|
|
|---|
Regels voor de correcte
interpretatie van de H. Schrift

* De letterlijke
betekenis
* Literaire
vormen
* Het beoogde
doel
*Rationaliseringen
Er zijn twee
scheppingsverhalen in de bijbel, elk daarvan op zich indrukwekkend en allebei
leren ze iets belangrijks ter wederzijdse aanvulling.
Genesis 1,1-2,4
Het eerste
scheppingsverhaal, Gen 1,1 - 2,4, verhaalt de oorsprong van het universum als
een bouwproject van God die de architect is. De wereld zoals de mensen die toen
kenden, dat wil zeggen in de vierde eeuw v.Chr., werd gezien als een enorm
groot huis. De vloer bestond uit de platte aarde. De hemel vormde het plafond.
De zon, de maan en de sterren waren lampen voor de dag en voor de nacht. De
vissen in de zee, de planten en dieren op het land en de vogels in de lucht
werden gezien als meubilair dat God er had geplaatst, en als bron van voedsel.
Het hoogtepunt van
Gods bouwwerk was de schepping van mensen. De mensen waren speciaal, omdat de
wereld was gebouwd om hen tot woning te dienen. Ze waren ook bijzonder omdat ze
net als God logisch konden denken en handelen met verantwoordelijkheidsbesef.
Ze waren beeld van God.
En God zei:
Nu gaan Wij de
mens maken als beeld van Ons,
op Ons
gelijkend;
hij zal heersen over de
vissen van de zee,
over de vogels van de
lucht,
over de tamme dieren,
over alle wilde beesten,
en over al het gedierte dat over de grond
kruipt.
En God schiep de mens
als zijn beeld;
als het beeld van God
schiep Hij hem,
mannelijk en vrouwelijk
schiep hij hen.
Gen
1,26-27.
God zegende
vervolgens de mensen en gaf hun de hele aarde in bewaring. Maar God verwachtte
ook van hen dat ze niet zouden vergeten dat ze slechts schepselen waren en dat
ze de heerschappij van de schepper zouden erkennen. Daarom bouwde God de wereld
in zes dagen en rustte hij op de zevende dag om de mensen te leren dat zij op
de sabbat (= zevende dag) tijd vrij dienden te maken voor rust en eredienst.
OPMERKING: Dit verhaal en de evolutie spreken elkaar
geenszins tegen. Genesis leert ons niet hoe de wereld is geschapen, maar
alleen dat ze geschapen is door God en aan de mensen gegeven om in te wonen. De
zeven dagen zijn niet meer dan een stijlfiguur.
Uit dit verhaal
blijkt duidelijk dat alle mensen naar Gods beeld geschapen zijn. Man
èn vrouw worden uitdrukkelijk vermeld in deze context. Wat deze tekst
betreft zijn alle mensen geschapen met gelijke waardigheid, en met gelijke
rechten en plichten.
Wat dit betekende voor de gelijkheid van vrouwen in Gods
ogen is in het latere Jodendom verloren gegaan. Joodse mannen dankten God
driemaal daags dat God hen niet had geschapen als heiden, slaaf of vrouw.
Gezegend zijt gij, Heer onze God, koning van het heelal, dat gij mij
geen heiden hebt gemaakt,
dat gij mij geen slaaf hebt gemaakt,
dat
gij me geen vrouw hebt gemaakt. Dit gebed, dat deel uitmaakt van de
18 Zegeningen, wordt vandaag de dag nog gezegd door orthodoxe Joden.
Siddur Tehillat Hashem, New York 1982, blz.8.
Ook vele kerkvaders en latere theologen
zagen het belang van deze passage niet in.
Genesis 2,5 - 3,24
Het tweede
scheppingsverhaal leert ons dat God wilde dat de mensen gelukkig zouden zijn,
maar dat de zonde ongeluk en lijden had gebracht (Gen 2,5 - 3,24). Dit verhaal
moet net zo min als het eerste beschouwd worden als een letterlijke
beschrijving hoe de wereld ontstond en hoe de zonde begon. Het
verhaal is een parabel, waarin de details beelden zijn, geen met stelligheid
beweerde feiten.
In dit verhaal
wordt de wereld vergeleken met een prachtige tuin, die door God geplant is. God
plaatste in deze tuin mensen om hem te verzorgen. Maar de mensen wilden meer
zijn dan huurlingen; zij wilden gelijk zijn aan God en de tuin voor zichzelf
hebben. Daarom moest God hen uit dit paradijs verbannen naar een plaats vol
lijden en ontberingen, waar ze voor zichzelf moesten zorgen. Maar eens zou God
de vriendschap met hen herstellen.
Opmerking: De auteur, die waarschijnlijk leefde in de
9de eeuw v.Chr. in het koninkrijk Juda, gebruikt populaire beelden
uit die tijd zoals Eden, de boom van het leven, de slang als het
verpersoonlijkte kwaad, naaktheid als symbool van kinderlijk onschuld,
enz..
Laat ons eens zien
hoe, binnen deze context, de tekst omgaat met de schepping van de mens.
Toen boetseerde JHWH God het aardwezen
uit stof dat Hij van de
aarde nam,
en Hij blies het de
levensadem in de neus:
zo werd het een levend
wezen.
Gen 2,7
De schrijver ziet
een nauw verband tussen mens, adam, en aarde, in het
Hebreeuws adama. Mensen zijn een mengeling van stof en geest, van
geworteld zijn in de aarde terwijl ze hun oorsprong vonden in Gods schepende
adem. Sinds het aardwezen nog geen geslacht (mannelijk of vrouwelijk) had,
zouden wij het in het Nederlands een het moeten noemen. Adam
betekent "mens" en "man" in Hebreeuws, en moderne vertalers lezen hier
gewoonlijk - en terecht - "mens". Maar om de samenhang van het verhaal niet te
vergeten, vertalen wij het in deze tekst als aardwezen.
In het Hebreeuws, zijn hij and het
hetzelfde woord; vergelijk in verband met `aardwezen', F.FERDER and J.HEAGLE,
Partnership, Notre Dame 1989, blz. 31-46.
Goed verstaan van
het Hebreeuws is ook van wezenlijk belang bij het vertalen van de volgende
passages.
JHWH God sprak: Het is niet goed dat het aardwezen
alleen blijft. Ik ga er een partner voor maken die erbij
past.
Toen boetseerde
JHWH God uit de aarde alle dieren op het land en alle vogels van de lucht, en
bracht die bij het aardwezen, om te zien hoe het ze zou noemen: zoals het
aardwezen ze zou noemen, zo zouden ze heten. Het aardwezen gaf dus namen aan
alle tamme dieren en aan alle vogels van de lucht, en aan al de wilde beesten;
maar een partner die bij hemzelf paste vond het aardwezen niet.
De partner die bij hem paste is niet een
hulpje, een assistent, een tweederangs bediende. Het Hebreeuwse
woord 'ezer geeft een echte partner aan. De bijbel noemt God vaak onze
ezer (Hos 13,9; Ps 33,20; 70,6; 115,9; 146,5; Ex 18,4). Het bij
hem passen volgt ook uit het feit dat de dierenwereld niet bij machte is
een dergelijke partner voort te brengen.
Toen liet de JHWH God het aardwezen in een
diepe slaap vallen;
en terwijl het aardwezen sliep, nam Hij
één van zijn ribben weg
en zette er vlees voor in de
plaats.
En JHWH God vormde de rib
die Hij uit het aardwezen had weggenomen
tot een vrouw,
en bracht haar naar het
aarwezen.
Toen zei de man: Eindelijk, dit is
been van mijn gebeente
en vlees van mijn vlees!
Mannin zal zij heten,
want uit een man is zij
genomen.'
Daarom zal een man zijn vader en zijn
moeder verlaten
en zich hechten aan zijn
vrouw,
en die twee zullen één zijn.
Gen 2,18-24
In deze passage
beschrijft de auteur een prachtige omvorming. Men meende vaak dat God met
mensen bezig was terwijl zij in een dergelijke diepe slaap
verkeerden. God sloot bijvoorbeeld een verbond met Abram
terwijl hij in een diepe slaap verkeerde (Gen 15,12-21). In een dergelijke
toestand deed hij hen visioenen en dromen zien (Job 4,13; 33,15; Dan 8,18;
10,9).
In dit geval
gebeurt het dat, terwijl het aardwezen diep in slaap was, God het als het ware
opsplitste in twee gelijke delen. Deze interpretatie van de tekst volgt uit de
juiste vertaling van het woord tsêlao.
Tsêlao betekent niet rib
maar zijde, zoals:
- de zijde
van een berg (2 Sam 16,13);
- de zijde
van het tabernakel (Ex 26,20-35);
- de zijden
van het altaar (Ex 27,7);
- de
zijvleugels van de tempelpoorten (1 K 6,34);
- en zelfs de
vleugels van het tempelgebouw (Ez 41,5-26).
In feite is het zo dat in geen enkel ander vers uit
de bijbel het woord tsêlao wordt vertaald als
rib.
Lees voor een meer volledige discussie: L.ARNALDICH,
La Creacion de Eva, Sacra Pagina 1 (1959) blz. 346-357;
J.J.OROURKE, Early and Modern Theologians and Eves Formation
from Adam, Sciences Ecclésiastiques 13 (1961) blz. 427-435;
J.DE FRAINE, Genesis, Roermond 1963, blz. 50-51; Ph.TRIBLE, Eve
and Adam: Genesis 2-3, in Womanspirit Rising, New York 1979, blz.
74-83.
Wat moeten we dan concluderen uit dit
bijbelvers?
Het beeld dat de
schrijver voor de geest staat wordt duidelijk wanneer we zijn verhaal leggen
naast andere oude scheppingsverhalen. Volgens die verhalen was de eerste mens
(het aardwezen!) androgeen, dat wil zeggen: hij/het was tegelijkertijd
man en vrouw.
Het/hij/zij had
twee gezichten, die ieder naar een andere kant keken, had vier armen en liep op
vier benen. Om de twee seksen te maken sneed God het menselijk wezen in twee
helften en gaf elk één gezicht, twee armen en twee
benen.
Dit scheppingsverhaal kan in geuren en kleuren gevonden
worden bij PLATO (428-348 v.Chr.) in zijn Symposion hfst.14-16. Het
verhaal was ook bij de Joden bekend en rabbis verwezen ernaar bij het
scheppingsverhaal; zie R.GRAVES en R.PATAI, Hebrew Myths.
The Book of Genesis, Londen 1965, blz. 65-69.
Dit lijkt het beeld
te zijn dat de gewijde schrijver voor de geest stond. God brengt het aardwezen
in een toestand van ecstasie. Vervolgens deelt God het wezen op in twee gelijke
delen: een man en een mannin. In het Hebreeuws zijn de woorden
verwant: de man is ish; de vrouw is ishsha. De man kan met recht
uitroepen dat de vrouw been is van zijn gebeente en vlees van zijn vlees. Want
zij zijn waarlijk gelijk en hebben elkaar nodig om opnieuw een volledig lichaam
te worden.
Straf voor de zonde (Gen
3,1-24)
Het tweede gedeelte
van het verhaal, dat betrekking heeft op de zondeval van de mens, ontkracht dit
beeld van gelijke waardigheid van man en vrouw niet. Zowel de man als de vrouw
verzetten zich tegen God. Zij zijn beiden schuldig en schamen zich beiden.
Beiden worden zij gestraft met ontberingen. De tekst noemt dan heel specifiek
voorbeelden van typisch menselijke lasten: het zwoegen van de man om de stugge
aarde te bebouwen, de smarten van de vrouw bij het baren van kinderen en de
overheersing door de man.
Tot de vrouw zegt
God:
Ik zal de lasten van jouw zwangerschap zeer zwaar
maken:
met pijn zul je kinderen baren.
Naar je man
zal je begeerte uitgaan,
hoewel hij over je heerst.
Gen
3,16
Dit dient men niet
te verstaan als vrijbrief voor de man om zijn vrouw onderdanig te houden. Het
is de vaststelling van een feit. Het merkt op dat het tengevolge van de zonde
zó zal gaan. In een volmaakte wereld zouden mannen niet zo hoeven te
zwoegen om een oogst te winnen temidden van droogte, ziekte en sprinkhanen. In
diezelfde volmaakte wereld zou de vrouw geen geboortepijnen kennen of
gekoeioneerd worden door haar man. Bovendien belooft de tekst dat alles weer
goed zal komen wanneer de nakomelingen van de vrouw het kwaad zullen overwinnen
(Gen 3,15).
Het tweede
scheppingsverhaal bevestigt derhalve wat we in de eerste hebben gezien. De
mensen zijn geschapen naar Gods beeld; ze zijn Gods adem die in stof gevangen
is. Mannen en vrouwen zijn gelijke partners, aan hen is de taak toevertrouwd
van zorg voor de wereld. Zo er ongelijkheid is binnengeslopen, dan is dat niet
Gods plan maar het is tengevolge van de zonde van de mens.
Zie ook de verklaring van de verhalen in Genesis en van het gebruik
van die teksten en begeleidend commentaar in de rabbinale tradities van het
Nieuwe Testament, door Cora E. Cypser, The Perennial Problem of
Sin.
Vertaling Theresia
Saers
Klik
hier als U onze campagne voor de wijding van vrouwen aktief wilt
steunen..

![]() |
In dit boek gaat Hans Wijngaards in op belangrijke historische bronnen, vanaf het begin van het christendom tot het jaar 900. Hij bewijst op overtuigende wijze dat vrouwen de rol van diaken op zich namen en hiertoe ook gewijd werden. Met zijn historische studie levert Wijngaards een belangrijke bijdrage aan het actuele debat over de wijding van vrouwen tot diaken. Klik hier! |