn andere vrouwen de haar toekomende
plaats in de kerk te helpen bereiken?
Anderen menen dat het optreden van de vrouw een erotisering van de sfeer in de
bijeenkomsten ten gevolge zal hebben. Onder andere om deze reden meende reeds
Thomas van Aquine dat een vrouw in de kerk niet het woord mag voeren (ne
animi hominum alliciantur ad libidinem II II 177 2). Het optreden van een
vrouwelijke pastor accentueert de geslachtelijke polariteit, zodat zowel de
mannelijke leken als de mannelijke ambtsdragers (temeer daar zij aan de
celibaatswet gehouden zijn) in verwarring gebracht kunnen worden. - Men vergeet
gemakshalve dat men hetzelfde argument kan hanteren tegen de mannelijke pastor,
van wie eenzelfde invloed kan uitgaan op vrouwelijke parochianen. In het
maatschappelijke leven is het al fang van zelfsprekend, dat man en vrouw als
partner samenwerken. Juist door deelneming van de vrouw aan allerlei taken in
het sociale leven is de verhouding tussen de sexen normaler en neutraler
geworden. Soortgelijke en later overtollig gebleken bezwaren zijn indertijd ook
tegen de eerste vrouwelijke artsen en docenten ingebracht.
Soms
wordt de vrees geuit dat niet-evenwichtige personen zich zullen aanmelden Een
zorgvuldige selectie en opleiding ondervangt dit risico (dat bij mannelijke
kandidaten even groot is). Men doet er goed aan ongeschikte vrouwelijke
kandidaten niet te vergelijken met voortreffelijke maar met ongeschikte
mannelijke kandidaten. Intussen heeft de vrouwelijke pastor in de
reformatorische kerken bewezen in staat te zijn het ambt goed te vervullen,
zelfs op ongewoon moeilijke posten. Overigens zal in feite het aantal
vrouwelijke ambtsdragers wel altijd aanmerkelijk kleiner blijven den dat van de
mannelijke pastores.
Inmiddels wijzigt de plaats van de vrouw in de kerk zich snel. Haar aandeel in
het lekenapostolaat wordt groter. Het kerkelijk wetboek wordt (ook op dit
punt?) herzien. De aanwezigheid van auditricen op het tweede Vaticaans concilie
luidt een nieuwe periode in. Bisschoppen hebben gepleit voor de opheffing van
haar ondergeschikte plaats. Vrouwen uit meerdere landen hebben zich tot de
concilievaders gericht (Gertrud Heinzelmann, Hrsg., Wir schweigen nicht
länger. Frauen äussern sich zum 11. Vatikanischen Konzil,
Zürich 1964).
De
integratie van de vrouw op alle terreinen van het kerkelijk leven kan echter
pas tot stand komen door de gezamenlijke inspanning van mannen en vrouwen,
priesters en leken, in het besef van eigen eenzijdigheid en in de bereidheid de
ander als partner te aanvaarden.
( Een
verbeterde en uitgebreidere versie van dit artikel:
Die
Frau im Kirchenamt. Plädoyer für die Revision einer traditionellen
Haltung.
In:
Wort und Wahrheit.Monatschrift für Religion und Kultur, Jg.22, Nr.5, Mai
1967, 350 - 362 )
Klik
hier als U onze campagne voor de wijding van vrouwen aktief wilt
steunen..

![]() |
In dit boek gaat Hans Wijngaards in op belangrijke historische bronnen, vanaf het begin van het christendom tot het jaar 900. Hij bewijst op overtuigende wijze dat vrouwen de rol van diaken op zich namen en hiertoe ook gewijd werden. Met zijn historische studie levert Wijngaards een belangrijke bijdrage aan het actuele debat over de wijding van vrouwen tot diaken. Klik hier! |