|
|
|---|
Voorwaarden voor zijn
onfeilbaarheid
Het Tweede Vaticaans Concilie
heeft het gewone leergezag gepreciseerd en heeft de voorwaarden beschreven
waaronder datgene wat het leert onfeilbaar is:
Hoewel de
individuele bisschoppen het voorrecht van onfeilbaarheid missen, verkondigen
zij niettemin onfeilbaar de leer van Christus, telkens als zij, zelfs verspreid
over de wereld maar met elkaar en met de opvolger van Petrus verbonden, en op
een authentieke wijze zaken van geloof of zeden onderrichtend, het eens zijn
over een standpunt dat definitief moet worden ingenomen. Dit wordt nog
duidelijker bewaarheid wanneer zij, in een oecumenisch concilie vergaderd,
optreden als leraren en arbiters inzake geloof en zeden voor de universele
Kerk, aan wier bepalingen men zich dient te houden met onderwerping van het
geloof. Lumen
Gentium § 25d-e.
Uit deze en andere concilieteksten waar dit van afhangt, kan men
duidelijk vijf voorwaarden afleiden.:
- In collegiaal optreden.
Het is duidelijk dat de bisschoppen betrokken moeten zijn in een
collegiale uitoefening van hun leerambt.
- Als
arbiters.
De bisschoppen moeten vrij zijn een weloverwogen
mening te geven.
- Ten dienste van het
geloof van de gehele Kerk.
De bisschoppen moeten luisteren naar het
Woord van God en naar de sensus fidelium.
- Met betrekking tot
geloof en zeden.
Het onderricht moet te maken hebben met het geloof.
- In een leergezag dat
bewust wordt opgelegd als definitief.
De bisschoppen moeten
het leerstuk willen opleggen als definitief het laatste woord.
We zullen nu elk van deze voorwaarden in detail onder de loep nemen.
Voorwaarde 1.
Collegiaal optreden.
Hoewel de
bisschoppen ieder voor zich het voorrecht van onfeilbaarheid niet hebben,
kunnen zij niettemin de leer van Christus op onfeilbare wijze verkondigen.
Dit geldt zelfs wanneer zij over de wereld verspreid zijn.
Aangezien de eerste zin aan individuele bisschoppen het voorrecht van
onfeilbaarheid onthoudt, zijn de zij die een onfeilbare uitspraak
kunnen doen duidelijk de bisschoppen tezamen, met andere woorden, het is het
episcopaat als zodanig aan wie het voorrecht van onfeilbaarheid toekomt.
Als dus de bisschoppen ieder op zich niet onfeilbaar zijn, is het ook niet zo
dat ze allemaal bij elkaar opgeteld het wel zijn. Dus moet er voor onfeilbaar
leergezag heel reëel sprake zijn van collegiale uitoefening van hun
leergezag. Dit vereist uiteraard de deelname van de Paus als hoofd van het
college.
Het episcopaal college kan een onfeilbare uitspraak doen, niet alleen
wanneer het vergaderd is in een oecumenisch concilie, maar ook wanneer het
verspreid is over de hele wereld. Het probleem is echter: hoe kan het
verspreide college het leerambt uitoefenen op collegiale wijze? Francis
Sullivan oppert enkele mogelijkheden:
Het doen van een
plechtige dogmatische uitspraak is een buitengewone uitoefening van het
leerambt, waarbij het college van bisschoppen strikt collegiaal beraadslaagt
over een zaak van het geloof . Tot nu toe was dat alleen mogelijk wanneer de
bisschoppen bijeen waren in een oecumenisch concilie. En dus is historische
gezien de voorwaarde die wordt vereist voor een onfeilbare leeruitspraak, dat
het college van bisschoppen bijeen is in een oecumenisch concilie.
De vraag doet zich
voor of het in de toekomst mogelijk zou zijn dat het college van bisschoppen
dergelijke beraadslaging en beoordeling doet op strikt collegiale wijze, zonder
dat het lijfelijk vergaderd is op een en dezelfde plaats. Gegeven de recente
vooruitgang in methoden van wereldwijde communicatie, lijkt het niet
uitgesloten dat het soort collegiale beraadslaging dat vereist wordt voor een
strikt collegiale beslissing mogelijk zou zijn zonder een feitelijk samenkomen
van de bisschoppen in een concilieaula.
Een andere vraag
doet zich voor, namelijk of een groep bisschoppen, door hun medebisschoppen
gekozen en gemachtigd om het hele episcopaat te vertegenwoordigen, tezamen met
de paus het hoogste leergezag kunnen uitmaken en in staat zijn een onfeilbare
geloofsuitspraak te doen. Gezien het feit dat in de oecumenische concilies van
het eerste millennium het hele westerse episcopaat werd vertegenwoordigd door
slechts twee of drie bisschoppen, legaten van de bisschop van Rome, lijkt het
niet onmogelijk dat het gezag van het hele college van bisschoppen wordt
uitgeoefend door een groep gekozen vertegenwoordigers. Een dergelijk lichaam
zou gemachtigd moeten worden om tezamen met de paus zonder meer gezagvolle
besluiten te nemen. In dit opzicht zou het moeten verschillen van de
Bisschoppelijke Synode, zoals in 1965 ingesteld door Paus Paulus
VI, die, volgens de constitutie, louter raadgevende stem heeft.
Uit: Francis A. Sullivan, Magisterium. Teaching Authority in the
Catholic Church, Gill & MacMillan, Dublin 1983, pag.
100-101.
Men dient op te merken dat echt collegiaal optreden niet
alleen de besprekingen van de paus met individuele bisschoppen of
bischoppenconferenties vereist, maar ook vrije discussie van de bisschoppen
onder elkaar.
Vaststelling: Wat de wijding van vrouwen betreft heeft een
dergelijke betrokkenheid van het hele wereldepiscopaat niet plaats gevonden.
Voorwaarde 2. De bisschoppen
handelen als arbiters van het geloof.
Zij zijn leraar
en arbiter van geloof en zeden voor de gehele kerk
Het is een algemeen beginsel van moraaltheologie en Kerkelijke wet dat
menselijke handelingen niet geldig zijn, tenzij ze weloverwogen en in vrijheid
worden verricht.
Indien alle christengelovigen de vrijheid hebben geloofsvragen te
bestuderen en vrijelijk hun mening erover te geven (Canon 212, §3); als
theologen academische vrijheid genieten (Canon 218), behoren ook
de bisschoppen die vrijheid te hebben, alsmede de verplichting er een
verantwoord gebruik van te maken.
- Als bisschoppen
rechtmatige vrijheid in het voortgaand onderzoek van
geloofswaarheden moeten waarborgen (Canon 386 §2), moeten zij zelf
ook een dergelijke vrijheid genieten.
- Als een gebrek aan gedegen
kennis of morele dwang menselijke handelingen zoals het uitbrengen van een stem
(Canon 172 §1), intreden in een religieuze congregatie (Canon 643), of het
sluiten van een huwelijk (Canon 1103) ongeldig maakt, dan is ieder leerambt van
bisschoppen, dat niet is gebaseerd op gedegen kennis, of uitgeoefend onder
morele dwang, eveneens ongeldig.
- Canon 126 zegt duidelijk:
Een juridische beslissing die het resultaat is van onwetendheid of van
een vergissing aangaande een wezenlijk element dat een conditio sine qua
non uitmaakt is ongeldig. Aangezien de argumenten uit Schrift en
Traditie betreffende de wijding van de vrouw een wezenlijk element uitmaken van
elk oordeel of vrouwen gewijd mogen worden, kunnen bisschoppen die deze
argumenten niet kennen, of er een onjuiste mening over hebben, geen geldig
oordeel over deze kwestie uitspreken.
Het lijdt geen
twijfel dat de bisschoppen, wil men hen kunnen bestempelen als het leergezag,
hun functie als arbiters van het geloof (Lumen Gentium
§ 25) moeten uitoefenen in werkelijke samenspraak. Dit houdt
noodzakelijkerwijs de voorwaarde in dat de bisschoppen vrij dienen te zijn in
het uitspreken van hun oordeel, met andere woorden, dat zij niet onder zodanige
pressie of dwang verkeren dat hun echte vrijheid van spreken onthouden wordt.
Het is bekend dat critici van Vaticanum I, zowel in de vorige eeuw als meer
recentelijk, met de beschuldiging zijn gekomen dat de pressie die op de
bisschoppen is uitgeoefend door Paus Pius IX van die aard was dat de
beraadslagingen van dat concilie niet echt vrij waren. Bij mijn weten heeft
geen enkele verdediger van Vaticanum I de belangrijkste vooronderstelling
onderzocht: namelijk dat het episcopaat vrij van dwang dient te zijn om te
komen tot de belangrijke besluitvorming die vereist wordt voor een conciliair
geloofsbesluit. Hetzelfde geldt voor het huidige college van bisschoppen.
Uit: Francis A. Sullivan, Magisterium. Teaching Authority in the
Catholic Church, Gill & MacMillan, Dublin 1983, pag.
101.
Conclusie: Er zijn legitieme twijfels over de adequate kennis
van de bisschoppen en hun vrijheid in het huidige klimaat van de kerk.
Redenen:
- Vanwege de krachtige
onderdrukking van afwijkende theologische meningen valt het te betwijfelen of
de bisschoppen wel voldoende kennis hebben kunnen nemen van adequate
achtergrondinformatie over Schrift en Traditie in deze materie. De meeste
bisschoppen weten beslist niet dat de meerderheid van de theologen geen
fundamentele bezwaren zien tegen de wijding van de vrouw.
- Er zijn bewijzen dat Rome
aanzienlijke druk heeft uitgeoefend op bisschoppen om zich te schikken naar hun
eigen mening. Bisschoppen krijgen te horen, zowel in het openbaar als in
privé correspondentie dat zij zich krachtig teweer moeten stellen tegen
degenen die argumenten aanvoeren ten gunste van de wijding van vrouwen.
De bisschop dient zijn pastorale bekwaamheid en zijn leiderskwaliteiten
te bewijzen door vastbesloten iedere steun te weigeren aan lieden of het
nu gaat om individuen of om groepen die de priesterwijding van de vrouw
verdedigen, hetzij in naam van de vooruitgang, van mensenrechten, mededogen of
om welke reden dan ook.(Brief van de Congregatie van de Geloofsleer,
Osservatore Romano13 September 1983). Een dergelijk optreden van de kant
van Rome komt neer op een morele dwang die zeer wel het vermogen van vele
bisschoppen om te handelen als onafhankelijke arbiters van het
geloof kan ontkrachten.
- Dezelfde voorwaarde geldt
uiteraard ook voor de Paus. De Paus moet tot zijn beslissing komen
terwijl hij gezond van geest is en vrij van dwang. Anders kan men niet zeggen
dat hij zijn hoogste leergezag uitoefent. (F.Sullivan, id.).
Voorwaarde 3. Luisteren naar
het geloof van de gehele Kerk.
In antwoord op de artikelen van de priesters uit Gallië uit 1682,
die stelden dat een onfeilbare uitspraak van een Paus gevolgd dient te worden
door de instemming van de Kerk, leerde het Eerste Vaticaans Concilie dat de
uitspraken van genoemde Paus uit zichzelf niet voor hervorming vatbaar
zijn, niet door de instemming van de Kerk (Pastor Aeternus, §11). Een
latere goedkeuring als voorwaarde voor onfeilbaarheid zou zelfs het leergezag
van Paus en bisschoppen ongedaan maken.
Dit houdt echter niet in dat de Paus of het bisschoppencollege zomaar
leerstukken kunnen verzinnen. Zij kunnen slechts datgene uitroepen tot leerstuk
wat zij aantreffen in het deposito van het geloof, een deposito dat
wordt doorgegeven met het uitgesproken en impliciete geloofsbesef van de gehele
Kerk, inclusief de gelovigen. Aldus Vaticanum II:
De Paus en de bisschoppen streven ernaar, met het oog op hun ambt
en het belang van de zaak, met passende middelen behoorlijk onderzoek te doen
naar die openbaring en gepaste uitdrukking te geven aan de inhoud ervan, maar
een nieuwe algemene openbaring accepteren zij niet als behorende bij de
goddelijke geloofsschat. Lumen Gentium
§25(k)
Commentaar: De passende middelen om
behoorlijk onderzoek te doen houden uiteraard een eerlijke en grondige
studie in van de argumenten uit Schrift en Traditie, en het raadplegen van
betrouwbare en onafhankelijke theologen die hun competentie in de betreffende
zaak bewezen hebben.
Het heilige volk van God deelt ook in het profetenambt van
Christus, het verbreidt een levend getuigenis van hem, vooral door een leven
van geloof en naastenliefde en door aan God een offer op te dragen van lof, het
eerbetoon van lippen die zijn naam prijzen. De gehele gemeenschap van gelovigen
kan niet dwalen in geloofszaken, gezalfd als zij zijn door de Heilige
Geest, Lumen Gentium §
12(a).
Christus doet dit niet alleen door de hiërarchie die
onderricht in zijn naam en met zijn gezag, maar ook door de leken doe hij tot
getuigenis gesteld heeft en die hij het verstaan van het geloof heeft
geschonken (sensus fidei) en de genade van het woord zodat de kracht van
het Evangelie zou schijnen in hun dagelijks leven in maatschappij en
gezin. Lumen Gentium §
35(b).
Commentaar: Paus en bisschoppen dienen aandacht te
geven aan de sensus fidei, dwz. het geloofsbesef dat wordt gevoeld en
ervaren door de gewone gelovigen die delen in het algemene profetische ambt van
de Kerk, en in haar onfeilbaarheid.
Dit leerambt [=magisterium] staat niet boven Gods woord, maar is
de dienaar daarvan. Het leert alleen wat haar is doorgegeven. Het luistert
ernaar vol toewijding, behoedt het nauwgezet en verklaart het getrouwelijk in
overeenstemming met een goddelijke zending en met de hulp van de Heilige Geest.
Het ontleent aan deze ene geloofsschat alles wat het te geloven voorhoudt als
door God geopenbaard. Dei Verbum § 10
(d).
Commentaar: Paus en bisschoppen zijn in hun leerambt
afhankelijk van het geloof van de Kerk. F. Sullivan zegt
hierover:
Het is buitengewoon belangrijk dat waar Vaticanum I uitsluit dat
pauselijke uitspraken rechtens afhankelijk zijn van de goedkeuring van de
bisschoppen, het niet uitsluit en ook niet kan uitsluiten, een reële
afhankelijkheid van pauselijke uitspraken van het geloof van de Kerk. Want de
Paus [en de bisschoppen] kunnen alleen tot dogma verklaren wat behoort tot de
inhoud van de openbaring. Dei Verbum nu zegt ons dat de heilige
schat van het Woord van God is toevertrouwd aan de Kerk (Dei
Verbum 10), en het is de Kerk die in haar onderricht, haar leven en
haar eredienst deze schat in stand houdt voor alle tijden en doorgeeft aan alle
generaties (Dei Verbum 8). Als de Paus dan, vóór hij
ook maar iets kan bepalen als berustend op goddelijke openbaring, moet
luisteren naar het Woord van God (Dei Verbum 10), en als dit Woord
van God is toevertrouwd aan de Kerk (Dei Verbum 10), en wordt
doorgegeven in haar onderricht, haar leven en haar eredienst
(Dei Verbum 8), volgt daaruit dat de Paus, vóór hij een
dogma kan definiëren, luisteren moet naar de Kerk, en dat hij slechts
datgene kan definiëren als dogma wat hij aantreft in het geloof van de
Kerk. De Paus heeft geen enkele bron van openbaring die onafhankelijk is van
het geloofsleven van de Kerk. Zoals Vaticanum I al zei, de Heilige Geest is hem
toegezegd, niet opdat hij door de openbaring van de Geest een nieuw leerstuk
zou kunnen uitroepen, maar veeleer zodat hij geholpen door de Geest de
openbaring die is doorgegeven vanaf de Apostelen zou behoeden en verklaren.
Hieruit volgt dat de Paus [en de bisschoppen] eenvoudigweg geen dogma kunnen
definiëren zonder een reële raadpleging van het geloof van de
Kerk, want zij kunnen alleen als dogma vaststellen iets dat is doorgegeven
en nog wordt doorgegeven in de leer, het leven en de eredienst van de
Kerk. (Magisterium, ib. pag. 103-104).
Het
Tweede Vaticaans Concilie heeft in zijn formulering van het leerstuk van de
pauselijke onfeilbaarheid enkele verhelderende opmerkingen ingevoegd, die in
Vaticanum I overgelaten werden aan Bisschop Gasser om op te nemen in zijn
verklarende relatio: (1) het concilie maakte heel duidelijk onderscheid
tussen de paus als universele herder en als privé persoon; (2) het
vermeldde de noodzaak voor de paus om passende onderzoeksmiddelen te gebruiken,
en wat nog belangrijker is, (3) het verklaarde dat bij de juiste uitoefening
van het buitengewoon leergezag de instemming van de gehele Kerk nooit mag
ontbreken. Richard R. Gaillardetz, Teaching with Authority, A
Theology of the Magisterium in the Church, Liturgical Press, Collegeville
1997, pag. 219.
Wij moeten vaststellen: Het is duidelijk dat noch de Paus,
noch de bisschoppen op adequate wijze hebben nagegaan wat de Kerk gelooft.
Redenen:
- Een aanzienlijk deel van de
gelovigen is er diep van overtuigd dat er geen geldige reden kan bestaan in
onze Christelijke Traditie om vrouwen uit te sluiten van het gewijde ambt. Deze
overtuiging groeit nog gestaag ondanks de pogingen van Rome om theologen met
een afwijkende mening het zwijgen op te leggen.
- De grote meerderheid van
onafhankelijke theologen is overtuigd dat noch de studie van Schrift en
Traditie, noch theologische overwegingen, het huidige verbod op vrouwelijke
priesters kan rechtvaardigen. Deze overtuiging wordt duidelijk verkondigd
ondanks de pogingen van Rome om theologen met een afwijkende mening de mond te
snoeren.
Voorwaarde 4. Wat betreft
geloof en zeden.
Het is duidelijk dat het gewone universele leerambt alleen
onfeilbare uitspraken kan doen over zaken die vallen binnen de geloofsschat of
die er noodzakelijkerwijs verband mee houden.
Het object van onfeilbaar leergezag is in verscheidene concilies
beschreven:
Deze waarheid en discipline zijn vervat in de geschriften en de
ongeschreven tradities die, door de Apostelen ontvangen uit de mond van
Christus zelf, of ontvangen van de Apostelen zelf, en ingegeven door de Heilige
Geest, tot ons zijn gekomen, als het ware van hand tot hand doorgegeven,
.
genoemde tradities, zowel de tradities die behoren tot het geloof als die welke
behoren tot de zeden, als opgetekend uit Christus eigen woorden of ingeven door
de Heilige Geest, en bewaard in de Katholieke Kerk in ononderbroken
traditie.; Trente (1546), Decreet betreffende Schrift en Traditie,
§3.
een geloofs- of zedenleer waaraan de hele Kerk zich dient te
houden; Vaticanum I (1870), Pastor Aeternus
§11.
Bisschop Gasser, spreekbuis voor de Theologische Commissie,
heeft uiteengezet dat het secundaire voorwerp van de onfeilbaarheid was
waarheden die noodzakelijkerwijze vereist zijn om de geloofsschat
ongeschonden te bewaren; waarheden zonder dewelke de geloofsschat
niet kon worden beschermd en verklaard ( Schema Primum de
Ecclesia, Canon ix, Mansi 51, 552; vgl. Mansi 52, 1226).
En deze onfeilbaarheid waarmee de Goddelijke Verlosser zijn Kerk
heeft willen toerusten bij het bepalen van leer en zeden, reikt net zo ver als
de Open baring reikt, die vroom bewaard dient te worden en trouw
uiteengezet; Vaticanum II (1964), Lumen Gentium §25(f).
De Theologische Commissie van Vaticanum II heeft de tekst als volgt verklaard:
Het voorwerp van de onfeilbaarheid van de Kerk, aldus verklaard, heeft
eenzelfde reikwijdte als de Openbaring zelf; daarom omvat zij al die zaken, en
geen andere, die ofwel direct te maken hebben met het openbaringsgegeven zelf
ofwel vereist worden om te waarborgen dat deze schat vroom bewaard en trouw
uiteengezet wordt
( Acta Synodalia Concilii Vaticani II,
III/I, pag. 251.)
Wij moeten het volgende vaststellen: Het valt te verdedigen
dat het wijden of niet wijden van vrouwen een kwestie is die niet valt binnen
het voorwerp dat het onfeilbaar leergezag claimt als rechtmatig.
Jezus Christus had het droombeeld van het vestigen van het
Koninkrijk van zijn Vader op aarde. De theologen zijn het er over eens
dat hij niet direct de institutionele Kerk wilde stichten zoals wij die nu
kennen. En zeker heeft hij de institutionele structuren niet in detail
ontworpen. Het sacrament van het gewijde ambt heeft vorm gekregen als reactie
op culturele druk in een tijdgebonden milieu. Lees. Kerkelijke Ambt,
door E. Schillebeeckx, Overveen 1980.
De Congregatie voor de Geloofsleer heeft geen overtuigende argumenten
geleverd om aan te tonen dat het geslacht van wie wel of niet gewijd kan worden
deel uitmaakt van de geopenbaarde leer, of er noodzakelijk verband mee houdt.
Edward Schillebeeckx OP heeft gezegd dat de onfeilbaarheid van de uitspraak
over de wijding van vrouwen dogmatisch gezien onmogelijk is, omdat het een zaak
is van kerkorde, niet van de kern van ons geloof. (National Catholic
Reporter, 8 December 1995).
Voorwaarde 5. Bewust
onderwezen als definitief het laatste woord.
Om het onfeilbaar leergezag uit te oefenen moeten de bisschoppen
eenstemmig een enkel voorstel doen over een bepaald leerstuk als
definitieve geloofswaarheid (tamquam definitive tenendam) (Lumen
Gentium 25d). Deze uitdrukking werd ten tijde van het Concilie als volgt
verklaard: De bisschoppen houden iets voor als definitief te geloven,
wanneer zij, sprekend uit de volheid van hun gezag, de gelovigen verplichten
tot onherroepelijke instemming.
In zijn commentaar op deze paragraaf van Lumen Gentium, wijst
Karl Rahner op de betekenis van deze voorwaarde:
De tekst stelt expliciet dat er alleen maar sprake kan zijn van
onfeilbaar leergezag van het gewone leerambt
.wanneer de eensgezinde leer
van het gezamenlijk episcopaat een zaak van geloof of zeden als te
geloven voorhoudt(tamquam definitive tenendam). Een absolute en
onveranderlijke instemming is expliciet vereist
Daarom is niet ieder
leerstuk dat eensgezind door het hele episcopaat wordt verkondigd uit zichzelf
onfeilbaar, zelfs niet als het gaat over geloof of zeden of dat bedoelt. In de
ontwerptekst van 10 november 1962 no. 30, pag. 29-31, kwam de zinsnede
tamquam definitive tenendam, die heel belangrijk is voor een beoordeling
van de bedoeling van de uiteindelijke tekst, niet voor. Alleen een aldus
vastgestelde eensgezindheid is een criterium dat wij kunnen gebruiken om de
onfeilbaarheid te beoordelen van het voorgestelde leerstuk. De tekst gaat
uiteraard niet in op de moeilijke vraag, hoe deze speciaal gekwalificeerde
unanimiteit moet worden vastgesteld door de gelovigen die een zaak voor waar
moeten aannemen, wat soms praktische gevolgen kan hebben. Karl Rahner,
Commentary on the Documents of Vatican II, New York 1965, pag. 210-211.
Rahner verklaart deze kwestie verder in zijn artikel over Het
leergezag in Sacramentum Mundi, waar hij zegt:
Wanneer een dogma moet worden voorgehouden door het gewone
leergezag, zonder dat het door concilie of paus is geformuleerd, - wat heel
goed mogelijk is volstaat het niet dat een leerstuk met morele
unanimiteit wordt voorgehouden door het gehele episcopaat. Er wordt ook vereist
dat het leerstuk expliciet wordt voorgehouden tamquam definitive
tenendam (Lumen Gentium 25). Hieruit volgt dat alleen de de
facto universaliteit van een kerkelijke leer niet voldoende is. In het
verleden is vaak aangenomen, en met praktische gevolgen, dat een leer
onveranderlijk is in de Kerk enkel en alleen omdat zij gedurende een
aanzienlijken periode algemeen onderricht is zonder duidelijke tegenspraak.
Deze mening gaat tegen de feiten in en is fundamenteel fout, omdat vele
leerstukken die ooit in de gehele kerk voor waar werden gehouden problematisch
of onjuist gebleken zijn. Vgl. Magisterium, Sacramentum Mundi ,
Herder and Herder, New York - Dublin, vol. III, p. 356.
Vaststelling: Het college van bisschoppen heeft het verbod op
de wijding van vrouwen niet voorgehouden als een leerstuk dat voor waar moet
worden aangenomen.
Tegenwerping?
Kan Rome dan niet spreken namens alle bisschoppen?
Antwoord: Neen. Dwz. niet voordat de Paus hen heeft geraadpleegd
op een echt collegiale wijze, zodat zij, in het uitoefenen van hun collegiale
verantwoordelijkheid, met volle kennis van de feiten en zonder morele dwang ,
in vrijheid kunnen oordelen over de zaak in kwestie en hun eigen
mening kunnen uitspreken.
Algemene conclusie
Het universele gewone leergezag heeft niet met onfeilbaar leergezag
besloten dat vrouwen moeten worden uitgesloten van de priesterwijding, omdat
aan geen van de wezenlijke voorwaarden beslist is voldaan:
- de bisschoppen zijn niet
collegiaal opgetreden;
- de bisschoppen hebben
niet gesproken als arbiters van het geloof in hun eigen recht;
- de bisschoppen hebben
niet op adequate wijze geluisterd naar de Kerk;
- het geslacht van de
priesterkandidaten is een kwestie van kerkorde, niet van ons geloof;
- de bisschoppen hebben
deze leer niet opgelegd als definitief te geloven.
Daarom is hier het theologische principe van toepassing dat
geen enkel leerstuk voor onfeilbaar wordt gehouden, tenzij het duidelijk
als zodanig is vastgesteld. Canon 749, §
3..
Lees ook hoe belangrijke
theologen van de gehele wereld de claims van de
onfeilbaarheid van de Congregatie voor de Geloofsleer hebben
verworpen.
John Wijngaards
Klik
hier als U onze campagne voor de wijding van vrouwen aktief wilt
steunen..
vertaling door Zr.
Theresia Saers JMJ

![]() |
In dit boek gaat Hans Wijngaards in op belangrijke historische bronnen, vanaf het begin van het christendom tot het jaar 900. Hij bewijst op overtuigende wijze dat vrouwen de rol van diaken op zich namen en hiertoe ook gewijd werden. Met zijn historische studie levert Wijngaards een belangrijke bijdrage aan het actuele debat over de wijding van vrouwen tot diaken. Klik hier! |