OOK VROUWEN PRIESTER? JAZEKER!header

Responsive image

BEGIN

REDEN GENOEG

TEGEN DE PAUS?

DEBAT

MENU

Nederlands/Vlaams Deutsch Francais English language Spanish language Portuguese language Catalan Chinese Czech Malayalam Finnish Igbo
Japanese Korean Romanian Malay language Norwegian Swedish Polish Swahili Chichewa Tagalog Urdu
------------------------------------------------------------------------------------
Past het bij de leer van de Kerk om spreekverboden op te leggen?

Past het bij de leer van de Kerk om spreekverboden op te leggen?

door Jeannine Gramick, SSND
(School Sisters of Notre Dame)

Presentatie, uitgesproken op het Haverton College, Philadelphia, PA, 16 september 2000.

In de loop van de geschiedenis heeft de samenleving laten zien, dat repressieve regimes, zoals fascistische en totalitaire staten, gebruik maken van methodes als geheimhouding en spreekverboden om het gedrag en zelfs de gedachten van de overheerste massa’s te onder controle te houden. Openbare discussie over onderwerpen kan de status quo en de heerschappij van de zittende regering in twijfel trekken en uitdagen. Daarom wordt onder onderdrukkende regeringen de publieke dialoog gevreesd en verboden. Mensen met een afwijkende mening worden tot zwijgen gebracht of er wordt gezorgd dat ze verdwijnen. De macht van de dictators moet koste wat het kost in stand blijven. Religieuze autoriteiten hebben, niet minder dan de seculiere, gebruik gemaakt van geheimhouding en spreekverboden als methodes om orthodoxie af te dwingen. In de geschiedenis van de Rooms-katholieke Kerk hebben we de index gezien van verboden boeken, geheime rechtszaken van de Spaanse en Romeinse Inquisitie, we hebben gezien dat wetenschappelijke en theologische gezichtspunten met spreekverboden te maken hebben gehad; bijvoorbeeld Gallileo en de modernistische theologen uit de vroege twintigste eeuw. Velen van ons herinneren zich dat Leonardo Boff, Matthew Fox, John McNeill, Yvonne Geberra een spreekverbod hebben gekregen en dat Hans Küng en Charles Curran zijn weggewerkt uit katholieke academische instellingen. Moeten we deze geheimhouding, deze spreekverboden en deze verwijderingen interpreteren als het kerkelijke equivalent van machtsmisbruik waarvan beschaafde samenlevingen getuige zijn geweest onder seculiere regeringen? Of is er een meer welwillende interpretatie?

Wij menselijke wezens begrijpen onze eigen motieven nooit helemaal, laat staan die van andere personen. Daarom kunnen we er niet automatisch van uit gaan, dat de acties van kerkleiders, om aan afwijkende stemmen beperkingen op te leggen, ingegeven waren of zijn door het verlangen om hun eigen macht in stand te houden. Zelfs al werd of wordt de macht gebruikt om anderen onder controle te houden, kunnen we daar niet zomaar vanuit gaan.

Als redelijke mensen die de noodzaak van een of andere vorm van bestuur erkennen, geloven katholieken dat de kerkelijke autoriteiten de verantwoordelijkheid hebben om de waarheid onder woorden te brengen, dat de Geest van God blijft spreken in de gemeenschap. Hoe we deze verantwoordelijkheid hebben zien uitgeoefend worden in het verleden wordt grotendeels weerspiegeld in het wereldbeeld dat Walter Brüggemann (1978). In zijn boek ‘The Prophetic Imagination’ (De Profetische Verbeelding) omschrijft hij dit als het ‘koninklijk bewustzijn’. Het koninklijk bewustzijn is een term die Brüggemann gebruikt om de dominante cultuur te beschrijven van de koningen van Israël, die de tempel en zijn priesters bestuurden. Door de toegang tot de tempel te beheersen, beheersten de koningen de toegang tot God. In dit bewustzijn of dit wereldbeeld wordt gezag opgevat als door God ingesteld. Daardoor staat dit gezag niet open voor andere wereldbeelden of voor kritiek op zichzelf. De gelovigen hebben de morele zekerheid dat ze weten dat de waarheid in haar geheel in bezit is van het koningschap en ondubbelzinnig zal worden gewaarborgd. Zoals de priesters in de tempel van Jeruzalem zal het kerkelijk gezag de goddelijke wet helder doorgeven aan toekomstige generaties. Omdat de hiërarchie van de kerk wordt beschermd door de genade van het ambt - precies zoals Israëls koningen beschermd werden door het verbond van David - zijn hun interpretaties van het geloof vrij van dwalingen. Dit sluit niet uit dat geloofspunten zich in de toekomst ontwikkelen of dat het verstaan ervan verdiept wordt, maar de leer zelf, zoveel is zeker, is nooit vals geweest.

In een dergelijk system zou de kerkelijke gemeenschap vrij moeten zijn van angst en verwarring met betrekking tot de leer van de kerk. Wanneer de inhoud van het geloof kwetsbaar lijkt,verschaffen de vertegenwoordigers van de kerk morele raad met een zekerheid die gerust stelt. Priesters en religieuzen moeten als vertegenwoordigers voor honderd procent staan voor de leer van de kerk. De gelovigen hebben vertrouwen in hun leiders en hoeven zich niet te bekommeren of verward te raken over aangelegenheden van het geloof of de leer.

De hiërarchie interpreteert elke uitdrukking van twijfel over of onderzoek naar een leerstelling als een verzwakking of een bedreiging  ervan. Een beleid of een beslissing ter discussie stellen wordt gezien als ondermijning van het gezag. Om te kunnen omgaan met controverses of afwijkende standpunten die verwarring kunnen zaaien onder  de gelovigen en een potentiële dreiging vormen voor de eenheid van de kerk, kan zij niet anders dan werken met spreekverboden.

Anders dan militaire dictators die de macht van het doen zwijgen en laten verdwijnen gebruiken om hun eigen macht in stand te houden, zitten mensen die ingeweven zijn in het koninklijk bewustzijn dat ik beschreven heb, niet aan de macht vastgeklonken voor het behoud van hun eigen macht. Zij zien geheimhouding en spreekverboden als wezenlijke instrumenten om een systeem in stand te houden, waarvan ze geloven dat het door God ingesteld is en om die reden hooggehouden en beschermd moet worden.

Geheimhouding en spreekverboden

Op dit punt wil ik benadrukken - als dat al niet helder is - dat we het hebben over spreekverboden over afwijkende standpunten of meningen om het publieke domein er onkundig van te houden of om individuen te belemmeren in hun publieke spreken over hun eigen ervaringen. We hebben het niet over gepast zwijgen in het publieke domein, dus over het zwijgen waar individuen voor kiezen zonder daartoe te worden gedwongen. We spreken niet over het recht van individuen om persoonlijke of intieme aangelegenheden binnen de privésfeer te houden. We spreken niet over de verplichting van professionals om de informatie over cliënten te beschermen tegen ongerechtigde toegang van anderen. (1*)

We hebben het hier over een machtsconflict: de macht om de informatiestroom te beperken of te beheersen. Het onderwerp is hier controle houden over openheid en vrije expressie van ideeën en ervaringen. De controle over ideeën gaat meestal hand in hand met geheimhouding .

Het is natuurlijk zo dat er gepaste tijden zijn voor geheimhouding, zoals bij het overleg van een rechtbankjury of wanneer er politieke verkiezingen zijn, maar dat betekent niet dat mensen die machtsposities bekleden zich niet bewust moeten zijn van de gevaren van het gebruik van geheimhouding. Geheimhouding verleent het individu, zoals de kiezer, keuzevrijheid, maar kan ook de vrijheid van anderen te niet doen of beperken. In een organisatie kan geheimhouding een obstakel zijn voor inspectie of controle; onwelgevallige bemoeienis kan erdoor ontlopen worden. In iedere groep, dus ook in de kerk kan geheimhouding belemmeren, dat de leden gevaarlijke situaties onderkennen; situaties die de missie van de groep kunnen schaden. Geheimhouding en onder controle houden zijn de poortwachters die de status quo behoeden voor veranderingen. Als er binnen de kerk zelf geen vrijheid van expressie mag bestaan over religieuze standpunten, loopt de gemeenschap het gevaar dat standpunten die eigenlijk dwalingen zijn, blijven voortbestaan, zoals de vroegere houding inzake de slavernij. Als er geen vrijheid van expressie mag bestaan, wordt het denken verstikt.

We herinneren ons het karakter van Winston Smith in de roman, ‘Nineteen Eighty-Four (Negentienvierentachtig) van George Orwell die zijn zelfbeschikkingsrecht wilde behouden ondanks de gedachtepolitie. Winston Smith werd er niet alleen van weerhouden stem te geven aan onorthodoxe gezichtspunten, hem werd zelfs verboden ze te denken.

De Leer van de Kerk

Welke rechtvaardiging - zo die er al is - is er voor het gebruik van geheimhouding en spreekverboden waar het gaat om de leer van de kerk? Kan de Schrift of de traditie de christelijke gemeenschap enig inzicht te bieden in de morele waarde van deze middelen om de eenheid te behoeden en verwarring uit te sluiten? Aangaande de traditie van de kerk, zal ik enkele van de sociale documenten van de kerk gaan verkennen. Die documenten geven een betrekkelijk nieuwe ontwikkeling in de traditie te zien. Ik zal met name Pacem in Terris (1963), Dignitatis Humanae (1965), and Rechtvaardigheid in de Wereld(1971) onderzoeken in relatie tot hun leer over de rechten van de mens en de vrije meningsuiting.

Sinds de aggionamento, plechtig afgekondigd door paus Johannes XXIII, is de katholieke sociale leer uitgegaan van de cultuur van het koninklijke bewustzijn ten gunste van de profetische verbeelding. Deze terminologie is van Brüggemann. De encycliek Pacem in Terris (Vrede op Aarde), waarin paus Johannes XXIII spreekt over vrede in de mondiale politieke samenleving, begint met een discussie over de filosofische principes van orde. Er wordt een weids beeld geschetst van de rechten en plichten van individuen, politieke ambtsdragers, nationale staten en de wereldgemeenschap.

Pacem in Terris leert:

De waardigheid van de menselijke persoon (…) vereist dat elke persoon het recht geniet om vrij en verantwoordelijk te handelen (...) Iedereen handelt vanuit zijn of haar eigen beslissing (…) zonder daar met behulp van dwang toe gebracht te worden of zonder dat er druk van buitenaf wordt uitgeoefend (PT, 34).  

Betekent dit dat kerkleiders dwang uitoefenen wanneer zij straffen opleggen of een persoon een spreekverbod opleggen? Moeten we spreekverboden beschouwen als druk van buitenaf die op een individu wordt uitgeoefend? De menselijke rede geeft een bevestigend antwoord op deze vragen.

In een van de inleidende paragrafen van de encycliek lezen we:

Uit hoofde van de natuurwet heeft elk menselijk wezen recht op respect voor zijn of haar persoon, op een goede reputatie, op vrijheid tot te zoeken van de waarheid en – met inachtneming van de morele orde en het algemeen belang – tot het uiten en delen van zijn of haar eigen mening (…)(PT, 12).

Deze pauselijke encycliek zegt heel dapper dat iedere persoon het recht heeft om zijn of haar mening te uiten en te delen. Hier moet wel bij opgemerkt worden dat het document handelt over het publieke domein. Hier wordt niet een – twee – drie  de communicatie over geloofsaangelegenheden gelegitimeerd.

Maar impliceert de nuance – met inachtneming van de morele orde en het algemeen belang -  dat het misschien kan worden gerechtvaardigd mensen het zwijgen op te leggen, omdat dat op een of andere manier binnen de grenzen van de morele orde blijft en conform het algemeen belang is?  Mijn antwoord is negatief. Ik zal uitleggen waarom. Als er gesproken wordt over de essentiële elementen van het algemeen belang, stelt Pacem in Terris vast:

Het algemeen belang is zeer nauw verbonden aan de menselijke natuur. Het kan nooit vol en volledig bestaan, tenzij (…) de menselijke persoon mede in ogenschouw wordt genomen (PT, 55).

Als de menselijke persoon mede in ogenschouw moet worden genomen bij het vaststellen van het algemeen belang, dan kan een onrecht jegens personen niet bijdragen aan het belang van het geheel. Als een spreekverbod een onrecht is jegens personen, dan draagt een spreekverbod niet bij aan het algemeen belang. Maar hoe kan vervolgens gezegd worden dat spreekverboden een onrechtmatige schending zijn van het recht van personen?

Om een antwoord te vinden op deze vraag, vertrouw ik op de inzichten van Margareth Farley (1987) waarvan ze ons deelgenoot maakt in haar artikel met de titel ‘Moral Discourse in the Public Arena.’ (Moreel Discours in de Publieke Arena). Het essay onderzoekt de effecten van spreekverboden op de morele orde van de christelijke gemeenschap. Haar these is dat spreekverboden een strategie zijn die niet werkt bij het ontwikkelen van het morele leven. Het gaat gepaard gaat met onrechtmatige behandeling van personen en dient uiteindelijk het algemeen belang niet.

Het primaire argument voor spreekverboden is het voorkomen van verwarring onder het Volk van God, veroorzaakt door netelige kwesties. Farley maakt haar punt, dat het, in de hedendaagse wereld van elektronische en gedrukte media, onmogelijk is om mensen ongeïnformeerd te houden over morele controverses. Abortus, homoseksualiteit, vrouwelijke priesters, genetische manipulatie en euthanasie bijvoorbeeld zijn in de gewone-mensen-media regelmatig onderwerp van discussie. De traditionele casuïstiek rond spreekverboden is verdampt.

Bovendien is deze wijze van redeneren bevoogdend. Volwassenen worden behandeld als kinderen die beschermd moeten worden. Er is een verschil tussen de opvoeding van volwassenen en kinderen. De groei naar morele volwassenheid houdt onder andere in, dat men in zekere mate leert leven met een gebrek aan zekerheid. Individuen beschermen tegen verwarring en dubbelzinnigheid duidt op een gebrek aan respect voor hen als volledige morele actoren. In feite belemmert het hun volledige morele ontwikkeling. Volwassen worden in geloof betekent een bereidheid om eigengereide zekerheid te verwerpen. Feilbare menselijke wezens  zullen nooit alle antwoorden bezitten. Individuen weerhouden van morele ontwikkeling door zekerheid op te eisen is een onrecht jegens personen en kan derhalve niet bijdragen tot het algemeen belang.

Spreekverboden beroven de hele kerk ook van de mogelijkheid kennis te nemen van de rechtvaardiging voor alle argumenten van een complex onderwerp. Kennis voor zichzelf houden in plaats van die te delen, is een onrecht jegens personen en miskent het algemeen belang. Vanuit de rede en de natuurwet, zo stelt Pacem in Terris, heeft derhalve ieder persoon het recht zijn of haar eigen mening te uiten en te delen.

Na Pacem in Terris, de encycliek van paus Johannes volgde Dignitatis Humanae (Over de menselijke waardigheid) een van de documenten die voortkomen uit het Tweede Vaticaans Concilie. Deze ‘Verklaring over de Vrijheid van Godsdienst’ stelt:

…In religieuze zaken zou elke manier van dwang tegen elk individu uitgesloten moeten worden (DH, 10).

Vanwege het compromis met de traditionalisten op het concilie gaat dit document enkel over de vrijwaring van dwang van buiten af door de wereldlijke staat. Maar de theorie die hier wordt uigesproken vormt de basis voor het standpunt dat een spreekverbod voor een persoon inzake zijn religieuze standpunten, zelfs door de religieuze instelling waar de persoon bij hoort, een schending is van een fundamenteel mensenrecht. Het is in harmonie met artikel 19 van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, het fundamentele recht van spreken van ieder menselijk individu. Naast deze twee documenten is een derde document uit de aggiornamento relevant voor het onderwerp spreekverboden.

Het werd geproduceerd door de Tweede Algemene Assemblee van de Synode van Bisschoppen van 1971. De titel van het document isRechtvaardigheid in de Werelden paus Paulus VI heeft het ondertekend. Het stelt plechtig vast, dat het evangelie bepaalt dat rechtvaardigheid nodig is voor de bevrijding van alle mensen en dat de kerk in de eerste plaats alleen maar zichzelf moet zijn in haar institutionele praktijken. Het leert duidelijk dat er vrijheid van spreken moet zijn binnen de kerk, zowel als erbuiten. Het document zegt: De kerk erkent ieders recht op een gepaste vrijheid van expressie en gedachte. Dit sluit het recht van iedereen in, om gehoord te worden in een geest van dialoog die een rechtmatige diversiteit binnen de kerk in stand houdt (RW, 44).

Het is van grote betekenis dat, in een document van dit hoge niveau van autoriteit het recht wordt gelegitimeerd om afwijkende gezichtspunten tot uitdrukking te brengen. Het belang van dit document overtreft het belang van enig document dat is geproduceerd door de congregaties van de Curie van het Vaticaan, omdat het het gewicht heeft van de stem van alle bisschoppen van de wereld in communio met de bisschop van Rome. Dit gegeven verdient de aandacht, speciaal van de Congregatie voor de Geloofsleer die zelfs na Vaticanum II theologen en pastorale werkers een spreekverbod heeft opgelegd. Een hogere autoriteit dan de Congregatie voor de Geloofsleer heeft de vrijheid van spreken en het publieke debat over controversiële theologische onderwerpen bekrachtigd.  

De frase ‘gepaste vrijheid’ impliceert dat er ook vrijheid van expressie kan zijn die niet gepast is. We zijn bijvoorbeeld niet vrij om leugens te vertellen of om iemands anders reputatie te beschadigen. Raadsheren en biechtvaders zijn bijvoorbeeld niet vrij om informatie over hun cliënten of biechtelingen openbaar te maken. Maar dit is duidelijk niet de inhoud aan informatie of de context van het spreekverbod dat het brandpunt is van de huidige discussie. Rechtvaardigheid in de Wereld  stelt duidelijk dat de vrijheid van expressie waar het om gaat, de vrijheid is om standpunten naar voren te brengen die voorzien in een legitieme diversiteit in de kerk, dwz het uitspreken van theologische argumenten die verschillen van de leer van de hiërarchie. Daarom billijkt Rechtvaardigheid in de Wereld niet het spreekverbod als een middel om uiteenlopende meningen te onder controle te houden.

Daarenboven vertelt Rechtvaardigheid in de Wereld ons dat deze vrijheid om ideeën en een geest van dialoog tot uitdrukking te brengen, die legitieme diversiteit waarborgt, ook het recht is van priesters, religieuzen, bisschoppen, kardinalen en pausen. Bij het spreken over rechten binnen de kerk moet dat in stand gehouden worden, zegt het document:

Niemand zou van zijn of haar rechten beroofd moeten worden omdat hij of zij op een of andere verbonden is met de kerk. (Dit sluit hen in) die de kerk dienen door hun werk, inclusief priesters en religieuzen...(RW, 41).

Ergo, de notie dat vertegenwoordigers van de kerk gehouden zijn de partijlijn – zo gezegd – te volgen, wordt hiermee op losse schroeven gezet. Heel het volk van God heeft het recht om zijn mening tot uitdrukking te brengen, zodat de Geest van God zich kan manifesteren doorheen de hele gemeenschap.

Schrift

We zien dus dat de recente traditie van de kerk, zoals die weerspiegeld wordt in Pacem in Terris, Dignitatis Humanae, and Rechtvaardigheid in de Wereld zich keert tegen het doen smoren van de vrijheid van spreken van een persoon. Veroordeelt of ontmoedigt de Schrift het opleggen van spreekverboden? Biedt de Schrift enige verdediging voor het gebruik van geheimhouding en spreekverboden om vrede en eensgezindheid te handhaven en wanorde en beroering te vermijden. Of zwijgen de Schriften over het spreekverboden?

Op z’n minst twee passages uit de Bijbel suggereren dat het doen verstommen van religieuze zienswijzen onder het volk van God ongepast is. De eerste tekst komt voor in het Evangelie van Matteus, waarin Jezus leert over het koninkrijk van God, met de parabel van het onkruid en het koren. Wanneer de werkers naar de eigenaar van het veld komen en vragen of het onkruid moet worden uitgetrokken en vernietigd, antwoordt de eigenaar dat het onkruid samen met het koren mag groeien tot aan de oogst (Mt 13,30). Als kerkelijke autoriteiten onorthodoxe gezichtspunten zien als onkruid dat het koren van de waarheid verstikt, suggereert de gelijkenis dat zowel de traditionele als de onconventionele meningen de kans moeten krijgen om tot bloei te komen tot aan de het uiteindelijke moment van oogsten en aren lezen.

De tweede Schriftpassage die van belang is voor de discussie over doen zwijgen vinden we in de Handelingen van de Apostelen. Het Sanhedrin ondernam zijn tweede actie tegen de vroege Christelijke gemeenschap door de arrestatie van en de rechtszaak tegen de apostelen. De hogepriester legde de Twaalf ten laste dat ze het al opgelegde spreekverbod naast zich neer gelegd hadden. Hen werd opgedragen niet ‘niet meer te onderwijzen over die naam’ (Hand  5,28). Gamaliël, een lid van de Raad, die geen goede dunk had van Petrus en de apostelen, adviseerde het Sanhedrin om geen strafmaatregel te nemen. Gamaliëls raad: ‘houd u afzijdig van deze mensen en laat hen begaan, want als het mensenwerk is wat ze nastreven, zal het op niets uitlopen, maar als het Gods werk is, zult u niets tegen hen kunnen uitrichten, of het zou wel eens kunnen blijken dat u tegen God strijdt.’ (Hand 5, 38-39)

De beroemde woorden van Gamaliël geven te verstaan dat een spreekverbod niet gebruikt zou moeten worden om afwijkende meningen of radicale gezichtspunten te onderdrukken, omdat een beweging of een idee door wat ze waard zijn op niets uit zal lopen als deze niet van God komen. Het is ironisch dat een student van Gamaliël, een Farizeeër met de naam Saul, later in de Handelingen der Apostelen ten tonele verschijnt. Hij stond voor zijn bekering vooraan om de Christelijke gemeenschap monddood te maken en te vervolgen. Moge het Volk van God met de genade van God  getuige worden van de bekering van de bekering van de moderne Saulussen Tot Paulussen.

Ik zou deze discussie over het spreekverbod willen besluiten door een principe opnieuw in de schijnwerper te zetten dat door Farley naar voren is gebracht in het hiervoor al genoemde artikel. Voor een eerlijke zoektocht naar de waarheid is een publieke discussie nodig waaraan ieder kan deelnemen. De waarheden van ons geloof gaan de hele Christelijke gemeenschap aan. Ons geloof leven door een nauwe relatie met God is niet het resultaat van het louter accepteren van leerstellingen of regels. Ons geloof leven door een nauwe relatie met God vooronderstelt dat we intensief stilstaan bij onze levenservaringen en er een goddelijke bedoeling in vinden. Daarom is ieders reflectie, niet slechts die van de bisschoppen en theologen, van wezenlijk belang om te ervaren waarheen de Geest de kerk leidt. Ieders reflectie is van wezenlijk belang voor het geloofsleven van de kerk. De ervaring van alle mensen, in het bijzonder de groepen mensen in de rafelrand van de samenleving, moeten ingesloten worden in de theologische reflectie.

‘Niet iedere stem kan spreken voor de gemeenschap; maar  de waarachtiger stemmen zullen beter te onderscheiden zijn niet door afwijkende meningen uit te sluiten maar door de meest broze stemmen in ons midden te beschermen (Farley, 184). Discours in de publieke arena, niet het spreekverbod, is een morele imperatief.

Verwijzingen

Brueggemann, Walter. The Prophetic Imagination. Philadelphia: Fortress Press, 1978.

Farley, Margaret. “Moral Discourse in the Public Arena.” In Vatican Authority and American Catholic Dissent: The Curran Case and Its Consequences, William W. May (Ed). New York: Crossroad, 1987.

(*1) Noot van de vertaler: het Engelse woord ‘silencing’, dat in deze tekst veelal vertaald wordt als ‘een spreekverbod (opleggen)’ heeft een veel bredere betekenis. Daarom klinkt in de Nederlandse vertaling deze alinea vrij overbodig, terwijl die in het artikel in de oorspronkelijke taal heel relevant is.

Jeannine Gramick, SSND

Vertaling: Ben Bongaards



This website is maintained by the Wijngaards Institute for Catholic Research.

John Wijngaards Catholic Research

since 11 Jan 2014 . . .

John Wijngaards Catholic Research

Please, credit this document
as published by www.womenpriests.org!