OOK VROUWEN PRIESTER? JAZEKER!header

Responsive image

BEGIN

REDEN GENOEG

TEGEN DE PAUS?

DEBAT

MENU

Nederlands/Vlaams Deutsch Francais English language Spanish language Portuguese language Catalan Chinese Czech Malayalam Finnish Igbo
Japanese Korean Romanian Malay language Norwegian Swedish Polish Swahili Chichewa Tagalog Urdu
------------------------------------------------------------------------------------
Priesteressen in het verre verschiet

Priesteressen in het verre verschiet

Met een concilie-aanbeveling op de lange weg naar betere tijden

door René van Eyden, Acht Mei Post 17 (2003) pp. 9-11

De auteur is oud-docent praktische theologie aan de Katholieke Theologische Universiteit te Utrecht, met name op het gebied van de theologie van kerk en ambt en van theologische vrouwenstudies.

“Het is zaak dat de vrouw ten spoedigste verder wordt ingeschakeld in al die kerkelijk taken waarin haar aanstelling niet of weinig problematisch is. De verdere ontwikkeling moet zich erop richten dat zij alle kerkelijke functies, het voorgaan in de Eucharistie niet uitgesloten, kan vervullen.” Deze aanbeveling werd in januari 1970 aangenomen door het Pastoraal Concilie van de Nederlandse r.-k. kerkprovincie. Wat is er eigenlijk in de sindsdien voorbije dertig jaar gebeurd met de belangstelling voor het thema ‘vrouw en ambt’?

De optimistische verwachting die door het Tweede Vaticaans Concilie (1962-1965) was opgeroepen, hield nog enige tijd stand. Het priesterambt voor vrouwen leek een reëel perspectief. Er waren in de zeventiger jaren vrouwen die theologie gingen studeren met de hoop om eenmaal priester te worden. Deze hoop werd nog sterker door het feit dat meerdere christelijke kerken tot het besluit kwamen het ambt open te stellen voor vrouwen.

De komst in de katholieke kerk van pastoraal werk(st)ers, aanvankelijk gezien als een noodoplossing voor een dreigend tekort aan ambtsdragers, werd een blijvende vernieuwing. De vrouwelijke pastor werd al spoedig als gelijkwaardige ambtsdrager beleefd. De positieve ervaringen met pastoraal leiderschap van vrouwen versterkten de opvatting dat vrouwen ook in het priesterambt moeten kunnen functioneren. De theologie van Schillebeeckx en andere theologen droeg daar sterk aan bij. Met de hierboven geciteerde aanbeveling van het Pastoraal Concilie in 1970 liep katholiek Nederland voorop in vernieuwingsijver. De pastorale concilies in Zwitserland (l 972) en in Duitsland (l 975) gingen niet verder dan tot een aanbeveling voor vrouwen in het ambt van diaken. Dat die aanbeveling van het Pastoraal Concilie tot nu toe levend is gebleven, blijkt uit recent onderzoek. Een overgrote meerderheid van 86% van alle ondervraagde Nederlandse katholieken en van het katholiek kader vindt dat de vrouw in de kerk onvoldoende tot haar recht komt en dat zij moet worden toegelaten tot het priesterambt. Van de pastoraal werk(st)ers is zelfs 91% deze visie toegedaan. Aldus stelden T. Bernts en J. Peters in l 999 vast in hun boek ‘Dichtbij en veraf’.

In de laatste twee jaar is binnen de Acht Mei Beweging het onderwerp ‘vrouw en ambt’ tweemaal uitdrukkelijk aan de orde gesteld. Op het symposium ‘Ambt en Leek’ (15 sept. 2001) in Utrecht sprak John Wijngaards over ‘Denkpatronen in de oude kerk die geleidelijk vrouwen uit het kerkelijk ambt verdreven’. Een jaar later (l nov. 2002) volgde op een Acht-Meibijeenkomst de presentatie van zijn boek ‘Het niet-wijden van vrouwen in de r.-k. kerk. Een koekoekslong in het katholieke nest’. In gesprekken rond de presentatie van dat boek kwam de vraag naar voren: leeft er in Nederland nog actieve belangstelling en specifieke inzet voor de openstelling van het priesterambt voor vrouwen, met name onder de pastoraal werksters?

Wat opvalt is dat er in andere landen organisaties zijn opgericht die zich concreet en expliciet met deze kwestie bezighouden. Welke factoren spelen een rol in de Nederlandse situatie?

Opmerkelijke verschillen

Wat de organisaties in het buitenland betreft, kan allereerst gewezen worden op de ‘Wij zijn Kerk-beweging’. Deze begon in 1995 in Oostenrijk, Zwitserland en Duitsland, en breidde zich spoedig uit naar landen in en buiten Europa. De nationale organisaties verbonden zich in de ‘Internationale Beweging Wij zijn Kerk’ (IMWAC). De doelstelling, een fundamentele vernieuwing van de kerk, wordt in vijf kernpunten uitgedrukt, waarvan het tweede punt als volgt luidt:

“Gelijke rechten voor vrouwen en mannen. Inspraak en medezeggenschap voor vrouwen binnen de kerkelijke geledingen. Openstelling van het diako-naat voor vrouwen. Toegang voor vrouwen tot het priesterschap. Het weren van vrouwen uit kerkelijke ambten heeft geen bijbelse grondslag.” Daarnaast zijn er kleinere groeperingen die zich meer toegespitst inzetten voor de ambtswijding van vrouwen in de katholieke kerk. De oudste en meest invloedrijke groep is de Women’s Ordination Conference in de Verenigde Staten. Er zijn soortgelijke actieve groepen in diverse landen, o.a. Engeland, Duitsland, Oostenrijk, Canada, Australië, Zuid-Afrika. Zij hebben zich aaneengesloten in een internationaal netwerk Women’s Ordination Worldwide; dit WOW werd in 1996 opgericht op de Europese Vrouwen Synode in Gmünden. Uit alle delen van de wereld kwamen de deelneemsters naar de eerste WOW-conferentie in Dublin in 2001, voor “de viering van de roeping van vrouwen tot een hernieuwd priesterambt in de katholieke Kerk” (Acht Mei Post berichtte hierover, okt. 2001).

Wereldwijde aandacht

Ook in Nederland ontstond een afdeling van ‘Wij zijn Kerk’, die als naam kreeg ‘Kerk Hardop’. De aandacht voor vrouw en ambt is ook hier onderdeel van de brede oriëntatie op fundamentele kerkvernieuwing. Een aparte organisatie die zoals de groepen van WOW streeft naar het priesterambt voor vrouwen, zal men nu in Nederland vergeefs zoeken.

Met één uitzondering: de Stichting Vrouwmens van Tiny van Lieshout. Zij hebben tien jaar lang (tot 2000) gevochten voor de openstelling van het diakenambt voor vrouwen. En wel via juridische processen bij de burgerlijke rechter, tot het hoogste niveau in Straatsburg. Zij hebben het proces verloren, maar een wereldwijde aandacht voor het probleem gewonnen. Zij onderhielden contacten met een groot aantal buitenlandse groeperingen zodat deze stem uit Nederland bekendheid kreeg. In de tijd na het Tweede Vaticaans Concilie is er in Nederland onnoemelijk veel gesproken en geschreven over de vrouw in kerk en ambt, met name in reacties op Romeinse documenten, maar tot het opzetten van speciale actiegroepen heeft dit niet geleid. Dit was ook niet nodig. Nergens was de omvorming van de vroegere mannenkerk in een geloofsgemeenschap van mannen en vrouwen zo gunstig verlopen als in katholiek Nederland. De aandacht voor gelijke verantwoordelijkheid van vrouwen kwam regelmatig aan de orde in parochies, in ‘vrouw en geloof’-groepen, in commissies en beraden, zoals de werkgroep Vrouw-Man-Kerk in het kader van de St. Willibrordvereniging.

En vooral ook in de Acht Mei Beweging werd het thema besproken op de manifestaties en in de commissies Machtsongelijkheid en Mensenrechten in de kerk. In deze groepen kwam het onderwerp ‘kerkelijke ambten voor vrouwen’ meestal niet ge-isoleerd ter sprake, maar in het breder kader van de gelijkwaardige plaats van vrouwen in alle dimensies van het kerkelijk leven. Ook in het theologisch onderwijs werden maar zelden de actuele problemen rond vrouw en priesterambt tot thema van bestudering gekozen. En slechts enkele theologiestudenten schreven er een scriptie over, met sprekende titels als ‘Willen ze me niet, of zou het echt niet mogen van God?’ en ‘Wijding van vrouwen, geen onschuldige zaak’.

Liever pastoraal werkster

Wat denken pastoraal werksters in de Nederlandse bisdommen over het priesterambt voor vrouwen? Die vraag ligt voor de hand: in haar pastoraal functioneren hebben zij meer van nabij met het priesterambt te maken en gelegenheid daarop te reflecteren.

Eerder dan in andere landen was hier het functioneren van vrouwelijke pastores geïntegreerd in het basispastoraat. Pastoraal werk(st)ers zijn de collega’s van priesters en diakens en werken samen in een flexibele ambtsstructuur. Zij leggen zich toe op professionele vorming. De ontwikkeling van persoonlijke capaciteiten, van belang voor een eigen leiderschapsstijl, krijgt de nodige aandacht. Dit alles gaat nauw samen met de vorming van pastorale spiritualiteit, de krachtbron van het pastoraal handelen. In hun ambtelijk functioneren vinden vrouwen veel voldoening, ook al zijn er soms nog weerstanden en openlijke of verborgen vormen van niet-acceptatie.

De pastorale werk(st)ers wijzen in grote meerderheid het traditionele kerkbeeld af en het daarmee verbonden priesterbeeld. Daarin delen zij de houding van de meeste katholieken in ons land. Naarmate de kerkelijke vernieuwing die het Tweede Vaticaans Concilie teweeg bracht, door de kerkelijke leiding werd teruggedraaid, groeide de distantie ten aanzien van de institutionele kerk. Onlangs heeft kardinaal Walter Kasper de huidige situatie getypeerd als een “mentaal en praktisch schisma”: de normen van het kerkelijk centrum en de praktijk van plaatselijke kerken drijven steeds verder uit elkaar; veel gelovigen en pastores kunnen de verordeningen niet meer begrijpen en storen zich er niet meer aan.

In deze vervreemding van de hiërarchische kerk delen de vrouwelijke pastores om begrijpelijke redenen nog meer dan haar mannelijke collega’s. Slechts weinigen van hen zouden in de huidige situatie opteren voor het priesterambt als dat mogelijk zou zijn. Ook de vrouwen die aanvankelijk priester wilden worden, hebben dat ideaal meestal losgelaten. Voor het pastoraal handelen vinden zij toewijding en pastorale deskundigheid belangrijker dan wijding. Bovendien zou wijding een te strakke binding aan het hiërarchisch systeem meebrengen, waarmee zij zich niet kunnen en willen identificeren.

Dubbel spoor

In het standpunt ten aanzien van het priesterambt voor vrouwen dat leeft bij pastoraal werk(st)ers zit een dubbelheid: in het bovengenoemde onderzoek vindt 91% van hen dat vrouwen priester gewijd moeten worden, met andere woorden: bijna alle vrouwelijke pastores onderschrijven dit. Tegelijk zagen wij dat bijna alle vrouwelijke pastores de priesterwijding voor zichzelf en daarmee eigenlijk ook voor andere vrouwen afwijzen. Vanwaar deze dubbele oriëntatie?

De enorme diversiteit van standpunten in de kerkelijke vernieuwingsbewegingen is nauwelijks meer te overzien. Voor ons onderwerp wil ik slechts wijzen op een fundamentele strijdvraag. In de jaren negentig is in de theologische vrouwenstudies een discussie ontbrand, waarin twee richtingen tegenover elkaar staan. Het betreft een verschil in visie op de aard van het probleem en daarmee samenhangend op de te volgen strategie.

Het probleem: in de traditionele patriarchale kerk worden vrouwen uitgesloten van de gewijde ambten. Alleen mannen in de ambten, van hoog tot laag. Maar dat is slechts het zichtbare topje van de ijsberg uit het eeuwenoude gevaarte van patriarchale structuren en ideologieën. Is een omvorming van het topje voldoende, of moet de hele ijsberg verdwijnen?

De inzet van de discussie is deze vraag: Wat zal de komst van vrouwen in de ambten uitwerken? Sommigen verwachten dit: als vrouwen gaan functioneren in de ambten, kunnen zij van binnenuit meewerken aan de noodzakelijke veranderingen. Als vrouwen een ambt uitoefenen, wordt het ‘een ander ambt’. Of zoals een theoloog eens zei: “Als een man achter het altaar gaat staan, verandert die man; maar als een vrouw achter het altaar gaat staan, verandert het altaar.” Derhalve is de komst van vrouwelijke priesters dringend gewenst. Deze verwachting is het uitgangspunt van o.a. de WOW-groepen. Een bekende woordvoerster van deze richting is de Duitse theologe Ida Raming.

Anderen verwachten het omgekeerde: de inschakeling van vrouwelijke priesters zal in feite leiden tot een versterking van het bestaande hiërarchische kerkinstituut. Zij worden onderdeel van het klerikale systeem en ingeperkt door de sacrale ambtsstructuren. Pas als de patriarchale gestalte van kerk en ambt diepgaand veranderd zal zijn, is de komst van vrouwelijke priesters zinvol. Derhalve streven vrouwen niet meer naar het priesterambt in zijn huidige vorm. Het gaat hen veeleer om de ontwikkeling van liturgische en diaconale activiteiten. In deze nieuwe praktijken begint een geleidelijke omvorming van de kerkelijke ambtsstructuur zich af te tekenen. Deze stellingname is sterk uitgewerkt in de theologie van Elisabeth Schüssler-Fiorenza en in haar gevolg bij vele andere theologen.

Met deze tweede richting is de opstelling van de vrouwelijke pastores in Nederland op zich verwant, maar in de persoonlijke motieven krijgt de strijd voor verandering van patriarchale structuren minder accent dan het zoeken naar ruimte voor eigen vormgeving van pastoraal handelen. De verontwaardiging om het uitgesloten zijn en het protest daartegen zijn gebleven. Anderzijds hebben zij in de nieuwe functie van pastoraal werkster een weg gevonden om zinvol en vindingrijk mensen nabij te zijn op de gezamenlijke zoektocht naar God.

Lange weg

De beide genoemde richtingen lijken elkaar uit te sluiten, maar zijn twee wegen naar hetzelfde doel. De kerkelijke werkelijkheid is gecompliceerd en vertoont tegenstrijdige aspecten. Daarom komt het erop aan dat er ruimte is voor verscheidenheid in visie en veranderingsstrategie. En daadwerkelijke solidariteit met elkaar op de lange weg naar betere tijden.

Speerpunt van het Romeinse beleid is niet meer de handhaving van het verplichte celibaat, maar het onderdrukken van de discussie en de bewustmaking rond vrouwen en het ambt van priester en diaken. Dat daarbij ultieme middelen worden ingezet, zoals onfeilbaarheid en excommunicatie, laat zien hoe hevig de botsing der geesten is. Een geloofsgemeenschap waarin vrouwen en mannen als volgelingen van Jezus gelijke verantwoordelijkheid dragen, is nog ver weg en toch al enigermate zichtbaar. Daarom gaan wij voort op grond van vertrouwen in ons zelf, in elkaar en ten diepste in de Geest die waait waarheen zij wil. Tot een nieuw Pinksteren aanbreekt.

Een profetisch signaal

In het Duitse taalgebied is de discussie over vrouwelijke ambtsdragers bijzonder intensief geworden. In Duitsland heeft het ‘Netwerk Diakonaat van de vrouw’ in 1999 een driejarige cursus opgezet voor vrouwen ter voorbereiding op het ambt van diaken. De 14 deelnemende vrouwen hebben op 21 september 2002 haar opleiding voltooid en een certificaat ontvangen. Zij krijgen een aanstelling in diaco-naal werk, maar ontvangen niet de diakenwijding. Een jaar eerder had Rome de opleiding verboden. Niettemin wordt dit jaar een tweede cursus gestart, maar dan onder een andere naam. In Oostenrijk namen 12 vrouwelijke theologen deel aan een driejarige cursus ter voorbereiding op het priesterambt. Na een afsluitend examen van het intensieve vormingsprogramma, werden zeven van hen op 29 juni 2002 priester gewijd. Zij werden door Rome geëxcommuniceerd, maar katholieken in eigen kring en daarbuiten nodigen hen uit om voor te gaan in de bediening van de sacramenten. In het najaar van 2002 is in Wenen weer een voorbereidingscursus begonnen. Het boek ‘Wir sind Priesterinnen’ van deze vrouwen, kwam uit op hun wijdingsdag, maar is op last van kardinaal-aartsbisschop Friedrich Wetter van München uit de handel genomen.

Deze gebeurtenissen hebben bijval en kritiek opgeroepen, ook in de vernieuwingsbewegingen. De Internationale Theologie Commissie van de r.-k. kerk heeft vorig jaar oktober bekend gemaakt dat vrouwen nooit, ook niet in de vroege kerk, het sacramentele ambt van diaken hebben ontvangen. De reflectie op de betekenis van deze priesterwijding gaat nog steeds voort. Duidelijk is dat deze ‘wijding tegen de kerkelijke wet’ niet een doorbraak in het kerkelijk beleid bewerkt, maar evenzeer is duidelijk dat het een profetisch signaal is waarin veel katholieke vrouwen en mannen bemoediging vinden.

Klik hier als U onze campagne voor de wijding van vrouwen aktief wilt steunen..

historische overzichten


This website is maintained by the Wijngaards Institute for Catholic Research.

John Wijngaards Catholic Research

since 11 Jan 2014 . . .

John Wijngaards Catholic Research