OOK VROUWEN PRIESTER? JAZEKER!header

Responsive image

BEGIN

REDEN GENOEG

TEGEN DE PAUS?

DEBAT

MENU

Nederlands/Vlaams Deutsch Francais English language Spanish language Portuguese language Catalan Chinese Czech Malayalam Finnish Igbo
Japanese Korean Romanian Malay language Norwegian Swedish Polish Swahili Chichewa Tagalog Urdu
------------------------------------------------------------------------------------
Het gewone universele leergezag. Voorwaarden voor zijn onfeilbaarheid

Het gewone universele leergezag

Voorwaarden voor zijn onfeilbaarheid

Het Tweede Vaticaans Concilie heeft het gewone leergezag gepreciseerd en heeft de voorwaarden beschreven waaronder datgene wat het leert onfeilbaar is:

"Ik zou graag priester willen zijn."

“Hoewel de individuele bisschoppen het voorrecht van onfeilbaarheid missen, verkondigen zij niettemin onfeilbaar de leer van Christus, telkens als zij, zelfs verspreid over de wereld maar met elkaar en met de opvolger van Petrus verbonden, en op een authentieke wijze zaken van geloof of zeden onderrichtend, het eens zijn over een standpunt dat definitief moet worden ingenomen. Dit wordt nog duidelijker bewaarheid wanneer zij, in een oecumenisch concilie vergaderd, optreden als leraren en arbiters inzake geloof en zeden voor de universele Kerk, aan wier bepalingen men zich dient te houden met onderwerping van het geloof.” Lumen Gentium § 25d-e.

Uit deze en andere concilieteksten waar dit van afhangt, kan men duidelijk vijf voorwaarden afleiden.:

  1. In collegiaal optreden.
    Het is duidelijk dat de bisschoppen betrokken moeten zijn in een collegiale uitoefening van hun leerambt.
  2. Als ‘arbiters’.
    De bisschoppen moeten vrij zijn een weloverwogen mening te geven.
  3. Ten dienste van het geloof van de gehele Kerk.
    De bisschoppen moeten luisteren naar het Woord van God en naar de ‘sensus fidelium’.
  4. Met betrekking tot geloof en zeden.
    Het onderricht moet te maken hebben met het geloof.
  5. In een leergezag dat bewust wordt opgelegd als ‘definitief’.
    De bisschoppen moeten het leerstuk willen opleggen als definitief het laatste woord.

We zullen nu elk van deze voorwaarden in detail onder de loep nemen.

Voorwaarde 1. Collegiaal optreden.

‘Hoewel de bisschoppen ieder voor zich het voorrecht van onfeilbaarheid niet hebben, kunnen zij niettemin de leer van Christus op onfeilbare wijze verkondigen. ‘Dit geldt zelfs wanneer zij over de wereld verspreid zijn.’

Aangezien de eerste zin aan individuele bisschoppen het voorrecht van onfeilbaarheid onthoudt, zijn de ‘zij’ die een onfeilbare uitspraak kunnen doen duidelijk de bisschoppen tezamen, met andere woorden, het is het episcopaat als zodanig aan wie het voorrecht van onfeilbaarheid toekomt. Als dus de bisschoppen ieder op zich niet onfeilbaar zijn, is het ook niet zo dat ze allemaal bij elkaar opgeteld het wel zijn. Dus moet er voor onfeilbaar leergezag heel reëel sprake zijn van collegiale uitoefening van hun leergezag. Dit vereist uiteraard de deelname van de Paus als hoofd van het college.

Het episcopaal college kan een onfeilbare uitspraak doen, niet alleen wanneer het vergaderd is in een oecumenisch concilie, maar ook wanneer het verspreid is over de hele wereld. Het probleem is echter: hoe kan het verspreide college het leerambt uitoefenen op collegiale wijze? Francis Sullivan oppert enkele mogelijkheden:

“Het doen van een plechtige dogmatische uitspraak is een buitengewone uitoefening van het leerambt, waarbij het college van bisschoppen strikt collegiaal beraadslaagt over een zaak van het geloof . Tot nu toe was dat alleen mogelijk wanneer de bisschoppen bijeen waren in een oecumenisch concilie. En dus is historische gezien de voorwaarde die wordt vereist voor een onfeilbare leeruitspraak, dat het college van bisschoppen bijeen is in een oecumenisch concilie.”

“De vraag doet zich voor of het in de toekomst mogelijk zou zijn dat het college van bisschoppen dergelijke beraadslaging en beoordeling doet op strikt collegiale wijze, zonder dat het lijfelijk vergaderd is op een en dezelfde plaats. Gegeven de recente vooruitgang in methoden van wereldwijde communicatie, lijkt het niet uitgesloten dat het soort collegiale beraadslaging dat vereist wordt voor een strikt collegiale beslissing mogelijk zou zijn zonder een feitelijk samenkomen van de bisschoppen in een concilieaula.”

“Een andere vraag doet zich voor, namelijk of een groep bisschoppen, door hun medebisschoppen gekozen en gemachtigd om het hele episcopaat te vertegenwoordigen, tezamen met de paus het hoogste leergezag kunnen uitmaken en in staat zijn een onfeilbare geloofsuitspraak te doen. Gezien het feit dat in de oecumenische concilies van het eerste millennium het hele westerse episcopaat werd vertegenwoordigd door slechts twee of drie bisschoppen, legaten van de bisschop van Rome, lijkt het niet onmogelijk dat het gezag van het hele college van bisschoppen wordt uitgeoefend door een groep gekozen vertegenwoordigers. Een dergelijk lichaam zou gemachtigd moeten worden om tezamen met de paus zonder meer gezagvolle besluiten te nemen. In dit opzicht zou het moeten verschillen van de ‘Bisschoppelijke Synode’, zoals in 1965 ingesteld door Paus Paulus VI, die, volgens de constitutie, louter raadgevende stem heeft. ”

Uit: Francis A. Sullivan, Magisterium. Teaching Authority in the Catholic Church, Gill & MacMillan, Dublin 1983, pag. 100-101.

Men dient op te merken dat echt ‘collegiaal optreden’ niet alleen de besprekingen van de paus met individuele bisschoppen of bischoppenconferenties vereist, maar ook vrije discussie van de bisschoppen onder elkaar.

Vaststelling: Wat de wijding van vrouwen betreft heeft een dergelijke betrokkenheid van het hele wereldepiscopaat niet plaats gevonden.

Voorwaarde 2. De bisschoppen handelen als ‘arbiters van het geloof’.

‘Zij zijn leraar en arbiter van geloof en zeden voor de gehele kerk…’

Het is een algemeen beginsel van moraaltheologie en Kerkelijke wet dat menselijke handelingen niet geldig zijn, tenzij ze weloverwogen en in vrijheid worden verricht.

Indien alle christengelovigen de vrijheid hebben geloofsvragen te bestuderen en vrijelijk hun mening erover te geven (Canon 212, §3); als theologen academische vrijheid genieten (Canon 218), behoren ook de bisschoppen die vrijheid te hebben, alsmede de verplichting er een verantwoord gebruik van te maken.

“Het lijdt geen twijfel dat de bisschoppen, wil men hen kunnen bestempelen als het leergezag, hun functie als ‘arbiters’ van het geloof’ (Lumen Gentium § 25) moeten uitoefenen in werkelijke samenspraak. Dit houdt noodzakelijkerwijs de voorwaarde in dat de bisschoppen vrij dienen te zijn in het uitspreken van hun oordeel, met andere woorden, dat zij niet onder zodanige pressie of dwang verkeren dat hun echte vrijheid van spreken onthouden wordt. Het is bekend dat critici van Vaticanum I, zowel in de vorige eeuw als meer recentelijk, met de beschuldiging zijn gekomen dat de pressie die op de bisschoppen is uitgeoefend door Paus Pius IX van die aard was dat de beraadslagingen van dat concilie niet echt vrij waren. Bij mijn weten heeft geen enkele verdediger van Vaticanum I de belangrijkste vooronderstelling onderzocht: namelijk dat het episcopaat vrij van dwang dient te zijn om te komen tot de belangrijke besluitvorming die vereist wordt voor een conciliair geloofsbesluit. Hetzelfde geldt voor het huidige college van bisschoppen.”

Uit: Francis A. Sullivan, Magisterium. Teaching Authority in the Catholic Church, Gill & MacMillan, Dublin 1983, pag. 101.

Conclusie: Er zijn legitieme twijfels over de adequate kennis van de bisschoppen en hun vrijheid in het huidige klimaat van de kerk.

Redenen:

  1. Vanwege de krachtige onderdrukking van afwijkende theologische meningen valt het te betwijfelen of de bisschoppen wel voldoende kennis hebben kunnen nemen van adequate achtergrondinformatie over Schrift en Traditie in deze materie. De meeste bisschoppen weten beslist niet dat de meerderheid van de theologen geen fundamentele bezwaren zien tegen de wijding van de vrouw.
  2. Er zijn bewijzen dat Rome aanzienlijke druk heeft uitgeoefend op bisschoppen om zich te schikken naar hun eigen mening. Bisschoppen krijgen te horen, zowel in het openbaar als in privé correspondentie dat zij zich krachtig teweer moeten stellen tegen degenen die argumenten aanvoeren ten gunste van de wijding van vrouwen. “De bisschop dient zijn pastorale bekwaamheid en zijn leiderskwaliteiten te bewijzen door vastbesloten iedere steun te weigeren aan lieden – of het nu gaat om individuen of om groepen – die de priesterwijding van de vrouw verdedigen, hetzij in naam van de vooruitgang, van mensenrechten, mededogen of om welke reden dan ook”.(Brief van de Congregatie van de Geloofsleer, Osservatore Romano13 September 1983). Een dergelijk optreden van de kant van Rome komt neer op een morele dwang die zeer wel het vermogen van vele bisschoppen om te handelen als onafhankelijke ‘arbiters van het geloof’ kan ontkrachten.
  3. Dezelfde voorwaarde geldt uiteraard ook voor de Paus. “De Paus moet tot zijn beslissing komen terwijl hij gezond van geest is en vrij van dwang. Anders kan men niet zeggen dat hij zijn hoogste leergezag uitoefent”. (F.Sullivan, id.).

Voorwaarde 3. Luisteren naar het geloof van de gehele Kerk.

In antwoord op de artikelen van de priesters uit Gallië uit 1682, die stelden dat een onfeilbare uitspraak van een Paus gevolgd dient te worden door de instemming van de Kerk, leerde het Eerste Vaticaans Concilie dat de ‘uitspraken van genoemde Paus uit zichzelf niet voor hervorming vatbaar zijn, niet door de instemming van de Kerk’ (Pastor Aeternus, §11). Een latere goedkeuring als voorwaarde voor onfeilbaarheid zou zelfs het leergezag van Paus en bisschoppen ongedaan maken.

Dit houdt echter niet in dat de Paus of het bisschoppencollege zomaar leerstukken kunnen verzinnen. Zij kunnen slechts datgene uitroepen tot leerstuk wat zij aantreffen in het ‘deposito van het geloof’, een deposito dat wordt doorgegeven met het uitgesproken en impliciete geloofsbesef van de gehele Kerk, inclusief de gelovigen. Aldus Vaticanum II:

“De Paus en de bisschoppen streven ernaar, met het oog op hun ambt en het belang van de zaak, met passende middelen behoorlijk onderzoek te doen naar die openbaring en gepaste uitdrukking te geven aan de inhoud ervan, maar een nieuwe algemene openbaring accepteren zij niet als behorende bij de goddelijke geloofsschat.” Lumen Gentium §25(k)
Commentaar: ‘De passende middelen om behoorlijk onderzoek te doen’ houden uiteraard een eerlijke en grondige studie in van de argumenten uit Schrift en Traditie, en het raadplegen van betrouwbare en onafhankelijke theologen die hun competentie in de betreffende zaak bewezen hebben.

“Het heilige volk van God deelt ook in het profetenambt van Christus, het verbreidt een levend getuigenis van hem, vooral door een leven van geloof en naastenliefde en door aan God een offer op te dragen van lof, het eerbetoon van lippen die zijn naam prijzen. De gehele gemeenschap van gelovigen kan niet dwalen in geloofszaken, gezalfd als zij zijn door de Heilige Geest,” Lumen Gentium § 12(a).

“Christus doet dit niet alleen door de hiërarchie die onderricht in zijn naam en met zijn gezag, maar ook door de leken doe hij tot getuigenis gesteld heeft en die hij het verstaan van het geloof heeft geschonken (sensus fidei) en de genade van het woord zodat de kracht van het Evangelie zou schijnen in hun dagelijks leven in maatschappij en gezin.” Lumen Gentium § 35(b).
Commentaar: Paus en bisschoppen dienen aandacht te geven aan de sensus fidei, dwz. het geloofsbesef dat wordt gevoeld en ervaren door de gewone gelovigen die delen in het algemene profetische ambt van de Kerk, en in haar onfeilbaarheid.

“Dit leerambt [=magisterium] staat niet boven Gods woord, maar is de dienaar daarvan. Het leert alleen wat haar is doorgegeven. Het luistert ernaar vol toewijding, behoedt het nauwgezet en verklaart het getrouwelijk in overeenstemming met een goddelijke zending en met de hulp van de Heilige Geest. Het ontleent aan deze ene geloofsschat alles wat het te geloven voorhoudt als door God geopenbaard.” Dei Verbum § 10 (d).
Commentaar: Paus en bisschoppen zijn in hun leerambt afhankelijk van het geloof van de Kerk. F. Sullivan zegt hierover:

“Het is buitengewoon belangrijk dat waar Vaticanum I uitsluit dat pauselijke uitspraken rechtens afhankelijk zijn van de goedkeuring van de bisschoppen, het niet uitsluit en ook niet kan uitsluiten, een reële afhankelijkheid van pauselijke uitspraken van het geloof van de Kerk. Want de Paus [en de bisschoppen] kunnen alleen tot dogma verklaren wat behoort tot de inhoud van de openbaring. Dei Verbum nu zegt ons dat ‘de heilige schat van het Woord van God is toevertrouwd aan de Kerk’ (Dei Verbum 10), en het is de Kerk die ‘in haar onderricht, haar leven en haar eredienst deze schat in stand houdt voor alle tijden en doorgeeft aan alle generaties’ (Dei Verbum 8). Als de Paus dan, vóór hij ook maar iets kan bepalen als berustend op goddelijke openbaring, moet luisteren naar het Woord van God’ (Dei Verbum 10), en als dit Woord van God is toevertrouwd aan de Kerk’ (Dei Verbum 10), en wordt doorgegeven ‘in haar onderricht, haar leven en haar eredienst’ (Dei Verbum 8), volgt daaruit dat de Paus, vóór hij een dogma kan definiëren, luisteren moet naar de Kerk, en dat hij slechts datgene kan definiëren als dogma wat hij aantreft in het geloof van de Kerk. De Paus heeft geen enkele bron van openbaring die onafhankelijk is van het geloofsleven van de Kerk. Zoals Vaticanum I al zei, de Heilige Geest is hem toegezegd, niet opdat hij door de openbaring van de Geest een nieuw leerstuk zou kunnen uitroepen, maar veeleer zodat hij geholpen door de Geest de openbaring die is doorgegeven vanaf de Apostelen zou behoeden en verklaren. Hieruit volgt dat de Paus [en de bisschoppen] eenvoudigweg geen dogma kunnen definiëren zonder een reële raadpleging van het geloof van de Kerk, want zij kunnen alleen als dogma vaststellen iets dat is doorgegeven en nog wordt doorgegeven in de leer, het leven en de eredienst van de Kerk.” (Magisterium, ib. pag. 103-104).

“Het Tweede Vaticaans Concilie heeft in zijn formulering van het leerstuk van de pauselijke onfeilbaarheid enkele verhelderende opmerkingen ingevoegd, die in Vaticanum I overgelaten werden aan Bisschop Gasser om op te nemen in zijn verklarende relatio: (1) het concilie maakte heel duidelijk onderscheid tussen de paus als universele herder en als privé persoon; (2) het vermeldde de noodzaak voor de paus om passende onderzoeksmiddelen te gebruiken, en wat nog belangrijker is, (3) het verklaarde dat bij de juiste uitoefening van het buitengewoon leergezag de instemming van de gehele Kerk nooit mag ontbreken.” Richard R. Gaillardetz, Teaching with Authority, A Theology of the Magisterium in the Church, Liturgical Press, Collegeville 1997, pag. 219.

Wij moeten vaststellen: Het is duidelijk dat noch de Paus, noch de bisschoppen op adequate wijze hebben nagegaan wat de Kerk gelooft.

Redenen:

  1. Een aanzienlijk deel van de gelovigen is er diep van overtuigd dat er geen geldige reden kan bestaan in onze Christelijke Traditie om vrouwen uit te sluiten van het gewijde ambt. Deze overtuiging groeit nog gestaag ondanks de pogingen van Rome om theologen met een afwijkende mening het zwijgen op te leggen.
  2. De grote meerderheid van onafhankelijke theologen is overtuigd dat noch de studie van Schrift en Traditie, noch theologische overwegingen, het huidige verbod op vrouwelijke priesters kan rechtvaardigen. Deze overtuiging wordt duidelijk verkondigd ondanks de pogingen van Rome om theologen met een afwijkende mening de mond te snoeren.

Voorwaarde 4. Wat betreft geloof en zeden.

Het is duidelijk dat het ‘gewone universele leerambt’ alleen onfeilbare uitspraken kan doen over zaken die vallen binnen de geloofsschat of die er noodzakelijkerwijs verband mee houden.

Het object van onfeilbaar leergezag is in verscheidene concilies beschreven:

“Deze waarheid en discipline zijn vervat in de geschriften en de ongeschreven tradities die, door de Apostelen ontvangen uit de mond van Christus zelf, of ontvangen van de Apostelen zelf, en ingegeven door de Heilige Geest, tot ons zijn gekomen, als het ware van hand tot hand doorgegeven,…. genoemde tradities, zowel de tradities die behoren tot het geloof als die welke behoren tot de zeden, als opgetekend uit Christus eigen woorden of ingeven door de Heilige Geest, en bewaard in de Katholieke Kerk in ononderbroken traditie.”; Trente (1546), Decreet betreffende Schrift en Traditie, §3.

‘een geloofs- of zedenleer waaraan de hele Kerk zich dient te houden’; Vaticanum I (1870), Pastor Aeternus §11.
Bisschop Gasser, spreekbuis voor de Theologische Commissie, heeft uiteengezet dat het secundaire voorwerp van de onfeilbaarheid was ‘waarheden die noodzakelijkerwijze vereist zijn om de geloofsschat ongeschonden te bewaren’; ‘waarheden zonder dewelke de geloofsschat niet kon worden beschermd en verklaard’ ( Schema Primum de Ecclesia, Canon ix, Mansi 51, 552; vgl. Mansi 52, 1226).

“En deze onfeilbaarheid waarmee de Goddelijke Verlosser zijn Kerk heeft willen toerusten bij het bepalen van leer en zeden, reikt net zo ver als de Open baring reikt, die vroom bewaard dient te worden en trouw uiteengezet”; Vaticanum II (1964), Lumen Gentium §25(f).
De Theologische Commissie van Vaticanum II heeft de tekst als volgt verklaard: ‘Het voorwerp van de onfeilbaarheid van de Kerk, aldus verklaard, heeft eenzelfde reikwijdte als de Openbaring zelf; daarom omvat zij al die zaken, en geen andere, die ofwel direct te maken hebben met het openbaringsgegeven zelf ofwel vereist worden om te waarborgen dat deze schat vroom bewaard en trouw uiteengezet wordt…’ ( Acta Synodalia Concilii Vaticani II, III/I, pag. 251.)

Wij moeten het volgende vaststellen: Het valt te verdedigen dat het wijden of niet wijden van vrouwen een kwestie is die niet valt binnen het voorwerp dat het onfeilbaar leergezag claimt als rechtmatig.

Jezus Christus had het droombeeld van het vestigen van ‘het Koninkrijk van zijn Vader’ op aarde. De theologen zijn het er over eens dat hij niet direct de institutionele Kerk wilde stichten zoals wij die nu kennen. En zeker heeft hij de institutionele structuren niet in detail ontworpen. Het sacrament van het gewijde ambt heeft vorm gekregen als reactie op culturele druk in een tijdgebonden milieu. Lees. Kerkelijke Ambt, door E. Schillebeeckx, Overveen 1980.

De Congregatie voor de Geloofsleer heeft geen overtuigende argumenten geleverd om aan te tonen dat het geslacht van wie wel of niet gewijd kan worden deel uitmaakt van de geopenbaarde leer, of er noodzakelijk verband mee houdt. Edward Schillebeeckx OP heeft gezegd dat de onfeilbaarheid van de uitspraak over de wijding van vrouwen dogmatisch gezien onmogelijk is, omdat het een zaak is van kerkorde, niet van de kern van ons geloof. (National Catholic Reporter, 8 December 1995).

Voorwaarde 5. Bewust onderwezen als definitief het laatste woord.

Om het onfeilbaar leergezag uit te oefenen moeten de bisschoppen eenstemmig een enkel voorstel doen over een bepaald leerstuk ‘als definitieve geloofswaarheid’ (tamquam definitive tenendam) (Lumen Gentium 25d). Deze uitdrukking werd ten tijde van het Concilie als volgt verklaard: ‘De bisschoppen houden iets voor als definitief te geloven, wanneer zij, sprekend uit de volheid van hun gezag, de gelovigen verplichten tot onherroepelijke instemming.’

In zijn commentaar op deze paragraaf van Lumen Gentium, wijst Karl Rahner op de betekenis van deze voorwaarde:

‘De tekst stelt expliciet dat er alleen maar sprake kan zijn van onfeilbaar leergezag van het gewone leerambt….wanneer de eensgezinde leer van het gezamenlijk episcopaat een zaak van geloof of zeden ‘als te geloven voorhoudt’(tamquam definitive tenendam). Een absolute en onveranderlijke instemming is expliciet vereist… Daarom is niet ieder leerstuk dat eensgezind door het hele episcopaat wordt verkondigd uit zichzelf onfeilbaar, zelfs niet als het gaat over geloof of zeden of dat bedoelt. In de ontwerptekst van 10 november 1962 no. 30, pag. 29-31, kwam de zinsnede tamquam definitive tenendam, die heel belangrijk is voor een beoordeling van de bedoeling van de uiteindelijke tekst, niet voor. Alleen een aldus vastgestelde eensgezindheid is een criterium dat wij kunnen gebruiken om de onfeilbaarheid te beoordelen van het voorgestelde leerstuk. De tekst gaat uiteraard niet in op de moeilijke vraag, hoe deze speciaal gekwalificeerde unanimiteit moet worden vastgesteld door de gelovigen die een zaak voor waar moeten aannemen, wat soms praktische gevolgen kan hebben.’ Karl Rahner, Commentary on the Documents of Vatican II, New York 1965, pag. 210-211.

Rahner verklaart deze kwestie verder in zijn artikel over ‘Het leergezag’ in Sacramentum Mundi, waar hij zegt:

‘Wanneer een dogma moet worden voorgehouden door het gewone leergezag, zonder dat het door concilie of paus is geformuleerd, - wat heel goed mogelijk is – volstaat het niet dat een leerstuk met morele unanimiteit wordt voorgehouden door het gehele episcopaat. Er wordt ook vereist dat het leerstuk expliciet wordt voorgehouden ‘tamquam definitive tenendam’ (Lumen Gentium 25). Hieruit volgt dat alleen de de facto universaliteit van een kerkelijke leer niet voldoende is. In het verleden is vaak aangenomen, en met praktische gevolgen, dat een leer onveranderlijk is in de Kerk enkel en alleen omdat zij gedurende een aanzienlijken periode algemeen onderricht is zonder duidelijke tegenspraak. Deze mening gaat tegen de feiten in en is fundamenteel fout, omdat vele leerstukken die ooit in de gehele kerk voor waar werden gehouden problematisch of onjuist gebleken zijn.’ Vgl. Magisterium, Sacramentum Mundi , Herder and Herder, New York - Dublin, vol. III, p. 356.

Vaststelling: Het college van bisschoppen heeft het verbod op de wijding van vrouwen niet voorgehouden als een leerstuk dat voor waar moet worden aangenomen.

Tegenwerping?

Kan Rome dan niet spreken namens alle bisschoppen?

Antwoord: Neen. Dwz. niet voordat de Paus hen heeft geraadpleegd op een echt collegiale wijze, zodat zij, in het uitoefenen van hun collegiale verantwoordelijkheid, met volle kennis van de feiten en zonder morele dwang , in vrijheid kunnen ‘oordelen’ over de zaak in kwestie en hun eigen mening kunnen uitspreken.

Algemene conclusie

Het universele gewone leergezag heeft niet met onfeilbaar leergezag besloten dat vrouwen moeten worden uitgesloten van de priesterwijding, omdat aan geen van de wezenlijke voorwaarden beslist is voldaan:

Daarom is hier het theologische principe van toepassing dat “geen enkel leerstuk voor onfeilbaar wordt gehouden, tenzij het duidelijk als zodanig is vastgesteld.” Canon 749, § 3..

Lees ook hoe belangrijke theologen van de gehele wereld de claims van de ‘onfeilbaarheid’ van de Congregatie voor de Geloofsleer hebben verworpen.

John Wijngaards

Klik hier als U onze campagne voor de wijding van vrouwen aktief wilt steunen..

historische overzichten

vertaling door Zr. Theresia Saers JMJ


This website is maintained by the Wijngaards Institute for Catholic Research.

John Wijngaards Catholic Research

since 11 Jan 2014 . . .

John Wijngaards Catholic Research