|
|
|---|
Anti-gnostische maatregelen tegen vrouwen
Regels voor de correcte
interpretatie van de H. Schrift

* De letterlijke
betekenis
* Literaire
vormen
* Het beoogde
doel
*Rationaliseringen
Tegenwoordig aanvaarden de bijbelgeleerden algemeen dat
de Pastorale Brieven, 1 en 2 Timoteüs en Titus, zijn opgesteld door een
leerling van Paulus die schreef in naam van de apostel om aan te tonen dat hij
in dezelfde traditie stond. Datum: rond 100 n.Chr. Plaats: mogelijk
Klein-Azië of Griekenland.
Het hoofddoel van 1 Timoteüs is de invloed van
gnostische leraren tegen te gaan.
De gnostische leer was van gemengd
hellenistische en Joodse origine. Gnostische ketterijen behelsden dualisme,
minachting voor het materiële, afhankelijkheid van kennis(=
geestelijke ervaring) niet geloof als weg naar verlossing, geheime leer die
voorbehouden was aan een kleine elite, en een leer die seksualiteitsbeleving
beperkte.
De beschuldigingen die de schrijver
uitspreekt gaan vooral over het spreken en het
onderrichten.
- Hij
waarschuwt tegen zinloos gepraat (1 Tim 1,6);
- domme
beweringen over de wet (1 Tim 1,7);
- banale bakerpraatjes (1 Tim 4,7);
- banaal en leeg geredeneer... (1 Tim 6,20);
- vgl.: woordentwisten (2 Tim
2,14);
- praatjesmakers (Tit 1,10);
- ...houd u niet bezig met onzinnige kwesties, geslachtslijsten,
discussies en twisten over de wet... (Tit 3,9).
De gnostische leer raakte mannen
zowel als vrouwen want we lezen over de klachten die de bijbelschrijver had
over haat en ruzie onder de mannen (1 Tim 2,8) en over van de
goede weg afwijken en de satan achternagaan onder de vrouwen ( 1 Tim
5,14-15). Toch lijkt de schrijver meer bezorgd over de vrouwen. Onder de
gnostici werden de vrouwen aangemoedigd en verheerlijkt als bevoorrechte
instrumenten van openbaring en vrouwelijke beelden werden vrijelijk
gebruikt voor God en zijn/haar uitstraling.
De tekst over het zwijgen van vrouwen in de
bijeenkomsten (1 Tim 2,11-15) dient in die context te worden
gelezen.
Vgl.: P. W. BARNETT, Wives and
Womens Ministry (I Timothy 2:11-15): Evangelical Quarterly
61 (1989) 225-238; B. BARRON, Putting Women in Their Place: I Timothy 2
and Evangelical Views of Women in Church Leadership: Journal of the
Evangelical Theological Society 33 (1990) 451 459; A. L. BOWMAN,
Women in Ministry: An Exegetical Study in I Timothy 2:11-15:
Biblical Studies 149 (1992) 193-213; R. FALCONER, I Timothy
2,14.15. Interpretative Notes: Journal of Biblical Literature 60
(1941) 375 - 379; S.E.FIORENZA, In Memory of Her, SCM, London 1994); G.
P. HUGENBERGER, Women in Church Office: Hermeneutics or Exegesis? A
Survey of Approaches to I Timothy 2 :8-15: Journal of the Evangelical
Theological Society 35 (1992) 341-360, H. HUIZENGA, Women, Salvation
and the Birth of Christ: A Reexamination of I Timothy 2:15: Studies in
Biblical Theology 12 (1982) 17-26; S. JEBB, Suggested Interpretation
of I Timothy 2,15: Evangelical Theology 81 (1969/70) 221-222; C.
S. KEENER, Paul, Women and Wives. Marriage and Womens Ministry in the
Letters of Paul (Peabody, Mass. 1992); D. R. KIMBERLEY, I Timothy
2:15: A Possible Understanding of a Difficult Text: Journal of the
Evangelical Theological Society 35 (1992) 481 486; G. W. KNIGHT,
AUTHENTEO in Reference to Women in I Timothy 2.12: New Testament
Studies 30(1984) 143-157; S. L. LOVE, Womens Roles in Certain
Second Testament Passages: A Macrosociological View: Biblical Theology
Bulletin 12 (1987) 50-59; A.-M. MALINGREY, Note sur lexegese de
I Timothy 2,15: Studia Patristica X11 (ed. E. A. Livingstone)
(Berlin 1975) 334-339; D.J. Moo, I Timothy 2:11-15: Meaning and
Significance: Trinidad Journal of New Testament Studies I (1980)
62-83; C. D. OSBURN, AUTHENTEO ( I Timothy 2: 12):
RestQuarterly 25 (1982) 1-12; A. PADGETT, Wealthy Women at
Ephesus. l Timothy2:8-15 in Social Context: Interpretation 41
(1987) 19-31; PH. B. PAYNE, Libertarian Women in Ephesus: A Response to
Douglas J. Moos article, ,, I Timothy 2: 11 - 15: Meaning and
Significance: Trinidad Journal of New Testament Studies 2 (1981)
169-197; G. N. REDEKOP, Let the Women Learn: I Timothy 2 :8-15
Reconsidered: Studies in Religion 19 (1990) 235-245; R. R.
RUETHER, Women and ecclesiastical Ministry in historical and social
perspective: Concilium 12 (1976) 17-23; A. D. B. SPENCER,
Eve at Ephesus (Should women be ordained as pastors according to the
First Letter to Timothy 2:11-15?): Journal of the Evangelical
Theological Society 17 (1974) 215-222; V.C. STICHELE, Is Silence
Golden? Paul and Women's Speech in Corinth, Louvain Studies 20 (1955)
2-3.
Exegese van 1
Timoteüs 2,11-15
Vrouwen moeten in alle
rust luisteren naar het onderricht en hun plaats weten. (vers
11)
Ten opzichte van wie dienen vrouwen hun plaats te
weten?Aangezien in onze tekst het voorwerp niet wordt gespecificeerd, is het
niet terecht aan te nemen dat de man steeds alleen het voorwerp is. Gezien het
feit dat de brief geschreven is om vrouwen af te houden van onderwerping aan
valse leraren, schijnt de aanmaning om in alle onderdanigheid te leren
impliciet te duiden op ware leraren (Redekop; Padgett). Net als
vrouwen (Tit 3,5), kinderen (1 Tim 3,4), en slaven (Tit 2,9) onderdanig moeten
zijn binnen hun gezinnen,... zo moet er in de gemeenschap (en in ons geval
vooral wat de vrouwen betreft), geen minachting zijn voor hun leidslieden
(Fiorenza, blz.289).
Ik sta hun niet toe zelf
onderricht te geven of mannen de les te lezen; zij moeten rustig
luisteren. (vers 12)
Het lijdt geen twijfel dat de auteur van 1
Timoteüs vrouwen verboden had onderricht te geven of anderen de les te
lezen in de samenkomst van christenen.
De voornaamste vraag is echter deze: was dit slechts een
plaatselijk en tijdelijk verbod of een universele norm, geïnspireerd en
opgelegd voor altijd?
Uit de volgende beschouwingen kunnen we opmaken
dat het slechts een tijdelijk en plaatselijk verbod was:
1.
Wanneer in het Nieuwe Testament het werkwoord
toestaan (epitrepsein) wordt gebruikt, verwijst dat naar een
specifieke toestemming in een specifieke context. (Mt 8,21; Mc 5,13; Joh 19,38;
Hnd 21,39-40; 26,1; 27,3; 28,16; 1 Kor 16,7; enz). Bovendien wijst het gebruik
van de aantonende wijs op een onmiddellijke context. Daarom luidt de juiste
vertaling: Op dit moment geef ik geen toestemming" (Spencer;
Hugenberger); Ik heb besloten dat vrouwen nog geen onderricht mogen geven
of mannen de les mogen lezen (Redekop; vgl. ook
Payne).
2. We weten met zekerheid dat Paulus vrouwen toestond om in de
samenkomst te profeteren (1 Kor 11,5). De vrouwen functioneerden in de kerk als
diaconessen. Daarom weten we dat vrouwen in de samenkomsten wel degelijk
spraken. 1 Tim 2,12 is een uitzonderingsgeval, een latere regel om een
specifieke dreiging tegen te gaan.
3.
De onmiddellijke context van het verbod was het gevaar van de gnostische leer
die toentertijd vooral invloed had op vrouwen. Het doel ervan zo uitbreiden dat
het een blijvende norm inhield voor alle tijden gaat
de letterlijke reikwijdte
van de tekst en de bedoelingen van de
bijbelschrijver te buiten.
Al wat
dit vers bedoelt te zeggen is daarom: Vóór vrouwen geleerd hebben wat nodig
is om volledig begrip te hebben van de ware leer, mogen ze geen onderricht
geven of mannen de les lezen. (Redekop)
Want Adam werd het eerst
geschapen en daarna Eva. (vers 13)
En Adam werd niet misleid, maar het was
de vrouw die zich liet misleiden en daardoor totovertreding kwam. (vers 14)
Maar zij zal gered worden door haar moederschap, als zij standhoudt in geloof
en liefde en heilige bezonnenheid. (vers 15).
Het is duidelijk dat deze verzen niet erg doordachte
theologische beweringen zijn.
Strikt genomen kloppen ze namelijk niet. Als Eva onderworpen is aan Adam omdat
zij later geschapen is, zijn Adam èn Eva onderworpen aan de dieren die
eerder geschapen zijn. Bovendien zijn Adam en Eva volgens het eerste
scheppingsverhaal tegelijkertijd geschapen: God schiep de mens, mannelijk
en vrouwelijk schiep hij hen (Gen 1,27). Verder werd Adam eveneens
bedrogen en was hij even schuldig zoals het verhaal duidelijk maakt (Gen
3,17-19). Barensweeën en overheersing door de man werden gezien als straf
voor Eva (Gen 3,16), maar aan de overwinning van de vrouw op het kwaad
(Genesis 3,15) gaat de schrijver voorbij. Zijn dit dan zwaarwegende
uitspraken omtrent de leer?
Waarom heeft de bijbelschrijver van 1 Timoteüs het
tweede scheppingsverhaal in Genesis op zon onhandige manier aangehaald om
zijn mening te staven? Het lijdt geen twijfel dat het gebruik van Genesis
om vrouwen een lesje te leren algemeen voorkwam onder de Joodse
commentatoren (Witherington). Maar de gnostici gebruikten het
scheppingsverhaal ook. Het is heel goed mogelijk dat genoemde verzen een
polemiek waren, gericht tegen verscheidene verkeerde opvattingen omtrent Adam
en Eva (Hugenberger). Het evangelie moet het in Efeze opnemen tegen
vrouwen die, door het gnosticisme beïnvloed, een feministische
herinterpretatie uitbazuinden als precedent voor hun eigen spirituele primaat
en gezag (Barron).
De polemiek tegen de gnostische leraren kan misschien de
echte bedoeling van de auteur blootleggen. In Genesis werd Eva bedrogen door de
slang en ze zondigde, in Efeze werden bepaalde vrouwen bedrogen door
dwaalleraren, en dat was de reden dat zij zondigden. Aangezien volgens 1
Timoteüs 2,14 de nadruk ligt op het feit dat Adam niet degene was die werd
bedrogen, geeft dat de context aan waarin de brief is geschreven, namelijk dat
het de vrouwen waren die de moeilijkheden veroorzaakten. Dus richtte de
schrijver van l Timoteüs zich op een specifieke situatie.
Het is mogelijk dat zijn onvriendelijke uitbarsting tegen
vrouwen, gewoon uit het patriarchale vooroordeel tegen vrouwen van de schrijver
voortkwam, en niet zo zeer uit de specifieke gnostische context. Zo ja, dan is
dat reden te meer om deze gammele en onhandige interpretatie van het
scheppingsverhaal niet te beschouwen als vaststaande leer.
Bovengenoemde verzen zijn typische rationalisaties, dat wil zeggen: ad hoc redeneringen om
iets wat beweerd werd te onderbouwen. Ze zouden alleen begrepen kunnen worden
binnen de context van het lezerspubliek van de brief en hadden daarom
een beperkte draagwijdte.
De
tragiek is dat deze verzen later in de traditie op grote schaal werden
gehanteerd als rechtvaardiging voor de vooroordelen tegen vrouwen die in een
bepaalde periode heersten. Ze werden geacht het geïnspireerd
schriftuurlijk bewijs te leveren dat God de vrouw heeft onderworpen aan de man
en dat vrouwen meer vatbaar zijn voor bekoringen en bedrog dan mannen.
Vergelijk
ook de uitleg van de verhalen in Genesis en het gebruik van die teksten alsmede
de begeleidende rabbinale tradities in het Nieuwe Testament, door Cora E.
Cypser, The Perennial Problem of
Sin.
Vertaling Theresia
Saers
Klik
hier als U onze campagne voor de wijding van vrouwen aktief wilt
steunen..

![]() |
In dit boek gaat Hans Wijngaards in op belangrijke historische bronnen, vanaf het begin van het christendom tot het jaar 900. Hij bewijst op overtuigende wijze dat vrouwen de rol van diaken op zich namen en hiertoe ook gewijd werden. Met zijn historische studie levert Wijngaards een belangrijke bijdrage aan het actuele debat over de wijding van vrouwen tot diaken. Klik hier! |