|
|
|---|
Uit INTER INSIGNIORES:
(Het cursief in de tekst is van John Wijngaards)
15. Toen zij en Paulus de grenzen van de joodse
wereld overschreden, waren zij, om het evangelie en het christelijk leven aan
mensen te verkondigen die aan de griekse en romeinse cultuur en beschaving
gewend waren, genoodzaakt, nu en dan zelfs met pijn, aan het onderhouden van de
mozaïsche wet een einde te maken. Zij hadden dus, tenzij het hun
overtuiging was op dit punt trouw aan Christus te moeten blijven, op het
idee kunnen komen vrouwen de wijding toe te dienen. Bij de grieken van die
tijd waren er vele offers aan bepaalde goden die door vrouwen pleegden
voltrokken te worden. De grieken weken namelijk van de opvattingen van de joden
af: ofschoon hun filosofen verkondigden, dat de vrouw minder is dan de man,
bestonden er onder hen toch stromingen om de waardigheid van de vrouw enigszins
te bevorderen welke geschiedschrijvers vermeldenswaard vonden en die in de
keizertijd toenamen. Inderdaad blijkt uit de Handelingen van de Apostelen en de
brieven van de heilige Paulus, dat sommige vrouwen met de apostel samenwerkten
voor het evangelie (vgl. Rom. 16, 3-12-1 Fil. 4, 3); en dankbaar noemt hij de
namen van enkelen bij de groeten waarmee hij zijn brieven besluit; bij het
bewerken van bekeringen hadden verschillende van deze vrouwen geen gering
aandeel, zoals Priscilla, Lydia en anderen; vooral echter Priscilla, want
Priscilla en Aquila namen Apollos mee en legden hem de weg van God nauwkeuriger
uit (vgl. Hand. 18, 26); ook Febe, die diacones van de gemeente te
Kénchreae was (Rom. 16, l). Uit dit alles blijkt duidelijk, dat de
gebruiken van de kerk van de apostelen ver afweken van de gebruiken van de
joden; toch hebben zij er nooit aan gedacht aan deze vrouwen de wijding toe
te dienen.
16. Exegeten van naam hebben erop gewezen, dat er
in de brieven van Paulus verschillende zegswijzen door de apostel worden
gebruikt, want, als hij schrijft mijn mede-arbeiders (Rom. 16, 3; Fil. 4, 2-3),
noemt hij zonder onderscheid mannen en vrouwen die hem op een of andere wijze
helpen bij het evangelie; de naam Gods medewerkers (1 Kor. 3, 9; vgl. 1 Tess.
3, 2) reserveert hij voor Apollos, Timóteüs en zichzelf, Paulus,
daar zij immers onmiddellijk voor de apostolische bediening en de prediking van
het woord Gods zijn afgezonderd. Hoe belangrijk de taak van de vrouwen op de
dag van de verrijzenis ook was geweest, toch werd haar medewerking door Paulus
niet zodanig uitgestrekt, dat zij de openbare taak vervulden officieel de
boodschap te verkondigen welke het eigene is van de ene apostolische zending.
Voor de volledige tekst, zie:
INTER INSIGNIORES.
Uit het Commentaar van de
Heilige Congregatie voor de geloofsleer aangaande
de Verklaring Inter Insigniores:

54. Het is waar, dat de joodse mentaliteit geen grote waarde toekende
aan het getuigenis van vrouwen, zoals door de joodse wet wordt aangetoond. Maar
men moet daarbij ook opmerken, dat de Handelingen van de Apostelen en de
brieven van de heilige Paulus nadruk leggen op de rol van de vrouwen bij de
evangelisatie en het onderricht van individuele bekeerlingen.
55. De apostelen werden ertoe gebracht een revolutionaire
beslissing te nemen, toen zij uit hun eigen kring van de joodse gemeenschap
moesten treden en moesten beginnen aan de evangelisatie van de heidenen. De
breuk met de mozaïsche gebruiken was niet zonder onenigheid tot stand
gekomen. Paulus had zich geen scrupules gemaakt bij zijn keuze van een van zijn
medewerkers, Titus, die een van de bekeerlingen uit de heidenen was (Gal. 2,
3).
56. De meest spectaculaire uitdrukking van de verandering welke
het evangelie in de mentaliteit van de eerste christenen had bewerkt, treft men
nauwkeurig aan in de Brief aan de Galaten: 'Want gij allen die in Christus zijt
gedoopt, zijt met Christus bekleed. Er is geen jood of heiden meer, er is geen
slaaf of vrije, er is geen man of vrouw: allen tezamen zijt gij
één persoon in Christus Jezus' (Gal. 3, 27-28).
57. Ondanks dat vertrouwden de apostelen vrouwen niet het
strikt apostolisch ambt toe, ofschoon de hellenistische beschaving niet
dezelfde vooringenomenheid ten opzichte van haar had als het jodendom. Het is
eerder een ambt van een andere orde, zoals misschien uit het paulinisch
woordgebruik valt op te maken, waarin een verschil lijkt te worden gemaakt
tussen 'mijn medewerkers' (synergoi mou) en 'Gods medewerkers' (Theou
synergoi).(41)
Voetnoot 41. I.de la Potterie, Titres missionnaires du
chrétien dans le Nouveau Testament (Rapports de la XXXIème
semaine de Missiologie, Louvain, 1966), Paris, Desclée de Brouwer, 1966,
blz- 29-46, vgl. blz. 44-45.
58. Herhaald moet worden, dat de teksten van het Nieuwe
Testament, zelfs op zulke belangrijke punten als de sacramenten, niet altijd
dat volle licht geven dat men erin zou wensen aan te treffen. Tenzij de waarde
van de ongeschreven tradities wordt erkend, is het soms moeilijk in de schrift
heel uitdrukkelijk aanwijzingen te vinden van de wil van Christus. Maar met het
oog op de houding van Jezus en de praktijk van de apostelen die men in de
evangeliën, de Handelingen en de brieven aantreft, heeft de kerk niet
gemeend, dat zij gemachtigd is vrouwen tot de priesterwijding toe te laten.
Voor de volledige tekst, zie:
Official Commentary on INTER
INSIGNIORES.
Klik
hier als U onze campagne voor de wijding van vrouwen aktief wilt
steunen..
Vertaling van kommentaar
fragmenten door Isaac Wüst

![]() |
In dit boek gaat Hans Wijngaards in op belangrijke historische bronnen, vanaf het begin van het christendom tot het jaar 900. Hij bewijst op overtuigende wijze dat vrouwen de rol van diaken op zich namen en hiertoe ook gewijd werden. Met zijn historische studie levert Wijngaards een belangrijke bijdrage aan het actuele debat over de wijding van vrouwen tot diaken. Klik hier! |