OOK VROUWEN PRIESTER? JAZEKER!header

Responsive image

BEGIN

REDEN GENOEG

TEGEN DE PAUS?

DEBAT

MENU

Nederlands/Vlaams Deutsch Francais English language Spanish language Portuguese language Catalan Chinese Czech Malayalam Finnish Igbo
Japanese Korean Romanian Malay language Norwegian Swedish Polish Swahili Chichewa Tagalog Urdu
------------------------------------------------------------------------------------
Het Priesterschap van alle Gelovigen

Het Priesterschap van alle Gelovigen

Regels voor de correcte interpretatie van de H. Schrift
* De ‘letterlijke’ betekenis
* Literaire vormen
* Het beoogde doel
*Rationaliseringen

Alle gelovigen delen in Christus' priesterschap.

Christus, de Heer en Hogepriester, uit de mensen genomen (vgl Heb 5, 1-5), heeft het nieuwe volk "gemaakt tot een koninkrijk van priesters voor zijn God en Vader" (Apk 1,6; vgl 5,9-10). De gedoopten immers zijn door de wedergeboorte en de zalving van de Heilige Geest tot een geestelijke woonstede en een heilig priesterschap gewijd.

Vaticanum II, Lumen Gentium, nr. 10.

Hier zitten voor vrouwen zeer belangrijke kanten aan:

  1. Christus heeft een einde gemaakt aan het oudtestamentisch priesterschap dat gebaseerd was op het sacrale karakter (= veronderstelde heiligheid) van tijden, plaatsen, cultische voorwerpen, priesterlijke afkomst.
  2. Christus heeft een priesterschap ingesteld dat een fundamentele waardigheid bezit waar alle gedoopten in delen.

Dit sluit dus in dat mannen zowel als vrouwen ook kunnen delen in Christus' ambtelijk priesterschap. We kunnen dit heel goed de onuitgesproken bedoeling van Christus noemen.

Christus heeft een einde gemaakt aan het oudtestamentische priesterschap dat gebaseerd was op zogenaamde 'heilige' zaken.

Jezus was geen maatschappijhervormer, ofschoon zijn godsdienstige principes wel zeer belangrijke sociale gevolgen zouden hebben. Hij heeft niet precies een sociale revolutie in gang gezet. Dit kan men niet zeggen van zijn betrokkenheid bij de godsdienst. Hij oefende geen rechtstreekse kritiek uit op de sociale structuren van zijn tijd, maar hij duldde geen verouderde en ondeugdelijke godsdienstige structuren. In dit opzicht had hij nauwelijks harder kunnen optreden. Het priesterschap zoals men dat in het Oude Testament kende is door hem volledig afgeschaft.

Om de consequenties van Jezus' houding in dezen ten volle te begrijpen moeten we ons in herinnering brengen dat het oudtestamentische priesterschap berustte op een filosofie die een onderscheid maakte tussen het heilige en het profane. Sommige alledaagse zaken zoals huizen, vee, eten en slapen, zaken doen, enzovoort, waren gewoon of 'profaan'. In deze zaken was God niet echt direct tegenwoordig. Van andere zaken in deze wereld meende men echter dat ze doortrokken waren van Gods tegenwoordigheid en dat ze daardoor 'heilig' waren. Vandaar dat men spreekt van 'heilige' tijden (de sabbat en feestdagen), van 'heilige' plaatsen (vooral de tempel), 'heilige' voorwerpen (bijv. vaten voor de eredienst) en 'heilige' personen (priesters) die aan God toegewijd waren. De priester van het Oude Testament onderscheidde zich van andere mannen op dezelfde grond als waarom de sabbat heiliger geacht werd dan de maandag, of de tempel een heiliger plaats was dan het bad Betzata. De priester was de belichaming van een goddelijke aanwezigheid in een profane wereld.

Christus verving de oude heilige zaken echter niet door nieuwe: hij ging een stap verder. Hij maakte radicaal een einde aan het onderscheid zelf tussen het heilige en het profane. Dit kan sommige christenen die onbewust nog altijd denken zoals men in het Oude Testament dacht, misschien ontstellend voorkomen. Zij zien het Nieuwe Testament mogelijk als een bijgewerkte versie van het Oude Testament. Zij denken dat onze kerken de plaats hebben ingenomen van de tempel van Jeruzalem, dat onze zondag de sabbat vervangt, dat onze heilige vaten de voortzetting zijn van de benodigdheden in de tempel, en dat de priester van het Nieuwe Testament een vervolmaakte uitgave is van die van het Oude Testament. De oorzaak van dit misverstand hangt deels samen met de ontwikkelingen binnen de kerk in de loop van haar geschiedenis, maar deels moet men ook in aanmerking nemen het menselijke idee dat er in een gevestigde godsdienst zogenaamd heilige zaken als kerken moeten zijn. Maar eigenlijk is het vasthouden aan 'heilige' zaken een teruggang, die ingaat tegen de leer van het Nieuwe Testament.

Neem bijvoorbeeld de heilige plaats. De joden mochten alleen offers brengen in de tempel (Dt 12, 1-14), en binnen de tempel zelf werd een plaats heiliger naarmate men dichter bij het centrum kwam. Het binnenste vertrek van het heiligdom, het 'heilige der heiligen' genaamd, mocht alleen betreden worden door de hogepriester en dan nog maar eens per jaar (Heb 9, 7). Christus accepteert zulke heilige plaatsen niet meer. Voor hem was elke plaats heilig. In zijn rijk kan men God niet alleen aanbidden in Jeruzalem of op een heilige berg, maar overal, als het maar gebeurt "in geest en waarheid" (Joh 4, 20-24). Feitelijk was zijn eigen lichaam de nieuwe tempel die overal in de wereld de oude kon vervangen (Joh 2, 21). Toen Christus bij het Laatste Avondmaal voor het eerst de mis vierde, deed hij dit in de bovenzaal van een gewoon huis (Mc 14, 12-16). En het toppunt was wel dat hij als plaats voor zijn unieke offer voor de hele wereld niet het voorhof van de tempel koos maar een kale heuvel waar terechtstellingen plaatsvonden (Heb 13, 12). Toen Christus stierf werd het onderscheid tussen heilige en profane plaatsen voorgoed uitgewist. De evangeliën verhalen dat het voorhangsel van de tempel, dat het 'heilige der heiligen' afschermde, "van boven tot beneden in tweeën" gescheurd werd (Mc 15, 37). De jonge kerk heeft dit begrepen. Die kende geen tempels, kerken of kapellen. Zij baden samen en vierden de eucharistie op elke plaats waar ze als gemeenschap bijeen kwamen. Dit kan men eigenlijk nog steeds van de huidige kerk zeggen. Maar, hoe prijzenswaardig het op zichzelf overigens is om plaatsen voor gebed te reserveren, deze gewoonte is vanaf de vierde eeuw weer binnengeslopen toen men het oude godsdienstige systeem weer ging invoeren.

Op gelijksoortige wijze kunnen we spreken over de heilige dagen. Voor de joden was de sabbat een dag die aan God gewijd was en waarop men geen beroepsarbeid mocht verrichten. Jezus kwam dikwijls in botsing met de Farizeeën omdat hij weigerde zijn apostolisch werk op de sabbat achterwege te laten. Er ontstonden conflicten toen zijn leerlingen aren begonnen te plukken (Mt 12, 1-8), toen Jezus in de synagoge een man met een verschrompelde hand genas (Mc 3,6), toen Jezus een man genas die waterzucht had (Lc 14, 1-6), en toen hij de blinde man in Siloam weer ziende maakte (Joh 9, 1-16). In de discussie was Jezus' meest revolutionaire uitspraak: "De sabbat is er voor de mens, en niet de mens voor de sabbat" (Mc 2, 27). Met andere woorden, de sabbat ontleent zijn waarde niet aan zichzelf, omdat hij op de een of andere wijze een 'heilige' tijd is, maar aan wat men voor anderen doet.

Terwijl in het Oude Testament de priesters vaak op bepaalde sacrale tijden offers moesten brengen, heiligde Christus door zijn ene volmaakte offer alle tijd (Heb 9, 25-28). Met de dood van Jezus waren de sabbat en al die sacrale tijden zinloos geworden (Gal 4, 8-11). Van toen af kon elke dag en elk uur van de dag de geschikte tijd voor gebed en viering zijn. Het christelijke gebruik om op 'de eerste dag van de week' de eucharistie te vieren omdat Christus op die dag verrezen is (Joh 20,1), heeft geleid tot de praktijk van de wekelijkse mis op zondag. De zondag was echter niet een nieuwe 'sabbat' voor hen. Alweer, helaas, door een terugkeer tot de oudtestamentische trant van denken zijn christenen in latere tijden, en vooral in de protestante kerken, teruggevallen op een zondagsviering volgens farizees model.

Nu we gezien hebben hoe Christus' houding was ten opzichte van heilige tijden en plaatsen, zullen we niet verbaasd staan dat zijn houding ten opzichte van het heilig priesterschap ook zo was. Hij heeft een einde gemaakt aan het priesterschap als sacrale instelling. Hij was zelf niet opgenomen in Aärons priesterschap. Als vertegenwoordiger van alle mensen maakte hij een einde aan die priesterlijke waardigheid die gebonden was aan lichamelijke afstamming. Hij stelde een priesterschap in dat steunde op "de kracht van een onvergankelijk leven" (Heb 7, 16).

De oudtestamentische ideeën omtrent priesterschap waren Christus zo vreemd dat we geen bijbelplaats aantreffen waar hij de term priester toepast op zichzelf of zijn volgelingen. Eigenlijk wordt alleen in de brief aan de Hebreeën het 'priesterschap' van Christus expliciet besproken en vergeleken met het priesterschap van het Oude Testament (zie vooral Heb 5, 1-4; 7, 26-28). Christus vertrouwde zijn apostelen en hun opvolgers een speciale taak toe, maar hij zou het niet goed gevonden hebben als men in deze opdracht de instelling gezien had van een nieuwe afzonderlijke heilige groep zoals in de tijden van het Oude Testament het geval geweest was. De latere ontwikkelingen in de kerk die zo'n scheiding hebben bevorderd (met 'heilige' gewaden, klerikale waardigheden en statusprivileges), zou hem zeker verontrust en bedroefd hebben.

Christus heeft een priesterschap ingesteld dat een fundamentele waardigheid bezit waar alle gedoopten in delen.

Christus heeft zijn priesterschap uitgeoefend door zich op de Calvarieberg te offeren en door prediking. Voor de voortzetting van deze twee functies moet elke leerling zijn/haar kruis dragen (Mt 16,24), en moet ieder van zijn leerlingen voor hem getuigen, zelfs tot vervolging en dood toe (Mt 10, 16-22). Alle christen hebben daarom deel aan het koninklijk priesterschap van Christus (1 Pe 2, 5-9). Allen kunnen genoemd worden "priesters voor zijn God en Vader" (Apk 1, 6), "priesters van God en Christus" (Apk 20, 6). Allen samen vormen ze voor God "een koninklijk geslacht van priesters" (Apk 5,10).

Dit algemene priesterschap wordt gegeven door het sacrament van het doopsel. We dienen op te merken dat dit doopsel voor iedereen precies hetzelfde is. Het doopsel dat vrouwen toegediend wordt is absoluut niet anders. St. Paulus bevestigt dat het doopsel van Christus alle sociale verschillen tussen de mensen overstijgt en doet verdwijnen. "Want u bent allemaal kinderen van God door het geloof, in Christus Jezus. Want allemaal bent u in Christus gedoopt, met Christus bekleed. Er is geen Jood of Griek meer, er is geen slaaf of vrije, het is niet man en vrouw; u bent allemaal één in Christus Jezus" (Gal 3, 26-28).

De wijding tot het sacramentele priesterschap betekent een uitbreiding van de fundamentele deelname aan offeren en getuigen die al door het doopsel gegeven is. Ofschoon het ambtelijk priesterschap een nieuwe functie toevoegt aan de vermogens die men in het doopsel ontvangen heeft, en zo dus inhoudelijk meer is dan het doopsel, is het daar tegelijkertijd wezenlijk mee verbonden.

"Het algemeen priesterschap van de gelovigen en het ambtelijk of hiërarchisch priesterschap zijn weliswaar uiteraard en niet alleen naar rangorde van elkaar verschillend. Doch ze zijn op elkaar aangewezen en het ene zowel als het andere heeft op zijn bijzondere wijze aan Christus' priesterschap deel."

Vaticanum II, Lumen Gentium, nr. 10.

Als het Concilie zegt dat deelname aan Christus’ priesterschap door de heilige wijdingen van het priestersacrament uiteraard anders is, bedoelt het dat het doopsel op zich niet de opdracht verleent tot leren, besturen en het opdragen van het offer in Christus’ naam. Het bedoelt echter niet te zeggen dat voor de heilige wijdingen een ander geheel van typerende waarden zou gelden.

Wat er ook voor de wijding tot het ambt vereist moge worden, het kan geen 'heilige' zaak zijn die de ene mens wezenlijk meer maakt dan de ander. Vaticanum II is heel duidelijk in dit opzicht.

'Gelijk is de waardigheid van de ledematen krachtens hun wedergeboorte in Christus; gelijk de genade van het kindschap, gelijk de roeping tot volmaaktheid, één heil, één hoop, één ondeelbare liefde. In Christus en de Kerk bestaat er dus geen ongelijkheid naar ras, nationaliteit, sociale stand of geslacht ... Hoewel er enkelen, door de wil van Christus, als leraars, uitdelers van de geheimenissen en herders over de anderen worden aangesteld, toch blijft er tussen allen gelijkheid bestaan ten aanzien van de aan al de gelovigen gemeenschappelijke waardigheid en de bedrijvigheid voor de opbouw van het lichaam van Christus.'

Vaticanum II, Lumen Gentium, nr. 32.

Maar als geslacht geen beperkende factor kan zijn als 'heilige' zaak of als restant van de ongelijkheid vóór het doopsel, hoe kan het dan een rol spelen als het gaat over sacramenteel teken?

Besluit

Uit de Schrift kunnen we niet afleiden dat het verschil in geslacht een rol speelt in Christus' priesterschap. Christus vervangt een priesterschap dat gebaseerd was op sacraliteit door een priesterschap dat gebaseerd is op genade. Het zou onlogisch zijn als dit inhield dat verschillen die door het doopsel zijn uitgewist weer tot leven komen in het sacramentele priesterschap. Als iedere christen Christus uitstraalt door zijn of haar leven, dan lijkt er geen reden te zijn waarom iedere christen niet de opdracht zou kunnen krijgen om hem te vertegenwoordigen bij de eucharistie.

Het sacramentele teken van het priesterschap is de menselijke persoon van de gewijde priester, hetzij man of vrouw. De Heilige Schrift zelf leert niet expliciet dat vrouwen gewijd kunnen worden. Maar het schijnt uit de aard van Christus' priesterschap wel logisch voort te vloeien dat vrouwen zouden kunnen en moeten delen in het sacramentele priesterschap.

Ontleend aan 'Did Christ Rule out Women Priests?' van John Wijngaards, McCrimmon's, Great Wakering 1986, p. 64-68.

Verwante onderwerpen:

  • Maria illustreerde de ambtelijke implicaties van Christus' algemene priesterschap.

Vertaling Theo van Schaick, fic

Klik hier als U onze campagne voor de wijding van vrouwen aktief wilt steunen..

historische overzichten


This website is maintained by the Wijngaards Institute for Catholic Research.

John Wijngaards Catholic Research

since 11 Jan 2014 . . .

John Wijngaards Catholic Research