|
|
|---|
door Theresia
Saers
Het dienstwerk van de jonge kerk grijpt terug op
het onderricht en het voorbeeld van Jezus. Petrus en de apostelen, maar ook de
andere leerlingen die bij het Laatste Avondmaal aanwezig waren (1), ijveren
zich na het Pinksterfeest te doen wat Jezus heeft geleerd en voorgedaan en wat
hij door de voetwassing bij zijn afscheid ten overvloede in een praktijkles
heeft samengevat (Joh. 13,1-17).
De Handelingen vertellen hoe het zo ongeveer in zijn
werk is gegaan. Na de tenhemelopneming van Jezus blijven de apostelen, de
vrouwen en Jezus moeder alsmede zijn broeders, in de grote bovenzaal waar
ze gewoonlijk te vinden zijn. Ze bidden er en overleggen hoe het verder moet.
Er wordt een nieuwe twaalfde apostel toegevoegd aan het apostelcollege en men
wacht op de door Jezus beloofde Heilige Geest (Hnd 1). Nadat deze op het
Pinksterfeest alle aanwezigen heeft vervuld en doen spreken (Hnd 2,4), sluiten
ongeveer drie duizend mensen, geredden, zich bij hen aan en is de
kerk geboren.
De volgende kenmerken van de jonge ecclesia worden al
spoedig duidelijk: de leer van de apostelen wordt verkondigd, er gebeuren
wonderen van genezing, er is een hechte en liefdevolle gemeenschap en dagelijks
bezoek aan de tempel. Het brood wordt gebroken in eigen kring, er is gebed,
vooral het van Jezus afgekeken lofgebed, er is ook de zorg voor de naaste. Tot
slot: de mensen mogen hen graag. Men wordt ook vervuld van diep ontzag,
vrees (vers 34) voor de grootheid van God die mensen zoveel kracht
verleende. Jezus volgelingen zelf genoten volgens Lucas hun voedsel in
opgeruimdheid en eenvoud van hart (Hnd 2,41-47) en waren veel minder verwonderd
om wat de Geest door hen verrichtte. Eenvoud van hart is immers de gave om niet
met zichzelf bezig te zijn, en had Jezus niet gezegd dat ze nog grotere
dingen zouden doen dan hij?
De jonge kerk heeft een aantal oprechte volgelingen van
het eerste uur, die niets liever willen dan Jezus eigen dienstbetoon
voortzetten, en men wil, om het zo maar eens uit te drukken, het totale pakket
van zijn dienstbetoon leveren. Het optreden van Jezus was namelijk in zijn
geheel diaconaal, en de zorg was er niet zomaar aangeplakt, het was een zorg
voor de hele mens, voor armen en hulpbehoevenden het meest. In zijn eigen stad,
Nazareth, legt Jezus het uit als hij de profeet Jesaja aanhaalt:
De Geest des Heren rust op mij;
want hij heeft mij gezalfd
om aan armen de blijde boodschap te
brengen.
Hij heeft mij gezonden
om aan gevangenen
verlossing,
aan blinden genezing te verkondigen,
om
verdrukten in vrijheid te stellen,
om aan te kondigen het
genadejaar van de Heer
..Heden is het schriftwoord dat ge gehoord hebt
vervuld (Luc 4,16-19, 21)
Hier heeft men een samenvatting van alle aspecten van
Gods liefde en genade en daarvan afgeleid, ook van alle diaconie. Zo blijkt
Jezus zijn zending te zien: die zorg niet alleen belichamen maar ook
verkondigen als de leer van zijn Koninkrijk. Wie Jezus zorg
ten deel valt, wie er om vraagt, of ze aanvaardt wanneer ze door hem zonder
voorafgaande bede wordt geboden, maakt aanspraak op het Koninkrijk Gods dat hij
aankondigt. De evangeliën geven er talrijke voorbeelden van. Maria van
Bethanië bijvoorbeeld, die verlangt naar zijn onderricht, zijn blijde
boodschap, wanneer zij zich als leerling aan zijn voeten zet. Jezus spreekt.
Hij prijst Maria. Hij legt uit. Hij leert. Bij de vrouw van de bloedvloeiing
idem, bij de overste van de synagoge die smeekt om genezing voor zijn knecht,
bij de misdadiger die hangt aan het kruis naast hem. Jezus leer en
handelen, zijn woord en zijn daad, zijn één. Dit is diaconie in
de volle betekenis van het woord.
Dat sommige vrouwen in het evangelie de lessen van Jezus
(en trouwens ook van zijn voorganger Johannes de Doper) goed hebben begrepen,
wordt expliciet vermeld door Lucas, die vertelt dat Jezus werd vergezeld door
het twaalftal en door enige vrouwen, Maria, Magdalena geheten, Johanna, de
vrouw van Choesa, de hofmeester van Herodes, Susanna en van vele anderen,
die hun met haar vermogen ten dienste stonden (Lc 8,1-3). De vrouwen
boden hem hun hele hebben en houden.
Er waren altijd mensen om Jezus heen die kwamen om
genezing te verkrijgen voor zichzelf of hun dierbaren, om zijn gezagvolle
woorden te horen of om zich een mening te verwerven over de persoon van deze
nieuwe profeet. Sommigen kwamen wellicht uit sensatiezucht, weer anderen om het
oude geloof te verdedigen. Al deze mensen kwamen uit geestelijke en/of
lichamelijke nood. Jezus at en dronk met hen, hij voelde zich niet te groot
voor hen. Zodoende viel er voor zijn trouwe volgelingen veel te zorgen, ook
voor de vrouwen. Het blijkt bij de beschrijvingen van broodvermenigvuldiging.
Jezus wil de menigte die al drie dagen met hem optrekt niet zonder eten
heenzenden. De leerlingen antwoorden verbijsterd, Wat moeten we in
vredesnaam? (Mt 15,32-33) Een andere keer willen de leerlingen hem
vóór zijn: stuur die mensen weg, dan kunnen ze in de dorpen eten
gaan kopen. Maar Jezus zegt: ze hoeven niet weg, jullie moeten ze maar te eten
geven (Mt 14,15-16). Het is duidelijk, gastvrijheid, je brood delen, hoort
erbij, als je een leerling van Jezus wilt zijn. De vrouwen hebben het begrepen
en ze hebben de consequentie aanvaard en zelfs hun bezit afgedragen voor het
gezamenlijke onderhoud. Het zijn vrije vrouwen, ze geven het initiatief niet
zomaar uit handen. Scrupuleus zijn is hen vreemd. Een van haar heeft
bijvoorbeeld een kostbaar kruikje balsem achtergehouden. Ze denkt dat ze het
nog nodig zullen hebben voor iets anders, de uiteindelijke zalving van Jezus,
wanneer de opperpriesters hem zullen erkennen als de langverwachte Messias. De
synoptici vertellen alle drie van de ergernis die dat opwekt bij Judas, die de
beurs bewaart. Bij die gelegenheid, het is bij de zalving en vlak voor zijn
lijden, maakt Jezus twee opmerkingen, een die soms verkeerd wordt
geïnterpreteerd, alsof Jezus niet geïnteresseerd is in het lot van de
armen, de armen zullen jullie altijd bij je hebben. De andere
opmerking bevat lof voor de vrouw, omdat zij diep beseft dat hij oneindig meer
is dan een gewone tafelgast, om haar profetische blik, haar handelen met het
oog op zijn dood en begrafenis (Mt 26,6-13; Mc 14,3-9;Joh 12,1-8).
Zouden we ook maar een ogenblik mogen denken dat deze
vrouwen, die Jezus volgden tot in de uiterste consequentie, hem zelfs trouw
bleven toen de apostelen hem in de steek lieten, namelijk op Golgotha, een
soort uitgeklede diaconie beoefenden? Of hebben zij gewoon het hele diaconale
programma van Jezus gevolgd, hebben ze hem ook in woorden verkondigd waar de
gewoonten van die tijd het maar even toelieten? Meerdere malen lezen we immers
in het evangelie zelf dat Jezus vrouwen en hun vrijmoedig (vrij en moedig)
optreden rechtvaardigde, ja zelfs beloonde.
Marthas zuster Maria in Bethanië, die zich
bij de leerlingen neerzet in plaats van aan tafel te dienen. Ze weet
intuïtief dat Jezus ander voedsel behoeft dan brood. De keuze die ze
gemaakt heeft zal haar niet worden ontnomen. (Lc 10,42)
De vrouw die Jezus zalfde, volgens Johannes dezelfde
Maria van Bethanië, volgens de traditie Maria Magdalena. Zij zalft hem
terwijl hij in stervensnood verkeert. Onverschrokken. De vier evangelisten
melden om strijd dat ze door Jezus wordt geprezen om haar houding, haar daad en
haar geloof! ( Vgl. de verhalen over de zalving, zie boven)
Maria Magdalena. De enorme bevestiging die voor haar
uitging van het feit dat Jezus aan haar het eerst verscheen na zijn verrijzenis
en haar opdroeg zijn opstanding uit het graf te gaan melden aan zijn broeders
(Joh 20,17-18)
De vrouw die al twaalf jaar aan bloedvloeiing leed en
hem tegen alle reinheidsvoorschriften in zocht aan te raken om genezing te
vinden. Wees welgemoed, mijn dochter, uw geloof heeft u gered.(Mt
9,22)
De vrouw die al achttien jaar kromgebogen was en tegen
de wetsvoorschriften in op sabbat genezing kwam zoeken. Dochter, uw
geloof heeft u gered; ga in vrede. (Lc 8,48)
De Kanaänietische vrouw, de buitenstaander, die
genezing zocht voor haar dochtertje dat door de duivel gekweld werd en met hem
in debat ging. De hondjes eten toch ook van de kruimels die van de tafels
van hun meester vallen. O, vrouw, groot is uw geloof. U geschiede
zoals ge verlangt. (Mt 15,28)
Tenslotte de Samaritaanse vrouw uit de onorthodoxe
provincie, die ook al met Jezus in debat ging. Jezus vindt het bij die
gelegenheid nodig om aan de apostelen uit te leggen dat hij dergelijke
ontmoetingen broodnodig heeft, een heel ander brood dan wat zij
zijn gaan halen (Joh 4,33,34).
Deze vrouwen worden niet geprezen om hun dankbaarheid,
zoals een van de tien genezen melaatsen, de enige die terugkeerde om hem te
danken, ze worden geprezen om hun geloof.
Wat de vrouwen ook nog bijzonder maakt is dat bij haar
diaconaal bezig zijn ook hijzelf het voorwerp is van hun zorg, evengoed als de
weduwen en wezen waar de Joodse Wet hun aandacht voor vraagt. Zij zien ook van
Jezus de kwetsbare menselijkheid.
Onderricht en wat wij diaconie noemen van elkaar
scheiden is in het evangelie ondenkbaar. Het begint pas na Jezus dood en
hemelvaart. De Handelingen van de Apostelen leggen vast hoe de diaconale
geloofsgemeenschap van de jonge kerk functioneerde, en hoe de sacramenten in de
kerk het instrument geworden zijn van een deel van de zorg.
Lucas vertelt.
De groep van gelovigen was één
van hart en ziel, er was er niet één die iets van het zijne zijn
eigendom noemde, maar ze hadden alles gemeen. Met grote kracht legden de
apostelen getuigenis af van de verrijzenis van Jezus, de Heer,en aan allen werd
grote genade geschonken.Er was inderdaad geen enkele noodlijdende onder hen.
Want allen die landerijen of huizen bezaten verkochten ze, brachten de
opbrengst mee en legden die voor de voeten der apostelen neer; dan werd er
uitgedeeld naar ieders behoefte. (Hnd 4, 32-35)
Enkele hoofdstukken later blijkt dat het twaalftal alles
in eigen handen heeft gehouden, prediking en zorg, of met andere woorden, de
boodschap van de liefdevolle zorg van de Vader en het op aarde vertalen en
uitdragen van die zorg. Ze raken oververmoeid, geprikkeld door de kritiek van
de hellenistische bekeerlingen dat hun weduwen en wezen gediscrimineerd worden
bij de dagelijkse zorg. Ze lopen letterlijk vast in hun vasthoudendheid.
Die vasthoudendheid valt wel te verklaren. Hoe was het
immers gegaan? Jezus was ter dood gebracht. Hij had het zelf zien aankomen en
hij had er verschillende keren over gesproken met zijn apostelen dat hij veel
zou moeten lijden. (Mt15,21;17,12;Mc8,31;9,12;Lc9,22;17,25;22,15;24,26.) De
apostelen waren er toch niet goed genoeg op voorbereid. Thomas en Petrus hadden
beiden een keer uitgesproken dat ze met hem wilden sterven. Er was niet veel
van terecht gekomen. De vrouwen hadden meer moed en grotere trouw betoond. Na
de verrijzenis zouden ze alles wel willen goedmaken. Je kunt het je zo
voorstellen.
Ieder van hen en allen samen zullen ze een
gewetensonderzoek hebben gedaan. Hoe hadden ze zo tekort kunnen schieten? En
ieder moet gedacht hebben: als ik een tweede kans krijg, wil ik trouwer zijn,
een betere volgeling van Jezus. Ze hebben een wachttijd aangezegd gekregen van
Jezus. Ze moeten in Jeruzalem blijven tot ze de Heilige Geest hebben ontvangen,
die hun zal helpen. Zeven weken hebben ze gewacht, in afzondering en gebed.
Tijd genoeg om na te denken.
Wat had Jezus ook weer gedaan en gezegd bij het Laatste
Avondmaal? Toen ze nog weer eens haaden gespeculeerd over de vraag wie wel de
grootste onder hen was (Lc 22, 24). Wie de grootste is, moet de dienaar
zijn. Hij had als een slaaf tafeldienst gedaan. Ergo, wij zijn het
Twaalftal, de leiders. Wij moeten dus de tafeldienst doen. Ik kan me zo goed
voorstellen hoe dat gegaan is. Overijverig. En het wordt al snel teveel. We
zijn niet allemaal van hetzelfde kaliber als de Cisterciënzerbroeder die
enkele jaren geleden op de dag van zijn Gouden Kloosterfeest vertelde dat hij
nog nooit samen met de andere broeders en de paters had kunnen eten, omdat hij
nu eenmaal als broederkok de anderen aan tafel diende (zoals hij ook nog
regelmatig zieke paters en broeders de voeten waste en andere zieken bijstond).
Als er voor de Twaalf dan ook nog kritiek komt van mensen van een ander volk,
een andere cultuur, de nieuwkomers, gaan ze bedenken dat ze dit niet meer
willen. Er moet iets gebeuren.
Dat Jezus er indertijd nog twee en zeventig anderen op
uit had gezonden schijnen ze vergeten te zijn.
Twee en zeventig. Samen met het eerste Twaalftal nog zes
twaalftallen. Het getal van de volheid. De Bijbelschrijver was toch zo
duidelijk geweest. Maar de apostelen waren totaal vergeten dat hun gemeenschap
een priesterlijk volk was. Iedereen was er op uit gestuurd, ook de vrouwen. Wel
beseffen ze dat ze iets moeten afgeven. Overspannen leiders kan Jezus
natuurlijk niet gebruiken. Wat doet Petrus? Hij gaat een verdeling aanbrengen
in wat Jezus hun heeft voorgedaan.Het is niet goed dat wij het woord Gods
verwaarlozen om aan tafel te dienen
..Wijzelf zullen voortgaan met het
gebed en de dienst van het woord. (Hnd 6,1-5). Weer niet zon goed
idee, maar het lijkt de mensen wel iets en ze wijzen zeven mannen aan die ze
geschikt achten voor de dagelijkse tafeldienst. Een van de zeven is Stefanus.
Een man vol van geloof en van de Heilige Geest (Hnd 6,3-5).
Het is merkwaardig hoe deze eerste van de diakenen in de
jonge kerk zijn ambt opvat. Stefanus, vol van genade en kracht, deed grote
wonderen en tekenen onder het volk. Hij mocht dan zijn aangesteld voor de
tafeldienst, de Geest dreef hem tot het uitoefenen van al wat Jezus deed in
zijn ministerie, in zijn dienstbetoon. We lezen namelijk dat hij ook het woord
nam. Het woord is trouwens niet te scheiden van de zorg, bij Stefanus net zo
min als bij Jezus. Zonder woord zijn zorg en wonder van nul en gener waarde,
zoals we in de evangeliën bij Jezus eigen optreden zien. De
afscheidsrede van Stefanus, uitgesproken voor de Hoge Raad, vinden we in haar
geheel in de Handelingen. Zijn prediking op die dag kostte hem uiteindelijk het
leven. Gelukkig dat er ook zulke diakenen waren en nog steeds zijn. En jammer
dat de diaconie in de vorm zoals Jezus die opdroeg aan zeven maal twaalf mensen
in de geschiedenis is zoek geraakt.
NOOT
1. Zie het artikel Bijbel en liturgie zijn het er over eens: de
vrouwen waren aanwezig, door Marjorie Reiley Maguire. National Catholic
Reporter, juni 5, 1998. Overgenomen met toestemming van de auteur.
Vertaling Theresia Saers. Marjorie Reiley Maguire is theoloog en advocaat in
Milwaukee.
Klik
hier als U onze campagne voor de wijding van vrouwen aktief wilt
steunen..
Vermeld a.u.b. dat dit documentontleend is aan www.womenpriests.org!


In dit boek gaat Hans Wijngaards in
op belangrijke historische bronnen, vanaf het begin van het christendom tot het
jaar 900. Hij bewijst op overtuigende wijze dat vrouwen de rol van diaken op
zich namen en hiertoe ook gewijd werden. Met zijn historische studie levert
Wijngaards een belangrijke bijdrage aan het actuele debat over de wijding van
vrouwen tot diaken.
Klik hier!