|
|
|---|
Reimund Bieringer
Bijdragen 62 (2001) 129-142; hier gepubliceerd
met verlof van de auteur en de redactie.
Aan het begin van zijn Apostolische brief over de
priesterwijding die exclusief aan mannen is voorbehouden, citeert Paus
Johannes Paulus II een brief uit 1975 van zijn voorganger Paus Paulus VI aan de
toenmalige aartsbisschop van Canterbury, Frederick Donald Cogan. Daarin worden
"zeer fundamentele" redenen genoemd om vrouwen uit te sluiten van het
priesterschap, met name "het in de gewijde geschriften gegeven voorbeeld van
Christus die zijn apostelen alleen uit mannen koos, de bestendige praktijk van
de kerk welke in navolging van Christus alleen mannen heeft gekozen en haar
levende leergezag dat zichzelf gelijkblijvend heeft gehouden dat het uitsluiten
van vrouwen van het priesterschap in overeenstemming is met het plan van God
aangaande zijn kerk".<2> Van deze drie argumenten wordt in
Ordinatio sacerdotalis alleen het eerste het voorbeeld van
Christus uitgewerkt. In onze beknopte studie willen wij dit argument van
dichterbij bekijken vanuit het perspectief van de historisch-kritische
exegese.
In Ordinatio sacerdotalis wordt het argument van
het voorbeeld van Christus, het zogenoemde schriftargument, als volgt
geformuleerd:
1) Jezus Christus, het vleesgeworden Woord, heeft een
zending. "De twaalf apostelen ... zijn op een bijzondere manier ten nauwste
verbonden met de zending van het vleesgeworden Woord zelf".<3>
Christus vertrouwt aan de apostelen -- bedoeld
zijn "de twaalf mannen die Hij als fundamenten van zijn kerk (vgl. Apk 21,14)
heeft geplaatst" -- de zending toe "om
Christus, de Heer en Verlosser te vertegenwoordigen".<4>
2) Het uitsluiten van vrouwen bij de keuze van de
Twaalf is een intentionele handeling gemotiveerd vanuit "het eeuwige plan
Gods", "een beschikking die moet worden toegeschreven aan de wijsheid van de
Heer van het heelal".<5> "De evangeliën en de Handelingen
van de Apostelen laten immers zien dat deze roeping geschiedde volgens het
eeuwige plan Gods: Christus heeft diegenen uitgekozen die Hij wilde (vgl. Mc
3,13-14; Joh 15,16), en heeft dit gedaan in eenheid met de Vader, door de
heilige Geest (Hnd 1,2), na de nacht in gebed te hebben doorgebracht
(vgl. Lc 6,12)".<6>
3) Bij de keuze van hun opvolgers hebben de apostelen
naar het voorbeeld van Christus enkel mannen uitgekozen. De zending die
Christus aan zijn apostelen toevertrouwde, wordt sindsdien via de
priesterwijding overgedragen. Zodoende is ook de priesterwijding in de
katholieke kerk voorbehouden aan mannen.
Van bij de aanvang van deze studie willen we
benadrukken dat de schriftteksten ons geen rechtstreekse toegang verlenen tot
het doen en laten van de aardse Jezus. Ze bieden ons op de eerste plaats
verschillende theologische visies op Jezus van Nazareth, nl. die van Paulus, de
vier evangelisten en een aantal latere schrijvers. Het historisch onderzoek
naar de handelwijze en de bedoelingen van de aardse Jezus heeft niet tot
eenduidige resultaten geleid. Bovendien lijkt het gereconstrueerde beeld van de
aardse Jezus meestal nauw aan te sluiten bij de voorkeursopties van de
onderzoekers zelf. In wat volgt geven wij onze exegetische evaluatie van het
eerste en het tweede argument waarop Ordinatio sacerdotalis de
uitsluiting van vrouwen uit het priesterschap baseert.
1. Het verschil tussen de Twaalf en de
apostelen
De apostolische brief verwijst voor zijn uitspraken
over de zending van de Twaalf naar hun roeping/zending door de aardse Jezus in
Mt 10,1.7-8 en Mc 3,13-16 en naar hun zending door de verrezen Christus in Mt
28,16-20 en Mc 16,14-15. Ordinatio sacerdotalis wekt de indruk dat de
twaalf mannen die de aardse Jezus uitgekozen heeft, en zij alleen, bij hun
roeping de zending hebben ontvangen "om Christus, de Heer en Verlosser te
vertegenwoordigen".<7> Een aandachtige lezing van de teksten
toont echter dat deze voorstelling van zaken geen recht doet aan de
complexiteit ervan.
In Mc 3,14 wordt Jezus bedoeling bij het
aanstellen (poieô, "maken") van de Twaalf uitgedrukt in twee
doelzinnen: "opdat ze bij hem zouden zijn" en "opdat hij hen zou
zenden".<8> Marcus gebruikt hier voor de zending van de Twaalf
enkel het werkwoord apostello en niet het zelfstandig naamwoord
apostolos.<9> De feitelijke zending vindt pas plaats in Mc
6,7: "Hij ... begon hen twee aan twee uit te zenden, en Hij gaf hun macht over
de onreine geesten". In de context van hun terugkeer gebruikt Marcus voor de
eerste keer het zelfstandig naamwoord apostoloi (6,30), waarschijnlijk
in de algemene betekenis van "gezondenen".<10> Verder worden de
Twaalf in Marcus niet meer apostoloi genoemd. Dit zou erop kunnen wijzen
dat de term "apostel" voor Marcus nog niet duidt op een ambt, maar slechts op
een beperkte zendingsopdracht.
Volgens de aan Mc 3,14 parallelle tekst in Mt 10,1
roept Jezus "zijn twaalf leerlingen" bij zich. Roeping/aanstelling en zending
van de Twaalf, door Marcus respectievelijk in 3,13-19 en in 6,7-13 beschreven,
vormen bij Matteüs één verhaal.<11> De nadruk
ligt onmiskenbaar op de gave van macht over onreine geesten en op de zending
(vgl. apostello in 10,5). Deze blijft echter beperkt tot "de verloren
schapen van het huis van Israël" (10,6). Pas na de overdracht van de macht
worden zij in 10,2 éénmaal "de twaalf apostelen" genoemd. Vanaf
dan noemt Matteüs hen opnieuw "leerlingen" (17,19 par Lc 17,5 die
"apostelen" gebruikt) of "de Twaalf" (26,20 par Lc 22,14 waar ook hier
"apostelen" staat) respectievelijk "de elf leerlingen" (28,16; vgl. Lc 24,9-10
waar "de elf" en "de apostelen" niet noodzakelijk dezelfde betekenis hebben).
De terugkeer van de gezondenen wordt door Matteüs niet speciaal
vermeld.
Evenals Marcus plaatst Lucas de roeping (6,13) en de
zending (9,1) van de Twaalf in twee aparte contexten. Bij hun uitverkiezing (Lc
6,13) geeft Jezus aan de Twaalf de naam "apostelen". K.H. Rengstorf meent dat
de term "apostelen" in Lc 6,13 dezelfde functie heeft als de doelzin "opdat hij
hen zou zenden" in Mc 3,14.<12> Zo maken Marcus en Lucas elk op
hun eigen manier duidelijk dat de Twaalf geroepen werden met het oog op een
zending. Evenals Marcus noemt Lucas de Twaalf bij de terugkeer van hun
zendingsreis "apostelen". Ook hij doelt hier waarschijnlijk niet op een ambt,
maar gewoon op het feit dat zij gezondenen zijn (Lc 9,10). In Lc
17,5; 22,14 en 24,10 blijkt echter dat Lucas het woord "apostel" ook buiten de
context van een specifieke zending gebruikt als vaste uitdrukking voor de
Twaalf. Deze plaatsen weerspiegelen vermoedelijk een latere, post-paschale
theologie. Misschien is dit ook de meest logische verklaring voor de
uitdrukking "de twaalf apostelen" in Mt 10,2. Maar wat wordt met deze
post-paschale realiteit bedoeld?
De zending die de Twaalf van de aardse Jezus hadden
ontvangen, was beperkt in ruimte (tot Israël) en tijd (tot hun terugkeer
bij Jezus; zie Mc 6,30 en Lc 9,10). Op het moment dat Jezus stierf, was geen
enkele van zijn leerlingen belast met een opdracht of een zending. Pas in de
ontmoeting met de verrezen Christus ontvingen bepaalde leerlingen een nieuwe
opdracht, die niet in tijd beperkt was en universele reikwijdte had. Volgens
Matteüs vertrouwt Jezus deze post-paschale zending toe aan "de elf
leerlingen" (Mt 28,19; vgl. Mc 16,15),<13> volgens Lucas aan "de
apostelen die Hij had uitgekozen" (Hand 1,2). Omdat zij met Jezus meegetrokken
waren vanaf Galilea tot aan de Hemelvaart (vgl. Hand 1,22), waren zij het meest
geschikt voor deze zending.
In de Matteaanse en Lucaanse voorstelling zijn het dus
-- op Judas Iskariot na --
dezelfde leerlingen die zowel vóór
als na de verrijzenis door Jezus gezonden worden. Alleen Lucas veronderstelt
dat de Twaalf reeds vóór de verrijzenis dragers zijn van een ambt
(zie Lc 17,5; 22,14; 24,10; Hand 1,2 en 1,25-26: het apostelambt van
Judas).
In het Johannesevangelie vinden we het zelfstandig
naamwoord apostolos slechts één keer, in 13,16, waar het
de betekenis van "gezant" heeft. Het werkwoord apostello wordt, evenals
pempo, meestal met betrekking tot Jezus zending door de Vader
gebruikt. In 17,18 verwijst de tekst met apostello en in 20,21 met
pempo naar de zending van de leerlingen. In beide gevallen heeft de
evangelist het over een post-paschale zending.<14> Een zoektocht
naar het verhaal van de keuze en/of aanstelling van de Twaalf of naar de lijst
van de twaalf namen is in het vierde evangelie tevergeefs. In 6,67 stelt
Johannes wel de Twaalf tegenover "velen van zijn leerlingen" die Hem de rug toe
keerden en niet langer met Hem mee trokken (zie 6,66). Simon Petrus treedt op
als de woordvoerder van de Twaalf en verzekert Jezus dat zij Hem niet zullen
verlaten. Jezus beklemtoont dan in een retorische vraag dat hij de Twaalf zelf
gekozen heeft (6,70). Johannes gebruikt hier hetzelfde werkwoord als Lc 6,13,
maar het blijft in het midden of het al dan niet over een selectie van de
Twaalf uit een grotere groep leerlingen gaat.
In 6,70 en 13,18 wordt Jezus keuze van de Twaalf
benadrukt ter verklaring van hoe Judas, de verrader, bij de kring van de Twaalf
terechtkwam. In 15,16 spreekt de johanneïsche Jezus in een antithese: "Ik
heb jullie gekozen, niet jullie mij". In 15,19 zegt hij: "Ik heb jullie uit de
wereld uitgekozen". In vergelijking met Lucas krijgt de keuze van de Twaalf
door Jezus in het vierde evangelie veel meer aandacht. Maar de nadruk ligt op
de vrije, onvoorwaardelijke keuze, niet op speciale voorrechten in vergelijking
met de andere leerlingen.
Het vierde evangelie kent geen pre-paschale zending van
de Twaalf. De post-paschale zending wordt niet uitdrukkelijk tot de Twaalf
beperkt. Dit wordt duidelijk in Joh 20,19-23 waar het "de leerlingen" zijn die
door Jezus gezonden worden. Traditioneel heeft men deze "leerlingen"
vereenzelvigd met de Twaalf zonder Thomas en Judas. Maar het lijkt ons
onwaarschijnlijk dat "de Twaalf" in 20,24 en "de andere leerlingen" in 20,25 in
die zin met elkaar te verbinden zijn dat met "de leerlingen" in 20,19-23.25 de
Twaalf zonder Thomas en Judas bedoeld zouden zijn. "Twaalf" lijkt in 20,24 niet
een actuele groep van mensen te beschrijven maar iets uit het verleden. Dit
blijkt vooral uit het feit dat het getal twaalf na het vertrek van
Judas niet is aangepast. Met betrekking tot de post-paschale zending wordt ook
nergens uitdrukkelijk van een apostelambt gesproken. De gezondenen zijn
"leerlingen" zoals iedereen die in Jezus gelooft en vasthoudt aan zijn woord
(vgl. 8,31).
Bij Paulus staan de zaken er nog anders voor. In zijn
opvatting is ieder die de verrezen Christus gezien heeft én van hem een
zending heeft ontvangen een apostel. Niet alle leerlingen die de verrezen
Christus ontmoetten, ontvingen ook een zending (vgl. b.v. de 500 broeders in 1
Kor 15,6). Vanuit de traditie vermeldt Paulus de Twaalf alleen in 1 Kor 15,5 in
verband met een verschijning van Christus aan de Twaalf. In 15,7 spreekt hij
van de apostelen. De Elf komen nergens ter sprake. Over een post-paschale
zending van de Twaalf of van de apostelen wordt niet expliciet gesproken,
hoewel Paulus een dergelijke zending lijkt te veronderstellen. Het is opvallend
dat de Elf/Twaalf bij Paulus nauwelijks een rol spelen.<15>
Bovendien maakt hij een onderscheid tussen de Twaalf en de apostelen (zie 1 Kor
15,5.7). Paulus blijft echter vaag over hun identiteit en geeft geen
namenlijsten.
Paulus verdedigt zijn apostelschap: door de ontmoeting
met de verrezen Christus en door een specifieke zending werd hij zonder
tot de Twaalf te behoren tot apostel geroepen. Hij is de post-paschale
apostel over wie we het meest weten. Hij behoorde noch tot de meest intieme
kring van leerlingen rond de aardse Jezus, noch tot de groep mensen die de
verrezen Christus in de tijd onmiddellijk na zijn kruisdood ontmoet hebben.
Niettemin maakt hij er aanspraak op in de volle zin van het woord apostel te
zijn. De traditie noemt Paulus en Petrus "vorsten van de apostelen".
Samengevat leert een kritische lezing van de
betreffende schriftteksten ons dat Jezus tijdens zijn aardse leven aan de
Twaalf een zending gaf die in tijd en ruimte beperkt bleef. Tijdens de
verrijzenisverschijningen gaf Jezus aan de Twaalf, en volgens Paulus en
Johannes ook aan anderen, een universele<16> zending tot de
uiteinden der aarde die hen heel hun leven tot aan de dood zou opeisen. Deze
universele zending brengt een apostelambt met zich mee.
In de vóór-paulinische zowel als de
paulinische kerken wordt de titel "apostel" naast die van "profeet" en "leraar"
gebruikt om een specifieke dienst in de gemeente aan te duiden. Het is
onwaarschijnlijk dat deze apostelen bij de verrijzenisverschijningen aanwezig
waren en door Christus zelf gezonden werden. Ze lijken veeleer gezonden door de
gemeenten. Ook Paulus zelf was geen lid van de groep van de Twaalf en was niet
aanwezig bij de verrijzenisverschijningen. Maar hij stelt dat hij de verrezen
Christus heeft gezien en door hem een zending als apostel heeft ontvangen. Hij
maakt aanspraak op een apostelambt dat evenwaardig is aan het ambt van de
andere apostelen.
Uit de brieven van Paulus blijkt dat de aandacht voor
de Twaalf snel afnam.<17> Centraal stonden veeleer de apostelen
(of zij nu tot de Twaalf behoorden of niet), de door de verrezen Christus
gezonden missionarissen die het geloof uitdroegen tot aan de uiteinden der
aarde. In de evangelies vinden we sporen van deze post-paschale realiteit die
echter wordt voorgesteld als reeds een realiteit ten tijde van Jezus
aardse leven. Een dergelijk terugprojecteren van het post-paschale apostelambt
in het aardse leven van Jezus nam pas een aanvang na de compositie van het
Marcusevangelie. Ze is reeds enigszins te bespeuren in het
Matteüsevangelie, maar komt ten volle tot uiting in Lucas en Handelingen
traditie waar de apostelen zonder meer met de Elf/Twaalf geïdentificeerd
worden.<18> Slechts op twee plaatsen weerspiegelt de tekst van
Lucas nog de vóór-Lucaanse situatie. Handelingen 14,14 noemt
Barnabas en Paulus apostelen (zie ook 14,4) hoewel zij niet tot de Twaalf
behoren. Lc 11,49 spreekt van "apostelen" (parallel met "profeten") als dienst
in de tweede en derde generatie van christenen, zonder enig verband met de
Twaalf. Dit is ook het geval in 1 Kor 12,28.29; Ef 2,20; 3,5; 4,11 en Opb
18,20. De grote aandacht voor de Twaalf en Lucas projectie van het
post-paschale apostelambt naar de pre-paschale groep van de Twaalf zijn
ongetwijfeld het resultaat van theologische constructies uit de tweede helft
van de eerste eeuw.
Tegen de geschetste achtergrond valt op dat
Ordinatio sacerdotalis de complexe realiteit van het apostel-zijn in het
Nieuwe Testament herleidt tot de positie van Lucas. De argumentatie van de
apostolische brief laat geen ruimte voor de paulinische visie op apostelschap.
Het is dan ook niet verwonderlijk dat Ordinatio sacerdotalis op
één uitzondering na -- niet
verwijst naar de onbetwiste brieven van Paulus.<19> Bovendien kan
de apostolische brief enkel steunen op de pre-paschale zending van de Twaalf
(die twaalf mannen waren wat blijkt uit de namenlijsten) om haar standpunt
inzake de uitsluiting van vrouwen uit het apostel-zijn hard te maken. Het is
waar dat de teksten die een universele missionaire zending beschrijven, zoals
Mt 28,16-20 en Hand 1,8, slechts de Elf en dus alleen mannen
vermelden.<20> Bijgevolg is het onmogelijk om op basis van deze
teksten positief aan te tonen dat, naast de Elf en Paulus, ook vrouwen van de
verrezen Christus een universele post-paschale zending hebben ontvangen.
Anderzijds is het echter onmogelijk te bewijzen dat Christus na zijn
verrijzenis alleen mannen naar alle volkeren zond (zie Mt 28,19 en Hand 1,8).
Het feit dat vrouwen bij Matteüs (28,10) en Johannes
(20:17-18)<21> als eersten de Verrezene zagen en een
weliswaar beperkte opdracht van hem ontvingen, laat vermoeden dat
vrouwen niet principieel uitgesloten waren van een post-paschale apostolische
zending.
2. Het man-zijn van de Twaalf
De lijsten van de Twaalf bevatten alleen namen van
mannen. Ordinatio sacerdotalis besluit hieruit dat deze mannen als
mannen tot apostel gekozen werden. Volgens Ordinatio sacerdotalis is hun
man-zijn constitutief voor hun apostel-zijn en handelde Jezus bij zijn keuze
volgens het eeuwige plan en de wijsheid Gods. Het Nieuwe Testament doet hier
nergens uitspraak over. De schriftteksten vermelden namen van mannen, meer
niet. Geen enkele tekst zegt dat de apostelen mannen moesten zijn of verklaart
waarom de apostelen mannen waren. In wat volgt zal ik eerst de impliciete
argumentatie van Ordinatio sacerdotalis kritisch analyseren, om
vervolgens een aantal overwegingen te formuleren.
De apostolische brief geeft twee onrechtstreekse
argumenten om haar positie te staven: a) Verwijsend naar Joh 15,16 en Mc 3,13
benadrukt de brief dat Jezus gekozen heeft "wie Hij wilde". Ordinatio
sacerdotalis wil hiermee blijkbaar aantonen dat Jezus doelbewust mannen
en geen vrouwen heeft gekozen. b) De roeping van de Twaalf
gebeurde nadat Jezus de nacht in gebed had doorgebracht (vgl. Lc 6,12). Daaruit
besluit de apostolische brief dat Jezus bij het uitkiezen van mannen in eenheid
met de Vader handelde, door de heilige Geest (vgl. Hand 1,2).
Een aandachtige lezing van de schriftteksten in kwestie
maakt snel duidelijk dat deze argumenten moeilijk met de teksten te rijmen
zijn. Noch in Mc 3,13, noch in Joh 15,16, noch elders in het Nieuwe Testament
wordt gezegd dat Jezus keuze bepaald werd door het geslacht van de
leerlingen. Volgens Lc 6,13 (en Joh 6,70) koos (eklegomai) Jezus de
Twaalf uit de grotere groep van leerlingen. Bestond deze grotere groep volgens
Lucas (en Johannes) alleen uit mannen, of maakten ook vrouwen er deel van uit?
Alleen in geval vrouwen tot de grotere groep leerlingen behoorden, kan het
geslacht als selectiecriterium een rol gespeeld hebben. Maar zelfs als er
vrouwen in de groep aanwezig waren, duidt er niets op dat zij omwille van hun
vrouw-zijn niet gekozen werden. Jezus koos "wie hij wilde" (Mc 3,13): welk
selectiecriterium impliceert dit "willen"? In de Bijbel vindt uitverkiezing
plaats op basis van Gods onvoorwaardelijke liefde en niet op basis van bepaalde
eigenschappen of menselijke criteria (vgl. de roeping van Mozes, Myriam, David,
Judith of Paulus).<22> Het is daarom zeer onwaarschijnlijk dat
Jezus keuze bepaald werd door het geslacht van zijn leerlingen. De
antitheses in Joh 6,70; 13,18; 15,16.19 plaatsen de leerlingen van Jezus niet
tegenover vrouwen. De vierde evangelist beklemtoont dat Jezus de Twaalf bewust
gekozen heeft, ook al wist hij dat één van hen hem zou verraden
(6,70; 13,18). In 15,16 onderstreept Jezus het feit dat hij de leerlingen heeft
uitgekozen en niet omgekeerd. Uit 15,19 blijkt dat de Twaalf gekozen zijn uit
"de wereld". De Twaalf staan dus in het Johannesevangelie niet als mannen
tegenover vrouwen, maar ze behoren tot Jezus en God en als dusdanig staan ze
tegenover de ongelovige wereld.
Lucas is de enige evangelist die vermeldt dat Jezus
vóór de keuze van de Twaalf de nacht doorbracht in gebed tot God
(Lc 6,12). Ordinatio sacerdotalis legt hierop de nadruk, blijkbaar om
goddelijke autoriteit te verlenen aan de keuze van twaalf mannen. Dit argument
heeft echter alleen zin als men ervan uitgaat dat Jezus de Twaalf koos omdat ze
mannen waren.
Als men eenmaal het argument van het geslacht terzijde
laat, wordt een aantal andere verklaringen denkbaar voor het feit dat er enkel
mannen voorkomen in de lijsten van de Twaalf. Jezus had misschien niet de
mogelijkheid om vrouwen te kiezen, b.v. omdat er alleen een groep van mannen
aanwezig was. Of vormden de vrouwen een minderheid in de groep zodat het puur
toeval was dat er zelfs niet één vrouw verkozen werd? Het is
mogelijk dat er voor de betreffende taak toevallig alleen mannen de nodige,
weliswaar niet sexe-afhankelijke eigenschappen of competentie bezaten.
Daartegenover staat echter dat uitverkiezing in de Bijbel gebeurt op grond van
Gods onvoorwaardelijke liefde, en niet op basis van menselijke eigenschappen of
competenties.
Vanuit deze overwegingen rijst de vraag waarom Jezus
een kleinere kring binnen de groep van zijn leerlingen heeft geselecteerd.
Wilde Jezus aan de uitgekozenen een ambt toevertrouwen dat niet door anderen
uitgeoefend kan worden? Of was het de bedoeling dat zij anderen zouden laten
delen in de zending die zij hadden ontvangen? Zijn zij plaatsvervangers of
vertegenwoordigers van de anderen bij Jezus? In het Lucasevangelie lijken de
apostelen een unieke zending tot het volk Israël te hebben. Naarmate de
hoop slinkt dat Israël het geloof in Christus zal aanvaarden, verdwijnen
ook de Twaalf. Dit zou kunnen verklaren waarom de Twaalf (als apostelen) in het
eerste deel van Handelingen een belangrijkere plaats hebben dan in het tweede
deel en waarom ze bij Paulus een ondergeschikte rol spelen.
Natuurlijk bestaat ook puur logisch gezien
de mogelijkheid dat de Twaalf inderdaad bewust als mannen werden
gekozen, en dat vrouwen niet toevallig werden uitgesloten. Van welke aard is
dan het fundamentele verschil tussen man en vrouw? Gaat het om een biologisch,
een sociologisch-cultureel of een theologisch verschil? Ordinatio
sacerdotalis spreekt zich hierover niet uit. De reden waarom alleen mannen
bij de Twaalf konden behoren, is volgens de apostolische brief een voor mensen
ondoorgrondelijk aspect van het eeuwige plan en de wijsheid Gods. Maar
veronderstelt de brief impliciet niet toch in het eeuwige plan Gods een
bepaalde reden om vrouwen uit te sluiten uit het priesterschap? Welke kan deze
reden zijn? In wat volgt gaan wij de verschillende mogelijke opties na.
Het biologische verschil
Wie beweert dat Jezus de Twaalf bewust omwille van hun
man-zijn heeft uitgekozen en daarmee het biologisch verschil tussen man en
vrouw op het oog heeft, moet nader bepalen welk aspect van het biologisch
verschil (zoals het toen gepercipieerd werd) bedoeld is. Moesten de Twaalf
mannen zijn omdat mannen doorgaans meer fysieke kracht bezitten of omdat ze
geen kinderen kunnen baren? Niemand zou vandaag dergelijke argumenten inroepen.
In de discussie worden vaak twee andere redeneringen vermeld die met het
biologische verschil te maken hebben. In Ordinatio sacerdotalis zijn ze
echter afwezig:<23>
a) De Twaalf moesten mannen zijn omdat ze de twaalf
zonen van Jacob en dus de twaalf stammen van Israël
vertegenwoordigen (Mt 19,28; Lc 22,30).
b) De Twaalf moesten mannen zijn omdat ze de man
Christus moesten vertegenwoordigen en zijn werk moesten
voortzetten.
In beide gevallen is het evident dat het om veel meer
gaat dan om het biologische verschil. Het man-zijn van de twaalf zonen van
Jacob en van Christus kan in de discussie pas een rol spelen zodra dit
biologische feit een bepaalde sociologisch-culturele of theologische betekenis
krijgt.
Het sociologisch-cultureel verschil
Het onderscheid tussen man en vrouw is niet alleen een
kwestie van biologie. Binnen de cultuur van elke samenleving krijgt het
biologisch verschil een veel bredere betekenis. Zo wordt b.v. menstruatie
volgens sommige auteurs in het jodendom gezien als de oorzaak van onreinheid,
waaraan ze een groot aantal voorschriften en verwachtingen koppelen die het
leven van een vrouw grondig meebepalen. Ook de toenmalige visie op
voortplanting waarbij aan de man een leidersrol en aan de vrouw een dienende
functie werd toegekend, heeft verregaande implicaties voor alle domeinen van
het menselijk leven. Bestaande culturele verschillen worden vaak gefundeerd op
al dan niet bestaande biologische verschillen.
Indien Jezus bij de keuze van twaalf mannen uit
sociologisch-culturele overwegingen handelde, moeten we ons afvragen of deze
verschillen tijd- en plaatsgebonden zijn, dan wel, omwille van het eeuwige plan
Gods, eeuwig en onveranderlijk. De tweede mogelijkheid wordt in het volgende
deel onder "Het theologisch verschil" besproken. De eerste mogelijkheid gaat
ervan uit dat culturen onderling verschillen en dat eenzelfde cultuur na
verloop van tijd veranderingen ondergaat. Deze verschillen en veranderingen
worden als legitiem en in het licht van bepaalde ethische imperatieven zelfs
als noodzakelijk beschouwd. Jezus kan bij de keuze van de Twaalf de volgende
cultuurgebonden overwegingen voor ogen hebben gehad:
a) De Twaalf moesten mannen zijn omdat ze een
leidersrol moesten bekleden. In een patriarchale maatschappij worden publiek
leiderschap en gezag alleen aan mannen toevertrouwd.
b) De Twaalf moesten mannen zijn omdat ze moesten
getuigen van Jezus en zijn boodschap. In een patriarchale maatschappij wordt in
het publiek alleen het getuigenis van mannen aanvaard.
c) De Twaalf moesten mannen zijn omdat ze de boodschap
van Jezus tot aan de uiteinden van de aarde moesten uitdragen. In een
patriarchale maatschappij mogen vrouwen niet alleen op reis
gaan.
Het is evident dat Jezus onder andere omstandigheden
anders zou gehandeld hebben. Ordinatio sacerdotalis verzet zich tegen de
optie dat Jezus uit socio-cultureel bepaalde overwegingen gehandeld zou hebben.
Bij zijn keuze van twaalf mannen handelde Jezus volgens de apostolische brief
vrij en soeverein "zonder zich te conformeren aan de heersende
gewoonte".<24> Ook al had Christus vrouwen willen uitkiezen, de
toen heersende gewoonten en tradities zouden hem dit niet belet hebben wat
volgens Ordinatio sacerdotalis blijkt uit het feit dat hij in zijn
omgang met vrouwen anders vrij en soeverein optrad.
Het theologisch verschil
Volgens Ordinatio sacerdotalis zijn de
beweegredenen voor Jezus keuze te vinden in het eeuwige plan Gods, hoewel
de apostolische brief dit concept niet nader verklaart. De brief gaat er
duidelijk van uit dat niet alleen het man-zijn van de Twaalf tot Gods plan
behoort, maar ook wat in het algemeen de eigenlijke roeping van man en vrouw
is. Jezus kon alleen mannen voor het ambt van de Twaalf kiezen omdat het
eeuwige plan van God betreffende man en vrouw dit vereist. Tot de Twaalf
behoren of zelfs apostel zijn, is volgens deze visie in strijd met Gods plan
voor de vrouw. Er wordt blijkbaar een theologisch verschil verondersteld tussen
man en vrouw dat eeuwig en universeel is, dat in alle culturen gelijk is en in
geen enkele cultuur ooit verandert. Wanneer culturen hun perceptie van
vrouw-zijn op dit punt wijzigen, komen zij in conflict met Gods plan.
In Ordinatio sacerdotalis wordt inhoudelijk
echter niets gezegd over het theologisch verschil tussen man- en vrouw-zijn,
noch over de reden waarom dit meespeelt om tot de Twaalf te kunnen behoren. In
de apostolische brief vindt een reductio in mysterium plaats die geen
verdere discussie toelaat. Naar mijn aanvoelen gaat de brief de facto
uit van de impliciete vooronderstelling dat alleen mannen "op een bijzondere
manier ten nauwste verbonden [kunnen zijn] met de zending van het vleesgeworden
Woord".<25> Zonder dit positief te stellen, lijken deze woorden
aan Jezus man-zijn een theologische betekenis toe te kennen het
Woord werd vlees in een man <26> en vandaar ook aan het
man-zijn in het algemeen.<27> Wat zou het in het eeuwige plan van
God besloten theologisch verschil tussen man en vrouw anders kunnen zijn?
Wat de drie verschillen betreft besluiten wij: zelfs
als men veronderstelt dat Jezus bewust voor mannen als mannen gekozen zou
hebben, rijst de vraag of deze keuze biologisch, sociologisch-cultureel of
theologisch gemotiveerd was. Ordinatio sacerdotalis opteert zonder
twijfel voor een theologisch gefundeerd verschil tussen man en vrouw en
beschouwt dit als statisch en onveranderlijk: het is eeuwig en het beantwoordt
aan de intentie van God. Aan dit onderscheid raken is rechtstreeks ingaan tegen
de diepste bedoelingen van God voor de wereld en de mensen. Op deze manier
wordt het uitsluiten van vrouwen van het priesterschap een christologisch en
zelfs een trinitarisch vraagstuk. Een exegetische verantwoording wordt voor
deze visie niet gegeven en is in het Nieuwe Testament nauwelijks te vinden.
Tot besluit
In deze studie was het onze bedoeling de twee
fundamentele argumenten van de exegetische redenering van Ordinatio
sacerdotalis kritisch te evalueren. Het eerste argument luidt dat Jezus
"zijn apostelen alleen uit mannen koos".<28> Volgens ons
exegetisch onderzoek is het onmogelijk aan de hand van het NT te bewijzen dat
het historisch zeker is dat Jezus zijn apostelen alleen uit mannen koos. Het
enige wat historisch vaststaat is dat tot de groep van de Twaalf enkel mannen
behoorden. Hoewel het historisch evenmin te bewijzen is dat Jezus vrouwen als
apostel heeft gezonden, lijkt dit op basis van Mt 28,10 en vooral Joh 20,17-18
niet onwaarschijnlijk. Ook de vanzelfsprekendheid waarmee vrouwen in de
paulinische gemeenten belangrijke diensten uitoefenden (b.v. de diakonos
Febe in Rom 16,1-2), lijkt in die richting te wijzen. Het feit dat alleen
mannen deel uitmaken van de groep van de Twaalf is voor de vraag van de
toelating tot de wijding minder belangrijk omdat het exegetisch buiten twijfel
staat dat hun pre-paschale zending in tijd en ruimte beperkt was en ze hun
post-paschale zending met tal van andere gezondenen deelden.
Het tweede argument in de redenering van Ordinatio
sacerdotalis luidt dat Jezus "de twaalf apostelen" als mannen heeft gekozen
en dat het feit dat ze van mannelijk geslacht waren constitutief was voor die
keuze. In dit verband zijn we nagegaan welke Jezus beweegreden zouden
kunnen geweest zijn om de groep van de Twaalf of zelfs de groep van de
apostelen tot mannen te beperken. We hebben vastgesteld dat de apostolische
brief socio-culturele argumenten verwerpt en een onuitgesproken theologische
redenering veronderstelt. Volgens deze redenering zijn alleen mannen in staat
"op een bijzondere manier ten nauwste" verbonden te zijn met de zending van de
man Jezus. Impliciet gaat men er hier, mijns inziens, vanuit dat Jezus volgens
het eeuwige plan van God alleen als man kon geïncarneerd worden en dat
enkel mannen zijn zending kunnen voortzetten. God, en niet de patriarchale
structuren, heeft het zo geschikt dat enkel een man het heilswerk kan
realiseren en dat alleen mannen ten nauwste bij deze zending betrokken zouden
zijn geweest. Ons onderzoek heeft echter uitgewezen dat het onmogelijk is aan
de hand van de in de brief aangehaalde teksten te bewijzen dat het mannelijk
geslacht van de gekozenen constitutief is voor hun zending. Evenmin is het
mogelijk de impliciete theologische redenering van Ordinatio
sacerdotalis betreffende het constitutieve belang van Jezus mannelijk
geslacht voor zijn heilswerk vanuit de Schrift te bewijzen.
We zijn voor deze studie uitgegaan van het
hermeneutische a priori dat aan de grondslag ligt van Ordinatio
sacerdotalis. Dit principe zegt dat een gegeven betreffende het handelen
van de aardse Jezus dat op basis van historisch-kritisch onderzoek kan
vastgesteld worden theologisch bindend is voor alle tijden. Het resultaat van
ons onderzoek is dat de apostolische brief feiten reconstrueert die als
dusdanig historisch-kritisch niet bewijsbaar zijn. De in de brief
veronderstelde hermeneutiek die in kerkelijke documenten volstrekt nieuw is,
zou eveneens aan een grondige kritische evaluatie moeten worden onderworpen.
Maar dat zou een andere studie vergen.
Voetnoten
1.'Ordinatio sacerdotalis', in Kerkelijke Documentatie 22 (1994)
269-271, p. 269. Ik dank Bianca Lataire voor haar hulp wat betreft taal en
stijl van dit artikel.
2. PAULUS VI, Antwoord op de brief van zijne hoogwaardige excellentie,
de zeereerwaarde dr F. D. Cogan, aartsbisschop van Canterbury, aangaande het
priesterschap van vrouwen, 30 november 1975, in Archief van de Kerken 31
(1976) 935-936, kol. 935(= Engels origineel in AAS 68 (1976) 599-600, p. 599).
Ordinatio sacerdotalis § 2 verwijst ook uitdrukkelijk naar Inter
insigniores, 15 oktober 1976, in AAS69 (1977) 98-116, en Mulieris
dignitatem, 15 augustus 1988, in AAS 80 (1988) 1653-1729.
3. Ordinatio sacerdotalis, p. 270.
4. Ibid..
5. Ibid.
6. Ibid.
7. Ibid.
8. Dit is onze eigen vertaling. Tenzij anders vermeld, gebruiken we in
wat volgt voor de schriftcitaten de Willibrordvertaling van 1995.
9. De betrekkelijke bijzin: "die Hij ook apostelen noemde" die in de
Willibrordvertaling (1995) in Mc 3,14 staat, is tekstkritisch onzeker. Zoals
vele auteurs neem ik aan dat het hier gaat om een secundaire harmonisatie met
de identieke zin in Lc 6,13. Vgl. de voetnoot bij 3,14 in de
Willibrordvertaling: "... wordt in de meeste, latere handschriften en enkele
oude vertalingen weggelaten onder invloed van de parallelle tekst in Mt 10,1.
Een andere, minstens zo waarschijnlijke opvatting schrijft de toevoeging van
deze woorden in de overige handschriften en oude vertalingen van Mc 3,14 toe
aan de invloed van de parallel in Lc 6,13".
10. Vgl. de voetnoot bij Mt 10,2 in de Willibrordvertaling (1995): "In
de evangeliën worden leerlingen van Jezus een enkele keer apostelen
genoemd: uitgezondenen".
11. De facto vinden we bij Matteüs geen eigenlijk roepingsverhaal
van de Twaalf. Proskaleo betekent in 10,2, evenals in 15,32, 'erbij roepen'.
Zie ook voetnoot 22.
12. K.H. RENGSTORF, Art. apostolos, in TWNT l (1933) 406-448, p. 429.
13. Dit vers maakt deel uit van het "langere Marcusslot" dat
tekstkritisch gezien minder kans maakt om oorspronkelijk te zijn.
14. De verleden tijd (aorist) van het werkwoord in 17,18 weerspiegelt
een post-paschaal perspectief en heeft betrekking op de zending in 20,21. Ook
13,20 alludeert op de post-paschale zending.
15. Paulus vermeldt slechts twee namen uit de lijst van de Twaalf, nl.
Petrus/Kefas en Johannes (Gal 2,9).
16. Op grond van Mt 19,28 en Lk 22,30 gaat men er vaak van uit dat ook
de post-paschale zending van de Twaalf tot Jeruzalem beperkt was. Vgl. R.E.
BROWN, 'The Twelve and the Apostolate', in New Jerome Biblical
Commentary, Enlgewood Cliffs, 1990, 1377-1381, p. 1381: "The Twelve
functioned as apostles or those "sent" by Jesus ... by proclaiming him in
Jerusalem. ... Whether the Twelve did undertake a traveling apostolate is not
clear from the NT, although after the first two decades (ca. AD 50) some
probably did scatter from Jerusalem. Only Peter is specifically pictured as
ministering outside Palestine".
17. Vgl. J. GNILKA, Das Matthausevangelium, deel I,
Freiburg-Basel-Wien, 1986, p. 356: "Offenkundig geraten einzelne Mitglieder des
Zwölferkreises bald in Vergessenheit". De vier lijsten van namen (Mt
10,2-4; Mc 3,16-19; Lc 6,14-16 en Hand 1,13) zijn het oneens over de identiteit
van één van de Twaalf. BROWN, The Twelve and the
Apostolate, 1379, merkt in dit verband op: "by the time the Gospels were
written the historical memory of who among the disciples of Jesus belonged to
the Twelve was already hazy". Brown merkt verder op: "Whether through death or
missionary travels afar, most of the individual members of the Twelve had faded
from the known Christian scène by AD 60 and were seemingly but names in
lists. Only the memories of Peter and John drew attention in the NT works of
the last third of the century" (p. 1381). Vier van de Twaalf (Bartolomeüs,
Jakobus van Alfeüs, Thaddeüs en Simon Kananeüs) worden in het NT
slechts in de namenlijsten zelf vermeid. Paulus verwijst slechts naar Petrus en
Johannes (vgl. Gal 2,9). Het is bijna zeker dat Paulus met Jakobus in Gal 2,9
niet de zoon van Zebedeüs bedoelde, omdat in de context sprake is van
Jakobus, de broer van de Heer (vgl. 1,19).
18. H. SCHÜRMANN, Das Lukasevangelium, deel I,
Freiburg-Basel-Wien, 1984, p. 314-315: "Deutlich ist fur Luk der Kreis der
Apostel Jesu identisch mit dem der Zwölf (vgl. z. B. Lk 8,1; 9,1.12 mit
9,10). Darm bezeugt sich ein spaterer kirchlicher Sprachgebrauch. Bei Paulus
ist das durchaus noch nicht so; fur ihn deckt sich der Apostelkreis nicht mit
dem der Zwölf. Ihnen wird im neutestamentlichen Zeitalter auch sonst nur
erst sehr zaghaft der Aposteltitel gegeben. solange dieser noch so stark
Funktionsbegriff mit weitem Anwendungsbereich war".
19. De enige verwijzing naar een onbetwiste Paulusbrief is naar l Kor
12-13 in een allusie op de liefde als "het betere charisma".
20. Het kan niet worden uitgesloten dat Paulus in Rom 16,7 naar een
vrouw (Junia) als apostel verwijst. Maar hier ontmoeten we een aantal moeilijke
exegetische problemen die het onmogelijk maken hierop een argumentatie te
bouwen. Vgl. b.v. J. THORLEY, Junia, A Woman Apostle, in Novum
Testamentum 38 (1996) 18-29.
21. Vgl. S. SCHNEIDERS, 'Because of the Woman's Testimony ...':
Reexamining the Issue of Authorship in the Fourth Gospel', in NTS 44
(1998) 513-535, p. 518: "In short, not only are an extraordinary number of
John's main characters women, but these women are assigned the very
community-founding roles and functions, namely christological confession,
missionary witness, and paschal proclamation, that are assigned to Peter and
the Twelve in the Synoptics whereas the Twelve do not have these roles and
functions in John".
22. Blijkbaar is dit ook de betekenis van "Hij .. riep bij zich wie Hij
wilde" in Mc 3,13. In Mt 10,1 is er evenmin sprake van een selectie. Door te
zeggen dat Jezus zijn twaalf leerlingen bij zich roept, geeft hij de indruk dat
de Twaalf al uitgekozen zijn. Deze keuze wordt door Matteüs echter nergens
vermeld.
23. De beide argumenten zijn wel aanwezig in Inter insigniores,
in AAS 69 (1977) 98-116, p. 103, noot 10, en pp. 108-113.
24. 'Ordinatio sacerdotalis', p. 270 citeert hier Mulieris
dignitatem, 26.
25. 'Ordinatio sacerdotalis' (zie noot l, p. 270. In de brief is
de uitdrukking "de twaalf apostelen" (niet "mannen") het onderwerp van de zin.
Maar in de context staat buiten twijfel dat het man-zijn van de twaalf
apostelen bedoeld is.
26. Doorbreekt het gebruik van de term "vlees" in Joh 1,14 niet juist
een dergelijke op de man geconcentreerde visie?
27. Een sacramententheologische versie van dit theologisch argument
wordt door Inter insigniores uitdrukkelijk ontwikkeld. De priester zou
een man moeten zijn om de man Jezus sacramenteel te kunnen vertegenwoordigen.
Het ontbreken van een dergelijk argument in Ordinatio sacerdotalis is
verrassend. Maar misschien wordt het impliciet door de argumentatie weliswaar
in een andere gestalte toch verondersteld.
28. 'Ordinatio sacerdotalis', p. 269.
Klik
hier als U onze campagne voor de wijding van vrouwen aktief wilt
steunen..

![]() |
In dit boek gaat Hans Wijngaards in op belangrijke historische bronnen, vanaf het begin van het christendom tot het jaar 900. Hij bewijst op overtuigende wijze dat vrouwen de rol van diaken op zich namen en hiertoe ook gewijd werden. Met zijn historische studie levert Wijngaards een belangrijke bijdrage aan het actuele debat over de wijding van vrouwen tot diaken. Klik hier! |