OOK VROUWEN PRIESTER? JAZEKER!header

Responsive image

BEGIN

REDEN GENOEG

TEGEN DE PAUS?

DEBAT

MENU

Nederlands/Vlaams Deutsch Francais English language Spanish language Portuguese language Catalan Chinese Czech Malayalam Finnish Igbo
Japanese Korean Romanian Malay language Norwegian Swedish Polish Swahili Chichewa Tagalog Urdu
------------------------------------------------------------------------------------
De vrouw in de scheppingsverhalen

De vrouw in de scheppingsverhalen

Regels voor de correcte interpretatie van de H. Schrift
* De ‘letterlijke’ betekenis
* Literaire vormen
* Het beoogde doel
*Rationaliseringen

Er zijn twee scheppingsverhalen in de bijbel, elk daarvan op zich indrukwekkend en allebei leren ze iets belangrijks ter wederzijdse aanvulling.

Genesis 1,1-2,4

Het eerste scheppingsverhaal, Gen 1,1 - 2,4, verhaalt de oorsprong van het universum als een bouwproject van God die de architect is. De wereld zoals de mensen die toen kenden, dat wil zeggen in de vierde eeuw v.Chr., werd gezien als een enorm groot huis. De vloer bestond uit de platte aarde. De hemel vormde het plafond. De zon, de maan en de sterren waren lampen voor de dag en voor de nacht. De vissen in de zee, de planten en dieren op het land en de vogels in de lucht werden gezien als meubilair dat God er had geplaatst, en als bron van voedsel.

Het hoogtepunt van Gods bouwwerk was de schepping van mensen. De mensen waren speciaal, omdat de wereld was gebouwd om hen tot woning te dienen. Ze waren ook bijzonder omdat ze net als God logisch konden denken en handelen met verantwoordelijkheidsbesef. Ze waren beeld van God.

En God zei:
 “Nu gaan Wij de mens maken als beeld van Ons,

 op Ons gelijkend;

 hij zal heersen over de vissen van de zee,

 over de vogels van de lucht,

over de tamme dieren,

 over alle wilde beesten,

en over al het gedierte dat over de grond kruipt.”

 En God schiep de mens als zijn beeld;

 als het beeld van God schiep Hij hem,

 mannelijk en vrouwelijk schiep hij hen. 

Gen 1,26-27.

God zegende vervolgens de mensen en gaf hun de hele aarde in bewaring. Maar God verwachtte ook van hen dat ze niet zouden vergeten dat ze slechts schepselen waren en dat ze de heerschappij van de schepper zouden erkennen. Daarom bouwde God de wereld in zes dagen en rustte hij op de zevende dag om de mensen te leren dat zij op de sabbat (= zevende dag) tijd vrij dienden te maken voor rust en eredienst.

OPMERKING: Dit verhaal en de evolutie spreken elkaar geenszins tegen. Genesis leert ons niet hoe de wereld is geschapen, maar alleen dat ze geschapen is door God en aan de mensen gegeven om in te wonen. De ‘zeven dagen’ zijn niet meer dan een stijlfiguur.

Uit dit verhaal blijkt duidelijk dat alle mensen naar Gods beeld geschapen zijn. Man èn vrouw worden uitdrukkelijk vermeld in deze context. Wat deze tekst betreft zijn alle mensen geschapen met gelijke waardigheid, en met gelijke rechten en plichten.

Wat dit betekende voor de gelijkheid van vrouwen in Gods ogen is in het latere Jodendom verloren gegaan. Joodse mannen dankten God driemaal daags dat God hen niet had geschapen als heiden, slaaf of vrouw. ‘Gezegend zijt gij, Heer onze God, koning van het heelal, dat gij mij geen heiden hebt gemaakt,…dat gij mij geen slaaf hebt gemaakt,…dat gij me geen vrouw hebt gemaakt.’ Dit gebed, dat deel uitmaakt van de 18 Zegeningen, wordt vandaag de dag nog gezegd door orthodoxe Joden. Siddur Tehillat Hashem, New York 1982, blz.8.

Ook vele kerkvaders en latere theologen zagen het belang van deze passage niet in.

Genesis 2,5 - 3,24

Het tweede scheppingsverhaal leert ons dat God wilde dat de mensen gelukkig zouden zijn, maar dat de zonde ongeluk en lijden had gebracht (Gen 2,5 - 3,24). Dit verhaal moet net zo min als het eerste beschouwd worden als een letterlijke beschrijving hoe de wereld ontstond en hoe de zonde begon. Het verhaal is een parabel, waarin de details beelden zijn, geen met stelligheid beweerde feiten.

In dit verhaal wordt de wereld vergeleken met een prachtige tuin, die door God geplant is. God plaatste in deze tuin mensen om hem te verzorgen. Maar de mensen wilden meer zijn dan huurlingen; zij wilden gelijk zijn aan God en de tuin voor zichzelf hebben. Daarom moest God hen uit dit paradijs verbannen naar een plaats vol lijden en ontberingen, waar ze voor zichzelf moesten zorgen. Maar eens zou God de vriendschap met hen herstellen.

Opmerking: De auteur, die waarschijnlijk leefde in de 9de eeuw v.Chr. in het koninkrijk Juda, gebruikt populaire beelden uit die tijd zoals Eden, de boom van het leven, de slang als het verpersoonlijkte kwaad, naaktheid als symbool van kinderlijk onschuld, enz.. 

Laat ons eens zien hoe, binnen deze context, de tekst omgaat met de schepping van de mens.

Toen boetseerde JHWH God het aardwezen

 uit stof dat Hij van de aarde nam,

 en Hij blies het de levensadem in de neus:

 zo werd het een levend wezen. 

Gen 2,7

De schrijver ziet een nauw verband tussen mens, adam, en ‘aarde’, in het Hebreeuws adama. Mensen zijn een mengeling van stof en geest, van geworteld zijn in de aarde terwijl ze hun oorsprong vonden in Gods schepende adem. Sinds het aardwezen nog geen geslacht (mannelijk of vrouwelijk) had, zouden wij het in het Nederlands een ‘het’ moeten noemen. Adam betekent "mens" en "man" in Hebreeuws, en moderne vertalers lezen hier gewoonlijk - en terecht - "mens". Maar om de samenhang van het verhaal niet te vergeten, vertalen wij het in deze tekst als aardwezen.

In het Hebreeuws, zijn ‘hij’ and ‘het’ hetzelfde woord; vergelijk in verband met `aardwezen', F.FERDER and J.HEAGLE, Partnership, Notre Dame 1989, blz. 31-46.

Goed verstaan van het Hebreeuws is ook van wezenlijk belang bij het vertalen van de volgende passages.

JHWH God sprak: ‘Het is niet goed dat het aardwezen alleen blijft. Ik ga er een partner voor maken die erbij past.’

Toen boetseerde JHWH God uit de aarde alle dieren op het land en alle vogels van de lucht, en bracht die bij het aardwezen, om te zien hoe het ze zou noemen: zoals het aardwezen ze zou noemen, zo zouden ze heten. Het aardwezen gaf dus namen aan alle tamme dieren en aan alle vogels van de lucht, en aan al de wilde beesten; maar een partner die bij hemzelf paste vond het aardwezen niet.

De ‘partner die bij hem paste’ is niet een ‘hulpje’, een assistent, een tweederangs bediende. Het Hebreeuwse woord 'ezer geeft een echte partner aan. De bijbel noemt God vaak onze ezer (Hos 13,9; Ps 33,20; 70,6; 115,9; 146,5; Ex 18,4). Het ‘bij hem passen’ volgt ook uit het feit dat de dierenwereld niet bij machte is een dergelijke partner voort te brengen.

Toen liet de JHWH God het aardwezen in een diepe slaap vallen;

en terwijl het aardwezen sliep, nam Hij één van zijn ribben weg

en zette er vlees voor in de plaats.

En JHWH God vormde de rib

die Hij uit het aardwezen had weggenomen tot een vrouw,

en bracht haar naar het aarwezen.

Toen zei de man: ‘Eindelijk, dit is been van mijn gebeente

en vlees van mijn vlees!

Mannin zal zij heten,

want uit een man is zij genomen.'

Daarom zal een man zijn vader en zijn moeder verlaten

en zich hechten aan zijn vrouw,

en die twee zullen één zijn.

Gen 2,18-24

In deze passage beschrijft de auteur een prachtige omvorming. Men meende vaak dat God met mensen bezig was terwijl zij in een dergelijke ‘diepe slaap’ verkeerden. God sloot bijvoorbeeld een verbond met Abram terwijl hij in een diepe slaap verkeerde (Gen 15,12-21). In een dergelijke toestand deed hij hen visioenen en dromen zien (Job 4,13; 33,15; Dan 8,18; 10,9).

In dit geval gebeurt het dat, terwijl het aardwezen diep in slaap was, God het als het ware opsplitste in twee gelijke delen. Deze interpretatie van de tekst volgt uit de juiste vertaling van het woord tsêlao. Tsêlao betekent niet ‘rib’ maar ‘zijde’, zoals:

In feite is het zo dat in geen enkel ander vers uit de bijbel het woord tsêlao wordt vertaald als ‘rib’.

Lees voor een meer volledige discussie: L.ARNALDICH, ‘La Creacion de Eva’, Sacra Pagina 1 (1959) blz. 346-357; J.J.O’ROURKE, ‘Early and Modern Theologians and Eve’s Formation from Adam’, Sciences Ecclésiastiques 13 (1961) blz. 427-435; J.DE FRAINE, Genesis, Roermond 1963, blz. 50-51; Ph.TRIBLE, ‘Eve and Adam: Genesis 2-3’, in Womanspirit Rising, New York 1979, blz. 74-83.

Wat moeten we dan concluderen uit dit bijbelvers?

Het beeld dat de schrijver voor de geest staat wordt duidelijk wanneer we zijn verhaal leggen naast andere oude scheppingsverhalen. Volgens die verhalen was de eerste mens (het aardwezen!) androgeen, dat wil zeggen: hij/het was tegelijkertijd man en vrouw.

Het/hij/zij had twee gezichten, die ieder naar een andere kant keken, had vier armen en liep op vier benen. Om de twee seksen te maken sneed God het menselijk wezen in twee helften en gaf elk één gezicht, twee armen en twee benen.

Dit scheppingsverhaal kan in geuren en kleuren gevonden worden bij PLATO (428-348 v.Chr.) in zijn Symposion hfst.14-16. Het verhaal was ook bij de Joden bekend en rabbis verwezen ernaar bij het scheppingsverhaal; zie R.GRAVES en R.PATAI, Hebrew Myths. The Book of Genesis, Londen 1965, blz. 65-69.

Dit lijkt het beeld te zijn dat de gewijde schrijver voor de geest stond. God brengt het aardwezen in een toestand van ecstasie. Vervolgens deelt God het wezen op in twee gelijke delen: een man en een ‘mannin’. In het Hebreeuws zijn de woorden verwant: de man is ish; de vrouw is ishsha. De man kan met recht uitroepen dat de vrouw been is van zijn gebeente en vlees van zijn vlees. Want zij zijn waarlijk gelijk en hebben elkaar nodig om opnieuw een volledig lichaam te worden.

Straf voor de zonde (Gen 3,1-24)

Het tweede gedeelte van het verhaal, dat betrekking heeft op de zondeval van de mens, ontkracht dit beeld van gelijke waardigheid van man en vrouw niet. Zowel de man als de vrouw verzetten zich tegen God. Zij zijn beiden schuldig en schamen zich beiden. Beiden worden zij gestraft met ontberingen. De tekst noemt dan heel specifiek voorbeelden van typisch menselijke lasten: het zwoegen van de man om de stugge aarde te bebouwen, de smarten van de vrouw bij het baren van kinderen en de overheersing door de man.

Tot de vrouw zegt God:

‘Ik zal de lasten van jouw zwangerschap zeer zwaar maken:

met pijn zul je kinderen baren.

 Naar je man zal je begeerte uitgaan,

hoewel hij over je heerst’.

Gen 3,16

Dit dient men niet te verstaan als vrijbrief voor de man om zijn vrouw onderdanig te houden. Het is de vaststelling van een feit. Het merkt op dat het tengevolge van de zonde zó zal gaan. In een volmaakte wereld zouden mannen niet zo hoeven te zwoegen om een oogst te winnen temidden van droogte, ziekte en sprinkhanen. In diezelfde volmaakte wereld zou de vrouw geen geboortepijnen kennen of gekoeioneerd worden door haar man. Bovendien belooft de tekst dat alles weer goed zal komen wanneer de nakomelingen van de vrouw het kwaad zullen overwinnen (Gen 3,15).

Het tweede scheppingsverhaal bevestigt derhalve wat we in de eerste hebben gezien. De mensen zijn geschapen naar Gods beeld; ze zijn Gods adem die in stof gevangen is. Mannen en vrouwen zijn gelijke partners, aan hen is de taak toevertrouwd van zorg voor de wereld. Zo er ongelijkheid is binnengeslopen, dan is dat niet Gods plan maar het is tengevolge van de zonde van de mens.

Zie ook de verklaring van de verhalen in Genesis en van het gebruik van die teksten en begeleidend commentaar in de rabbinale tradities van het Nieuwe Testament, door Cora E. Cypser, ‘The Perennial Problem of Sin’.

Vertaling Theresia Saers

Klik hier als U onze campagne voor de wijding van vrouwen aktief wilt steunen..

historische overzichten


This website is maintained by the Wijngaards Institute for Catholic Research.

John Wijngaards Catholic Research

since 11 Jan 2014 . . .

John Wijngaards Catholic Research