OOK VROUWEN PRIESTER? JAZEKER!header

Responsive image

BEGIN

REDEN GENOEG

TEGEN DE PAUS?

DEBAT

MENU

Nederlands/Vlaams Deutsch Francais English language Spanish language Portuguese language Catalan Chinese Czech Malayalam Finnish Igbo
Japanese Korean Romanian Malay language Norwegian Swedish Polish Swahili Chichewa Tagalog Urdu
------------------------------------------------------------------------------------
De diaconale rol van vrouwen in het evangelie

Diaconie in het evangelie en in de jonge kerk

door Theresia Saers

Het dienstwerk van de jonge kerk grijpt terug op het onderricht en het voorbeeld van Jezus. Petrus en de apostelen, maar ook de andere leerlingen die bij het Laatste Avondmaal aanwezig waren (1), ijveren zich na het Pinksterfeest te doen wat Jezus heeft geleerd en voorgedaan en wat hij door de voetwassing bij zijn afscheid ten overvloede in een praktijkles heeft samengevat (Joh. 13,1-17).

De Handelingen vertellen hoe het zo ongeveer in zijn werk is gegaan. Na de tenhemelopneming van Jezus blijven de apostelen, de vrouwen en Jezus’ moeder alsmede zijn broeders, in de grote bovenzaal waar ze gewoonlijk te vinden zijn. Ze bidden er en overleggen hoe het verder moet. Er wordt een nieuwe twaalfde apostel toegevoegd aan het apostelcollege en men wacht op de door Jezus beloofde Heilige Geest (Hnd 1). Nadat deze op het Pinksterfeest alle aanwezigen heeft vervuld en doen spreken (Hnd 2,4), sluiten ongeveer drie duizend mensen, ‘geredden’, zich bij hen aan en is de kerk geboren.

De volgende kenmerken van de jonge ecclesia worden al spoedig duidelijk: de leer van de apostelen wordt verkondigd, er gebeuren wonderen van genezing, er is een hechte en liefdevolle gemeenschap en dagelijks bezoek aan de tempel. Het brood wordt gebroken in eigen kring, er is gebed, vooral het van Jezus afgekeken lofgebed, er is ook de zorg voor de naaste. Tot slot: de mensen mogen hen graag. Men wordt ook vervuld van diep ontzag, ‘vrees’ (vers 34) voor de grootheid van God die mensen zoveel kracht verleende. Jezus’ volgelingen zelf genoten volgens Lucas hun voedsel in opgeruimdheid en eenvoud van hart (Hnd 2,41-47) en waren veel minder verwonderd om wat de Geest door hen verrichtte. Eenvoud van hart is immers de gave om niet met zichzelf bezig te zijn, en had Jezus niet gezegd dat ze ‘nog grotere dingen’ zouden doen dan hij?

De jonge kerk heeft een aantal oprechte volgelingen van het eerste uur, die niets liever willen dan Jezus’ eigen dienstbetoon voortzetten, en men wil, om het zo maar eens uit te drukken, het totale pakket van zijn dienstbetoon leveren. Het optreden van Jezus was namelijk in zijn geheel diaconaal, en de zorg was er niet zomaar aangeplakt, het was een zorg voor de hele mens, voor armen en hulpbehoevenden het meest. In zijn eigen stad, Nazareth, legt Jezus het uit als hij de profeet Jesaja aanhaalt:

“De Geest des Heren rust op mij;
want hij heeft mij gezalfd
om aan armen de blijde boodschap te brengen.

Hij heeft mij gezonden
om aan gevangenen verlossing,
aan blinden genezing te verkondigen,
om verdrukten in vrijheid te stellen,
om aan te kondigen het genadejaar van de Heer…

…..Heden is het schriftwoord dat ge gehoord hebt vervuld” (Luc 4,16-19, 21)

Hier heeft men een samenvatting van alle aspecten van Gods liefde en genade en daarvan afgeleid, ook van alle diaconie. Zo blijkt Jezus zijn zending te zien: die zorg niet alleen belichamen maar ook verkondigen als ‘de leer van zijn Koninkrijk’. Wie Jezus’ zorg ten deel valt, wie er om vraagt, of ze aanvaardt wanneer ze door hem zonder voorafgaande bede wordt geboden, maakt aanspraak op het Koninkrijk Gods dat hij aankondigt. De evangeliën geven er talrijke voorbeelden van. Maria van Bethanië bijvoorbeeld, die verlangt naar zijn onderricht, zijn blijde boodschap, wanneer zij zich als leerling aan zijn voeten zet. Jezus spreekt. Hij prijst Maria. Hij legt uit. Hij leert. Bij de vrouw van de bloedvloeiing idem, bij de overste van de synagoge die smeekt om genezing voor zijn knecht, bij de misdadiger die hangt aan het kruis naast hem. Jezus’ leer en handelen, zijn woord en zijn daad, zijn één. Dit is diaconie in de volle betekenis van het woord.

Dat sommige vrouwen in het evangelie de lessen van Jezus (en trouwens ook van zijn voorganger Johannes de Doper) goed hebben begrepen, wordt expliciet vermeld door Lucas, die vertelt dat Jezus werd vergezeld door het twaalftal en door enige vrouwen, Maria, Magdalena geheten, Johanna, de vrouw van Choesa, de hofmeester van Herodes, Susanna en van vele anderen, die hun met haar vermogen ten dienste stonden (Lc 8,1-3). De vrouwen boden hem hun hele hebben en houden.

Er waren altijd mensen om Jezus heen die kwamen om genezing te verkrijgen voor zichzelf of hun dierbaren, om zijn gezagvolle woorden te horen of om zich een mening te verwerven over de persoon van deze nieuwe profeet. Sommigen kwamen wellicht uit sensatiezucht, weer anderen om het oude geloof te verdedigen. Al deze mensen kwamen uit geestelijke en/of lichamelijke nood. Jezus at en dronk met hen, hij voelde zich niet te groot voor hen. Zodoende viel er voor zijn trouwe volgelingen veel te zorgen, ook voor de vrouwen. Het blijkt bij de beschrijvingen van broodvermenigvuldiging. Jezus wil de menigte die al drie dagen met hem optrekt niet zonder eten heenzenden. De leerlingen antwoorden verbijsterd, “Wat moeten we in vredesnaam?” (Mt 15,32-33) Een andere keer willen de leerlingen hem vóór zijn: stuur die mensen weg, dan kunnen ze in de dorpen eten gaan kopen. Maar Jezus zegt: ze hoeven niet weg, jullie moeten ze maar te eten geven (Mt 14,15-16). Het is duidelijk, gastvrijheid, je brood delen, hoort erbij, als je een leerling van Jezus wilt zijn. De vrouwen hebben het begrepen en ze hebben de consequentie aanvaard en zelfs hun bezit afgedragen voor het gezamenlijke onderhoud. Het zijn vrije vrouwen, ze geven het initiatief niet zomaar uit handen. Scrupuleus zijn is hen vreemd. Een van haar heeft bijvoorbeeld een kostbaar kruikje balsem achtergehouden. Ze denkt dat ze het nog nodig zullen hebben voor iets anders, de uiteindelijke zalving van Jezus, wanneer de opperpriesters hem zullen erkennen als de langverwachte Messias. De synoptici vertellen alle drie van de ergernis die dat opwekt bij Judas, die de beurs bewaart. Bij die gelegenheid, het is bij de zalving en vlak voor zijn lijden, maakt Jezus twee opmerkingen, een die soms verkeerd wordt geïnterpreteerd, alsof Jezus niet geïnteresseerd is in het lot van de armen, “de armen zullen jullie altijd bij je hebben”. De andere opmerking bevat lof voor de vrouw, omdat zij diep beseft dat hij oneindig meer is dan een gewone tafelgast, om haar profetische blik, haar handelen met het oog op zijn dood en begrafenis (Mt 26,6-13; Mc 14,3-9;Joh 12,1-8).

Zouden we ook maar een ogenblik mogen denken dat deze vrouwen, die Jezus volgden tot in de uiterste consequentie, hem zelfs trouw bleven toen de apostelen hem in de steek lieten, namelijk op Golgotha, een soort uitgeklede diaconie beoefenden? Of hebben zij gewoon het hele diaconale programma van Jezus gevolgd, hebben ze hem ook in woorden verkondigd waar de gewoonten van die tijd het maar even toelieten? Meerdere malen lezen we immers in het evangelie zelf dat Jezus vrouwen en hun vrijmoedig (vrij en moedig) optreden rechtvaardigde, ja zelfs beloonde.

Martha’s zuster Maria in Bethanië, die zich bij de leerlingen neerzet in plaats van aan tafel te dienen. Ze weet intuïtief dat Jezus ander voedsel behoeft dan brood. De keuze die ze gemaakt heeft “ zal haar niet worden ontnomen.” (Lc 10,42)

De vrouw die Jezus zalfde, volgens Johannes dezelfde Maria van Bethanië, volgens de traditie Maria Magdalena. Zij zalft hem terwijl hij in stervensnood verkeert. Onverschrokken. De vier evangelisten melden om strijd dat ze door Jezus wordt geprezen om haar houding, haar daad en haar geloof! ( Vgl. de verhalen over de zalving, zie boven)

Maria Magdalena. De enorme bevestiging die voor haar uitging van het feit dat Jezus aan haar het eerst verscheen na zijn verrijzenis en haar opdroeg zijn opstanding uit het graf te gaan melden aan zijn broeders (Joh 20,17-18)

De vrouw die al twaalf jaar aan bloedvloeiing leed en hem tegen alle reinheidsvoorschriften in zocht aan te raken om genezing te vinden. “Wees welgemoed, mijn dochter, uw geloof heeft u gered.”(Mt 9,22)

De vrouw die al achttien jaar kromgebogen was en tegen de wetsvoorschriften in op sabbat genezing kwam zoeken. “Dochter, uw geloof heeft u gered; ga in vrede.” (Lc 8,48)

De Kanaänietische vrouw, de buitenstaander, die genezing zocht voor haar dochtertje dat door de duivel gekweld werd en met hem in debat ging. “De hondjes eten toch ook van de kruimels die van de tafels van hun meester vallen.” “O, vrouw, groot is uw geloof. U geschiede zoals ge verlangt.” (Mt 15,28)

Tenslotte de Samaritaanse vrouw uit de onorthodoxe provincie, die ook al met Jezus in debat ging. Jezus vindt het bij die gelegenheid nodig om aan de apostelen uit te leggen dat hij dergelijke ontmoetingen ‘broodnodig’ heeft, een heel ander brood dan wat zij zijn gaan halen (Joh 4,33,34).

Deze vrouwen worden niet geprezen om hun dankbaarheid, zoals een van de tien genezen melaatsen, de enige die terugkeerde om hem te danken, ze worden geprezen om hun geloof.

Wat de vrouwen ook nog bijzonder maakt is dat bij haar diaconaal bezig zijn ook hijzelf het voorwerp is van hun zorg, evengoed als de weduwen en wezen waar de Joodse Wet hun aandacht voor vraagt. Zij zien ook van Jezus de kwetsbare menselijkheid.

Onderricht en wat wij diaconie noemen van elkaar scheiden is in het evangelie ondenkbaar. Het begint pas na Jezus’ dood en hemelvaart. De Handelingen van de Apostelen leggen vast hoe de diaconale geloofsgemeenschap van de jonge kerk functioneerde, en hoe de sacramenten in de kerk het instrument geworden zijn van een deel van de zorg.

Lucas vertelt.

“ De groep van gelovigen was één van hart en ziel, er was er niet één die iets van het zijne zijn eigendom noemde, maar ze hadden alles gemeen. Met grote kracht legden de apostelen getuigenis af van de verrijzenis van Jezus, de Heer,en aan allen werd grote genade geschonken.Er was inderdaad geen enkele noodlijdende onder hen. Want allen die landerijen of huizen bezaten verkochten ze, brachten de opbrengst mee en legden die voor de voeten der apostelen neer; dan werd er uitgedeeld naar ieders behoefte.” (Hnd 4, 32-35)

Enkele hoofdstukken later blijkt dat het twaalftal alles in eigen handen heeft gehouden, prediking en zorg, of met andere woorden, de boodschap van de liefdevolle zorg van de Vader en het op aarde vertalen en uitdragen van die zorg. Ze raken oververmoeid, geprikkeld door de kritiek van de hellenistische bekeerlingen dat hun weduwen en wezen gediscrimineerd worden bij de dagelijkse zorg. Ze lopen letterlijk vast in hun vasthoudendheid.

Die vasthoudendheid valt wel te verklaren. Hoe was het immers gegaan? Jezus was ter dood gebracht. Hij had het zelf zien aankomen en hij had er verschillende keren over gesproken met zijn apostelen dat hij veel zou moeten lijden. (Mt15,21;17,12;Mc8,31;9,12;Lc9,22;17,25;22,15;24,26.) De apostelen waren er toch niet goed genoeg op voorbereid. Thomas en Petrus hadden beiden een keer uitgesproken dat ze met hem wilden sterven. Er was niet veel van terecht gekomen. De vrouwen hadden meer moed en grotere trouw betoond. Na de verrijzenis zouden ze alles wel willen goedmaken. Je kunt het je zo voorstellen.

Ieder van hen en allen samen zullen ze een gewetensonderzoek hebben gedaan. Hoe hadden ze zo tekort kunnen schieten? En ieder moet gedacht hebben: als ik een tweede kans krijg, wil ik trouwer zijn, een betere volgeling van Jezus. Ze hebben een wachttijd aangezegd gekregen van Jezus. Ze moeten in Jeruzalem blijven tot ze de Heilige Geest hebben ontvangen, die hun zal helpen. Zeven weken hebben ze gewacht, in afzondering en gebed. Tijd genoeg om na te denken.

Wat had Jezus ook weer gedaan en gezegd bij het Laatste Avondmaal? Toen ze nog weer eens haaden gespeculeerd over de vraag wie wel de grootste onder hen was (Lc 22, 24). ‘Wie de grootste is, moet de dienaar zijn.’ Hij had als een slaaf tafeldienst gedaan. Ergo, wij zijn het Twaalftal, de leiders. Wij moeten dus de tafeldienst doen. Ik kan me zo goed voorstellen hoe dat gegaan is. Overijverig. En het wordt al snel teveel. We zijn niet allemaal van hetzelfde kaliber als de Cisterciënzerbroeder die enkele jaren geleden op de dag van zijn Gouden Kloosterfeest vertelde dat hij nog nooit samen met de andere broeders en de paters had kunnen eten, omdat hij nu eenmaal als broederkok de anderen aan tafel diende (zoals hij ook nog regelmatig zieke paters en broeders de voeten waste en andere zieken bijstond). Als er voor de Twaalf dan ook nog kritiek komt van mensen van een ander volk, een andere cultuur, de nieuwkomers, gaan ze bedenken dat ze dit niet meer willen. Er moet iets gebeuren.

Dat Jezus er indertijd nog twee en zeventig anderen op uit had gezonden schijnen ze vergeten te zijn.

Twee en zeventig. Samen met het eerste Twaalftal nog zes twaalftallen. Het getal van de volheid. De Bijbelschrijver was toch zo duidelijk geweest. Maar de apostelen waren totaal vergeten dat hun gemeenschap een priesterlijk volk was. Iedereen was er op uit gestuurd, ook de vrouwen. Wel beseffen ze dat ze iets moeten afgeven. Overspannen leiders kan Jezus natuurlijk niet gebruiken. Wat doet Petrus? Hij gaat een verdeling aanbrengen in wat Jezus hun heeft voorgedaan.“Het is niet goed dat wij het woord Gods verwaarlozen om aan tafel te dienen…..Wijzelf zullen voortgaan met het gebed en de dienst van het woord.” (Hnd 6,1-5). Weer niet zo’n goed idee, maar het lijkt de mensen wel iets en ze wijzen zeven mannen aan die ze geschikt achten voor de dagelijkse tafeldienst. Een van de zeven is Stefanus. Een man vol van geloof en van de Heilige Geest (Hnd 6,3-5).

Het is merkwaardig hoe deze eerste van de diakenen in de jonge kerk zijn ambt opvat. Stefanus, vol van genade en kracht, deed grote wonderen en tekenen onder het volk. Hij mocht dan zijn aangesteld voor de tafeldienst, de Geest dreef hem tot het uitoefenen van al wat Jezus deed in zijn ministerie, in zijn dienstbetoon. We lezen namelijk dat hij ook het woord nam. Het woord is trouwens niet te scheiden van de zorg, bij Stefanus net zo min als bij Jezus. Zonder woord zijn zorg en wonder van nul en gener waarde, zoals we in de evangeliën bij Jezus’ eigen optreden zien. De afscheidsrede van Stefanus, uitgesproken voor de Hoge Raad, vinden we in haar geheel in de Handelingen. Zijn prediking op die dag kostte hem uiteindelijk het leven. Gelukkig dat er ook zulke diakenen waren en nog steeds zijn. En jammer dat de diaconie in de vorm zoals Jezus die opdroeg aan zeven maal twaalf mensen in de geschiedenis is zoek geraakt.

NOOT

1. Zie het artikel Bijbel en liturgie zijn het er over eens: de vrouwen waren aanwezig, door Marjorie Reiley Maguire. National Catholic Reporter, juni 5, 1998. Overgenomen met toestemming van de auteur. Vertaling Theresia Saers. Marjorie Reiley Maguire is theoloog en advocaat in Milwaukee.

Klik hier als U onze campagne voor de wijding van vrouwen aktief wilt steunen..

historische overzichten

Vermeld a.u.b. dat dit documentontleend is aan www.womenpriests.org!


This website is maintained by the Wijngaards Institute for Catholic Research.

John Wijngaards Catholic Research

since 11 Jan 2014 . . .

John Wijngaards Catholic Research