OOK VROUWEN PRIESTER? JAZEKER!header

Responsive image

BEGIN

REDEN GENOEG

TEGEN DE PAUS?

DEBAT

MENU

Nederlands/Vlaams Deutsch Francais English language Spanish language Portuguese language Catalan Chinese Czech Malayalam Finnish Igbo
Japanese Korean Romanian Malay language Norwegian Swedish Polish Swahili Chichewa Tagalog Urdu
------------------------------------------------------------------------------------

"I would want to be a priest"

Vrouwelijke priesters, een dilemma voor theologen

Een reflectie van Peter Hebblethwaite over een lezing van Peter Hünermann

Uit The Tablet, 3 september 1994, blz 1113-1115.

Heruitgegeven op het Internet met toestemming van The Tablet.
adres: 1 King Street Cloisters, Clifton Walk, London W6 0QZ UK. Tel: 44-20-8748 8484; fax: 44-20-8748 1550; email: thetablet@the tablet.co.uk.

De volgende boeken maken deel uit van de publicaties van Peter Hünermann. (De vertalingen onder de Duitse titels zijn niet de eventuele Nederlandse titels (vertaler)):

- Streitgespräch um Theologie und Lehramt (1991) (Polemiek over theologie en leergezag)
- Wissenschaft, kulturelle Praxis, Evangelisierung (1993) (Wetenschap, culturele praktijk, evangelisering)
- Das neue Europa (1993) (Het nieuwe Europa)
- Demokratie (1993) (Democratie)
- Armut (1993) (Armoede)
- Jesus Christus, Gotteswort in der Zeit. Eine systematische Christologie (1994) (Jezus Christus, het Woord van God in de tijd. Een systematische christologie)
- Ekklesiologie im Präsens. Perspektiven (1995) (Ecclesiologie in de tegenwoordige tijd. Perspectieven)
- Gott, ein Fremder in unserm Haus? Die Zukunft des Glaubens in Europa (1996) (God, een vreemdeling in ons huis? De toekomst van het geloof in Europa)
- Diakonat. Ein Ambt für Frauen in der Kirche (with others, 1997) (Diaconaat. Een ambt voor vrouwen in de kerk (samen met andere auteurs)
- Papstamt und Ökumene. Zum Petrusdienst an der Einheit aller Getauften (1997) (Pauselijk ambt en oecumene. Over de dienst van Petrus aan de eenheid van alle gedoopten)
- Und dennoch . . . (1998) (En toch…)
- Das Zweite Vatikanum. Christlicher Glaube im Horizont globaler Modernisierung (1998) (Het Tweede Vaticaans Concilie. Christelijk geloof tegen de horizon van mondiale modernisering)

De paus heeft een brief geschreven waarin hij de priesterwijding van vrouwen onmogelijk maakt. Theologen die de argumenten uit deze brief in twijfel trekken, zien zich gesteld tegenover een bijna onverdraaglijke tegenspraak. Hieronder de reflectie van Peter Hebblethwaite op een lezing door Professor Hünermann op 5 juni (1994). Het verscheen in de augustus editie van Herder Korrespondenz.

Het gezichtspunt van professor Peter Hünermann is, dat de conclusie van de apostolische brief van de paus ‘Sacerdotalis Ordinatio’ (De Wijding van Priesters) is opgehangen aan twee premissen (aannames). Zijn conclusie luidt, dat ‘de kerk geen enkele autoriteit heeft om de priesterwijding van vrouwen te verrichten en dat deze uitspraak definitief bindend is voor alle gelovigen van de kerk. Maar deze aannames zijn geen van beide verdedigbaar, argumenteert Hünermann.

Hünermann heeft niet de reputatie van een dissident. Hij is professor in de dogmatische theologie aan de katholieke faculteit van de Universiteit van Tübingen en stichter en voorzitter van de Europese Associatie van Katholieke Theologen. Hij staat bekend als een scrupuleus voorzichtige wetenschapper en geniet het vertrouwen van de Duitse bisschoppen.

De eerste aanname van de apostolische brief is dat de groep van de ‘Twaalf’, waartoe Jezus alleen mannen roept, identiek is aan ‘de Apostelen’. Het Nieuwe Testament spreekt niet van ‘de Twaalf’ (Zie Openb 21,14), maar de Schrift en de traditie maken gewag van het feit dat zij niet de enige zijn die geroepen worden om ‘apostel’ te worden en worden erkend als zodanig.

Naast de roeping van de elf en de vervanging van Judas door Matthias zijn er andere getuigen van de verrijzenis die de kerk mede gesticht hebben. Onder hen zijn Paulus zelf, Barnabas, Jacobus ‘de broeder van de Heer’, maar ook Andronicus en Junia (Rom 16,7).

In de vroegste westerse liturgieën worden Paulus, Barnabas en Jacobus gevierd als apostelen, en dat is ook het geval voor Andronicus en Junia in de oosterse traditie. Dat de roeping om apostel te worden betrekking heeft op een uitgebreidere groep dan de roeping om bij de ‘Twaalf’ te gaan horen, wordt in een aantal teksten duidelijk gemaakt. In Handelingen 10,41 zegt Petrus dat Jezus ‘niet aan alle mensen’ verscheen, ‘maar aan ons die door God als getuigen uitverkoren waren (…) nadat hij van de dood was opgestaan’.

In 1Kor 15 zegt Paulus met zoveel woorden dat Jezus na de verschijning aan ‘Kefas en daarna aan de Twaalf’, aan ‘meer dan vijfhonderd broeders tegelijk verscheen, van wie de meeste nu nog in leven zijn, al zijn er enkele ingeslapen’. Hij voegt er aan toe: ‘Daarna verscheen hij aan Jacobus, vervolgens aan alle apostelen’(1Kor 15,7). Zodoende is de categorie ‘getuigen van de verrijzenis’ waardoor de apostelen gedefinieerd worden, veel breder dan de groep van de ‘Twaalf’. Paulus spreekt nadrukkelijk van ‘hen die vóór mij apostelen waren’ (Gal 1,17) en zegt dat hij ‘geen van de andere apostelen zag behalve Jacobus de broeder van de Heer’ (Gal 1,19).

Hieruit volgt dat conclusies over het ambt van de apostelen niet kunnen worden gefundeerd op de gebruikelijke ‘Twaalf’. Daarom kunnen vrouwen op deze grond niet uitgesloten worden van het ambt. Kardinaal Jozef Ratzinger, zo wijst Hünermann aan, was zich ten volle bewust van dit bezwaar. Hij probeerde het te tackelen met de opmerking dat ‘zulke interpretaties van nature hypothetisch zijn en enkel een zeer bescheiden mate van waarschijnlijkheid kunnen opeisen’.

Ratzinger beweert dat er, onafhankelijk van het in de geschiedenis geleefde geloof van de kerk en zijn leergezag, geen zuiver historische zekerheid bestaat. Alleen kerk en leergezag zijn gemachtigd om ‘de interpretatie van de Schrift’ te bieden ‘die naar boven gekomen is doordat vrome mensen naar de traditie hebben geluisterd.

Maar, zegt Hünermann, dit antwoord in gebaseerd op het gezichtspunt, dat exegese eender een louter historische discipline is dan een theologische. Bovendien wordt Ratzingers stellingname verworpen in een het recente document van de pauselijke Bijbelcommissie over ‘De interpretatie van de Schrift in de kerk (zie The Tablet 2/9 april 1994 ). Het is ironisch, maar Ratzinger is de prefect van deze commissie.

Dit document stelt helder dat de katholieke exegese het Oude en Nieuwe Testament beschouwt als geïnspireerde geschriften die de goddelijke openbaring bevatten voor de redding van de mensen. Deze exegese gebruikt historisch-kritische methodes om vragen te bediscussiëren die gaan over het begrijpen van het geloof en daar licht op werpen. En dat is met recht een theologische taak. Exegese is al theologie. Het doet meer dat de ‘ruwe materialen’ aandragen voor de theologie.

De tweede premisse van Sacerdotalis Ordinatio is dat de ‘Twaalf’ formeel enkel mannen kozen als ‘collega’s die hen zouden opvolgen in het ambt’ en dat zij die bisschop noemden. Deze onmiddellijke continuïteit wordt ook als vaststaand gegeven gepresenteerd in de Catechismus van de Katholieke Kerk.

Hünermann vindt dit erg problematisch. In de vroege kerk was er een veel grotere fluctuatie in de idee van het ambt en de titels waarmee het werd aangeduid. Van meet af aan werd de plaats van de ‘apostelen’ in een bredere betekenis een erkend gegeven. De evangelisten, herders en leraren (Ef 4,11) dragen er zorg voor om voort ‘te bouwen op de fundamenten van de apostelen en de profeten’ om de kerk op te bouwen (Ef 2,20), die het lichaam van Christus is. Dit is hetgeen de continuïteit bepaalt in lijn met de apostolische oorsprong van de kerk en hetgeen de eenheid ervan garandeert.

In deze tijd waarin alles nog ‘fluctueerde’, hadden vrouwen zeker een plaats in het ambt van de kerk. Paulus schrijft: ‘Ik beveel onze zuster Febe bij u aan, die in dienst staat van de gemeente in Kenchreeën (...) want ze is velen tot steun geweest, ook mij’ (Rom 16,1-2). Deze titel – diaken – duidt op een blijvend en erkend ambt. (zie Fil 1,2 en 1Kor 16,15)

Een zodanige kijk op het ambt is vandaag de dag gemeengoed in zowel de katholieke als de protestantse exegese. Om die reden, zo suggereert Hünermann, verklaarde een meerderheid van de (Pauselijke) Bijbelcommissie in 1974, dat geen enkel bezwaar tegen de wijding van vrouwen op alleen maar bewijzen uit het Nieuwe Testament gestoeld kon worden.

Dus volgens Hünermann is Sacerdotalis Ordinatio gebaseerd op twee premissen die beide de toets van het wetenschappelijke onderzoek niet kunnen verdragen. Hieruit volgt niet dat de conclusie vals is, maar aanvechtvaar is ze zeker en het is nauwelijks waarschijnlijk te noemen dat ze zich op de langen duur als ‘definitief’ zal bewijzen, zoals het document claimt.

Wat moeten we aan met deze situatie? Voor katholieke theologen die vastbesloten zijn loyaal te blijven aan de kerk, betekent dit een ernstige moeilijkheid. Niet dat enige katholieke theoloog de illusie heeft, dat de wijding van vrouwen aanstaande is. Ze zijn zich terdege ervan bewust dat de klokken van de kerk op de verschillende continenten een verschillende tijd aangeven.

Katholieke theologen voelen een verantwoordelijkheid om al het voorstelbare te doen om een schisma te vermijden en weten dat in het huidige tijdsgewricht een schisma eerder zou worden veroorzaakt door de wijding van vrouwen dan wanneer de lijn van de tegenstanders wordt gevolgd. De meerderheid van het episcopaat is ertegen en de ‘Orthodoxe factor’ moet meegewogen worden, al weten de bisschoppen ook dat ze de belangen van vrouwen serieus moeten nemen. Maar dit alles is niet de echte moeilijkheid.

De moeilijkheid is dat het leergezag zich over deze vraag heeft uitgesproken op een wijze die, alhoewel niet strikt onfeilbaar, dan toch heel dicht daarbij komt. Om zich te troosten, kijkt Hünermann naar andere voorbeelden in de recente theologische geschiedenis waarin het leergezag zich aan posities committeerde waarvan het zich al snel verplicht voelde zich terug te trekken.

In de negentiende eeuw antwoordde het leergezag negatief op vragen over mensenrechten, vrijheid van godsdienst, het auteurschap van de bijbel, de relatie tussen de christologie van de vroege concilies en het Nieuwe Testament. Maar het Tweede Vaticaans Concilie heeft de meeste van deze stellingnames omgekeerd. Het gaat er hier niet om het leergezag in verlegenheid te brengen. Op het spel staat de netelige vraag hoe in een periode van immense culturele veranderingen om te gaan met ‘moderniteit’. Nieuwe culturele horizonten brengen nieuwe vragen en het antwoord daarop van de kerk neigt negatief te zijn.

Als symbool voor dit algemeen probleem neemt Hünermann wat Pius XII in zijn encycliek ‘Humani Generis’ van 1950 zei over de erfzonde. De encycliek veroordeelde de theorie van het ‘polygenisme’ – dat is het gezichtspunt dat er mensen geweest zouden kunnen zijn die niet letterlijk afstammelingen van Adam en Eva waren. Deze stellingname werd formeel beschreven als ‘theologisch zeker’, en werd gepresenteerd als de noodzakelijke vooronderstelling voor de leer van de erfzonde. Dit ontkennen was de ontkenning van de erfzonde. Hiermee werd de stellingname verbannen uit de toelaatbare theologische discussie. Toch werd nauwelijks meer dan een decade later de veroordeling van het polygenisme gezien als theologisch achterhaald en werd deze in stilte opzij geschoven. Vooraleer dat echter kon gebeuren waren veel theologen het slachtoffer geworden van de zorg voor de eenheid die de andere argumenten verdrong.

Hünermann concludeert dat er een dialectiek bestaat tussen een gerechtvaardigde behoefte aan eenheid en een even gerechtvaardigde behoefte aan de ontwikkeling van de intellectus fidei (het begrijpen van het geloof) waar theologen zich mee bezig houden. Hünermann zegt, dat ‘beide onmisbaar zijn, wil de kerk trouw blijven aan de waarheid’. Als de kerk de eenheid niet zou behoeden, zou ze ontrouw zijn aan haar goddelijke roeping. Zonder de intellectus fidei zou ze geneigd zijn tot bijgelovige vormen die aan het verleden vastgebakken zitten’

Hünermann onderschat de moeilijkheden niet. Niet iedereen is tegenwoordig theologisch bij de tijd in de kerk. Die klokken geven verschillende tijden aan. Indien ware eenheid gehandhaafd moet worden, moet er bereidheid zijn om naar elkaar te luisteren, een bereidheid om te leren van elkaar en elkaar te respecteren. Dit geldt, zegt Hünermann, ‘voor alle gelovigen, theologen even goed als bisschoppen en kardinalen’. Alles minder waarmee we genoegen nemen, zal immense schade berokkenen aan de katholieke kerk, aan het pauselijk gezag en uiteindelijk aan het ambt zelf van de paus.

Hünermann besluit met de vraag hoe men de kerk waarachtig kan dienen. Zijn antwoord: Alleen doordat men elkaar recht in de ogen durft kijken.

Ga naar Peter Hunnermanns beoordeling van Ordinatio Sacerdotalis

Ga terug naar "De plicht om te spreken"

Vertaling: Ben Bongaards


This website is maintained by the Wijngaards Institute for Catholic Research.

John Wijngaards Catholic Research

since 11 Jan 2014 . . .

John Wijngaards Catholic Research

Please, credit this document as published by www.womenpriests.org!