OOK VROUWEN PRIESTER? JAZEKER!header

Responsive image

BEGIN

REDEN GENOEG

TEGEN DE PAUS?

DEBAT

MENU

Nederlands/Vlaams Deutsch Francais English language Spanish language Portuguese language Catalan Chinese Czech Malayalam Finnish Igbo
Japanese Korean Romanian Malay language Norwegian Swedish Polish Swahili Chichewa Tagalog Urdu
------------------------------------------------------------------------------------
1 Timoteüs 2, 11-15

1 Timoteüs 2, 11-15

Anti-gnostische maatregelen tegen vrouwen

Regels voor de correcte interpretatie van de H. Schrift
* De ‘letterlijke’ betekenis
* Literaire vormen
* Het beoogde doel
*Rationaliseringen

Tegenwoordig aanvaarden de bijbelgeleerden algemeen dat de Pastorale Brieven, 1 en 2 Timoteüs en Titus, zijn opgesteld door een leerling van Paulus die schreef in naam van de apostel om aan te tonen dat hij in dezelfde traditie stond. Datum: rond 100 n.Chr. Plaats: mogelijk Klein-Azië of Griekenland.

Het hoofddoel van 1 Timoteüs is de invloed van gnostische leraren tegen te gaan.

De gnostische leer was van gemengd hellenistische en Joodse origine. Gnostische ketterijen behelsden dualisme, minachting voor het materiële, afhankelijkheid van kennis(= geestelijke ervaring) niet geloof als weg naar verlossing, geheime leer die voorbehouden was aan een kleine elite, en een leer die seksualiteitsbeleving beperkte. 

De beschuldigingen die de schrijver uitspreekt gaan vooral over het “spreken” en het “onderrichten”.

De gnostische leer raakte mannen zowel als vrouwen want we lezen over de klachten die de bijbelschrijver had over “haat en ruzie onder de mannen” (1 Tim 2,8) en over “van de goede weg afwijken en de satan achternagaan onder de vrouwen” ( 1 Tim 5,14-15). Toch lijkt de schrijver meer bezorgd over de vrouwen. Onder de gnostici werden de vrouwen aangemoedigd en verheerlijkt als “bevoorrechte instrumenten van openbaring” en vrouwelijke beelden werden vrijelijk gebruikt voor God en zijn/haar uitstraling.

De tekst over het ‘zwijgen van vrouwen in de bijeenkomsten ’ (1 Tim 2,11-15) dient in die context te worden gelezen.

Vgl.: P. W. BARNETT, ‘Wives and Women’s Ministry’ (I Timothy 2:11-15): Evangelical Quarterly 61 (1989) 225-238; B. BARRON, ‘Putting Women in Their Place: I Timothy 2 and Evangelical Views of Women in Church Leadership’: Journal of the Evangelical Theological Society 33 (1990) 451 459; A. L. BOWMAN, ‘Women in Ministry: An Exegetical Study in I Timothy 2:11-15’: Biblical Studies 149 (1992) 193-213; R. FALCONER, ‘I Timothy 2,14.15. Interpretative Notes’: Journal of Biblical Literature 60 (1941) 375 - 379; S.E.FIORENZA, In Memory of Her, SCM, London 1994); G. P. HUGENBERGER, ‘Women in Church Office: Hermeneutics or Exegesis? A Survey of Approaches to I Timothy 2 :8-15’: Journal of the Evangelical Theological Society 35 (1992) 341-360, H. HUIZENGA, ‘Women, Salvation and the Birth of Christ: A Reexamination of I Timothy 2:15’: Studies in Biblical Theology 12 (1982) 17-26; S. JEBB, ‘Suggested Interpretation of I Timothy 2,15’: Evangelical Theology 81 (1969/70) 221-222; C. S. KEENER, Paul, Women and Wives. Marriage and Women’s Ministry in the Letters of Paul (Peabody, Mass. 1992); D. R. KIMBERLEY, ‘I Timothy 2:15: A Possible Understanding of a Difficult Text’: Journal of the Evangelical Theological Society 35 (1992) 481 486; G. W. KNIGHT, ‘AUTHENTEO in Reference to Women in I Timothy 2.12’: New Testament Studies 30(1984) 143-157; S. L. LOVE, ‘Women’s Roles in Certain Second Testament Passages: A Macrosociological View’: Biblical Theology Bulletin 12 (1987) 50-59; A.-M. MALINGREY, ‘Note sur l’exegese de I Timothy 2,15’: Studia Patristica X11 (ed. E. A. Livingstone) (Berlin 1975) 334-339; D.J. Moo, ‘I Timothy 2:11-15: Meaning and Significance’: Trinidad Journal of New Testament Studies I (1980) 62-83; C. D. OSBURN, ‘AUTHENTEO ( I Timothy 2: 12)’: RestQuarterly 25 (1982) 1-12; A. PADGETT, ‘Wealthy Women at Ephesus. l Timothy2:8-15 in Social Context’: Interpretation 41 (1987) 19-31; PH. B. PAYNE, ‘Libertarian Women in Ephesus: A Response to Douglas J. Moo’s article, ,, I Timothy 2: 11 - 15: Meaning and Significance’: Trinidad Journal of New Testament Studies 2 (1981) 169-197; G. N. REDEKOP, ‘Let the Women Learn: I Timothy 2 :8-15 Reconsidered’: Studies in Religion 19 (1990) 235-245; R. R. RUETHER, ‘Women and ecclesiastical Ministry in historical and social perspective’: Concilium 12 (1976) 17-23; A. D. B. SPENCER, ‘Eve at Ephesus (Should women be ordained as pastors according to the First Letter to Timothy 2:11-15?)’: Journal of the Evangelical Theological Society 17 (1974) 215-222; V.C. STICHELE, ‘Is Silence Golden? Paul and Women's Speech in Corinth’, Louvain Studies 20 (1955) 2-3.

Exegese van 1 Timoteüs 2,11-15

“Vrouwen moeten in alle rust luisteren naar het onderricht en hun plaats weten.” (vers 11)

Ten opzichte van wie dienen vrouwen hun plaats te weten?Aangezien in onze tekst het voorwerp niet wordt gespecificeerd, is het niet terecht aan te nemen dat de man steeds alleen het voorwerp is. Gezien het feit dat de brief geschreven is om vrouwen af te houden van onderwerping aan valse leraren, “schijnt de aanmaning om in alle onderdanigheid te leren impliciet te duiden op ware leraren” (Redekop; Padgett). “Net als vrouwen (Tit 3,5), kinderen (1 Tim 3,4), en slaven (Tit 2,9) onderdanig moeten zijn binnen hun gezinnen,... zo moet er in de gemeenschap (en in ons geval vooral wat de vrouwen betreft), geen minachting zijn voor hun leidslieden” (Fiorenza, blz.289).

“Ik sta hun niet toe zelf onderricht te geven of mannen de les te lezen; zij moeten rustig luisteren.” (vers 12)

Het lijdt geen twijfel dat de auteur van 1 Timoteüs vrouwen verboden had onderricht te geven of anderen de les te lezen in de samenkomst van christenen.

De voornaamste vraag is echter deze: was dit slechts een plaatselijk en tijdelijk verbod of een universele norm, geïnspireerd en opgelegd voor altijd?
Uit de volgende beschouwingen kunnen we opmaken dat het slechts een tijdelijk en plaatselijk verbod was:

1.     Wanneer in het Nieuwe Testament het werkwoord ‘toestaan’ (epitrepsein) wordt gebruikt, verwijst dat naar een specifieke toestemming in een specifieke context. (Mt 8,21; Mc 5,13; Joh 19,38; Hnd 21,39-40; 26,1; 27,3; 28,16; 1 Kor 16,7; enz). Bovendien wijst het gebruik van de aantonende wijs op een onmiddellijke context. Daarom luidt de juiste vertaling: “Op dit moment geef ik geen toestemming" (Spencer; Hugenberger); “Ik heb besloten dat vrouwen nog geen onderricht mogen geven of mannen de les mogen lezen” (Redekop; vgl. ook Payne).

2. We weten met zekerheid dat Paulus vrouwen toestond om in de samenkomst te profeteren (1 Kor 11,5). De vrouwen functioneerden in de kerk als diaconessen. Daarom weten we dat vrouwen in de samenkomsten wel degelijk spraken. 1 Tim 2,12 is een uitzonderingsgeval, een latere regel om een specifieke dreiging tegen te gaan.

3. De onmiddellijke context van het verbod was het gevaar van de gnostische leer die toentertijd vooral invloed had op vrouwen. Het doel ervan zo uitbreiden dat het een blijvende norm inhield voor alle tijden gaat de “letterlijke reikwijdte” van de tekst en de bedoelingen van de bijbelschrijver te buiten.

Al wat dit vers bedoelt te zeggen is daarom: “Vóór vrouwen geleerd hebben wat nodig is om volledig begrip te hebben van de ware leer, mogen ze geen onderricht geven of mannen de les lezen.” (Redekop)

“Want Adam werd het eerst geschapen en daarna Eva. (vers 13)
En Adam werd niet misleid, maar het was de vrouw die zich liet misleiden en daardoor totovertreding kwam. (vers 14)
Maar zij zal gered worden door haar moederschap, als zij standhoudt in geloof en liefde en heilige bezonnenheid.” (vers 15).

Het is duidelijk dat deze verzen niet erg doordachte theologische beweringen zijn. Strikt genomen kloppen ze namelijk niet. Als Eva onderworpen is aan Adam omdat zij later geschapen is, zijn Adam èn Eva onderworpen aan de dieren die eerder geschapen zijn. Bovendien zijn Adam en Eva volgens het eerste scheppingsverhaal tegelijkertijd geschapen: “God schiep de mens, mannelijk en vrouwelijk schiep hij hen” (Gen 1,27). Verder werd Adam eveneens bedrogen en was hij even schuldig zoals het verhaal duidelijk maakt (Gen 3,17-19). Barensweeën en overheersing door de man werden gezien als straf voor Eva (Gen 3,16), maar aan de overwinning van de vrouw op het kwaad (Genesis 3,15) gaat de schrijver voorbij. Zijn dit dan zwaarwegende uitspraken omtrent de leer?

Waarom heeft de bijbelschrijver van 1 Timoteüs het tweede scheppingsverhaal in Genesis op zo’n onhandige manier aangehaald om zijn mening te staven? Het lijdt geen twijfel dat “het gebruik van Genesis om vrouwen een lesje te leren algemeen voorkwam onder de Joodse commentatoren” (Witherington). Maar de gnostici gebruikten het scheppingsverhaal ook. Het is heel goed mogelijk dat genoemde verzen “een polemiek waren, gericht tegen verscheidene verkeerde opvattingen omtrent Adam en Eva” (Hugenberger). “Het evangelie moet het in Efeze opnemen tegen vrouwen die, door het gnosticisme beïnvloed, een feministische herinterpretatie uitbazuinden als precedent voor hun eigen spirituele primaat en gezag” (Barron).

De polemiek tegen de gnostische leraren kan misschien de echte bedoeling van de auteur blootleggen. In Genesis werd Eva bedrogen door de slang en ze zondigde, in Efeze werden bepaalde vrouwen bedrogen door dwaalleraren, en dat was de reden dat zij zondigden. Aangezien volgens 1 Timoteüs 2,14 de nadruk ligt op het feit dat Adam niet degene was die werd bedrogen, geeft dat de context aan waarin de brief is geschreven, namelijk dat het de vrouwen waren die de moeilijkheden veroorzaakten. Dus richtte de schrijver van l Timoteüs zich op een specifieke situatie.

Het is mogelijk dat zijn onvriendelijke uitbarsting tegen vrouwen, gewoon uit het patriarchale vooroordeel tegen vrouwen van de schrijver voortkwam, en niet zo zeer uit de specifieke gnostische context. Zo ja, dan is dat reden te meer om deze gammele en onhandige interpretatie van het scheppingsverhaal niet te beschouwen als vaststaande leer.

Bovengenoemde verzen zijn typische rationalisaties, dat wil zeggen: ad hoc redeneringen om iets wat beweerd werd te onderbouwen. Ze zouden alleen begrepen kunnen worden binnen de context van het lezerspubliek van de brief en hadden daarom een beperkte draagwijdte.

De tragiek is dat deze verzen later in de traditie op grote schaal werden gehanteerd als rechtvaardiging voor de vooroordelen tegen vrouwen die in een bepaalde periode heersten. Ze werden geacht het geïnspireerd schriftuurlijk bewijs te leveren dat God de vrouw heeft onderworpen aan de man en dat vrouwen meer vatbaar zijn voor bekoringen en bedrog dan mannen.

Vergelijk ook de uitleg van de verhalen in Genesis en het gebruik van die teksten alsmede de begeleidende rabbinale tradities in het Nieuwe Testament, door Cora E. Cypser, ‘The Perennial Problem of Sin’.

Vertaling Theresia Saers

Klik hier als U onze campagne voor de wijding van vrouwen aktief wilt steunen..

historische overzichten


This website is maintained by the Wijngaards Institute for Catholic Research.

John Wijngaards Catholic Research

since 11 Jan 2014 . . .

John Wijngaards Catholic Research