|
|
|---|
- Maria van Magdala
- Geen plaats voor de kerk?
- De Kerk en de Geest
- Het ambt en de Geest
- Aandacht voor de vrouw in het evangelie van
Lucas
- Toekomst voor de vrouw in het ambt
Regels voor de correcte
interpretatie van de H. Schrift

* De letterlijke
betekenis
* Literaire
vormen
* Het beoogde
doel
*Rationaliseringen
Vooral het evangelie van Lucas houdt zich bezig met de bijzondere rol
van de vrouw. Hoewel Christus op dit terrein evenals elders weigerde een
sociaal hervormer te zijn, tonen veel van zijn woorden en daden aan dat hij
niet tegen deelname van de vrouw in het ambt was.
Op dit punt wil ik graag verder gaan dan strikte argumentatie en het
evangelie van Lucas meer filosofisch benaderen. Ik wil doordringen in de kern,
aandachtig luisteren naar wat het uitdrukkelijk zegt maar ook wat het
impliceert, en intuïtief dieper inzicht verkrijgen in de
geïnspireerde boodschap.
Maria van Magdala
Laat ons het evangelie van Lucas nemen en de geschiedenis bestuderen van
Maria van Magdala. Ze had een zondig leven geleid maar Jezus had haar bekeerd.
"Maria van Magdala, uit wie zeven demonen waren weggegaan" (Lc 8,2). Lucas
verhaalt over haar dat zij behoorde tot de vrouwen die Jezus vergezelden op
zijn apostolische reizen (Lc 8, 1-3); dat ze met nog andere leerlingen toekeek
bij de kruisiging van Jezus en hielp bij zijn begrafenis (Lc 23, 49. 55-56);
dat ze bij de eersten was die op de ochtend van Pasen de verrijzenis mochten
vernemen (Lc 24, 1-11). In de Handelingen der Apostelen verkondigt Petrus de
volgende vereisten voor iemand die geschikt is toe te treden tot het college
der apostelen : "Daarom moet er van de mannen die steeds met ons zijn
opgetrokken, al die tijd dat de Heer Jezus onder ons verkeerde, vanaf het
begin, vanaf de doop van Johannes, tot de dag waarop Hij van ons is weggenomen,
van hen dus moet er één samen met ons getuige worden van zijn
opstanding" (Hnd 1, 21-22). Als we op deze vereisten afgaan had Maria
van Magdala, net zo goed in aanmerking kunnen komen als vele anderen die
niet tot de oorspronkelijke twaalf behoorden. Maria was getuige van Jezus
openbare dienstwerk, van zijn lijden en zijn verrijzenis. Men zal mogelijk
opmerken dat zij niet aanwezig was bij het Laatste Avondmaal. Maar Matthias,
die uiteindelijk gekozen werd in plaats van Judas, was evenmin aanwezig.
Maria van Magdala kon de positie van een Apostel niet hebben ingenomen
vanwege de sociale redenen die ik eerder heb verklaard. Niet echter omdat ze
niet voldeed aan de vereisten van het evangelie. Ik geloof dat wij hier in het
evangelie van St. Lucas een visioen van mogelijkheden hebben dat veel verder
gaat dan de sociale beperkingen van die tijd. Denk maar eens aan de episode van
de zondige vrouw die schreit aan de voeten van Jezus wanneer hij aan tafel ligt
in het huis van een Farizeeër (Lc >7, 36-50). Het kan de historische
Maria van Magdala geweest zijn; in de ogen van Lucas is ze beslist hetzelfde
soort iemand (zie het verband met 8, 1-3). Jezus zegt van haar:
"Ziet u deze vrouw?
Ik kwam uw huis binnen.
Water voor
mijnvoeten hebt u Me niet gegeven,
maar zij heeft met tranen mijn voeten
nat gemaakt
en ze met haar haren afgedroogd.
Een kus hebt u Me niet
gegeven,
maar zij heeft sinds Ik hier binnenkwam onophoudelijk mijnvoeten
gekust.
Mijn hoofd hebt u niet met olie gezalfd,
maar zij heeft mijn
voeten gezalfd met balsem."
Het lijkt wel of Jezus over de eeuwen heen tot ons spreekt. "Wat hebben
jullie het toch de hele tijd over de vrouw in het ambt? zou hij kunnen zeggen.
Waarom denkt u dat ik haar zou weghouden uit het heiligdom of van mijn altaar?
Heb ik niet altijd het wezenlijke onderscheiden van de bijzaken? Heb ik in het
huis van Simon de Farizeeër de zondige vrouw niet geprezen omdat zij mij
diende door de voetwassing? Het was haar status niet, of de zonden die ze
eerder had bedreven, maar haar liefde die telde in mijn ogen. Door haar
welkomskus, door het feit dat zij mijn voeten waste, door haar gave van de
olie, diende zij mij meer dan alle mannen om Mij heen. Zou ik welke vrouw dan
ook weigeren Mij te dienen, als zij mijn Lichaam, de Kerk, zó zou kunnen
dienen: door het brood te breken, door het water van het doopsel uit te gieten
of door de zieken te zalven? Denkt u niet dat ik blij zou zijn met de
wezenlijke bijdrage die een vrouwelijke priester kan geven in de nieuwe wereld
waarin u nu leeft?"
Op dit punt gekomen heb ik mogelijk mijn geloofwaardigheid verloren. Is
het wel juist om de Schift zo te lezen? Is het de bedoeling van de
passages over Maria van Magdala een visie te geven op nieuwe ambtsinvulling of
is bij een dergelijke uitleg de wens gewoon de vader van de gedachte? Om die
vraag juist te beantwoorden moet ik enigszins uitweiden over de theologie van
Lucas. Ik wil de volgende punten aantonen:
- Lucas maakt zich zorgen om de overdreven verwachtingen van zijn
tijdgenoten wat betreft de Dag des Oordeels. Hij leert dat we moeten inzien dat
er vóór de komst van Christus nog de periode van de Kerk
is.
- Lucas wijst er op dat we nieuwe ontwikkelingen kunnen
verwachten tijdens deze periode van de Kerk. Hoewel deze nieuwe
ontwikkelingen niet expliciet vervat liggen in de boodschap van Jezus, hebben
zij wel een goddelijke oorsprong. Ze stammen van de werking van de heilige
Geest in de Kerk.
- Lucas is ervan overtuigd dat veel van deze ontwikkelingen
impliciet vervat zijn in datgene wat Jezus zei of deed. Bij
het schrijven van zijn evangelie ziet Lucas in veel van de gebeurtenissen in
Jezus leven een visioen van wat komen gaat.
- Lucas wil benadrukken dat het heel gewoon was dat de jonge Kerk
nieuwe ambten creëerde. Dat het evangelie van Lucas zich
zo richt op de vrouw wijst op hun toekomstige deelname aan het ambt.
Dit alles vraagt ons een nogal lange weg te gaan. Het is beslist de
moeite waard. Als Lucas leert, zoals ik zal aantonen, dat we nieuwe
ontwikkelingen in de kerk hebben te verwachten, ook wat betreft het ambt, en
als Lucas zelf in deze context verwijst naar de rol van de vrouw, mogen
wij dan voor die boodschap de ogen sluiten? Naar het schijnt spreekt Lucas
onder inspiratie met name over de voorliggende kwestie: kan er in de kerk een
nieuwe deelname zijn van de vrouw in het ambt, die niet expliciet voorzien was
in het evangelie? Het antwoord van Lucas zou categorisch "Ja" zijn.
Geen plaats voor de kerk?
Na de verrijzenis van Jezus duurde het nog een hele tijd
vóór de apostolische gemeenschap besefte dat er een nieuw
tijdperk was aangebroken, het tijdperk van de kerk.
Velen van de eerste christenen waren ervan overtuigd dat de wederkomst
van Jezus spoedig plaats zou hebben. Men dacht dat het cryptische woord van
Jezus: "Er zijn er hier die de dood niet zullen proeven voordat ze hebben
gezien dat Gods koninkrijk met kracht gekomen is" .(Mc 9,1) inhield dat het
einde van de wereld binnen enkele jaren zou plaats hebben. Uit wat Paulus in 51
na Chr. schreef aan de Tessalonizensen weten we dat hij verwachtte dat hijzelf
en de meeste van zijn christenen de komst van Christus nog zouden meemaken (1
Tes 4,15). Hetzelfde ligt besloten in zijn brief aan de Korintiërs van 57
na Chr. (1 Kor 15, 51). De eerste christenen waren zich zó bewust van
het moment dat de uiteindelijke verlossing door Jezus wederkomst zou
plaats vinden dat Paulus kon schrijven: "Nu is onze redding dichterbij dan toen
wij tot het geloof kwamen" (Rom 13,11)
Het is duidelijk dat dergelijke hooggespannen verwachtingen ongewenste
gevolgen hadden voor het christelijk leven. Sommige pasbekeerden in Tessalonica
werkten helemaal niet meer en wachtten werkeloos de laatste dag af. Paulus vond
dit niet goed ( 2 Tes 2,6) en waarschuwde voor overdreven orakels die de
nabijheid aankondigden van de Dag des Heren ( 2 Tes 2, 2). Sommigen voelden
zich genomen en waren teleurgesteld toen Christus niet zo spoedig kwam als zij
hadden gedacht: "Waar blijft nu de komst die Hij heeft toegezegd?". St. Petrus
moest die vraag omstandig beantwoorden ( 2 Pe 3, 3-10).
Christenen waarvan het leven beheerst wordt door het geloof dat men elke
dag het einde van de wereld kan verwachten, zijn niet meer geïnteresseerd
in het opbouwen van hun eigen wereld. Het lijken letterlijk mensen die naar de
hemel staan te kijken. Ze vergeten dat ze op aarde werk te doen hebben. Lucas
maakte het zijn zaak een dergelijke verkeerde houding te corrigeren. Bij de
verrijzenis vermeldt hij de opmerking, " Galileeërs, wat staan jullie daar
toch naar de hemel te kijken? Deze Jezus - zal op dezelfde manier terugkomen
als jullie Hem hebben zien gaan" (Hnd 1, 11). Met andere woorden, hij zal
alléén komen, uit eigen macht en op de tijd die Hem goeddunkt.
Verdoe je tijd niet met gepieker over het wanneer en het hoe van zijn komst.
Pak het werk aan dat Christus van je verwacht.
In zijn evangelie wantrouwt Lucas overdreven zorg over Christus
wederkomst. Elke keer dat de vraag naar het moment van Christus komst
wordt genoemd, wijst Lucas op de taak die eerst verricht dient te worden. Hij
vermeldt dat sommige mensen bij Jezus intocht in Jeruzalem dachten dat
het koninkrijk der hemelen nu onmiddellijk zou komen (Lc> 19, 11). Jezus
antwoordt daarop met de parabel van de talenten: het einde zal niet
onmiddellijk komen, maar de verantwoordelijkheid die de mens is toevertrouwd
moet onverwijld worden opgepakt (Lc 19, 12-27). Vervolging en opstand,
zelfs de verwoesting van Jeruzalem, betekenen nog niet dat het einde daar is
(Lc 12, 7). Wanneer de apostelen vragen naar de tijd dat de laatste
dingen zullen plaats hebben, vermeldt hij het strenge antwoord van Jezus: "Het
komt jullie niet toe de tijden of momenten te kennen". In plaats daarvan dienen
de apostelen hun energie te besteden aan het geven van getuigenis " tot het
uiteinde van de aarde" (Hnd 1, 6-8). Het cryptische woord van Jezus over het
komen van het koninkrijk al in de eerste generatie wordt door Lucas verklaard
aan de hand van een andere uitspraak van Jezus: "Het koninkrijk van God komt
niet zó dat je het kunt aanwijzen. Je kunt niet zeggen: "Kijk, hier is
het!" of: "Daar is het!" Ziet u, het koninkrijk van God ligt binnen uw bereik"
(Lc 17, 20-21).
De Kerk en de Geest
Christus wilde dat er een tijdperk van de kerk zou zijn,
vóór het einde der tijden kon komen. Lucas vond dit zo belangrijk
dat hij er een heel boek aan wijdde, de Handelingen der Apostelen. Voor hem was
het absoluut onjuist als men de geschiedenis van de christenheid zou
identificeren met het leven van Jezus, en wel omdat God na het verlossingswerk
van Jezus zijn werk voortzette door de Geest. De Handelingen van de Apostelen
worden terecht genoemd het evangelie van de heilige Geest. Immers, te beginnen
met de belofte van Jezus in het eerste hoofdstuk dat Hij de Geest zou zenden,
plus het verslag van Pinksteren in het tweede, toont Lucas ons door het hele
geschrift der Handelingen heen hoe de heilige Geest de volgelingen van Jezus
maakte tot een wereldkerk.
Doordat Lucas de onafhankelijke rol van de kerk erkende, vestigde hij de
aandacht op een belangrijk theologisch feit. Het was het feit dat Jezus niet
alles geregeld had dat in zijn kerk moest gebeuren. Er zouden nieuwe en
onverwachte ontwikkelingen plaatshebben onder Jezus volgelingen. Ook deze
nieuwe ontwikkelingen hebben een goddelijke oorsprong. Ze worden door de
heilige Geest tot stand gebracht door de kerk zelf. Ze behoren even loyaal
ontvangen te worden als Jezus eigen uitdrukkelijke beslissingen.
Uiteraard bestaat er geen tegenstrijdigheid tussen wat Jezus zei en deed en de
nieuwe richtlijnen die hun ontstaan danken aan de Geest. Als Lucas zijn
evangelie schrijft toont hij aan dat de woorden en daden van Jezus een diepere
dimensie behelzen, een visioen, een innerlijke dynamiek die waar
zou kunnen worden in dergelijke verstrekkende besluiten die in latere
tijd door de kerk genomen zouden worden.
Een voorbeeld. In de Handelingen der Apostelen verhaalt Lucas hoe de
oude kerk uiteindelijk ook niet-Joden in de gemeenschap opnam.De doop van het
gezin van Cornelius vormde echt een nieuw begin. Tevoren waren niet-Joden
alleen toegelaten als het ging om Joodse proselieten die besneden waren.
Cornelius en de zijnen waren Romeinen die christen werden zonder eerst
quasi-Jood te zijn gemaakt door de besnijdenis. Lucas benadrukt dat dit Gods
werk was. Cornelius werd door een engel aangezet om Petrus te laten halen (Hnd
10, 1-8). Petrus werd in een visioen gewaarschuwd dat hij niets onrein mocht
verklaren dat God voor rein houdt (Hnd 10, 1-16). En tenslotte, toen Petrus het
evangelie van Jezus preekte, werden Cornelius en zijn gezin vervuld van de
heilige Geest (Hnd 10, 17-44). Het was deze duidelijke openbaring van de
heilige Geest, die Petrus nog het allermeest ervan overtuigde dat heidenen
christen kunnen worden zonder een tussenfase van besnijdenis (Hnd 10, 45-48).
Lucas verhaalt hoe Petrus deze beslissing moest verantwoorden in de kerk van
Jeruzalem (Hnd 11, 1-18) en hoe dit leidde tot de eerste kerkvergadering, die
formeel verklaarde dat niet-Joden in de kerk konden worden opgenomen zonder
eerst de besnijdenis te moeten ondergaan of zich te houden aan de wet van Mozes
(Hnd 15, 1-12).
Het opnemen van niet-Joden zonder de besnijdenis te eisen was een
belangrijk besluit dat niet is genomen door Jezus maar door de kerk.Het ging
veel verder dan wat Jezus zei. In een bepaald opzicht werd hierbij de
praktijk van Jezus zelf verlaten. Dit blijkt duidelijk uit de discussie in de
jonge kerk zelf, waar de zaak niet beslist werd vanuit bepalingen van Jezus,
maar bij een erkenning van de wil van de Geest.
Je kunt het zien als een afwijken van de praktijk van Jezus zelf. Dit
blijkt immers uit die discussie in de jonge kerk, waar de zaak werd beslist,
niet met een verwijzing naar de bepalingen van Jezus, maar door het erkennen
van de wil van de Geest. Ten tweede weten we uit de evangeliën dat Jezus
zijn eigen dienstwerk uitdrukkelijk beperkte tot de Joden. " Sla de weg naar de
heidenen niet in, en ga een stad van de Samaritanen niet binnen. Maar ga liever
naar de verloren schapen van het huis van Israël" (Mt 10,5). "Ik ben
alleen gestuurd naar de verloren schapen van het huis van Israël"(Mt
15,24).We mogen er wel zeker van zijn dat sommige Joodse christenen deze
uitspraken van Jezus hebben aangehaald in de discussie of niet-Joden zomaar (
zonder besneden te zijn; vgl Hnd 15,1) konden worden toegelaten. Hun bekrompen
uitleg van Jezus woorden zal benadrukt hebben dat men eerst Jood diende
te worden vóór men Jezus verlossing deelachtig kon worden.
De eerste christenen moesten dus eerst afstand leren nemen van een te beperkte
toepassing van Jezus woorden. Ze moesten leren dat, willen wij
Jezus gedachtengang begrijpen, wij ons niet moeten beperken tot de
woorden die hij uitsprak en de daden die hij stelde. Bovenal moeten we de
profetische dimensie in Jezus leven begrijpen, een dimensie die ver
uitging boven zijn directe praktijk.
Als we het evangelie van Lucas in dit licht lezen, merken wij hoe hij
omgaat met deze waarde van innerlijk visioen en profetische dimensie. Lucas
bezint zich op Jezus houding tegenover de Samaritanen, mensen die door de
Joden beschouwd werden als ketters en godsdienstige outcasts. Jezus weigerde
een vloek uit te spreken over het Samaritaanse dorp dat hem niet ontving (Lc
10, 29-37). Over de honderdman in Kafarnaüm zei hij: "Ik verzeker u,
zon groot vertrouwen heb ik zelfs in Israël niet aangetroffen" (Lc
7,9). In dergelijke gebeurtenissen ziet Lucas terecht een houding van Jezus ten
opzichte van niet-Joden die de Joodse wet overstijgt en die een visioen van de
kerk behelst (of:inhoudt) waarbij Samaritanen en Romeinen zich evenzeer thuis
kunnen voelen als de Joden.
Het ambt en de Geest
Nog zon speerpunt van Lucas vinden we in nieuwe vormen van
dienstbetoon. Er zijn bewijzen dat de kwestie van de apostolische
successie in de jonge kerk niet zo gemakkelijk is opgelost. De twaalf apostelen
die door Christus zelf waren gekozen en door hem persoonlijk onderricht,
verwierven zon uitzonderlijk respect en gezag dat het leek of niemand hun
plaats zou kunnen innemen. Toch was dit van wezenlijk belang voor het
voortbestaan en de uitbreiding van de kerk. Hoe bevoorrecht de positie van de
twaalf ook was, hun taak moest worden voortgezet door mensen die niet direct
door Christus waren gekozen, zelf bekeerlingen waren en misschien zelfs
niet-Joods.
Bij het schrijven van de Handelingen der Apostelen pakt Lucas dit
probleem stevig aan. In het eerste hoofdstuk verhaalt hij hoe Matthias werd
gekozen om Judas te vervangen. "Zo werd hij aan de elf apostelen toegevoegd"
(Hnd 1, 26). Klachten van de Grieks sprekende christenen te Jeruzalem, dat zij
verwaarloosd werden leidde tot de benoeming van zeven diakens (Hnd 6, 1-6).
Hoewel de oorspronkelijke bedoeling van dit diaconaat zich meer richtte op
stoffelijke dienstverlening, blijkt uit de verslagen over twee van hen -
Stefanus en Filip - dat zij hetzelfde werk deden als de apostelen, wat preken
betreft. Maar zij konden niet de heilige Geest schenken door handoplegging. In
Antiochië had al helemaal een doorbraak plaats, toen namelijk de
gemeenschap aldaar, geleid door de heilige Geest, Paulus en Barnabas de handen
oplegde en hen uitzond als missionarissen (Hnd 14, 1-3). Hun officiële
status werd bevestigd in de kerkvergadering van (het Concilie van
)
Jeruzalem (Hnd 14, 1-3). Dit maakte de weg vrij voor het betrekken van nog vele
anderen in het ambt, zoals Timoteüs van Lystra, Titus van Galatië,
Apollos van Alexandrië, en vele anderen.
Overeenkomstig het feit dat hij vaak in het handelen van Jezus een
toekomstvisioen zag, zocht Lucas in Jezus leven naar bevestiging van deze
ontwikkeling in de kerk. Die vond hij in het feit dat Jezus meer leerlingen
uitzond dan de twaalf. Lucas buit dit gegeven in zijn evangelie uit. Nadat hij
in een vrij korte passage de uitzending vermeldt van de twaalf (Lc
9, 1-6), vertelt hij uitvoerig hoe Jezus nog twee en zeventig
anderen uitzond met dezelfde opdracht als de apostelen (Lc 10, 1-24).
Zoals twaalf staat voorde twaalf stammen van Israël, zó duidt twee
en zeventig volgens de joodse symboliek van die tijd op alle volken der aarde.
Tot de twee en zeventig leerlingen zegt Jezus "Wie naar jullie luistert,
luistert naar Mij, en wie jullie afwijst, wijst Mij af" Lc 10, 16). De zending
van de twee en zeventig anderen was zeer waarschijnlijk een vrij onbelangrijk
gebeuren in het leven van Jezus. Het werd waarschijnlijk bijna vergeten en werd
zeker overschaduwd door de speciale aandacht die Jezus aan de twaalf besteedde.
Voor Lucas echter had dit kleine voorval profetische waarde, aangezien het
verwees naar wat later zou gebeuren in de kerk. Het druiste niet in tegen de
geest van Jezus dat het werk van de twaalf overgenomen zou worden door de twee
en zeventig uit alle naties.
Aandacht voor de vrouw in het evangelie
van Lucas
Alle vier de evangeliën bevestigen dat vrouwen een speciale rol
speelden in Jezus leven. Het was bijzonder opvallend in het evangelie van
Lucas. Lucas beschrijft episodes die in de andere evangelieverhalen niet te
vinden zijn. Hij introduceert Elisabeth (Lc 1, 5-45), de profetes Anna (Lc 2,
36-38), de weduwe van Naïm (Lc 7, 11-17), de vrouwen die Jezus dienden (Lc
8, 1-3), de kromgebogen vrouw (Lc 13, 38-42) en de wenende vrouwen van
Jeruzalem (Lc 23, 27-33). Lucas bewaart twee parabels die speciaal over de
vrouw gaan: de huisvrouw die een drachme verloor (Lc 15, 8-10) en de weduwe die
bleef aandringen (Lc 18, 1-8). Vrouwen die in de andere evangeliën ook
genoemd worden krijgen speciale aandacht bij Lucas: Maria Magdalena (Lc 7,
36-50), Maria en Martha (Lc 10, 38-42) en de arme weduwe die twee muntjes
offerde in de tempel (Lc 21, 1-4). Jezus relatie tot vrouwen is een
uitgesproken thema in dit evangelie.
Waarom vestigde Lucas zozeer de aandacht op de rol van vrouwen in
Jezus leven? Evenals in andere gevallen reageerde Lucas hiermee op een
behoefte in de jonge kerk. In vele gemeenschappen speelden vrouwen een
belangrijke rol. De bekering van Apollos te Efese was evenzeer te danken aan
Priscilla als aan Aquila (Hnd 18, 18-26). In Korinthe was het Chloë die
boodschappers zond naar Paulus om hem te berichten over de problemen in de
kerk. De kerk van Kenchreeën had een vrouwelijke diaken, "Febe, onze
zuster" (Rom 16, 1-2). In Filippi, waar Lucas lange tijd in het apostolaat
werkte, worden drie belangrijke vrouwen genoemd: Lydia, die een bloeiende
handel dreef in purperen kleding en in wier huis de plaatselijke gemeente
bijeenkwam (Hnd 16, 14-15); Euodia en Syntyche waarvan Paulus zeggen kon: "
deze vrouwen die samen met mij hebben gestreden voor het evangelie" (Fil 4,
2-3). Klaarblijkelijk hadden deze vrouwen, en anderen waarvan de namen niet
worden genoemd, zorg voor hun eigen specifieke rol in de christengemeenschap.
Wanneer Lucas in het leven van Jezus gebeurtenissen oproept die met
vrouwen te maken hebben, heeft hij een heel rijke boodschap. Volgens hem
ontvangen vrouwen evengoed genade. Vrouwen moeten net als mannen zich bekeren
(Maria Magdalena), naar zijn woord luisteren (Maria en Martha), volhardend
bidden (de vrouw die niet opgaf), en delen in zijn lijden en kruis (<I>
Lc <I> 23, 49). Bij personen als de weduwe van Naïm, Elisabeth en
Onze Lieve Vrouw denkt hij over de moederrol met haar vreugde en verdriet.
Jezus ontleent voorbeelden aan de alledaagse taken van de vrouw: water halen
uit de bron, koren malen met de molensteen, het huis vegen, gist mengen door
het deeg, en voedsel bereiden voor gasten. Jezus had dergelijke activiteiten
geobserveerd en sommige ervan verrijkt met een diepe symbolische betekenis. Op
deze manier en op vele andere leveren de passages over vrouwen bij Lucas een
onverwacht rijke schat aan verwijzingen en overwegingen.
Heeft Lucas echter verwezen naar het ambt van de vrouw? Heeft hij
zich willen verdiepen in de rol van de vrouw in het apostolaat, toen hij
deze woorden en daden van Jezus verhaalde? Bevat het evangelie van St. Lucas
een visioen hoe vrouwen een meer verantwoordelijke rol konden
krijgen in de christengemeenschap?
Toekomst voor de vrouw in het
ambt
In het licht van deze kwestie krijgen bepaalde andere passages in het
evangelie van Lucas diepe betekenis. Lucas verhaalt hoe ook vrouwen Jezus
vergezelden bij zijn apostolische zending:
"Jezus trok door steden en dorpen om de goede boodschap van het
koninkrijk Gods te verkondigen. De twaalf vergezelden Hem, en ook enkele
vrouwen, die van boze geesten en ziekten genezen waren Maria van
Magdala, uit wie zeven demonen waren weggegaan, Johanna, de vrouw van Chusas,
een hoge beambte van Herodes, en Susanna en nog vele andere vrouwen, die
hem uit eigen middelen onderhielden (Lc 8, 1-3).
Lucas besefte dat Jezus vrouwen niet kon opnemen in zijn apostolisch
team, gezien de sociale status van de vrouw in die tijd. In de jonge kerk die
Lucas kende was een echt partnerschap van de vrouw in het ambt ook uitgesloten
op sociologische gronden. Maar Lucas, die de enige evangelist is die dit aspect
van het dienstwerk van Jezus verhaalde, meldt bovenstaand gebeuren omdat hij er
de profetische waarde van inzag. Als vrouwen zó nauw betrokken waren bij
de apostolische reizen van Jezus, betekende dit voor Lucas beslist de
mogelijkheid van een veel grotere deelname van de vrouw in het tijdperk van de
kerk. Het zou Lucas niet verbaasd hebben als de kerk ooit een vrouw zou
beroepen om volledig deel te nemen aan het ambt van een Barnabas of een Paulus.
Hij zou een voorafbeelding van deze nieuwe ontwikkeling gezien hebben in de
kleine groep vrouwen die al wat zij hadden deelden met Jezus en zijn apostelen.
En de profetes Anna? Alweer is Lucas de enige evangelist die haar noemt.
Volgens zijn beschrijving was zij een bezadigde vrouw die alleen leefde "tot op
vier en tachtigjarige leeftijd". Door dit getal, zevenmaal twaalf, is zij een
verpersoonlijking van volledig geloof, van een volwassen christen. Zij is
iemand die God volledig is toegewijd. "Zij was altijd in de tempel en diende
God dag en nacht met vasten en bidden." Na haar ontmoeting met Jezus getuigt
zij van hem. " Zij sprak over de jongen tegen allen die de bevrijding van
Jeruzalem verwachtten" (Lc 2, 36-38).
Waarom tekent Lucas deze Anna zo, als de bezadigde en toegewijde vrouw,
de profetes die preekte over Jezus? Was het niet omdat hij in haar een visioen
zag van komende dingen? In het getuigenis van deze vrouw voorzag Lucas voor de
vrouw een apostolische taak, die toen nog niet kon worden gerealiseerd. Maar
dat is immers het wezen van inspiratie? Was dit niet precies wat Lucas steeds
bezighield, aantonen dat niet alle beslissingen genomen waren in Jezus
tijd, maar dat er onder de leiding van de heilige Geest nog totaal nieuwe
ontwikkelingen mogelijk waren?
Dit brengt ons op de rol die Onze Lieve Vrouw speelt in het evangelie
van Lucas. Zo gauw Maria haar eigen uitverkiezing tot moeder van Gods
Zoon had vernomen, ontving ze ook een zending. Gabriël zei haar dat
Elisabet zwanger was (Lc 1,35-36). Maria deed waartoe zij gezonden was. Zij
ging het huis van Zacharias binnen en begroette Elisabet. "Meteen toen Elisabet
de begroeting van Maria hoorde, sprong het kind op in haar schoot. Elisabet
werd vervuld met heilige Geest" (Lc 1,41).
Het brengen van de heilige Geest was onmiskenbaar een apostolisch
voorrecht. Toen de diaken Filippus in Samaria preekte, kon hij dopen. De
heilige Geest kon hij echter niet schenken. Petrus en Johannes moesten
overkomen uit Jeruzalem om door handoplegging de heilige Geest mee te delen
(Hnd 8, 14-17). De bekeerlingen in Efese ontvingen de Geest eerst toen Paulus
hun de handen kwam opleggen (Hnd 19,6). Soms was het al genoeg als een apostel
een huis binnenkwam en het woord des Heren preekte: zoals toen Petrus het huis
van Cornelius binnenging en preekte over Jezus. "Petrus was nog aan het woord
toen de heilige Geest neerdaalde op allen die naar zijn toespraak luisterden"
(Hnd 10, 44). Dit was het doopsel van de heilige Geest waar de eerste
christenen zich zo bewust van waren. Jezus zelf had het bij zijn hemelvaart
gezegd, "Blijf wachten op de belofte van de Vader die jullie van Mij hebben
gehoord: immers, Johannes doopte met water, maar jullie zullen gedoopt worden
in heilige Geest" (Hnd 1,4-5).
Het was het kenteken van Jezus eigen dienstbetoon. Zoals Johannes
de Doper zei: "Ik doop u met water
Hij zal u dopen in heilige Geest en
vuur" (Lc 3, 16).
Vertaling: Theresia Saers
Klik
hier als U onze campagne voor de wijding van vrouwen aktief wilt
steunen..

![]() |
In dit boek gaat Hans Wijngaards in op belangrijke historische bronnen, vanaf het begin van het christendom tot het jaar 900. Hij bewijst op overtuigende wijze dat vrouwen de rol van diaken op zich namen en hiertoe ook gewijd werden. Met zijn historische studie levert Wijngaards een belangrijke bijdrage aan het actuele debat over de wijding van vrouwen tot diaken. Klik hier! |