OOK VROUWEN PRIESTER? JAZEKER!header

Responsive image

BEGIN

REDEN GENOEG

TEGEN DE PAUS?

DEBAT

MENU

Nederlands/Vlaams Deutsch Francais English language Spanish language Portuguese language Catalan Chinese Czech Malayalam Finnish Igbo
Japanese Korean Romanian Malay language Norwegian Swedish Polish Swahili Chichewa Tagalog Urdu
------------------------------------------------------------------------------------
Rationaliseringen

Rationaliseringen

Regels voor de correcte interpretatie van de H. Schrift
* De ‘letterlijke’ betekenis
* Literaire vormen
* Het beoogde doel
*Rationaliseringen

Regel 4. We dienen onderscheid te maken tussen wat de schrijver werkelijk wil zeggen en rationaliseringen en redeneringen die gemeengoed zijn en waarin hij zijn eigen menselijke standpunten weergeeft.

Er is een enorm verschil tussen de rede en rationalisering. We hebben misschien goede redenen voor onze houding en onze handelingen. Maar soms houden we onszelf voor de gek. We willen niet toegeven dat onze ware beweegredenen irrationeel zijn. Derhalve bedenken we drogredenen. Dit wordt rationalisering genoemd: het vinden van aanvaardbare redenen om tegenover onszelf of tegenover andere mensen een gedrag te verklaren, waarvoor we eigenlijk andere beweegredenen hebben, die we niet kennen of waarvan we ons niet bewust zijn.

Rationalisering is een heel menselijk trekje. Zou de Heilige Schrift zo menselijk zijn dat zij ook ‘algemeen verbreide maar valse redenen’ bevat? Het antwoord is: zeker wel. Want niets menselijks is de Schrift vreemd.

We zullen het verschijnsel rationalisering in vier stappen bespreken.

  1. De menselijke kant van Gods Woord.
  2. Het rationaliseren over Gods straffende hand
  3. Aan God een vijandige houding toeschrijven ten opzichte van andere volkeren.
  4. Rationaliseringen bij Paulus.

De menselijke kant van Gods Woord.

De Heilige Schrift is één voorbeeld van de manier hoe God heil brengt met menselijke middelen en vormen.

"Evenals het wezenlijke Woord van God aan mensen gelijk werd in alles ‘afgezien dan van de zonde’ (Heb 4,15), zo werden Gods woorden, in menselijke taal uitgedrukt, in alles gelijk aan mensentaal, uitgezonderd de fouten."

Pius XII, Divino Afflante Spiritu, Denz. 2294 (3229-3230).

Wanneer Jezus Christus de hele dag had gepreekt, werd Hij moe. Hij moest eten en drinken om nieuwe kracht op te doen. Jezus kende in zijn lichaam alle menselijke beperkingen. Ook Hij had slechts twee handen en twee voeten! Hij kon ook maar op één plaats tegelijk zijn. Hij kon last hebben van alle kwaaltjes en ziektes die andere mensen oplopen. Hij koos er zelfs voor te sterven zoals wij, wanneer wij in gelijke omstandigheden zouden zijn gestorven. Al deze feiten tonen duidelijk aan hoe de Zoon van God waarlijk mens werd. Toch doen al deze menselijke beperkingen niets af aan zijn oneindige godheid. God wenste ons te redden door middel van de aangenomen menselijke natuur van zijn Zoon.

Dit principe van "het goddelijke dat werkt doorheen het menselijke" werkt gelijkelijk in de sacramenten die Jezus heeft ingesteld. Een priester kan gewijd zijn in om het even welk land, met om het even welke status, uit om het even welke intellectuele achtergrond. De priester mag dan zijn oog kwijt zijn of zijn hand, hij kan zelfs slechte gewoonten hebben of een zondaar zijn. Maar wanneer hij de consecratie verricht of zonden vergeeft, bewerkt God verlossing door hem. De hostie op het altaar mag rond zijn of vierkant, kan gemaakt zijn uit tarwe die afkomstig is uit Canada dan wel Nigeria, ze kan zoet smaken of juist een tikkeltje zout, toch bevat zij waarlijk Jezus Christus zelf! Met andere woorden, God werkt door mensen. De echt menselijke beperkingen van het middel verminderen geenszins de goddelijke verlossing die erdoor bewerkt wordt.

Dit theologische principe van de menswording dient men ook te erkennen in de Heilige Schrift. Ook hier bewerkt God heil door echt menselijke middelen. De geïnspireerde boeken zijn echt menselijk, net zo goed als het lichaam en de ziel van Jezus, Jezus’ priesters en de sacramenten waarlijk menselijk zijn. De bijbelwoorden hebben alle beperkingen van mensenwoorden: ze worden uitgesproken in bepaalde talen; ze zijn onvolledig en niet geheel juist; ze zijn onvolmaakt van stijl en inhoud. Ook de geïnspireerde schrijvers behielden alle trekken die kenmerkend zijn voor gewone mensen: ze vertoonden hun eigen beperkte denktrant; ze zaten vast aan bijzondere belangen en voorkeuren; ze waren vrij warrig in het verstaan en het uitspreken van de waarheid en waren soms met zichzelf in tegenspraak. En ondanks het feit dat ze zo echt menselijk waren maakt God door hen zijn eigen boodschap duidelijk! Hoe meer wij met ons verstand doordringen in de Heilige Boeken, des te beter we beseffen hoe menselijk deze zijn. Dit kan echter geen argument worden tegen het geïnspireerd karakter ervan, evenmin als Jezus’ waarlijk menszijn het feit weerspreekt dat hij waarlijk God is.

Incarnatie betekent afdaling. Gods oneindige liefde bracht hem ertoe de goddelijke boodschap te doen incarneren in de geïnspireerde woorden van de Schrift. God wilde tot ons spreken op een echt menselijke wijze. Gods uitnodiging aan de mensheid moest niet tot ons komen in abstracte dogmatische stellingen. In plaats daarvan wilde God spreken tot ons hart. Hij wilde met ons debatteren, ons overtuigen, ons bedreigen, met ons pleiten. Hij wilde met ons spreken zoals een vader of moeder zijn of haar kinderen leert.

Rationaliseringen, het gebruik van persoonlijke meningen en drogredenen tijdens een gesprek zijn één aspect van de menselijkheid van de Schrift.

Rationaliseringen over Gods straffende hand.

In de oude tijd waren de Israëlieten er vast van overtuigd dat elke ramp op de een of andere manier dient te worden verklaard als straf voor een bepaalde misdaad. Zo lezen wij bijvoorbeeld dat er een hongersnood heerste ten tijde van de regering van David. Men raadpleegde een orakel, dat de volgende uitspraak deed: "Op Saul en zijn huis rust een bloedschuld vanwege de Gibeonieten die hij gedood heeft." David onderzocht de zaak verder en hoorde dat Saul ongeveer tien jaar tevoren enkele Gibeonieten ter dood had laten brengen. Daarop sprak David met de Gibeonieten en vroeg hen wat zij van hem verwachtten.

"Uit het nageslacht van de man die ons uitmoordde, moeten aan ons zeven mannen worden uitgeleverd. Wij willen hen aan palen ophangen voor de HEER in Gibea van Saul, de uitverkorene van de HEER." (2 S 21,6).

Aldus kwam David met hen overeen. Hij arresteerde zeven zonen van Saul en droeg ze over. De Gibeonieten hingen hen op en lieten hun lijken verrotten vóór het heiligdom te Gibea. Na een aantal maanden werden de lijken neergehaald en verbrand. Daarna "nam God dat aan als verzoening voor het land" (2 S 21,14).

Wanneer we een dergelijke passage lezen moeten we uiterst zorgvuldig zijn met de verklaring. Het lijkt alsof God de zonde van Saul gewroken wilde zien: "Op Saul en zijn huis rust een bloedschuld" (2 S 21,1), en tenslotte nog, "Daarna nam God dat aan als verzoening." Uit vele andere voorbeelden weten we dat het onjuist zou zijn zo te denken. Wat we uit dergelijke episoden weten is geen regelrechte openbaring maar een verslag van hoe de mensen van die tijd (in dit geval rond 1.000 v. Chr.) over God dachten. Het was hun rationalisering, en het zou onjuist zijn als wij die zouden zien als geïnspireerd!

De reactie van God op die wijze van denken wordt verduidelijkt in andere passages. De oude Hebreeuwen waren ervan overtuigd dat God de kinderen zou straffen voor de zonden van hun ouders. "Ik ben voor hen die Mij haten een jaloerse God die de schuld van de vaders wreekt op hun kinderen, tot de derde en vierde generatie" (Ex 20,5). Bij het voorbeeld van de hongersnood als boven vermeld, dachten zij dat God de kinderen van Saul wilde straffen voor de misdaad van hun vader. Maar God corrigeerde die gedachte duidelijk en precies. De profeet Ezekiel (580 v. Chr.) verklaart omstandig dat de mensen worden gestraft om hun eigen zonden of beloond voor hun eigen deugden. Wat de zonden van de ouders betreft, is hij niet mis te verstaan:

"U vraagt: `Waarom hoeft de zoon niet te boeten voor de ongerechtigheid van zijn vader?´ Omdat de zoon naar recht en wet gehandeld heeft en al mijn geboden nauwgezet onderhouden heeft, blijft hij in leven. Alleen de zondaar zelf zal sterven. De zoon hoeft niet te boeten voor de zonden van zijn vader en de vader niet voor de zonden van zijn zoon. De rechtvaardigheid zal alleen de rechtvaardige worden aangerekend en de slechtheid alleen de slechte mens" (Ez 18:19-20).

Hetzelfde grondbeginsel is ook in de Wet vastgelegd als algemene regel.

"Vaders mogen niet ter dood gebracht worden vanwege hun kinderen, en kinderen niet om hun vader. Ieder zal ter dood gebracht worden vanwege zijn eigen schuld" (Dt 24,16).

Dit geeft veel te denken! Toen de onschuldige zonen van Saul ter dood werden gebracht om de misdaad van hun vader, was dit niet waar God om vroeg. De Israëlieten dachten dat hij het wilde. Het was hun rationalisering. En vergeet niet dat zij de hongersnood toeschreven aan wat zij veronderstelden de wil van God te zijn. Zij dachten: Deze hongersnood moet wel het gevolg zijn van een misdaad die wij hebben bedreven, want waarom zou God ons anders straffen? Natuurlijk, het zal het onrecht wel zijn dat Saul bedreven heeft. Als wij de zonen van Saul straffen, zal God tevreden zijn en zal hij de straf doen ophouden. Het was alweer een rationalisering!

Tegenwoordig weten we dat deze denkwijze niet juist is. De hongersnood was geen straf van Godswege. Het doden van de zonen van Saul behaagde hem niet. Het enige dat we kunnen zeggen is dat God dit soort denken toeliet totdat hij het moment gekomen achtte om het voorgoed te corrigeren. Maar let wel: we vinden in de Schrift overduidelijk rationalisering.

We treffen een dergelijk verhaal ook aan in 2 Samuel waar een epidemie wordt toegeschreven aan het feit dat David een volkstelling heeft gehouden. "Ik heb zwaar gezondigd door dat te doen. Ach HEER, vergeef toch de zonde van uw dienaar", zo bidt David. (2 S 24,10). Maar als hetzelfde gebeuren wordt vermeld in 1 Kronieken krijgt Satan de schuld.

"Eens keerde satan zich tegen Israël. Hij zette David ertoe aan een volkstelling te houden in Israël" (1 Kr 21:1).

Weer vinden we hetzelfde proces van rationalisering en het toeschrijven van oorzaken. Wanneer er een epidemie uitbrak zochten het volk naar een boosdoener. Men kwam tot het besluit dat het wel de volkstelling van David moest zijn. Later raakten ze overtuigd dat Satan er de hand in moest hebben gehad! Maar een volkstelling houden was beslist geen zonde. In het priesterlijk verslag van Israël’s tocht door de woestijn, een verslag dat eeuwen later werd opgeschreven, wordt de volkstelling voorgeschreven als een plicht.

[De Heer sprak tot Mozes:] "In heel de gemeenschap van de Israëlieten moet u, naar geslachten en families, een telling houden van alle mannelijke personen, zonder uitzondering, van de weerbare mannen in Israël die twintig jaar of ouder zijn. Samen met Aäron moet u hen inschrijven volgens de afdeling waartoe zij behoren." (Nu 1,2-3).

"De Heer sprak tot Mozes en Eleazar, de zoon van de priester Aaron: Houd een telling van de hele gemeenschap van de Israëlieten, van alle weerbare mannen van twintig jaar en ouder, volgens hun families" (Nu 26,1-2).

Opnieuw moeten we tot dezelfde slotsom komen: Ondanks datgene wat de tijdgenoten van David dachten, kwam de epidemie niet als een straf van God voor het feit dat David een volkstelling had gehouden. Hun rationaliseringen waren onjuist.

Toen Jezus en zijn leerlingen langs de tempel van Jeruzalem liepen gebeurde iets dergelijks. De apostelen zagen een man die bekend stond omdat hij vanaf zijn geboorte blind was – interessante gespreksstof voor de Joden. Want, in de mening dat een dergelijk gebrek een straf moest zijn voor zonde, wisten ze niet aan wie ze het moesten toeschrijven. De apostelen leggen het geval voor aan Jezus:

"Rabbi, waarom is hij blind geboren? Heeft hij dat te wijten aan zijn eigen zonde of aan die van zijn ouders?" Jezus antwoordde: ‘Niet aan zijn eigen zonde, en evenmin aan die van zijn ouders. Nee, de daden van God moeten in hem openbaar worden. (Joh 9,2-3).

De blindheid was niet het gevolg van iemands zonde, wie dan ook. Duizenden mensen worden geboren met slechte ogen of met een andere handicap. Dit heeft niets te maken met zonde. Het zou onjuist zijn als we een bovennatuurlijke verklaring zochten. Er is iets mis gegaan in een natuurlijk proces. Toch diende de blindheid van de man die bij de tempel zat wel ergens voor. "De daden van God moeten in hem openbaar worden".

Het toekennen aan God van vijandige gevoelens ten opzichte van andere volkeren

De Israëlieten en de Moabieten leefden als gezworen vijanden naast elkaar. Koning Mesja vermeldt op zijn beroemde stele [830 v. Chr.] hoe hij Israëlietische steden onderwierp, en mannen, vrouwen en kinderen doodde "om Kemosj te bevredigen", die zijn god was. De Israëlieten schijnen hetzelfde te doen met Moab, want we lezen dat David "beval hun plat op de grond te gaan liggen en ging er toen langs met een meetlint dat hij uitlegde: twee lengten voor wie moesten sterven, één lengte voor wie in leven mocht blijven" [2 S 8,2].

Een dergelijke vijandigheid is misschien vanzelfsprekend in de mensengemeenschap. Maar wat te denken van goddelijke wetten die een dergelijke haat schijnen in te prenten? Wat hier in feite gebeurde is dat de vijandige houding van Israël ten opzichte van zijn buren op God geprojecteerd werd. Het was hun rationalisering dat God deze mensen totaal verwierp. Met betrekking tot Moab en Ammon schrijft de wet in Deuteronomium voor:

"Ammonieten en Moabieten hebben geen toegang tot de gemeente van de heer; zelfs hun nakomelingen tot in de tiende generatie hebben er geen toegang, nu niet en nooit. Zolang u leeft, mag u geen vriendschap of vrede met hen zoeken." [Dt 23,4.6].

Een even onverzoenlijke houding wordt hen opgelegd ten opzichte van de Amalekieten. Herinnerend aan het verzet van Amalek tijdens de jaren in de woestijn , stelt de wet:

"Als de heer uw God u in het land dat hij u in eigendom geeft, rust heeft verleend van alle vijanden in uw omgeving, dan moet u de herinnering aan Amalek onder de hemel wegvagen. Vergeet dat nooit!" (Dt 25,19).

Mozes moet "de Midjanieten neerslaan" (Nu 25,17). Jozua moet plechtig beloven dat hij de hele bevolking van de steden die hij verovert moet ombrengen (Joz 8,2). Saul mag geen koning meer blijven, omdat hij enkele Amalekieten heeft gespaard (1 S 15,17-24). Onverzoenbare haat ten opzichte van andere volken wordt gerationaliseerd en opgedragen als plicht! Dt 7,2 vat het samen in de volgende woorden: "Dan moet u ze aan de vernietiging wijden. U mag geen verbond met hen sluiten en geen medelijden met hen hebben!" Is een dergelijke geest van onbarmhartige vijandschap te verenigen met Gods gebod "dat we onze naaste moeten beminnen als onszelf"?

Wanneer de edelen van Sedekia een complot beramen tegen het leven van Jeremia, roept de profeet tot God. We kunnen met hem meevoelen als hij de vloek van God afroept over zijn vijanden. Hij verzoekt God hongersnood over hen te laten komen, pest en plunderaars. En Jeremia wenst hen niet alleen fysiek kwaad toe. Hij gaat nog verder:

"Vergeef hun misdaad niet en wis hun zonde niet uit!" (Jr 18,1-23).

Naar menselijke maatstaf zijn die gevoelens heel goed te begrijpen. Maar hetzelfde soort gebed komt voor in het psalterium – in gebeden die geacht worden voorbeeldig te zijn en bijzonder aangenaam aan God! Dergelijke smeekbeden als men hieronder aantreft lijken niet te passen bij de liefde voor onze naaste die God, laten we wel wezen, van ons verwacht:

De Israëlieten die zo baden rationaliseerden dat God aan hun kant stond. Dat was menselijk maar niet juist. Deze verzen kwetsen in feite zozeer onze christelijke gevoeligheid, dat ze bij de liturgische hervorming van het Tweede Vaticaans Concilie uit het brevier zijn geschrapt. Toont dat nog niet voldoende aan dat rationalisering deel uitmaakt van de Schrift en dat er heel zorgvuldig mee dient te worden omgegaan?

Rationaliseringen bij Paulus

Paulus bezigt vaak rationaliseringen, gewoonlijk wanneer hij iets wil beredeneren en allerlei redenen aanvoert die in zijn hoofd opkomen, sommige gelukkiger gekozen dan andere. Uit Paulus’ eigen manier van spreken wordt het duidelijk dat hij in dergelijke gevallen niet wil dat deze redenen onderdeel uitmaken van zijn onderricht: het zijn maar ‘gedachten’ die een punt moeten onderstrepen.

Ik zal vier beroemde voorbeelden geven uit de brieven van Paulus. Altijd vinden we er deze structuur: (a) het punt dat hij behandelt, (b) argumenten en rationaliseringen.

Hoewel sommige van de brieven mogelijk van de hand van leerlingen van Paulus zijn, zullen we ze alle behandelen als paulinische brieven, aangezien ze dezelfde rationaliserende trekjes vertonen.

Bij Tit 1,5-13 is het te behandelen punt duidelijk de bezorgdheid over "mensen die zich niets laten gezeggen (op Kreta). . . .die men de mond moet snoeren" (vs. 10-11). De schrijver vervolgt:

  1. "Een van hen, nog wel hun eigen profeet, heeft gezegd: "Kretenzers zijn onverbeterlijke leugenaars, gemene beesten, vadsige buiken" (vers 12).
  2. Dit is een waar getuigenis." (vers 13).

Is het geïnspireerde leer van de schrijver dat Kretenzers echt altijd leugenaars zijn, gemene beesten, vadsige buiken? Natuurlijk niet. Het is eens te meer een menselijke rationalisering van de auteur.

In Rom 1,18-32 beschrijft Paulus het moreel verval van de Grieks-Romeinse wereld. Wat hij vooral wil zeggen is dat die wereld vol was van "goddeloosheid en ongerechtigheid" (vers 18). Als redenen geeft hij onder meer:

  1. Ze hadden de éne schepper moeten kennen, in plaats daarvan zijn ze afgodendienaars geworden.(vers 19-23).
  2. "Daarom heeft God hen prijsgegeven aan hun onreine begeerten" (algemeen seksuele verdorvenheden; vers 24).
  3. "Daarom heeft God hen prijsgegeven aan onterende hartstochten. Hun vrouwen hebben de natuurlijke omgang verruild voor de tegennatuurlijke. Eveneens hebben de mannen de natuurlijke gemeenschap met vrouwen opgegeven en zijn ze in lust voor elkaar ontbrand: mannen plegen ontucht met mannen. Zo ontvangen zij aan den lijve het verdiende loon voor hun afdwaling." Vers 26-27
  4. Algemene verbreiding van zonde en misdaad (vers 28-32).

Het derde voorbeeld dat Paulus geeft, over homoseksualiteit, is duidelijk een rationalisering:een populaire verwijzing naar de bekende homoseksuele excessen in hellenistische kringen, die de gewone mensen ergerden. Deze tekst mag duidelijk niet gebruikt worden om homoseksualiteit als zodanig te veroordelen. Eerst in onze eigen tijd hebben we ontdekt dat 10% van de mensen geboren worden met homoseksuele neigingen, en Paulus bedoelde niet zich te begeven op het delicate terrein van pastorale leiding voor geboren homoseksuelen.

In 1 Kor 11,2-16 is de kwintessens voor Paulus dat vrouwen in de bijeenkomsten van de christenen een sluier dienen te dragen over het haar. Om dit (vrij triviale) punt goed te laten doordringen zoekt hij vele rationaliseringen:

  1. "Christus is het hoofd van iedere man, maar de man het hoofd van de vrouw, enz (vers 3)
  2. "Een vrouw daarentegen brengt schande over haar hoofd wanneer zij blootshoofds bidt ………….- even erg als wanneer haar hoofd kaalgeschoren is, enz." (vers 4-6).
  3. "Een man hoeft zijn hoofd niet te bedekken, want hij is het beeld van Gods glorie, maar de vrouw is de glorie van haar man" (vers 7).
  4. "De man komt niet voort uit de vrouw, maar de vrouw uit de man" (vers 8).
  5. "Ook is de man niet geschapen omwille van de vrouw, maar de vrouw omwille van de man" (vers 9).
  6. "Daarom moet de vrouw een teken van gezag op het hoofd dragen, omwille van de engelen" (vers 10). Paulus corrigeert: man en vrouw zijn gelijkelijk geschapen (vers 11-12).
  7. "Zeg nu zelf: is het passend dat een vrouw met onbedekt hoofd tot God bidt? Leert de natuur zelf u niet dat het voor een man een schande is het haar lang te dragen, terwijl het voor de vrouw juist een sieraad is…enz." (vers 13-15).
  8. "En als iemand meent dit te moeten betwisten: wij kennen zo’n gewoonte niet, en de gemeenten van God evenmin!" (vers 16).

Het is duidelijk dat Paulus alleen maar het ene argument stapelt op het andere, terwijl hij beseft dat het rationaliseringen zijn. Daarom is het niet te rechtvaardigen als men beweert dat sommige van deze rationaliseringen, vooral nrs. 3-5 ,geïnspireerde leer zijn omtrent de onderdanigheid van de vrouw aan de man. Toch hebben de kerkvaders, de canonisten en de theologen dat gedaan, en het wordt zelfs impliciet herhaald in de laatste documenten uit Rome betreffende de priesterwijding van de vrouw!

In 1 Tim 2,11-15 is de kwintessens deze: "vrouwen moeten in alle rust luisteren naar het onderricht en hun plaats weten" (vers 11). Paulus somt de redenen op die hij daarvoor heeft:

  1. "Ik sta hun niet toe zelf onderricht te geven of mannen de les te lezen; zij moeten rustig luisteren" (vers 12).
  2. "Want Adam werd het eerst geschapen en daarna Eva." (vers 13)
  3. "En Adam werd niet misleid, maar het was de vrouw die zich liet misleiden en daardoor tot overtreding kwam" (vers 14).
  4. "Maar zij zal gered worden door haar moederschap, als zij standhoudt in geloof en liefde en heilige bezonnenheid" (vers 15).

We hebben hier duidelijk heel wat rationaliseringen, die uitdrukking geven aan een praktijk (nr 1), vervolgens redenen ontleend aan de bijbel (nrs 2 en 3) gebaseerd op een bevooroordeelde rabbinale bijbeluitleg: man èn vrouw zijn tegelijkertijd geschapen naar Gods beeld (Gen 1,26-27) en Adam was even schuldig (Gen 3,6-7.16-19).Jammer genoeg worden ook hier de rationaliseringen gehouden voor een blijvende en almaar voortdurende discriminatie van de vrouw!

John Wijngaards

De regel van "rationalisering" is ten nauwste verwant aan de andere regels:

Vertaling: Theresia Saers

Klik hier als U onze campagne voor de wijding van vrouwen aktief wilt steunen..

historische overzichten


This website is maintained by the Wijngaards Institute for Catholic Research.

John Wijngaards Catholic Research

since 11 Jan 2014 . . .

John Wijngaards Catholic Research