Jezus Christus en het feit van de sociale dominantie van mannen

Jezus Christus en het feit van de sociale dominantie van mannen

Regels voor de correcte interpretatie van de H. Schrift
* De ‘letterlijke’ betekenis
* Literaire vormen
* Het beoogde doel
*Rationaliseringen

Dat Jezus geen vrouwen uitkoos voor zijn groep van twaalf apostelen kwam doordat hij zich in deze zaak moest aanpassen aan de sociale opvattingen van zijn tijd. Jezus’ tijdgenoten werden namelijk beïnvloed door het heersende sociale en culturele gevoel dat mannen superieur waren.

Waar gaat het om?

Het feit dat Jezus onder de twaalf apostelen geen vrouw heeft gekozen, is een non-argument. Dit bewijst op zich niets. Toch werpen de documenten van Rome terecht de vraag op of Jezus zich aangepast heeft aan de houding van zijn tijdgenoten jegens vrouwen of niet. Want voor Rome is dit in haar argumentatie beslissend. Hierdoor willen ze iets dat Jezus niet deed, maken tot een ondubbelzinnige en onveranderlijke beslissing.

Wat zijn de feiten echter?

Als Jezus zou breken met de sociale gebruiken die samenhangen met mannelijke superioriteit en toch zou weigeren om vrouwen tot de groep van apostelen toe te laten, dan zouden we een aanwijzing kunnen hebben dat hij een onveranderlijke norm stelde. Als Jezus echter door alleen mannen te kiezen voor de groep van apostelen zich liet leiden door de algemene praktijk van zijn tijd, dan hebben we geen enkele reden om te veronderstellen dat hij bezwaar zou hebben als in veranderde omstandigheden vrouwen kerkelijke bedieningen zouden vervullen. En dit laatste was duidelijk het geval.

De term: de "mythe" van de superioriteit

Sociologen en antropologen wijzen op het bestaan van "mythen" die ten grondslag liggen aan sociale structuren. Ook de mannelijke dominantie berustte op zo’n mythe.

Een "sociale mythe" is een geheel van waarden, overtuigingen, praktijken en algemeen verbreide voorstellingen die de maatschappij tot richtsnoer dienen. We gebruiken het woord "mythe" hier in technische zin. "Mythen leggen de gestructureerde, overwegend cultuureigen en gemeenschappelijk semantische systemen bloot waardoor de leden van een cultuurgebied elkaar kunnen begrijpen en met het onbekende kunnen omgaan... Mythen geven uitdrukking aan de blijvende elementen van semantische systemen ".

P.MARANDA, Mythology, Select Readings. Penguin Harmondsworth 1972, blz. 12.

Om de kwesties die we gaan bespreken goed te kunnen begrijpen zal het nuttig zijn om de volgende conclusies betreffende de "sociale mythe" van de mannelijk superioriteit eens te bekijken:

Opzet

Het materiaal dat ik hier aanbied zal duidelijk aantonen dat Christus zich op vier manieren inderdaad aanpaste aan de sociale mannelijke dominantie:

(a) Hij hield vast aan het Joodse beeld van een 'vader'.

(b) Hij accepteerde de Joodse rol van de 'echtgenoot'.

(c) Hij sprak alsof het Joodse begrip van seksualiteit juist was.

(d) Hij legde zich neer bij de ondergeschikte rol die de vrouw in het godsdienstig leven vervulde.

Met andere woorden, Jezus heeft het sociale systeem waarin de man een overheersende rol in de Joodse gemeenschap bezat niet omvergeworpen. Hij aanvaardde dit systeem als sociaal systeem voor wat het waard was en handelde in overeenstemming daarmee.

(a) Jezus en het Joodse vaderbeeld

Voor de Joden was de man onbetwist het hoofd van het gezin. Hij was het middelpunt van alle betrekkingen in het gezin. Zijn vrouw en zijn kinderen (zijn zonen in het bijzonder) werden beschouwd als het kostbaarste bezit van de man.

'Je vrouw is een vruchtbare wingerd
die bloeit binnen in je huis;
je kinderen staan rond de tafel geschaard
als jonge olijfbomen.' (Ps. 128, 3)

De vader had het absolute gezag over zijn kinderen en hij kon over hun toekomst beslissen (Gen 43, 1-15; 2 Sam 13, 23-27). Het familiebezit werd door mannen geërfd en niet door vrouwen. Alleen als er geen mannelijke erfgenaam overbleef, kon een dochter erven (Num. 27, 1-11; 36, 1-12). Als enige eigenaar kon de vader het familiebezit onder zijn zonen verdelen (Deut. 21, 15-17). Het gezag van een vader en het verschil in behandeling van de zonen en de dochters van een gezin worden goed geïllustreerd door de volgende raadgeving:

'Heb je vee? Zorg ervoor!
En als het nuttig voor je is,
zorg dan dat je het behoudt.
Heb je zonen, voed hen op
en buig hun nek van jongs af.
Heb je dochters? Waak over hen,
en kijk hen niet al te vriendelijk aan.
Huwelijk je dochters uit
- dan heb je iets moois tot stand gebracht -
en geef hen aan een verstandige man.' (Sir. 7, 22-25).

In de tijd van het Nieuwe Testament was de juridische positie van de man als hoofd van het gezin niet veranderd. Jezus gaat hier zelf duidelijk van uit en accepteert het als een feit. In de parabel van de verloren zoon (Luc. 15, 11-32), is het de vader die het vermogen onder zijn zonen verdeelt. In de gelijkenis van de twee zonen krijgen de bereidwillige zoon en de onwillige allebei hun taak opgedragen door hun vader (Mat. 21, 28-31). Jezus veronderstelt duidelijk de gezagspositie van de vader als hij tegen de farizeeën zegt: 'U bent zonen van de duivel, die is uw vader, en u doet niets liever dan uitvoeren wat uw vader in de zin heeft' (Joh. 8, 44). In deze samenhang is ook belangwekkend de kwestie van Jezus' eigen relatie met het huis van David. Hoe kon Jezus 'Zoon van David' genoemd worden als Jozef niet zijn echte vader was? Was zijn moeder Maria niet van de priesterlijke stam waar ook Zacharias en Elisabet toe behoorden (Luc. 1, 36)? De evangeliën geven het typisch Joodse antwoord dat, hoewel Jozef niet de biologische vader van Jezus was, hij als Maria's wettige echtgenoot wel zijn wettelijke vader was (Mat. 1, 13-25). Dit zou Joden er weliswaar van overtuigen dat Jezus inderdaad een echte zoon van David was, maar hier blijkt ook duidelijk een idee van afstamming uit dat in onze dagen niet meer verdedigbaar is.

In al zijn parabels voegt Jezus zich naar het Joodse idee dat de man de centrale plaats in het gezin innam. De eigenaar van een huis is altijd een man (Luc. 22, 11). Het is de man die het huis bouwt (Mat. 7, 24-27). De man verdedigt het huis tegen indringers (Mat. 12, 29) en is 's nachts wakker om een dief te betrappen (Mat. 24, 43). De man beheert het bezit (Mat. 25, 14-30), oefent het gezag over de knechten uit (Mat. 24, 45-51) en gaat over de voorraad (Mat. 13, 52).

(b) De rol van man en vrouw in de voorbeelden van Jezus

Volgens de Joodse manier van denken was de vrouw bijna het bezit van haar echtgenoot te noemen. Hij had eigendomsrechten over haar. 'Met een goede vrouw is men goed bedeeld' (Sir. 26, 3). 'Haar waarde gaat die van koralen ver te boven! ' (Spr. 31, 10). In de Tien Geboden wordt de echtgenote genoemd als een van andermans zaken die men ongemoeid moet laten: 'U zult u zinnen niet zetten op de vrouw van uw naaste, niet op zijn slaaf, zijn slavin, zijn rund of zijn ezel, op niets wat hem toebehoort' (Ex. 20, 17). Ongetwijfeld zal een goede man van zijn vrouw gehouden hebben en zullen de betrekkingen tussen hen veel menselijker geweest zijn dan door dergelijke juridische verhoudingen uitgedrukt kon worden. Het Hooglied laat deze meer menselijke kant van de zaak zien. Toch bleef het eigendomsrecht van de man over zijn vrouw het fundament waarop de huwelijksband werd aangegaan. De man kon feitelijk de huwelijksband naar goeddunken ontbinden (Gen. 16, 1-6; Dt 24, 1-4). In extreme gevallen kon hij haar weggeven zoals de Leviet die, onder druk, zijn vrouw afstond aan de inwoners van Gibea om genoegen aan haar te beleven. Toen de vrouw als gevolg van de ondervonden behandeling kwam te sterven, werden de bewoners van de stad wegens het gedane onrecht veroordeeld; de Leviet echter niet voor het weggeven van zijn bijvrouw (Re. 19, 1-30).

Als hij over het huwelijk spreekt, neemt Jezus de notie van de Joden met de man als middelpunt als iets vanzelfsprekends aan. Hij spreekt over een koning die een huwelijk voor zijn zoon regelt zonder de koningin zelfs ook maar te noemen (Mat. 22, 1-14). Bij de bruiloft zelf wordt niet de bruid maar de bruidegom gehuldigd. Het lijkt wel of de bruiloftsgasten alleen gasten van de bruidegom zijn (Mat 9, 15). De tien meisjes wachten niet op de bruid maar op de bruidegom. En hij is het ook die de domme meisjes van het feest uitsluit (Mat. 25,1-13). Het was heel gewoon dat Jezus zei: 'Hij die de bruid mag bezitten, is de bruidegom' (Joh. 3, 29). Terloops vermeldt Jezus dat de vrouw en de kinderen van een man als slaaf verkocht worden zodat zijn schuld betaald kan worden (Mat. 18, 25), en noemt hij de vrouw en de kinderen onder andere bezittingen die zijn naaste volgelingen moeten achterlaten omwille van het koninkrijk van God (Luc. 18, 29). Blijkt uit dit alles niet overduidelijk dat Jezus de sociale relaties tussen man en vrouw zonder meer accepteerde zoals hij die in zijn tijd aantrof?

Dit wordt verder bevestigd door het onderricht van de apostelen. Als Jezus de sociale mythe van de manlijke dominantie had verworpen, waarom gingen zij dan door met die te versterken? Ook de apostelen veronderstellen dat de man, als vader, als echtgenoot en gezinshoofd, het hoogste gezag in het gezin uitoefent. De mannen moeten begrip en respect voor hun vrouw tonen (1 Petr. 3, 7). Een man moet zijn vrouw liefhebben, haar voeden en haar koesteren. (Ef. 5, 21-33). Maar de vrouw is de 'zwakkere'. Ze moet haar man gehoorzamen, en zuiver en respectvol leven (1 Petr. 3, 1-7). Een vrouw moet zich schikken naar haar man (Kol. 3, 18), hem onderdanig zijn (Ef. 5, 22). Hoewel in enkele teksten de gelijke positie van de vrouw als kind van God wel erkend wordt (Gal. 3, 28), waren de sociale implicaties van deze leer nog niet gerealiseerd.

(c) Jezus en de biologische ideeën van de Joden

Het Joodse idee over mannelijke dominantie werd ondersteund door hun verkeerde begrip van de seksuele functies. Wij weten dat de foetus in de baarmoeder het product is van een vereniging van een mannelijke zaadcel met een vrouwelijk eitje. De Joden wisten dit niet. Zij identificeerden de foetus met het zaad. Voor hen zijn 'zaad' en 'nageslacht' synoniem (vgl. Gal. 3, 16). Terwijl de moeder een nuttige functie vervulde door haar baarmoeder ter beschikking te stellen, bleef de vader degene die als de drager van 'nageslacht' leven voortbracht.

Het is duidelijk dat het nooit Jezus' bedoeling geweest is om les te geven over de biologie van de seksualiteit. Als hij het heeft over de seksuele rol van de man en de vrouw in het huwelijk, dan is wat hij zegt in overeenstemming met de Joodse ideeën. Hij verbetert ook niemand die zo spreekt.

Ook voor Jezus behoorde het tot de taak van de man om voor nageslacht te zorgen door zijn zaad te schenken. De Joden zeggen dat zij van Abraham afstammen omdat ze rechtstreeks uit zijn zaad voortkomen en niet uit ontucht geboren zijn (Joh. 8, 39-41). Jezus accepteert de gewoonte dat een man de weduwe van zijn broer trouwt om nageslacht voor hem te verwekken, maar hij ontkent dat deze praktijk in de hemel voortgezet zal worden (Luc. 20, 27-36). Jezus zegt van mannen die in seksuele onthouding leven dat ze zich 'tot eunuch gemaakt hebben', en zegt zo in nogal krasse termen dat een celibatair vrijwillig van voortplanting afziet (Mat. 19, 10- 12). Bij de beschrijving van Jezus' eigen geboorte volgen de evangelisten dezelfde gedachtegang. Jezus is waarlijk de Zoon van God omdat Maria geen menselijk zaad ontving maar een goddelijke vervanging daarvan. Zij heeft ontvangen 'van de heilige Geest' (Mat. 1, 20). De kracht van de Allerhoogste heeft haar overdekt (Luc. 1, 35). Op deze manier is Jezus' eigen geboorte het volmaakte voorbeeld van het goddelijk zoonschap, wat Johannes definieert als geboren te zijn 'niet langs de weg van het bloed, niet door de begeerte van het vlees of door mannelijk streven, maar uit God' (Joh. 1, 13).

De rol van de vrouw wordt goed weergegeven door de uitroep 'Gelukkig de schoot die U heeft gedragen, en de borsten waaraan U hebt gezogen' (Luc. 11, 27). Jezus neemt deze zienswijze over en gebruikt die zelf als hij de toekomstige tragedie van Jeruzalem beschrijft, wanneer men zal zeggen: 'Gelukkig de onvruchtbare vrouwen, de schoot die niet heeft gebaard en de borsten die niet hebben gezoogd' (Luc. 23, 29). Een vrouw die geen kinderen baart, wordt onvruchtbaar genoemd: haar schoot is als dorre grond die het zaad niet kan opnemen. In deze zin wordt Elisabet onvruchtbaar genoemd (Luc. 1, 7. 36). In een gesprek over geestelijke hergeboorte vraagt Nicodemus: 'Kun je soms nog eens de schoot van je moeder binnengaan om geboren te worden?' Jezus antwoordt dat in het rijk der hemelen een mens geboren wordt uit 'water en geest'. Om het wat cru te zeggen, in het huwelijk van het doopsel treedt de heilige Geest op als de vader die het zaad voortbrengt, terwijl het water als de schoot van de moeder is (Joh. 3, 4-8). Jezus veronderstelt ook het Joodse idee van voortplanting als hij zijn lijden beschrijft. Zijn dood is als een graankorrel die in de aarde valt, en sterft in de schoot daarvan, maar herboren wordt en rijke vruchten voortbrengt (Joh. 12, 24). De angst en de pijn van het baren is vergeten als het nieuwe kind eenmaal geboren is (Joh. 16, 21). Hoewel zulke teksten helemaal geen verkondiging - laat staan geïnspireerde leer - inhouden over het functioneren van de seksualiteit, bewijzen ze zonder enige twijfel dat Jezus zich in deze zaken aanpaste aan de ideeën van zijn tijdgenoten.

(d) Vrouwen en de eredienst

De sociale mythe die de man op een voetstuk plaatste, had grote gevolgen voor de manier waarop de Jood van het Oude Testament zijn godsdienst begreep en praktiseerde. In de godsdienst en in het verbond met God werden mannen en vrouwen beslist niet als gelijken beschouwd. Uit een paar harde feiten moge blijken waar deze houding toe leidde.

De ongelijkheid begon bij de geboorte. Na de geboorte van haar kind werd de moeder enige tijd ritueel als onrein beschouwd. Was het kind een jongen, dan was ze veertig dagen onrein; was het een meisje, tachtig dagen (Lev. 12, 1-8). Elke mannelijke eerstgeborene 'die de moederschoot opent' moest vrijgekocht worden met een speciaal offer. Een meisje telde daarbij niet mee (Ex. 13, 11-16). Alle mannelijke kinderen moesten op de achtste dag na de geboorte besneden worden. Dit was een wezenlijke voorwaarde om tot het Verbond te horen, min of meer te vergelijken met ons doopsel om tot de Kerk te behoren. Voor vrouwen was er echter geen equivalente inwijdingsrite (Gen. 17, 9-14). Dit alles betekende dus eigenlijk dat God zijn verbond gesloten had met de mannen, de 'zonen van Israël'. De vrouwen hadden slechts indirect deel aan het Verbond, via hun vader of echtgenoot.

In godsdienstige zaken kon een vrouw niet als een volwaardig persoon, onafhankelijk, namens zichzelf optreden. Een religieuze gelofte van een vrouw was alleen maar geldig als die bekrachtigd werd door haar vader of haar echtgenoot (Num. 30, 2-17). Vrouwen konden geen offers brengen. Als zij ter aanbidding naar de tempel gingen, was dat vrijwillig, niet verplicht: 'Driemaal per jaar moeten al uw mannen verschijnen bij God JHWH' (Ex. 23, 17). Het was in de tempel van Jeruzalem zelfs zo geregeld dat de vrouwen slechts tot op zekere hoogte toegang hadden tot het centrale heiligdom. Terwijl de mannen konden doorlopen naar het 'voorhof van Israël', vanwaar men de tempel zelf met ervoor het brandofferaltaar kon zien, moesten de vrouwen achterblijven in het 'voorhof van de vrouwen'.

Net zoals in de regering, in de oorlog, in het gezinsleven en het zakenleven, was ook de godsdienst een terrein waar mannen mannen ontmoetten. JHWH zelf werd als man voorgesteld. De titels waaronder hij werd aangeroepen, Koning, Heerser, Krijgsman, Rechter, Vader, riepen een echt mannelijk beeld op. De profeten konden over hem spreken als over een man die de ontrouw van zijn weerspannige vrouw, Israël, moest verdragen (Hos. 3, 1-5). Afgoderij en de aanbidding van andere goden werd vergeleken met overspel en ontucht (Ez. 16, 15-43). En hoewel vrouwen tot God konden bidden en soms zelfs zijn woordvoerster konden zijn (vergelijk een profetes als Debora, Re. 4, 1-9), waren godsdienst en openbaring in wezen het terrein waar God, de Man, en zijn eerstgeboren zoon, de mannelijke Israëliet, elkaar ontmoetten. De geest van een en ander komt goed tot uiting in de woorden die God tot Job richtte:

'Weer u als een man.
Ik stel vragen, u leest Mij de les' (Job 38, 3; 40, 7).

Het wordt zo wel duidelijk dat men zich in deze godsdienstige context een vrouw nooit als priester kon voorstellen. De Mozaïsche wet beperkt het priesterschap tot Aäron en zijn zonen (Lev. 8, 1-36). En dat priesters noodzakelijk mannen moesten zijn, was voor de Joden zo vanzelfsprekend dat er in het hele Oude Testament geen tekst te vinden is waarin vrouwen expliciet daarvan uitgesloten worden. Als er over priesters gesproken wordt, dan zijn het mannen. De enorme kloof tussen priesters en vrouwen wordt het duidelijkst uitgedrukt in de indirecte wetgeving waardoor de 'heiligheid' van een priester behoed wordt voor verontreiniging in de omgang met vrouwen. Een priester moest een maagd huwen. Hij mocht niet huwen met 'een publieke vrouw, met een vrouw die onteerd is, of met een vrouw die door haar man verstoten is' (Lev. 21, 7-9). De vrouw en de dochters van een priester mochten eten wat hij at, ook van de gaven die opgedragen waren (Lev. 22, 13). Maar bepaalde offers waren hoogheilig. Die mochten alleen maar door mannen gegeten worden (Num. 18, 8-10). Toen David en zijn gezellen honger hadden en er alleen maar het 'heilig brood' van het spijsoffer beschikbaar was, gaf de hogepriester hun die aarzelend te eten, en pas nadat men hem verzekerd had dat zij al enige dagen geen omgang met een vrouw hadden gehad (1 Sam. 21, 4-6). In deze gedachtewereld was het letterlijk ondenkbaar dat men zich een vrouw kon voorstellen als ambtsdrager aan het altaar.

Jezus hield er zelf natuurlijk andere ideeën op na. En in zijn eigen optreden lag een grote persoonlijke openheid naar vrouwen. Vrouwen en mannen gingen het koninkrijk als gelijken binnen door het ene doopsel. Jezus’ houding ten opzichte van vrouwen droeg de kiemen van haar toekomstige ambt in zich, zoals Lucas impliciet in zijn evangelie tot uitdrukking brengt. Maar Jezus moest omgaan met mensen van zijn tijd. Hij kon geen onmiddellijke sociale revolutie teweegbrengen.

Jezus hield er zelf natuurlijk andere ideeën op na. En in zijn eigen optreden lag een grote persoonlijke openheid naar vrouwen. Vrouwen en mannen gingen het koninkrijk als gelijken binnen door het ene doopsel. Jezus’ houding ten opzichte van vrouwen droeg de kiem van hun toekomstige ambt in zich, zoals Lucas impliciet in zijn evangelie tot uitdrukking brengt. Maar Jezus moest omgaan met mensen van zijn tijd. Hij kon geen onmiddellijke sociale revolutie teweegbrengen.

Besluit: Jezus moest zich aanpassen

Al deze wetten waren in Jezus' tijd van kracht. Alle religieuze leiders - priesters, schriftgeleerden, farizeeën of rabbijnen - waren mannen. Als dit het religieuze klimaat van de tijd was, moeten we er dan van staan te kijken dat Jezus alleen mannen riep om apostel te worden? Of om het op een andere manier te zeggen: als hij het geestelijk ambt aan vrouwen had willen toevertrouwen, dan had er eerst een radicale maatschappelijke omwenteling plaats moeten vinden, eerder nog dan een godsdienstige hervorming. Zelfs als Jezus de sociale structuren van de toenmalige samenleving omver had willen werpen dan zou het zeer te betwijfelen zijn of hij dat in zo'n korte tijd klaar had kunnen spelen. Een eeuwenoude sociale mythe die ingebakken is in de structuur van het leven en de denkwijze van de mensen, kan zelfs niet door een Godmens in drie jaar preken uitgeroeid worden. Maar Jezus wilde geen maatschappelijke omwenteling tot stand brengen.

Hoewel zijn leer en bevrijdend optreden de principes bevatten die een ware sociale gelijkheid mogelijk maken, weerhield Jezus zich van iedere directe sociale rebellie. Hij wilde niet betrokken raken in een politieke strijd voor onafhankelijkheid. Hij accepteerde discriminatie van vrouwen als een realiteit van de maatschappij waarin hij leefde. Door alleen mannen voor leidende functies in zijn Kerk te kiezen hield Christus zich gewoon aan de sociale beperkingen die de toenmalige maatschappij hem opdrong.

Hans Wijngaards

Wat te zeggen over de voorbeelden die Rome aanhaalt om Jezus' "moedige breuk met de ingeburgerde gewoonte" te illustreren? Lees mijn antwoord hier.

Jezus heeft wel een nieuw religieus principe geïntroduceerd waardoor in zijn Rijk vrouwen op voet van gelijkheid met mannen kwamen te staan. Door het doopsel hebben ook vrouwen deel aan zijn priesterschap. Daardoor is de grondslag gelegd voor hun volledige toelating tot het ambtelijk priesterschap.

Vertaling: Theo van Schaick fic

Klik hier als U onze campagne voor de wijding van vrouwen aktief wilt steunen..

historische overzichten


This website is maintained by the Wijngaards Institute for Catholic Research.

John Wijngaards Catholic Research

since 11 Jan 2014 . . .

John Wijngaards Catholic Research