OOK VROUWEN PRIESTER? JAZEKER!header

Responsive image

BEGIN

REDEN GENOEG

TEGEN DE PAUS?

DEBAT

MENU

Nederlands/Vlaams Deutsch Francais English language Spanish language Portuguese language Catalan Chinese Czech Malayalam Finnish Igbo
Japanese Korean Romanian Malay language Norwegian Swedish Polish Swahili Chichewa Tagalog Urdu
------------------------------------------------------------------------------------
Jezus' eigen geestelijke groei

Jezus’ eigen geestelijke groei

Regels voor de correcte interpretatie van de H. Schrift
* De ‘letterlijke’ betekenis
* Literaire vormen
* Het beoogde doel
*Rationaliseringen

Een meditatie

Wellicht denken wij dat Jezus zelf niet het proces hoefde te ondergaan van geestelijke verdieping. Dat zou niet juist zijn. Allerlei kleine dingen die wij kunnen opmaken uit het evangelie, en ook de uitdrukkelijke mededeling dat Jezus een wijs en volwassen man werd, spreken dat tegen (Lc 2, 52). Aangezien hij werkelijk mens was in elke betekenis van het woord, moest Jezus nadenken, nieuwe ervaringen opslaan in zijn zelfbeeld, zijn idealen versterken en zijn hart en geest voeden met nieuwe beelden. Jezus was de meest levendige, open, gevoelige, spitse, weetgierige religieuze leider die ooit geleefd heeft. Als zijn mensheid zoals wij geloven “het evenbeeld was van Gods eigen wezen” (Heb 1,3), was zij ook een afstraling van Gods onstuitbare levendigheid. Tegelijkertijd moest Jezus, omdat hij een van ons was, ook leren – “Hoewel Hij Gods Zoon was, heeft Hij in de school van het lijden gehoorzaamheid geleerd” (Heb 5,8). En juist die noodzaak tot lijden was een zeer onthutsende ontdekking die Jezus heeft gedaan.

Kwellende voorgevoelens

Omdat de evangeliën de gebeurtenissen eerder systematisch vertellen dan chronologisch, is het moeilijk de precieze volgorde na te gaan van de zaken die tot die ontdekking geleid hebben. Mogelijk begon het toen hij in aanvaring kwam met de schriftgeleerden en Farizeeën. Jezus weigerde hun uitleg van de sabbatrust te accepteren. Hij genas mensen op de sabbat. Toen hij een man genas die gedeeltelijk verlamd was, “werden zij razend en spraken er met elkaar over wat ze met Jezus zouden doen” (Lc 6, 11). De wet schreef de doodstraf voor als iemand de sabbat overtrad, dus ze overwogen hem te doden. Het besef van deze dreiging werd nog reëler voor Jezus, toen het bericht hem bereikte dat Johannes de Doper gedood was. Hij trok zich terug op een eenzame plaats om te mediteren en te bidden. En daar, in de tegenwoordigheid van zijn Vader, moet de conclusie onontkoombaar geworden zijn: Als ik mijn dienstwerk op deze manier voortzet, zullen ze mij zeker doden.

“Ik zeg jullie: Elia is al gekomen, en ze hebben hem niet herkend; ze hebben met hem gedaan wat ze wilden. Zo zal ook de Mensenzoon door hun toedoen moeten lijden” (Mt 17, 12).

Wij hebben nu makkelijk praten, maar voor Jezus moet dit besef een schok geweest zijn. De vijandigheid van de schriftgeleerden kwetste hem diep. Het vooruitzicht van pijn en vernedering maakte hem van streek. De dreiging van mogelijk falen was nog het ergste. Viel er niet aan te ontkomen? Waar wilde de Geest met hem heen? Hoe kon hij zijn zending trouw blijven? Hoe kon hij de vestiging van het koninkrijk veilig stellen, ongeacht wat hemzelf zou overkomen? Jezus had er behoefte aan zijn hele positie te heroverwegen, zijn motieven en idealen, zijn gedachten en gevoelens. Toen hij in gebed en innerlijke worsteling tenslotte zijn dreigende dood accepteerde, verdiepte hij in feite zijn geestelijk leven. Hij leerde; hij nam toe in wijsheid en welbehagen; hij werd meer en meer trouw aan zichzelf.

Een poging doen om Jezus’ geest te begrijpen is uiteraard niet gemakkelijk. We ontkomen er niet aan de gedachten en gevoelens die hem heen en weer slingerden teveel te versimpelen. Terwijl hij zich in Nazareth voorbereidde op zijn zending, moet hij ook de mogelijkheid van tegenwerking overwogen hebben.

Maar wanneer wij omwille van onze meditatie de zaken iets eenvoudiger voorstellen, mogen wij zeggen dat de integratie van het lijden in zijn denken voor Jezus een nieuwe belangrijke stap was in zijn innerlijk leven. Wat stelde hem in staat die stap te zetten? Uit welke bron haalde hij de beelden en gedachten die zijn zending voor hem in een nieuw licht plaatsten? Het antwoord is eenvoudig en helder: uit de Heilige Schrift. Of, in onze termen, uit het Oude Testament. Hier wordt onze analyse van Jezus’ voortschrijdende zelfkennis onmiddellijk duidelijk voor onze discussie.

De hymne van Gods lijdende dienaar (Jes 52, 13- 53, 12) vormde duidelijk het denken van Jezus. Maar andere Oudtestamentische teksten waren even interessant. De volgende gebeurtenis is verhelderend:

“Ongeveer een week na deze woorden (met betrekking tot zijn toekomstig lijden) nam Hij Petrus, Jakobus en Johannes mee en ging Hij de berg op om te bidden. Terwijl Hij aan het bidden was, veranderde Hij van uiterlijk en werden zijn kleren stralend wit. Plotseling waren er twee mannen met Hem in gesprek. Het waren Mozes en Ela, die in heerlijkheid verschenen en over zijn heengaan spraken, de voleinding van zijn leven in Jeruzalem” (Lc 9, 28-31).

Wat gebeurde er op die eenzame heuvel? Waarom verschenen Mozes en Elia?

Voorbeelden en medestanders

De Bijbelgeleerden zeggen ons dat Mozes en Elia vertegenwoordigers zijn van wet en profeten. Jezus zou die allebei vervullen. Aan dit soort commentaar ontbreekt echter het psychologisch aspect van het gebeuren. Jezus ging een hoge heuvel op om te bidden, zijn geest vol van de schok om zijn toekomstig lijden. Het besluit om trouw te blijven aan zijn zending ‘tot de dood toe’ nam al bezit van hem, maar hij moest meer inzicht krijgen en zijn besluit moest nog sterker worden. Daarom ging hij de berg op om te bidden en al biddend zocht hij naar voorbeelden uit het geïnspireerd verleden die hem zouden helpen en hem laten zien hoe hij de uitdaging kon beantwoorden. Hij dacht terug aan Mozes en Elia.

Jesus herinnerde zich hoe Mozes God had ontmoet in het brandende braambos, hoe hij gezonden was om Gods volk uit Egypte te leiden. In zijn geest hoorde hij Mozes protesteren: “Wie ben ik nou? Hoe kan ik nou gaan?” (Ex 3, 11). Hij herleefde de strijd van Mozes met de Farao, zijn problemen met het volk:

“Waarom laat u mij de last van heel dat volk dragen? Het lijkt wel of ik van heel dat volk zwanger ben geweest en het ter wereld heb gebracht, dat u mij zegt: ‘Draag het aan uw hart zoals een voedster een zuigeling draagt’ en dat u mij beveelt het naar het land te brengen dat u zijn vaderen onder ede beloofd hebt.” (Nu 11, 11-12).

Hij voelde de teleurstelling van Mozes toen het volk het gouden kalf oprichtte, en zijn ergernis, zijn verdriet en zijn boosheid. Maar daarna en daar doorheen, heeft hij de blijdschap van Mozes ervaren dat hij zo dicht bij de Vader mocht zijn. Hij zag heel duidelijk hoe Mozes, óók hoog op een berg, de tegenwoordigheid van God had ervaren.

“Ik zal in mijn goedheid aan u voorbijgaan en in uw bijzijn de naam Heer uitroepen. Want Ik schenk genade aan wie Ik wil en barmhartigheid aan wie Ik wil.... Wanneer mijn heerlijkheid voorbijgaat, zal Ik u in de rotsholte laten schuilen, en als Ik voorbijga zal Ik u met mijn hand beschermen. Als Ik dan mijn hand terugrek, kunt u Mij van achteren zien, want mijn gelaat kan niemand zien” (Ex 33, 19-23).

En Jezus wist dat het zijn nabijheid tot de Vader was die Mozes had gedragen tot aan het eind van zijn zending.

Dan dacht Jezus aan Elia. Hoe hij zijn eigen land had moeten ontvluchten tijdens de droogte. Hoe hij zich op de berg Karmel had gericht tot de profeten van Baal. Hoe Elia na zijn overwinning op hen weer had moeten vluchten. Hij zag hem daar in de woestijn liggen in de schaduw van een boom, en hoorde hem tot God zeggen: “Het wordt mij teveel, Heer, laat mij sterven!” (1 Kon 19, 4). Maar ook vond hij vertroosting in de ontmoeting van Elia met God. Daar, in de grot op de heilige berg van God, had Elia Gods tegenwoordigheid ervaren.

“Toen trok de Heer voorbij. Er ging een zeer zware storm voor de Heer uit die bergen deed splijten en rotsen verbrijzelde. Maar de Heer was niet in de storm. Op de storm volgde een aardbeving. Maar ook in de aardbeving was de Heer niet. Op de aardbeving volgde vuur. Maar ook in het vuur was de Heer niet. Op het vuur volgde het suizen van een zachte bries. Zodra Elia dit hoorde, bedekte hij zijn gezicht met zijn mantel, ging naar buiten en bleef staan bij de ingang van de grot” (Kon 19, 11-12).

Jezus wist dat het deze gebeurtenis was die Elia de kracht had gegeven door te zetten.

Ecstase en besluit

Jezus zelf raakte in ecstase. “Voor hun ogen veranderde Hij van gedaante. Zijn gezicht begon te stralen als de zon en zijn kleren werden wit als licht” (Mt 17, 2). Gods tegenwoordigheid omvatte hem zoals tevoren Mozes en Elia. En Jezus voelde de bevestiging die deze twee grote profeten hadden gevoeld. Hij hoorde de Vader zeggen: “Dit is mijn geliefde Zoon, in wie ik vreugde schep. Luister naar Hem!” (Mt 17, 5) Zo bevestigde de Vader hem als de nieuwe Mozes en als zijn Messiaanse dienstknecht, en gaf Jezus de leiding en de innerlijke steun die hij nodig had. Van nu af aan zou hij resoluut op weg gaan naar Jeruzalem om de uitdaging aan te gaan. Zijn ontmoeting met Mozes en Elia hielp hem daarbij.

Nu kunnen we als kinderen van onze tijd de vraag stellen: Heeft Jezus Mozes en Elia werkelijk in levende lijve gezien? Het is mogelijk. Het lijkt eveneens mogelijk dat Jezus een geestelijke ontmoeting met hen had. Het feit dat hij met Mozes en Elia sprak kan een heel intense persoonlijke confrontatie geweest zijn, zó intens dat het aanvoelde alsof ze daar lijflijk aanwezig waren. Jezus vertelde de drie apostelen over deze ervaring en in de latere traditie werd het verhaal getransformeerd alsof de twee profeten zichtbaar waren. Eenzelfde ontwikkeling treffen we aan in de verhalen over de bekoringen, die door Jezus werden verteld in de vorm van een bekende midrash en later in de evangeliën opgenomen als een verhaal van gebeurtenissen. Een dergelijke verklaring van Jezus’ ontmoeting met Mozes en Elia doet niets af aan de historiciteit van het verhaal van de gedaanteverandering. Of Jezus nu met hen sprak in een zichtbare of een geestelijke confrontatie, het resultaat was hetzelfde: hij werd getroost en gesterkt door hetgeen zij hadden meegemaakt. En, zoals Mozes vóór hem, werd Jezus zó vol van de nabijheid van de Vader dat hij nu met vertrouwen zijn dood kon accepteren. Petrus bevestigt dit laatste als de essentie van de ervaring die wij gedaanteverandering noemen.

“Wij waren erbij toen God de Vader hem eer en glorie schonk, toen de stem uit de hemel weerklonk: “Deze is mijn eigen beminde zoon, in wie Ik vreugde schep!” (2 Pe 1, 16-18).

De functie van het verleden

Deze ene gebeurtenis uit het leven van Jezus leert ons heel veel. We zien dat hij moest groeien en zijn begrip en toewijding moest verdiepen. We beseffen ook dat de Schrift hem de inspiratie verschafte die hij nodig had. Door de ervaringen van Mozes en Elia te herbeleven bereidde Jezus zich voor op de speciale openbaring die zijn Vader voor hem in petto had.

Uit: ‘Ancient Prophets on My Mountain’ in Inheriting the Master's Cloak door John Wijngaards, Ave Maria Press, Notre Dame 1985, pp. 83-88.

Vertaling: Theresia Saers JMJ

Klik hier als U onze campagne voor de wijding van vrouwen aktief wilt steunen..

historische overzichten

Vermeld a.u.b. dat dit document ontleend is aan www.womenpriests.org!


This website is maintained by the Wijngaards Institute for Catholic Research.

John Wijngaards Catholic Research

since 11 Jan 2014 . . .

John Wijngaards Catholic Research