OOK VROUWEN PRIESTER? JAZEKER!header

Responsive image

BEGIN

REDEN GENOEG

TEGEN DE PAUS?

DEBAT

MENU

Nederlands/Vlaams Deutsch Francais English language Spanish language Portuguese language Catalan Chinese Czech Malayalam Finnish Igbo
Japanese Korean Romanian Malay language Norwegian Swedish Polish Swahili Chichewa Tagalog Urdu
------------------------------------------------------------------------------------
Brief aan de paus

"I would want to be a priest"

Brief aan de paus

Bernhard Häring

Uit ‘The Tablet’, 30 juni 1990 pag. 841-843.

Opnieuw afgedrukt op Internet met toestemming van The Tablet Adres: 1 King Street Cloisters, Clifton Walk, London W6 0QZ UK. Tel: 44-20-8748 8484; fax: 44-20-8748 1550; email: thetablet@the tablet.co.uk.

Hieronder publiceren we in de Engelse vertaling een brief die de voormalige professor in de moraaltheologie aan de Gregoriana Universiteit in Rome in November 1988 aan de paus stuurde. Tegen het einde van het afgelopen jaar (1989 vertaler) verscheen het eerst in Härings boek, Meine Erfahrung mit der Kirche (Mijn Ervaring met de Kerk). Häring gaf daarna aan The Tablet te kennen dat hij hoopte dat het daar in het Engels zou verschijnen.

Dierbare Vader in Christus,

We hebben vele redenen om van u te houden. Niet alleen omwille van uw hoge ambt, maar ook omwille van uw niet aflatende enthousiaste inzet voor recht en vrede, omdat u de mensen in nood nabij bent en om veel andere redenen.

Ik ben uw persoon zeer toegenegen en heb grote hoogachting voor uw ambt. Wij allen gezamenlijk dragen de verantwoording om het geloof door te geven aan de kritisch gezinde generatie van vandaag en aan allen die na ons komen. Juist hierdoor word ik gedwongen om publiekelijk mijn twijfel tot uitdrukking te brengen over wat ik beschouw als uw te grote nadruk op te rigoureus geïnterpreteerde normen op het gebied van de seksuele ethiek.

Natuurlijk zijn wij ons, net als u, bewust van onze plicht om te doen wat we kunnen om te bevorderen dat Christenen de kuisheid beminnen en koesteren. Maar precies op dit gebied is het gezegde van toepassing: ‘de boog breekt wanneer hij te hard wordt aangespannen’. Als we op dit moeilijke terrein zelfs een jota meer verlangen dan we redelijkerwijs kunnen rechtvaardigen op basis van de openbaring of om redenen geïnspireerd vanuit het geloof, verliezen we  geloofwaardigheid. Heel eenvoudig: er wordt niet langer naar ons geluisterd.

Ik was geschokt toen ik las dat onder 6.000 lezers van Weltbild, een krant die heel loyaal en toegewijd is aan de paus (nrs. 23 en 24, 4 en 24 november 1988) slechts 12 procent van de gelovigen onder de 50 jaar en 25 procent van die boven de 50 bereid zijn om te luisteren naar de huidige pauselijke leer over kwesties betreffende de seksuele moraal. Dit schokt me omdat in het algemeen dezelfde mensen ten volle bereid zijn om de pauselijke autoriteit op hoge waarde te schatten waar het gaat om geloofszaken en morele aangelegenheden. Vergelijkbare bevindingen zijn naar voren gekomen uit onderzoeken in andere delen van de wereld.

Onlangs moest ik luisteren naar een grote groep hoog gekwalificeerde godsdienstleraren, mannen en vrouwen, die loyaal waren aan de kerk. Ze vertelden me hoe moeilijk het voor hun geweest is en nog steeds is, om de golven tot bedaren te brengen die uw boodschap gericht aan moraaltheologen (op 12 november 1988) teweeg heeft gebracht.

Men kan en moet het eens zijn met hoofdpunt in de Osservatore Romano van 13 november 1988: ‘Men kan niet spreken van een nauwgezette zoektocht naar de waarheid als men niet laat meewegen wat het leergezag leert.’ Maar indien dit leergezag van de kerk de strijdkreet wordt van onbuigzame mensen die ermee koketteren dat ze uitzonderlijk dicht bij de paus staan en indien het schermen met het leergezag een wapen wordt tegen die mensen die zich verre houden van een interpretatie op basis van enkel bijkomstige punten, dan bewijst men de kerk geen goede dienst, evenmin als aan de zending van de kerk of zelfs aan het Petrusambt.

Voor me ligt de tekst van de lezing ‘Who is like the Lord our God?’ (‘Wie is als de Heer onze God?’), gehouden door professor Mgr. Carlo Caffarra voor het congres van moraaltheologen. U bewees bijzondere eer aan dit congres door de deelnemers te ontvangen en toe te spreken. Het wetenschappelijk niveau is ver beneden de maat. De lezing lijkt radicaal elke poging in twijfel te trekken om morele normen op teleologische gronden te rechtvaardigen of te analyseren. Op pagina 7 van de geschreven tekst vinden we: ‘Juist daarom is de mens, wanneer hij zich eenmaal heeft verheven naar het ethische niveau, niet langer geïnteresseerd in details of, uiteindelijk, in de mogelijkheden, gevolgen en resultaten van zijn daad in de geschiedenis: hij is uitgestegen boven zulke berekening.’

Dit is een naïeve en werkelijk alarmerende valse interpretatie van de teleologische benadering en daar moet als eerste tegen ingebracht worden, dat  het hier zeker niet gaat om berekening is van het nut, maar om een zorgvuldige afweging van de gevolgen met het oog op gezonde en helende (menselijke) relaties en dus met het oog op het in een context van solidariteit vrucht dragen in liefde en vrede. Caffarra brengt zijn verklaring te berde in een context waarin hij heel abstracte ideeën hanteert die ver verwijderd liggen van het leven en waarin hij gebruik maakt van onbewezen beweringen over de traditie. Hij poogt daarmee te bewijzen dat er binnen de norm die door Humanae Vitae is vastgesteld (het afwijzen van kunstmatige methodes van geboortebeperking) geen enkele ruimte is voor welke uitzondering dan ook.

In koor met nagenoeg de gehele traditie van de Oosterse Kerken en een groot deel van de Rooms-katholieke traditie leerde St. Alfonsus Liguori dat zelfs in kwesties van de natuurwet er ruimte is voor epikleia (zoeken naar de geest van de wet eerder  dan naar de letter) (Theologia moralis l:I:tr.II, c.IV n. 201). Hiermee bedoelt hij natuurlijk niet de hoogste normen, het gebod om God en zijn naaste te beminnen. Een gebod dat in ons hart is gegrift. Niettemin acht hij de mogelijkheid van epikleia nadrukkelijk van toepassing op coitus interruptus. Dat was in Alfonsus’ tijd de enige niet-magische methode van geboortebeperking. Hij acht deze epikleia eveneens van toepassing op de medewerking van de vrouw die weet dat haar man die methode gaat gebruiken. Net als andere moraaltheologen in die tijd leert ook hij dat coitus interruptus op zichzelf in strijd is met de bedoeling van de huwelijksdaad om tot voortplanting te leiden en daarom te verwerpen is. Maar hij maakt expliciet melding van gevallen waarin paren goede gronden hebben om te wensen dat de huwelijksdaad niet tot conceptie leidt. Ook hij zag een hoge waarde in onthouding, maar desondanks liet hij de mogelijkheid van epikleia  open ter wille van een rechtvaardige zaak (iusta ex causa).

Carlo Caffarra maakt, noch in zijn lezing voor het congres van moraaltheologen noch  in vroegere verklaringen, onderscheid op grond van de vraag of in een bestaande situatie voortplanting wenselijk zou zijn of dat het onverantwoord zou zijn. Laten we als voorbeeld een soort situatie nemen waarmee ik herhaaldelijk ben geconfronteerd: een vrouw lijdt aan zwangerschapsneurose omdat ze al het leven heeft geschonken aan kinderen met een erfelijke afwijking. Gynaecologen en psychiaters zijn ervan overtuigd dat de vrouw, als ze door een combinatie van sterilisatie en psychotherapie bevrijd kan worden van haar psychotische angst, zij opnieuw een huwelijksleven zou kunnen leiden en weer in haar gezin zou kunnen terugkeren om haar familie te helpen haar gehandicapte kinderen op te voeden. De strikte moraaltheoloog zegt ‘nee’, omdat de voortplantingsorganen van de vrouw niet door ziekte zijn aangetast.  De rigoureuze beklemtoning van de maatstaven van de kerk brengt in andere gevallen een huwelijk tot een breuk en dat gebeurt niet zelden: in het geval dat ik hier op het oog heb, is ‘natuurlijke familieplanning’ niet toepasbaar. De man is vervreemd van zijn vrouw door haar gehoorzaamheid aan de kerk en is hij ook vervreemd van de kerk omdat hij kwaad is over haar strenge houding.  

De vraag is of in zulke gevallen alle kunstmatige methodes van geboortebeperking bewezen absoluut immoreel zijn, wanneer het uiteindelijk gaat om het behoud van het wederzijds geven van zichzelf in het huwelijk en om de verbintenis van trouw?

Volgens Caffarra gaat het, wat ook de situatie moge zijn, om niet minder dan een ‘aanval op Gods heiligheid’ en om de hoogmoed te willen zijn als God, enzovoort. Hoe kan iemand zo simplistisch argumenteren? Dat is niet het beeld van God dat Jezus voor ons tastbaar en zichtbaar maakt.

In uw pauselijke boodschap aan de congresdeelnemers die door Mgr. Caffarra aan u worden voorgesteld, vinden we: ‘Deze morele norm laat geen uitzonderingen toe: geen persoonlijke of sociale omstandigheid heeft ooit zulk een daad eerzaam geordend kunnen maken, kan dat nu niet en zal dat ook nooit kunnen.’ In mijn optiek staat het buiten kijf dat er morele verboden zijn waarop geen enkele uitzondering mogelijk is. Marteling bijvoorbeeld kan nooit van z’n leven moreel gerechtvaardigd worden, en al zeker niet wanneer deze gebruikt wordt om verklaringen of bekentenissen af te dwingen. Pius XII uitte zijn groot verdriet over deze voorbije, uiterst eerloze kerkelijke traditie en over de leerstellingen van pausen die martelen ondersteunden. Vergelijkbaar met marteling ligt het op het eerste oog voor de hand, dat aanranding en vergelijkbare daden altijd in strijd zijn met de morele wet.

Maar kan dit ook gezegd worden van de norm dat elke huwelijksdaad gericht moet zijn op voortplanting? Om het anders te stellen, zijn kunstmatige middelen om de conceptie tegen te gaan, onder alle omstandigheden afkeurenswaardig? De meerderheid van de moraaltheologen scharen zich hier aan de zijde van Thomas van Aquino. Thomas leert dat, hoe complexer een morele norm is en hoe groter de afstand tot van het hoogste principe van liefde, des te kleiner de mate van zekerheid is en hoe minder het toepassen van epikleia uitgesloten kan worden.

In de traditie van Augustinus was de norm van werkelijke gerichtheid van seksuele gemeenschap op voortplanting absoluut. Dat was helemaal toe te schrijven aan zijn pessimisme waar het gaat om seksualiteit. Voor hem en zijn volgelingen gold de seksuele daad als iets vernederends en schaamtevols en moest er daarom een verontschuldiging voor zijn. De onmiddellijke bedoeling tot voortplanten moest de daad moreel aanvaardbaar maken (excusatio, cohonestatio). Maar vandaag de dag kunnen we geen beroep meer doen op die traditie. Eerder zou die ons behoedzaam moeten maken in wat we zeggen.

Hoe kan iemand verwachten dat kritisch gezinde mensen van vandaag en zelfs vrome Christenen instemmen met de verklaring, dat bij het interpreteren van de norm, vastgelegd in Humanae Vitae, elke uitzondering (elke epikleia) absoluut uitgesloten moet worden? Hoe kan iemand instemming verwachten als vervolgens de verklaring gedebiteerd wordt: ‘In werkelijkheid wordt door deze leer de idee zelf van de heiligheid van God in twijfel getrokken’ (boodschap van 12 november 1988)

Bovendien is het schokkend te worden geconfronteerd worden met de volgennde vraag:  wanneer de norm van Humanae Vitae zo star wordt geïnterpreteerd, kan men dan nog zeggen, dat ‘deze is in ons hart is gegrift door de scheppende hand van God en door God is bevestigd in de openbaring’? Waar zou men dan zo een bevestiging moeten vinden? Als we bedenken hoeveel goede en intelligente Christenen binnen en buiten de katholieke kerk er simpelweg niet in kunnen meegaan dat een zo rigoureuze interpretatie wordt herleid tot ‘Humanae Vitae’. Als we verder bedenken hoe schandalig en echt beledigend zij de denkmodellen, de methodes van argumenteren en de insinuatie van schuldigheid vinden, zoals deze worden voorgesteld door Carlo Caffarra en anderen, dan zou men moeten nalaten op zulk een ongedifferentieerde en simplistische manier te onderrichten: ‘Het in twijfel trekken is op die manier gelijkwaardig aan de weigering om God zelf de gehoorzaamheid van onze intelligentie te betonen’ (dezelfde pauselijke boodschap van 12 november 1988).

De versmalling waarvan het navolgend citaat getuigt, is strijdig met alle analyses van verklaringen van dit soort en roept enorme vragen op met betrekking tot de geschiedenis van de uitoefening van het leergezag door de pausen. Het citaat: ’Omdat het leergezag van de kerk ingesteld is om het geweten helder te informeren, houdt ieder beroep op het geweten met de bedoeling de waarheid aan te vechten van hetgeen door het leergezag wordt geleerd, tegelijk de verwerping in van het katholiek concept van zowel het leergezag als van het morele geweten’ (uit derzelfde boodschap).

De kritisch gezinde persoon en juist ook precies de vrome Christen, die erg toegewijd en loyaal is aan de kerk en aan de opvolger van Petrus, moet zulk een verklaring onderwerpen aan een historische analyse en moet er kritische vragen over stellen. Misschien door te proberen deze vraag te stellen: ‘Heeft iemand die - met een beroep op het geweten - de leer van Bonifacius VIII en verschillende van zijn navolgers over de volmachten van de paus over alle wereldlijke rijken en invloedsferen aan analyse en kritische bevraging onderworpen heeft, daarmee op z’n minst impliciet het katholieke concept van zowel het leergezag als van het geweten verworpen?

Als het zo is dat er slechts ėėn van de verscheidene theologische tendensen  geaccepteerd wordt in het Vaticaan, en als dat echt met zulk een gestrengheid gebeurt als in het geval van het congres van moraaltheologen, georganiseerd door Carlo Caffarra, dan doemen er voor ons allen ontelbare zeer pijnlijke vragen op.

Van de andere kant, hoe collegialer het Petrusambt is en hoe meer het in staat is de diversiteit in culturen en tradities aan te moedigen evenals het onderzoek vanuit de verschillende theologische culturen, des te groter zal het vertrouwen zijn dat het Petrusambt bij ons kan wekken. Maar als de paus onmiddellijk meegetrokken wordt in onwrikbare interpretaties en in argumentaties van het meest schokkende soort, dan worden wij met z’n allen in een crisis gedompeld en dwingt onze loyaliteit jegens de kerk ons om ons verdriet en onze diepgevoelde pijn tot uitdrukking te brengen.

Het choquerende karakter  van de huidige crisis is bovenal waarneembaar rond hetgeen de paus leert over de seksuele moraal. Juist daar reageren mensen uiterst gevoelig. Maar in mijn ogen is er nog een veel ernstiger gevaar, namelijk dat, als gevolg het feit dat de polarisatie tegenwoordig heviger wordt, de paus in eigen persoon als eerste in de polarisatie verwikkeld raakt en dat dan uiteindelijk het leergezag van de paus en de bisschoppen zelfs niet langer in staat zijn om ten volle tot ontplooiing te komen waar het gaat om heel centrale vragen van ons geloof. En de geloofarmoede van de huidige generatie is toch al zo groot!

Geachte Vader in Christus.

Ik ben een oude man en sta al met meer dan een voet in het graf. Ik houd hartstochtelijk van mijn kerk en ik houd ook van de opvolger van Petrus. In mijn ogen zijn er veel redenen die hem het beminnen waard maken. Om in staat te zijn Gods genade met vertrouwen tegemoet te zien in het uur van de dood, heb ik me mijn hele leven lang ingezet voor een moraaltheologie en een pastorale praktijk van mededogen en genade. Gehuwde paren moeten in hun verdriet de balsem voelen van liefde en mededogen. In duizenden brieven en bij het horen van duizenden biechten ben ik gewaar geworden hoe grievend goede christenen gekwetst worden door rigorisme in seksuele aangelegenheden.

Botte formuleringen zoals die waaraan Carlo Caffarra en zijn bondgenoten de voorkeur geven, doen mensen pijn en rijten oude wonden weer open. Ze maken de bediening van helende en reddende liefde voor ons allen moeilijker. Als we bij voorbeeld Carlo Caffarra triomfantelijk horen zeggen, dat, op ethisch niveau, het op geen enkele manier aan de orde is zich te bekommeren over voorzienbare gevolgen, kunnen we alleen maar huilen en bidden als we gevraagd worden wat we erop te zeggen hebben.

Deze en andere overwegingen hebben me gedwongen om mijn hart te luchten bij u. Mocht u zich gekwetst voelen door wat ik heb gezegd, vraag ik u om vergeving.

‘Het leergezag van de paus’ - een zinsnede die tegenwoordig zo vaak wordt gebruikt - zou geen strijdkreet mogen worden van de onverbeterlijke huzaren van de kerk, als gevolg waarvan het voor vele anderen een onbegrijpelijk mythe wordt.

Aldus blijf ik uw gehoorzame dienaar in de liefde van het allerheiligste hart van Jezus uw gehoorzame dienaar.

Gars am Inn, 1 December 1988

Bernhard Häring

Return to the duty of speaking out?


This website is maintained by the Wijngaards Institute for Catholic Research.

John Wijngaards Catholic Research

since 11 Jan 2014 . . .

John Wijngaards Catholic Research

Please, credit this document
as published by www.womenpriests.org!