|
|---|
|
Regels voor de correcte
interpretatie van de H. Schrift

* De letterlijke
betekenis
* Literaire
vormen
* Het beoogde
doel
*Rationaliseringen
Regel 3. We mogen aan een bijbelse
schrijver geen uitspraken of beweringen toeschrijven die hij niet kan hebben
bedoeld.
Geen enkele uitdrukkingswijze, die in zwang was in de spraak van
de oude volkeren, vooral die van het Oosten, om hun bedoeling aan te geven,
hoeven te worden weggewerkt uit de heilige boeken. Zulke uitdrukkingen worden
alleen weggelaten, wanneer ze niet te verenigen zijn met Gods heiligheid en
waarheid.
Pius XII, Divino Afflante Spiritu, Denz. 2294
(3829-3830).
We zullen deze regel verklaren aan de hand van de volgende beroemde
voorbeelden:
- menselijk taalgebruik
- twijfels bij Kohelet
- beeld en leer in de scheppingsverhalen
- wat Jezus beoogde met zijn woorden en zijn werken
- de bedoeling van de huishoudelijke
bepalingen
Diplomaten zijn meestal taalkunstenaars. Ze danken in feite hun naam aan
dit talent van zorgvuldig zo niet dubbelzinnig spreken! Heeft u ooit nagedacht
over de eindeloze variaties die u heeft om iets uit te drukken? Bij een gesprek
over het al dan niet aanvaarden van de Europese munt kunnen Britse politici
bijvoorbeeld zeggen:
- Natuurlijk voert Groot-Brittannië de euro in!
- Wat? Een euro zonder Groot-Brittannië !?
- Het is hoogst onwaarschijnlijk dat Groot-Brittannië de
euro niet gaat invoeren.
- Wellicht voert Groot-Brittannië de euro wel
in.
- Het kan goed zijn dat Groot-Brittannië de euro
invoert.
- Het is niet uitgesloten dat Groot-Brittannië meedoet met
de Europese munt.
- Ik weet nog niet of Groot-Brittannië ooit de euro zal
invoeren.
- Het valt te betwijfelen of Groot-Brittannië uiteindelijk
de euro gaat invoeren.
- Het lijkt niet waarschijnlijk dat Groot-Brittannië de
euro zal invoeren.
- Volgens mij zal Groot-Brittannië nooit de euro
invoeren.
Men dient op te merken dat dergelijke uitspraken veel meer inhouden dan
simpelweg bevestiging of ontkenning. Ze drukken een heel gamma van beweringen
uit: van stellige zekerheid tot waarschijnlijkheid of slechts een mening.
Wat gebeurt er wanneer dergelijke uitspraken geïnspireerd zijn?
Zou God een waarschijnlijkheid kunnen inspireren, een twijfelachtige
opmerking of zomaar een mening? En het antwoord luidt: jazeker. Bovendien:
God zegt niets meer of minder dan datgene wat de geïnspireerde schrijver
zegt. Met andere woorden: als de menselijke auteur een dubieuze opmerking
maakt, zal Gods inspiratie de aard van die bewering niet veranderen. Het blijft
een geïnspireerde maar dubieuze opmerking! Paulus verstrekt een klassiek
bewijs. Heel verontwaardigd zegt hij tegen de Korintiërs:
Of zijn jullie soms gedoopt in de naam van Paulus?
A. Ik ben
dankbaar dat ik niemand van jullie heb gedoopt, behalve Crispus en Gaius! Zodat
niemand kan zeggen dat je gedoopt bent in mijn naam.
B. Ik heb ook het
gezin van Stephanas nog gedoopt.
C. Verder zou ik niet weten of ik nog
iemand gedoopt heb."
1 Kor. 1/13-16.
We kunnen de gedachtegang van Paulus volgen. Hij beweert met enige
heftigheid dat hij behalve Crispus en Gaius niemand heeft gedoopt (bewering A).
Dan schiet hem te binnen dat hij ook het huishouden van Stephanas nog heeft
gedoopt (bewering B). Tenslotte spreekt hij nog twijfel uit: Ik zou niet
weten of ik verder nog iemand gedoopt heb (uitspraak C). Het is een
menselijke manier van spreken. De drie uitspraken moeten tezamen worden
gelezen, aangezien de tweede en de derde de eerste recht zetten. En dan nog
blijft de som van de drie uitspraken in twijfel. Verandert het feit dat het
hier gaat om een geïnspireerde tekst dit menselijk aspect? Maakt het er
een dogma van? Verandert het de twijfel in zekerheid? Natuurlijk niet! In de
grond beweert Paulus dat het er niet toe doet hoeveel mensen hij heeft gedoopt,
want wat van belang is, dat is dat ze allemaal gedoopt zijn in de naam van
Jezus: deze gronduitspraak met alle nuances van dien is wat hij eigenlijk
beweerde in de Heilige Geest!
Twijfels bij Kohelet (Prediker)
De auteur van Prediker worstelt met een waar probleem: Wat is de zin van
het leven? Wat heeft een mens dan aan zijn harde werken, aan al zijn zorgen en
tobben onder de zon? (Pr 2,22) Het is een thema dat steeds weer terugkeert bij
de schrijver. Het leven komt hem voor als één groot vraagteken:
Niemand weet immers wat goed is voor de mens in dit ijdele, kortstondige
bestaan, dat als een schaduw voorbijgaat? (Pr 6,12) Hij stelt zelfs
vragen over het leven na de dood: Want eenzelfde lot treft mensen en
dieren, beiden ademen hetzelfde leven, beiden sterven dezelfde dood. De mens
heeft dus niets voor op het dier. Alles is ijdel. Beiden gaan naar dezelfde
plaats: ze zijn voortgekomen uit stof en keren terug tot stof. En wie weet of
de levensgeest van de mens omhoog gaat en die van het dier omlaag naar de
aarde? (Pr 3/19-21). De auteur slaagt er niet in een volledig antwoord te
vinden op zijn vraag. Hij bevestigt zijn geloof in God die de kwaden zal
straffen en de goeden belonen (Pr 8/12; 12/1; enz.), maar zijn probleem wat
betreft de uiteindelijke zin van dit moeizame leven blijft bestaan!
Wat moeten we aan met dit geïnspireerde boek? Het antwoord is
eenvoudig. God heeft een filosoof, een denker geïnspireerd, niet om
uitspraken te doen maar om vragen te stellen. Het was zijn taak zijn
tijdgenoten aan het denken te zetten, hen te doen beseffen dat lijden en dood
inderdaad menselijk gesproken onoplosbare raadsels zijn. Alleen
de openbaring en de verlossing door Jezus Christus gebracht, zouden van
Godswege de oplossing verschaffen voor deze problemen. Ook hier heeft de
inspiratie de aard gevolgd van het geïnspireerde boek: de schrijver wilde
de vinger leggen op een probleem zonder een volledige oplossing te bieden. God
inspireerde hem om precies dat te doen, niet meer en niet minder.
Beeld en leer in de
scheppingsverhalen
In Gen. 1,1 - 2,4a lezen we over de schepping van de wereld. De auteur
geeft ons een heel schematisch beeld van zes dagen. Er wordt verhaald hoe God
in de loop van deze zes dagen alles heeft geschapen volgens het toen geldende
wetenschappelijk wereldbeeld: een platte aarde met de hemelkoepel als dak en de
zon en de maan als lampen! Wat wilde de geïnspireerde schrijver zeggen?
Gaf hij les in natuurkunde? Wilde hij dat we het schema van zes dagen
letterlijk zouden nemen?
Analyse van de tekst maakt duidelijk dat hij ons alleen wilde
onderrichten in de geloofswaarheden: dat God alles heeft geschapen, dat alles
wat God schiep zeer mooi was, dat hij de mensen heeft gekroond tot koningen en
koninginnen van het universum, dat hij wil dat de mensen hem elke zevende dag
eren. Dit is wat de auteur wilde zeggen en dit is ook wat God wil zeggen en ons
wil doen geloven! Astronomie, natuurkunde of biologie, hij kon er helemaal
niets over zeggen.
Neem nu de zogenaamde tegenstellingen in de Schrift! Die bestaan
inderdaad, maar niet tussen uitspraken of beweringen die de leer betreffen. Men
zal merken dat tegenstellingen behoren bij de verpakking van de leeruitspraken.
Gen. 1,20-28 (in het eerste scheppingsverhaal) vertelt dat de mens geschapen is
als de bekroning van Gods scheppingswerk. Gen. 2,7 (in het tweede
scheppingsverhaal) laat God juist met de mensen beginnen. De tegenstelling
betreft de gebruikte beelden, maar niet de wezenlijke uitspraak in de twee
passages, namelijk dat de mensen onder alle schepselen die God geschapen heeft,
de hoogste in rang zijn.
Wat Jezus beoogde met zijn woorden en
zijn werken
In de parabel van de Barmhartige Samaritaan zegt Jezus: iemand ging van
Jeruzalem naar Jericho
(Lc 10/30).
Wat wil Jezus zeggen? Toch zeker dat we elkaar moeten liefhebben
(doe eveneens, vs 37!, en niet de hele gebeurtenis zelf!
Jezus zegt: De Mensenzoon heef nog geen steen om zijn hoofd op
neer te leggen. (Mt 8,20).
Was Jezus geïnteresseerd in een les over stenen, of hoofdkussens?
Wilde hij zeggen dat hij letterlijk geen steen kon vinden of kopen om zijn
hoofd op neer te leggen? We weten in feite uit het evangelie volgens Johannes
dat Jezus een kleine voorraad geld bezat (Joh 13,29). Wat Jezus wilde zeggen
was bijgevolg dat hij totaal niet hechtte aan aardse bezittingen.
Jezus heeft gezegd: Laat u geen rabbi noemen, want
één is uw meester en u bent allemaal broeders. Noem ook niemand
van u op aarde vader, want één is uw Vader, die in de
hemel. (Mt 23,8-9).
Verbiedt Jezus die benamingen werkelijk? Wat wilde hij zeggen?
Ik zeg jullie helemaal niet te zweren. . . . . Maar je ja zij ja
en je nee zij nee. (Mt 5,33-37.
Verwerpt Jezus het afleggen van een eed voor het gerecht? Was dat zijn
ware bedoeling? Let wel, Jezus spreekt zelf onder ede in Mt 26,63-64.
Ik zeg jullie een zaak niet uit te vechten met iemand die je kwaad
heeft gedaan. Maar als iemand jou een klap op je rechterwang geeft, houd hem
dan ook de andere voor. Mt 5,39-41).
Spreekt Jezus een veto uit over zelfverdediging? Verbiedt hij een
staat om politie te hebben, of een leger? Wat wilde hij zeggen? Zie hoe Jezus
zelf protesteert wanneer ze hem op de wang slaan. (Joh 18,22-23). Vgl.
Rom 13,4.
Bezien we nog eens een andere tekst. Men vertelt ons dat Jezus een nacht
lang bad. Toen riep hij bepaalde mensen tot zich, die hij zelf
wilde. Dat waren de twaalf apostelen, gekozen om het Rijk van God aan te
kondigen.
Dit zijn hun namen: eerst Simon, die Petrus genoemd wordt, en
zijn broer Andreas, Jakobus, de zoon van Zebedeus, en zijn broer Johannes;
Filippus en Bartholomeus; Thomas, en Matteus de tolbeambte; Johannes, de zoon
van Alfeus, en Thaddeus; Simon de IJveraar en Judas Iscariot (Mt 10,1-4;
Mc 3,16-19; Lc 6,13-16).
Het waren twaalf mannen. Niet één vrouw onder hen! Bij een
andere gelegenheid, zo redeneert de Congregatie voor de Leer, toonde Jezus
groot invoelingsvermogen ten opzichte van vrouwen. Meer dan eens hield
hij zich tegenover hen niet aan datgene wat sociaal gangbaar was. Hier echter
niet. Hij weigerde ook maar één vrouw op te nemen in zijn
apostolische team. Dit bewijst dat Jezus niet wilde dat vrouwen leiding gingen
geven aan zijn Kerk! Door welbewust geen enkele vrouw te verkiezen, heeft hij
voor eens en voor al de vrouwen uitgesloten van de priesterwijding.
Het argument gaat niet op want het gaat voorbij aan de bedoelingen van
Jezus.
- Want alle twaalf apostelen waren Joden; er was niet
één niet-Jood bij. Maar volgt daar dan uit dat Jezus alleen maar
Joden wilde als bisschop en priester?
- Vervolgens: alle twaalf apostelen waren vrije mensen;
er was er niet één bij die als slaaf geboren was. Zou dat
voormalige slaven uitsluiten van de priesterwijding?
- Waarom zou zijn keuze van mannen boven vrouwen een
opzettelijke uitsluiting zijn?
De waarheid is dat Jezus twaalf vrije Joden koos, omdat dit in de
maatschappelijke omstandigheden van die tijd het meest praktisch was om te
doen. Jezus keek helemaal niet zo ver vooruit: hij wilde
een aanvang maken met het rekruteren van toekomstige leiders. Hij besloot
geenszins voor de volgende generaties dat bepaalde categorieën van mensen
zouden worden uitgesloten van leiderschap. Dat lag op dat moment duidelijk
buiten de bedoeling van zijn daad.
Waarvoor waren de
huisregels ingesteld?
Hetzelfde geldt voor wat het Nieuwe Testament zegt in de zogenaamde
huisregels. Ze raden aan hoe mensen in verschillende omstandigheden zich
dienen te gedragen. Hier is een typerend uittreksel:
VROUWEN, schik u naar uw man als naar de Heer. MANNEN, hebt uw
vrouw lief. Behandel hen niet hardvochtig
. SLAVEN, wees in alles
gehoorzaam aan je aardse meesters; niet alleen wanneer zij op je toezien, om
aan mensen te behagen, maar in oprechtheid, uit respect voor je heer. Wat ook
je taak, verricht die van harte, als een dienst aan de Heer en niet voor de
mensen. Want je weet dat de Heer je zal belonen door je zijn erfgenaam te
maken. Het is Christus die je dient . . . EN HEREN, behandel je slaven
rechtvaardig en eerlijk. Besef dat je zelf een meester hebt in de hemel.
Kol 3,18 - 4,1; vgl. Ef 5,22 - 6,9; 1 Pe 2,18 -
3,7; 1 Ti 6,1-2.
De bedoeling van dergelijke passages is duidelijk om Christelijke
huishoudens in vrede te doen samenleven. Christenleiders hebben de praktijk van
het hebben van dergelijke lijsten met instructies overgenomen van de Joden, die
hun proselieten ook zo onderrichtten. De specifieke vorm die de instructies
vertonen komen deels voort uit een nieuw Christelijk perspectief en deels uit
de standaardverwachtingen van de maatschappij van die dagen. Het doel ervan is
Christengezinnen een leidraad te verschaffen binnen de specifieke situatie van
die tijd.
D.DAUBE, The New Testament and Rabbinic Judaism, London 1956,
pag. 90-140, 336-351; D.SCHROEDER, Die Haustafeln des Neuen Testaments,
Hamburg 1959; J.E.CROUCH, The Origin and Intention of the Colossian
Haustafel, Göttingen 1972; W.LILLIE, The Pauline
House-tables, The Expository Times 86 (1975) pag. 179-183.
En dat is tevens hun beperktheid. Want de katechisten die deze
huisregels aan de mensen leerden hadden het hier niet over fundamentele
kwesties als de wezenlijke gelijkheid van mannen en vrouwen, of het
onvervreemdbaar recht van elke slaaf op vrijheid. Dat lag buiten hun
gezichtsvermogen. Dergelijke fundamentele zaken worden elders behandeld,
wanneer Paulus stelt dat er geen onderscheid is tussen
man en vrouw, vrije en slaaf, Griek of Jood. (Gal 3,28; Kol 3,11; Rom
10,12). Hier is het doel simpelweg onmiddellik praktisch advies.
Het is daarom ten enen male fout te beweren dat deze huisregels
geënspireerde steun betekenen voor slavernij of voor het ondergeschikt
maken van de vrouw aan de man. Maar precies zó zijn ze wel gehanteerd
door theologen van vroeger, en zo worden ze nog steeds aangewend door sommige
christen fundamentalisten. De fout ligt hierin dat men een bedoeling toekent
aan de geïnspireerde schrijvers die ze niet hadden.
Er zijn pijnlijke fouten gemaakt door mensen die de Schrift
oppervlakkig lezen; die geloven dat de klank van de woorden belangrijk is en
niet de bedoeling van de spreker, of die een bedoeling inbrengen in een tekst
die buiten het perspectief van de bijbelschrijver lag.
John Wijngaards
De regel van de bedoeling van de schrijver houdt nauw verband met de
andere regels:
- De regel van de feitelijk bedoelde
betekenis
- De regel van de literaire vorm
- De regel van de rationalisatie
Vertaling Theresia Saers
Klik
hier als U onze campagne voor de wijding van vrouwen aktief wilt
steunen..
![]() |
In dit boek gaat Hans Wijngaards in op belangrijke historische bronnen, vanaf het begin van het christendom tot het jaar 900. Hij bewijst op overtuigende wijze dat vrouwen de rol van diaken op zich namen en hiertoe ook gewijd werden. Met zijn historische studie levert Wijngaards een belangrijke bijdrage aan het actuele debat over de wijding van vrouwen tot diaken. Klik hier! |