OOK VROUWEN PRIESTER? JAZEKER!header

Responsive image

BEGIN

REDEN GENOEG

TEGEN DE PAUS?

DEBAT

MENU

Nederlands/Vlaams Deutsch Francais English language Spanish language Portuguese language Catalan Chinese Czech Malayalam Finnish Igbo
Japanese Korean Romanian Malay language Norwegian Swedish Polish Swahili Chichewa Tagalog Urdu
------------------------------------------------------------------------------------
Over een afgesloten debat
 
	 
	 

Over een afgesloten debat

Hoofdartikel door Joseph Moingt

Recherches de Science Religieuse 82 (Juli-September 1994) no. 3, pp. 321-333. Zie de originele Franse text hier.

Door middel van een brief, gedateerd op 22 mei 1994, heeft Paus Johannes-Paulus II zijn wil kenbaar gemaakt, definitief een streep te zetten onder het debat over de toelating van de vrouw tot de priesterwijding, een debat dat aanleiding had gegeven tot een interventie van Paulus VI in 1975, waaruit een verklaring van de Congregatie voortvloeide met betrekking tot de Geloofsdoctrine, een verklaring waar hij zelf in 1976 om gevraagd had, en waar hij toen zijn goedkeuring aan hechtte. De opvolger van Paulus VI hanteerde in grote lijnen dezelfde argumentatie als in die verklaring. Zelf had ik mij niet gemengd in deze discussie, aangezien ik toen van mening was dat er dringender vraagstukken aan de orde waren op het gebied van de organisatie van de Rooms Katholieke Kerk. Wanneer men mij bij gelegenheid vragen over dit onderwerp stelde, antwoordde ik dat het Nieuwe Testament er met geen woord van repte, dat de traditie van de Kerk er zich evenmin mee had bezig gehouden, dat er geen theologisch argument bestond dat onomstotelijk in strijd was met het toelaten van vrouwen tot het priesterambt, dat het enige echte obstakel voortvloeide uit de onveranderlijke dagelijkse gang van zaken van de Kerk, maar dat dat obstakel slechts van gerechtelijke aard was, wat ruim baan gaf aan een inhoudelijke discussie. Door dat te zeggen had ik het gevoel uitdrukking te geven aan de mening die door de meeste theologen gedeeld werd, voor zover zij zich daarvoor interesseren. Nu enkele jaren geleden heeft een beroemdheid op het gebied van de Kerkelijke Leer een fundamentele studie over dit vraagstuk gepubliceerd; na een uiterst nauwkeurige analyse van de Verklaring uit 1976, van haar oorspronkelijke en juridische vorm, was hij van oordeel dat die verklaring geen geloofsleer in de strikte zin van het woord inhield (“Zij stelt geen verplichting aan het Hoogste Leergezag”, stond in het begeleidende commentaar); en aangezien hij evenmin een tegenargument in de Schrift kon vinden (een oordeel bevestigd door een antwoord van de Bijbelcommissie van 1976), en evenmin in de Traditie, kwam hij tot de slotsom dat het vraagstuk onbeantwoord bleef en dat de praktische oplossing hiervan met grote behoedzaamheid zou moeten worden overgelaten aan het herderlijk oordeel van de Kerk, - een conclusie die ik heel verstandig vond en die in mijn omgeving in ruime mate gedeeld werd.

Dat is precies de reden waarom de Brief van Paus Johannes-Paulus II verwarring heeft gezaaid bij heel wat theologen, die zich afvragen hoe zij hun “volledige en onvoorwaardelijke instemming” kunnen geven aan een leerstelling die tot nu toe in de meest brede kring beschouwd werd als een punt van vrije discussie. Tijdens ontmoetingen met collega’s uit het onderwijs was ik getuige van deze verwarring en wel in het bijzonder dankzij een symposium, (over een totaal ander onderwerp), dat werd georganiseerd door “la Revue” in het begin van de zomer en waar ongeveer honderd theologen bijeen kwamen, voornamelijk Fransen, merendeels katholiek, maar ook een redelijk aantal buitenlanders, meest protestant. Allen wensten openlijk met hun vragen naar buiten te komen en om opheldering te vragen.

Ondanks dat het debat hierover reeds afgesloten is, vraagt men zich af of men deze vrije discussie wel mag voortzetten. Ik zou een poging hiertoe willen wagen zonder het eigenlijke dossier te heropenen, dat wil zeggen zonder een pleidooi te houden vóór toelating van de vrouw tot het priesterambt, temeer omdat ik van mening blijf dat deze kwestie niet apart afgehandeld moet worden, maar een punt van onderzoek moet uitmaken in het kader van hernieuwd onderzoek van het geheel van maatschappelijke structuren die de Katholieke Kerk eigen zijn. Daartoe zal ik mij laten inspireren door een stap die de Belgische bisschoppen onlangs gezet hebben, waarbij zij het tot hun “herderlijke” plicht achtten, weliswaar zonder aarzeling de les van de Paus aan hun gelovigen over te brengen, “maar toch op eerlijke wijze een klankbord te vormen door bij de centrale kerkelijke instanties de ontreddering te vertolken welke een deel van de gelovigen voelt ”. Evenzo, maar zonder me tot welke gezaghebbende instantie danook te wenden, zonder daartoe gemachtigd te zijn door wie dan ook, uitsluitend mijzelf verantwoordelijk stellend, ben ik van mening dat, uit hoofde van mijn bescheiden post van directeur van een tijdschrift op het gebied van wetenschappelijk onderzoek sinds ongeveer vijfentwintig jaar, het onder de beroepsethiek van mijn functie valt om de ontreddering van talrijke theologen naar buiten te brengen, en een vraag, één enkele vraag, te stellen: hoe is het toch mogelijk dat achter een debat waarin men gewoonlijk vrijuit de geloofsbeleving kan onderzoeken, plotseling - “definitief ” - een punt gezet wordt, zoals de Paus het uitdrukt?

Maar is het echt wel afgesloten? Volgens dezelfde verklaring van de Belgische bisschoppen moet dit woord “definitief” niet opgevat worden “als spreek- en denkverbod of als een krachtige poging het zwijgen op te leggen” : we kunnen er dus nog over discussiëren? In de officiële mededeling waarin de apostolische brief “Ordinatio sacerdotalis” werd aangeboden, wenste zij haar dogmatische betekenis te verduidelijken - wat men in technische termen “ de theologische wezeneigenschap” noemt - , staat vermeld dat het eenvoudig weg gaat om “een Doctrine die onderwezen wordt door het normale pauselijk leergezag en wel definitief, dat wil zeggen voorgelegd ( ….) als absoluut waar ”. Wat betekent deze uitdrukking ? Het is het bevestigend karakter van elk waardeoordeel eigen, wat het ook is, en waarover het ook gaat, om als waar verkondigd te worden zonder dat het nodig is dat te zeggen, laat staan om het te garanderen. Of wil men nader aangeven dat het een “ theologisch vaststaande” doctrine betreft, een benaming die gewoonlijk betrekking heeft op de conclusies welke afgeleid worden uit één of twee uit de Openbaring afkomstige vooronderstellingen? Maar dergelijke stellingen “stellig waa ”of “theologisch waar” heeft men nooit opgevat als noodzakelijk om bijval te oogsten van het geloof, vanwege de tussenkomst van een redenering die het verbied ze gelijk te stellen met het zuivere “Woord van God ”. Hoeveel van deze uitspraken welke in lang vervlogen tijden de trots en de inzet vormden van de scholastische spitsvondige debatten zijn niet volledig verdwenen uit het godsdienstonderwijs? Als het echter alleen daarover gaat, waarom gaat de “Note de presentation” dan verder met de opmerking dat deze doctrine “die niet behoort tot de onderwerpen die openstaan ter discussie dientengevolge de volledige en onvoorwaardelijke instemming van de gelovigen vereist”, iets wat uitsluitend gezegd mag worden van de geloofswaarheden in strikte zin? Dat wil de Note vermoedelijk duidelijk maken wanneer zij eraan toevoegt dat “deze Verklaring van de Paus een actief luisteren naar het Woord van God en gehoorzaamheid aan de Heer betekent.” Nog waarschijnlijker is het dat wat de Paus bedoelt, wanneer hij op plechtige toon verklaart dat hij ernaar streeft het geloof van zijn broeders te “bevestigen” ( met de verwijzing naar Lucas 22:32).

Als wij het zo moeten opvatten waarom zegt dan de Brief en evenmin de Note eenvoudig en duidelijk dat het om een “geloofswaarheid” gaat? Die overbekende en messcherpe benaming zou de ongeldig verklaring van het debat hebben betekend en wel “voorgoed”. Er worden van alle kanten bedekte toespelingen op gemaakt, één enkel woord was voldoende geweest ter opheldering, maar dat woord wordt niet uitgesproken. Woorden tellen zwaar voor theologen, vooral dat woord dat je niet te grabbel mag gooien: niets zal hen ervan weerhouden te gissen naar de redenen dat het ontbreekt. En hoe zou men logischerwijs kunnen verbieden om opnieuw het debat te openen over een onderwerp waarvan de afsluiting ter discussie staat.

De Paus schreef deze brief echter, “opdat er geen enkele twijfel blijft bestaan omtrent een zeer belangrijke kwestie”. Maar het is niet voldoende dat hij zegt dat dit de waarheid is opdat elke twijfel radikaal uit de wereld wordt geholpen, hij moet bovendien aantonen waar deze waarheid staat, want het geloof kan slechts zelfverzekerd zijn op gezag van de zich openbarende God. Er worden ons danook de “fundamentele redenen” van de hier verdedigde doctrine voorgelegd, het zijn er drie volgens de tekst van Paulus VI die aangehaald wordt door Johannes-Paulus II: “het voorbeeld van Christus (. . .) , het onveranderde gebruik van de Katholieke Kerk ( . . .) en haar hoogste leergezag eveneens onveranderd”.

De begeleidende Nota geeft een licht afwijkende opsomming: “het voorbeeld van Christus, de handelwijze van de Apostelen, het ongewijzigde hoogste leergezag van de Katholieke Kerk ( . . .) en ook de andere recente documenten van het hoogste leergezag”. Vormt het standvastige of ononderbroken leergezag een argument naast het onveranderlijk gebruik of valt het er mee samen? Dat blijkt niet zonneklaar uit de twee aangehaalde teksten. In werkelijkheid bestaan er voor zover bekend geen duidelijk geformuleerde officiële verslagen over dit vraagstuk uit de koker van het rechtsgeldig leergezag, geen definities gehanteerd tijdens een concilie of gebruikt door een Paus afgezien dan van recente documenten die we zojuist aangehaald hebben en waar men zich op beroept. Deze documenten vermelden zelf geen andere autoriteit, anders zou er geen discussie geweest zijn over dit punt. De wijze waarop Paus Johannes-Paulus II zich uitdrukt lijkt duidelijker: “de doctrine over de priesterwijding welke uitsluitend aan mannen is voorbehouden is in stand gehouden door de ononderbroken en wereldomvattende Traditie van de Katholieke Kerk en men kracht onderwezen door het hoogste leergezag in haar meest recente documenten”. Het hoogste leergezag wordt in deze kwestie dus slechts vertegenwoordigd door handelingen van kortgeleden, van het pauselijk leergezag dat “normaal ” genoemd wordt.

De Nota geeft Dat ook toe: de brief van de Paus, staat er, is enkel een officiële bevestiging van een zekerheid die voortdurend door de Kerk als zodanig is aanvaard en beleefd. Het betreft dus geen nieuwe dogmatische formulering etc., etc. etc.”. .

Dat woordje “dus" is merkwaardig, er bestaat geen enkele dogmatische definitie, of die nu afkomstig is uit de koker van een concilie of van een Paus welke niet een herhaling en een bevestiging van een geloofszekerheid van vroeger is krachtens de zegswijze: men mag uitsluitend geloven in datgene waarin men altijd en overal in geloofd heeft en wat men altijd als geopenbaarde waarheid heeft onderwezen.

Een nieuwe definitie is dus niets anders dan het nauwkeurig aanduiden en nog eens uitdrukkelijk formuleren van een waarheid die men vroeger geloofde en onderwees, door te bevestigen dat zij wel degelijk deel uitmaakt van de openbaring en van het geloof. Daarom wordt aan die definitie gewoonlijk een formulering toegevoegd in de trant van: “zoals de Kerk het altijd geloofd en onderwezen heeft” ; dat is ook de reden waarom een gelovige evenzeer instemt met de geloofswaarheden of die nu bekleed zijn met een bijzonder gezag waar het de definitie betreft of dat zij aangeboden worden door wat men de normale prediking van de Kerk noemt.

Hetzelfde moet wel gelden voor de handelingen van het normale pauselijke leergezag “ik zal het hier niet hebben over de geschiktheid van deze term welke tot verwarring kan leiden met het gebruik van daarnet ”.

Wij constateren met genoegen dat de Brief van Johannes-Paulus II geen definitie is op grond van het geloof, ondanks de plechtige toon die die illusie zou kunnen wekken. Voor een katholiek zou dit geen reden zijn af te dingen op zijn goedkeuring van de doctrine die erin wordt verdedigd, zodra die doctrine deel uit zou maken van de geloofsovertuiging van de Kerk en hem dat duidelijk aangetoond zou worden. De handelingen van dit leergezag vormen tegenwoordig een literatuur die even omvangrijk als gevarieerd is en moeilijk om af te bakenen en te doorgronden.

De leden van de curie en de semi-officiële theologen wikkelen ze in een subtiel waas (onze Nota is daar een goed voorbeeld van) terwijl zij ten gunste van deze documenten - - vaak in overeenstemming met “ waarheden welke samenhangen met de openbaring ” - - een geloofsbijval opeisen zonder die echter formeel op te leggen, hetzij omdat hun karakter zich er slecht toe leent ofwel bij gebrek aan “onweerlegbare” argumenten. Al deze spitsvondigheden zijn uiteindelijk onbelangrijk. Immers niet het pauselijk gezag bepaalt de stelligheid van wat hij als waarheid verkondigt en dat geldt evenmin t.a.v. de zekerheid van zijn toebehoren tot een geloofskapitaal en nog minder voor de zekerheid van het geloof dat eraan wordt geschonken. Het woord van de Paus komt niet in de plaats van de stem van de Kerk van de afgelopen eeuwen het kan die stem alleen maar opnieuw laten horen.

Dat woord kan heel waardevol zijn om aan te tonen en te bevestigen dat een waarheid deel uitmaakt van het geloof van de Kerk, in die gevallen waar dat toebehoren niet duidelijk zo wordt gezien of ter discussie staat en dat geldt voor het geval waar wij ons mee bezighouden. Wanneer we dat gedaan en gezien hebben, zonder dat er ook maar een spoor van twijfel blijft bestaan, dan is de gehoorzaamheid van het geloof mogelijk en vereist; maar dat geloof houdt niet op bij het woord van de Paus het richt zich rechtstreeks op de geopenbaarde waarheid, daar deze door de eeuwen heen aangetoond en geloofd is, in de normale preektraditie van de Kerk waar uit de Schrift voorgelezen wordt aan haar gelovigen. Laten we eens kijken hoe het ermee staat.

Het onderricht van Johannes-Paulus II, zegt de Nota, is “gebaseerd op de ononderbroken en universele wereldwijde Traditie die sinds het begin de priesterwijding heeft voorbehouden aan de mannen”. Het is een onbetwistbaar feit, en de Paus is gerechtigd hieruit te concluderen dat dat altijd moet gebeuren omdat het altijd gebeurd is (hoewel het niet vaststaat dat zijn beslissing een machtiging betekent de handen van zijn opvolgers “definitief” te binden). Maar dat zou nooit meer betekenen dan een kwestie van sacramentele discipline. Welnu, men wil dat deze praktijk de waarde heeft van een doctrinair onderricht: hoe weten ze dat, hoe slaagt men erin dat vol te houden?

De Paus citeert uit een andere Toespraak van Paulus VI in 1977 waarin hij zei dat “Christus de Kerk haar fundamentele inrichting heeft geschonken evenals de theologische leer van de mens naar zijn bestemming als religieus schepsel, die de traditie van diezelfde Kerk altijd in acht heeft genomen”. Waar en in welke vorm wordt deze antropologie onderwezen? Toegegeven de verklaring uit 1976 ontwikkelt, zoals Johannes-Paulus II opmerkt “andere theologische redenen” die we wel als antropologisch kunnen betitelen, “die de gepastheid van deze goddelijke beschikking in een duidelijk licht zetten” ; maar “redenen van gepastheid”, maken per definitie niet intrinsiek deel uit van het geloofsonderricht. Volstaat het dat de uitsluiting van de vrouwen van het priesterambt in acht wordt genomen om er een waarheid van te maken die als zodanig wordt onderwezen ? Waar kunnen wij deze uitsluiting vinden als integrerend bestanddeel van de Heilsprediking welke de kern vormt van het geloofsonderricht? Men heeft in de theologische scholen gediscussieerd over de geschiktheid van de vrouw voor de priesterwijding precies zoals men discussieerde over de kwaliteiten die vereist zijn voor het ontvangen van elk ander sacrament, maar er is nooit een echt debat over deze kwestie binnen de Kerk gevoerd; we kunnen dus niet zeggen dat deze kwestie definitief beslist is; dit vraagstuk is immers nooit aan de orde geweest in duidelijke termen van uitsluiting. De meest voor de hand liggende verklaring luidt dat de Kerk zich op een vanzelfsprekende manier en zonder zich iets af te vragen heeft geïnspireerd op de gebruiken die in zwang waren in de maatschappelijk context van die tijd.

De Nota schuift deze verklaring met kracht terzijde: “aangezien het een sacrament betreft en geen maatschappelijke organisatie kan de priesterwijding niet anders worden opgevat dan in het licht van de openbaring van Christus, welke is overgeleverd in de Heilige Schrift die door de traditie is geïnterpreteerd ”. De bedoeling van deze waarschuwing is duidelijk: de historische en sociologische wetenschap hebben in deze kwestie geen recht van spreken, de uitsluiting van de vrouw uit de kerkelijke ambten staat helemaal los van het feit dat de toegang tot maatschappelijke functies voor haar gesloten is. Welk kritisch denkend mens zal in hemelsnaam bereid zijn dat voor zoete koek te slikken? Deze kerkelijke praktijk is een maatschappelijk en historisch bepaald verschijnsel dat onvermijdelijk bijdroeg aan het uitsluiten van de vrouw in diezelfde tijd en in diezelfde maatschappij. Toen de beweging die de rechten van de mens en de vrijheid van het individu eisten op gang is gekomen, of in een nabijer verleden de emancipatiebeweging van de vrouw en haar gelijkberechtigdheid, heeft de Kerk dan zo uitgeblonken door haar edelmoedigheid en haar ruimdenkendheid dat zij er aanspraak op kan maken zich nooit diepgaand te hebben laten beïnvloeden door een cultuur waar van gelijkheid geen sprake was? Door zo te spreken, door zich krampachtig te onttrekken aan de analyses van de menswetenschappen vormt de Kerk een beletsel om in contact te treden met het denken van haar tijd en geeft aanleiding tot de beschuldiging dat zij zich opsluit in een sektarische en weinig geloofwaardige uiteenzetting.

Zelfs wanneer men binnen de grenzen van een strikt geopenbaarde theologie blijft, is er niets dat er toe dwingt de uitsluiting van de vrouw van het priesterambt te beschouwen als een geopenbaarde waarheid. Want dat is een punt, dat het domein van de toediening van de sacramenten betreft en dat is nooit als een wezenlijk onderdeel beschouwd, een bewijs hiervoor is dat die toediening van de sacramenten veel veranderingen heeft gekend in de loop van de geschiedenis, zelfs als dat het geval was zouden we het eens moeten worden of de definitie van dat wezenlijk onderdeel, want we zouden heel wat veranderingen aantreffen bij de aanduiding van de rites waarvan men denkt dat ze daarbij horen.

Een soort culturele verklaring sluit echter niet uit dat deze praktijk die al uit zo’n ver verleden dateert (en zo ononderbroken bestond) ook samen viel met een bovennatuurlijk beginsel en met een geloofsopvatting: met de wil van de Kerk Christus te imiteren en Hem te gehoorzamen. De Brief redeneert als volgt: toen de Kerk zag dat Christus zijn Apostelen uitsluitend koos onder de mannen en dat de Apostelen op hun beurt uitsluitend mannen als opvolgers kozen en toen zij bedacht dat “bij deze keus degenen hoorden die vanaf het ontstaan van de Kerk de aan de apostelen toevertrouwde opdracht zouden voortzetten, namelijk om Christus te vertegenwoordigen”, begreep de Kerk dat zij niet de macht had om vrouwen tot priesters te wijden en dat is precies wat zij leert door haar praktijk. Wat moeten we denken van deze redenering?

Dat hij overhaast en te ver gaat, dat hij, zonder logische rechtvaardiging van alleen overgaat naar een uitsluitend van een momenteel naar een voortdurend en dat tot twee keer toe.

De Kerk ziet Christus alleen mannen oproepen en de apostelen net zo handelen: zij ziet hem geen keuze maken tussen mannen en vrouwen en laatstgenoemden vastbesloten en voorgoed buitensluiten. Hoe zou zij dat moeten weten? Geen enkele tekst uit het Nieuwe Testament maakt melding van een dergelijk verbod. Wij zien dat zij alleen mannen wijdt en wij zeggen dat deze praktijk uitdrukking geeft aan de bedoeling om de vrouw voorgoed uit te sluiten van de priesterwijding. Hoe kunnen wij dat weten, aangezien de Kerk dat immers nooit in haar mondelinge preken verkondigt? Haar inwijdingspraktijk getuigt van een historisch feit uit het verleden: die praktijk herhaalt wat in het begin is gedaan: elke eenmaal officieel ingevoerde handeling draagt de wet van zijn herhaling in zich, in het heden zowel als in de nabije toekomst, maar zonder een voorbarig oordeel te vellen over zijn eeuwigdurend karakter, er is geen enkele sacramentele praktijk welke verbiedt dat hij veranderd wordt (in een niet voorspelbare toekomst) , als dat noodzakelijk blijkt om tegemoet te komen aan nieuwe behoeftes. Juist de geschiedenis van de sacramenten is rijk aan veranderingen welke even belangrijk zijn als die ene welke de Pausen uit onze tijd zouden willen afwenden, zoals bijvoorbeeld de overgang van de éénvormige en openbare boetedoening naar de veelvoudige persoonlijke boetedoening, een overgang die pas na verloop van ettelijke eeuwen voltooid was.

Wat de wijding betreft: wanneer de Kerk ziet dat Christus apostelen benoemt en dat deze hun opvolgers uitkiezen, dan is het niet de sekse van de uitverkorenen waar zij in de eerste plaats naar kijkt, maar naar de wens van Christus dat er direct geloofswerkers uitgezonden worden om zijn opdracht te vervullen. Dat is de fundamentele en absoluut geldende wet die hieraan ten grondslag ligt en welke de Kerk gehoorzaamt en onderwijst als een waarheid, geopenbaard door het ononderbroken gebruik van de priesterwijdingen. Als de Kerk zich genoodzaakt ziet om voor het vervullen van haar taak vrouwen te wijden, hetzij omdat de mannen zich niet langer in voldoende aantal aandienen, hetzij omdat de gelovigen direct vrouwen in het ambt verlangen, welk beletsel zal er dan voor de Kerk zijn om haar praktijk te veranderen, zoals zij dat in het verleden al zo vaak gedaan heeft waar het andere sacramenten betrof ? De enige absolute eis die haar is opgelegd luidt dat zij haar taak moet vervullen.

Welnu, is het niet deze nieuwe behoefte die tot uitdrukking komt in de gevoelens van ontreddering onder de gelovigen? De Belgische bisschoppen hebben het als hun herderlijke plicht beschouwd deze gevoelens over te brengen aan Rome. In de geschiedenis van de Katholieke Kerk wemelt het van gevallen waarin een Leer het mogelijk zou maken naar een antwoord op dit appèl te zoeken, als men maar bereid was naar de geschiedenis te gaan luisteren wat een geduldig onderzoek vergt. De theologen voelen zich danook op hun beurt ontdaan als ze zien dat deze geschiedenis op een autoritaire manier herschreven is in de vorm van dogma’s en dat haar dossiers weer haastig gesloten zijn. Maar deze inmenging levert niet het bewijs, dat de historisch gegroeide praktijk van de mannenwijding als een geopenbaarde waarheid leert dat het verboden is vrouwen te wijden. Hoogstens zou je kunnen veronderstellen dat de Kerk van de veronderstelling is uitgegaan dat dit de bedoeling was die duidelijk bleek uit de keus van de apostelen. Maar dergelijke veronderstellingen kunnen geen geopenbaarde leer vormen of het geloof de door haar vereiste zekerheid bieden, ongeacht hun mate van aannemelijkheid.

Tenzij men het bewijs kan verkrijgen dat de keuze van Christus werkelijk het gewicht heeft van uitsluiting, een bewijs verkregen door een dieper gravende bestudering van het Nieuwe Testament; in dat geval zouden we moeten aanvaarden dat dezelfde evidentie zich aan de Katholieke Kerk van vroeger heeft opgedrongen en tot uitdrukking is gekomen in haar wijdingsgebruik. Dat is hetgeen we nog moeten onderzoeken.

Ik zal vooraf twee opmerkingen maken ten aanzien van de methode die de verwarring van de theologen in deze kwestie verklaren. In het gebruikelijke proces van de ontwikkeling van dogma’s, is het de leerstellige traditie die de schijnwerper richt op de geloofswaarheden welke verspreid in de Schrift staan, en het hoogste leergezag komt dan vervolgens de leer van de Kerk bevestigen.

Omgekeerd ligt het hier op de weg van de Schrift om aan te tonen dat een kerkelijk gebruik een geloofswaarheid bevat en om de bevestiging hiervan door het hoogste leergezag als waar te erkennen ( het “gewone” pauselijk leergezag, van recente datum, laten we dat niet vergeten). Welnu het ultieme argument waar Paus Paulus VI en Johannes-Paulus II zich op beroepen is het voorbeeld van Christus bij de apostel keuze: het is geen uitspraak het is een feit. De Nota is hiervan de rechtvaardiging, “niet alleen de woorden maar ook de feiten zijn uit de bronnen van de openbaring afkomstig en worden woord in het levende geheugen van de Kerk”. Ik zal het niet bestrijden maar ik benadruk de moeilijkheid die hieraan inherent is: de feiten spreken niet voor zichzelf, zij kunnen hun betekenis en bestaansrecht in zich bergen, maar zij vertolken die niet, men moet ze laten spreken, men moet weergeven wat ze betekenen en bij dat alles moet men zich er voor hoeden ze te laten zeggen wat we graag zouden willen dat ze zeggen en dat ze misschien helemaal niet willen zeggen. Wij zijn daarnet al op dit probleem gestuit n.a.v. het inwijdingsgebruik en komen het nu weer bij de keus van de apostelen. We staan dus in ons recht wanneer we een volledige duidelijkheid eisen bij de interpretatie van dit feit en wel des te meer omdat deze interpretatie de dogmatische bevestiging die ernaar verwijst moet ondersteunen. Laten we eens zien hoe de argumentatie van Johannes-Paulus II in elkaar steekt.

Zij kan betrouwbaar als volgt uiteen gezet worden: Jezus biedt het beeld van een man die vrij is van vooroordelen en zich niet met een schervengerecht inlaat die de mensen uit zijn tijd en maatschappij aankleefden; hij praat met vrouwen zelfs als zij buitenlands zijn, hij betuigt hen respect, hij gaat vriendschappelijk met hen om, hij laat zich zelf benaderen door vrouwen die een slechte reputatie hebben of zondig zijn, bij zijn korte reizen bevindt hij zich in het gezelschap van een groep vrouwen die tot zijn discipelen behoren; wanneer we zien dat hij zijn apostelen uitkiest, “na de nacht in gebed te hebben doorgebracht “ , ( vgl. Lucas: 6: 12) en dat hij uitsluitend mannen kiest, geeft ons dat niet het recht te denken dat hij dit heeft gedaan “ door te gehoorzamen aan motiveringen van sociologisch, cultureel tijdgebonden aard”, maar dan moeten we zeggen dat hij deze keuze heeft gemaakt met volledige kennis van zaken en met de weloverwogen bedoeling om de vrouwen uit te sluiten, om op die manier gevolg te geven aan de beschikking van de Heer.

Deze argumentatie klinkt heel overtuigend, zij toont ons Jezus als een kritisch denkend en onbevooroordeeld iemand als een tegenstander van elke vorm van discriminatie op grond van geslacht, als wegbereider naar een open en egalitaire maatschappij; deze argumentatie kan alleen maar bijval oogsten onder de christenen. Maar toch is deze gevolgtrekking even onontkoombaar als de juridische overwegingen? Daar ziet het niet naar uit. In een maatschappij en in een tijd waarin de openbare gelegenheden het onderwijs en het regeren een mannenaangelegenheid waren, terwijl de vrouwen zich bezig hielden met huishoudelijke zaken, met de opvoeding van de kinderen, met de familie, heeft Jezus zich kunnen laten inspireren door die gebruiken en gewoontes zonder daar iets anders in te zien dan een taakverdeling zoals die door de traditie van zijn volk is bepaald, zonder dat hij er ook maar enige aantasting van de waardigheid van de vrouw in bespeurde, noch enige andere vorm van discriminatie, en zonder dat hij er zelfs maar aan dacht zich ervan te distantiëren. Hij trof hierin immers niets aan dat in strijd was met de geest van zijn evangelie. Het is dus aannemelijk dat hij mannen heeft uitverkoren zonder dat het idee bij hem opkwam, dat hij ook vrouwen tot hetzelfde ambt zou kunnen bestemmen. En zelfs als hij daaraan zou hebben gedacht, dan heeft hij er nog van kunnen afzien om de maatschappelijke conventies en de openbare orde niet te verstoren, en dus niet om aan een uitdrukkelijke wens van God de Vader gehoor te geven en evenmin om een wet in het leven te roepen, welke tot het einde der tijden in acht zou moeten worden genomen. Dit feit levert dus niet het bewijs van een geopenbaarde Goddelijke beschikking, het kan heel gemakkelijk verklaard worden door andere motiveringen, misschien van sociologische aard, maar die niets hebben uit te staan met het soort discriminatie waar Jezus tegen ageerde welke vooral van godsdienstige aard was.

De interpretatie van de Paus zou overtuigender wezen als die liet blijken wat de motivering van de wil van de Vader was, waaraan Jezus zou hebben gehoorzaamd, m.a.w. welke de door God gegeven reden was om de vrouw uit te sluiten van het apostolische en priesterlijke ambt, maar daarover wordt met geen woord gerept, behalve dan dat het een “beschikking betreft die aan de Wijsheid van de Heer in het Heelal moet worden toegeschreven”. Betekent deze toespeling op de scheppende Wijsheid en op de wereldorde dat de mens Jezus slechts door iemand van hetzelfde geslacht kon worden “vertegenwoordigd”? Dat is niet onmogelijk, want theologen hadden dergelijke redeneringen uitgewerkt die gebruikt waren in de Verklaring van 1976. Toch gaat Johannes-Paulus II eraan voorbij, ongetwijfeld vanwege het feit dat het geen “fundamentele redenen” zijn. Hij toont zich echter wel ontvankelijk voor een ander feit, het niet uitverkoren zijn van Maria tot het apostolisch en priesterlijke ambt: dat is het bewijs, zo merkt hij op, dat de vrouwen er niet van zijn uitgesloten vanwege een geringere waardigheid en evenmin als gevolg van discriminatie. Dat laat doorschemeren dat als Jezus niet besloten had dat de vrouwen buiten dit ambt gesloten zouden moeten worden hij zijn Moeder als eerste uitverkoren zou hebben.

Aangenomen dan altijd nog dat hij de mogelijkheid overwogen heeft hen daarin toe te laten. Nogmaals en anders geformuleerd, de differentiatie van de taken naar het geslacht, rekening houdend met het karakter van de maatschappij die in dit geval patriarchaal is gebleven, betekent op zich nog geen smadelijke discriminatie van de vrouwelijke sekse en wordt vast en zeker niet als zodanig ervaren wanneer die differentiatie het product is van een langdurige traditie en gedragen wordt door een vrijwel unanieme overtuiging. Jezus heeft hierin dus een wijze “beschikking” kunnen zien, in overeenstemming met de orde van de schepping en heeft er zichzelf spontaan aan kunnen conformeren bij zijn apostelkeuze zonder uitdrukkelijke aandacht m.b.t. de keuze van hun geslacht. Denkend als een menselijk wezen was het vanzelfsprekend in de chalcedonische zin van het woord dat hij over alle onderwerpen een mening had die met de gewoonten en mentaliteit van zijn streekgenoten strookte, voor zover deze geen spoor van zonden bevatten. Vanuit die visie kan men bij deze voorkeurskeuze geenszins verdacht worden van discriminatie op grond van sekse, maar deze keuze houdt evenmin een heilsbeschikking in – de enige die strikt genomen deel zou uitmaken van een eigenlijke openbaring – welke de vrouwen definitief uit zou sluiten van ambten waartoe de mannen geroepen waren.

Daarom is het moeilijk met een waarachtig geloof te geloven dat Christus de vrouwen van het priesterambt heeft willen uitsluiten. Kan je geloven op bevel, zolang het bewijs van openbaring niet geleverd is? Het geloof kan in ieder geval niet geschonken worden als een vorm van goedkeuring van het verstand, zolang als dit bewijs niet verkregen is. De Paus beseft dit ongetwijfeld, ookal beschouwt hij dit punt van het “goddelijke bestel” van de Kerk als geopenbaard. Wij kunnen zijn gevoel delen, maar niemand kan zijn geloofsovertuiging baseren op het veronderstelde bewijs van de Paus, anders richt zijn geloof zich naar zijn woord i.p.v. dat het uitsluitend wordt geschonken aan het gezag van de zich openbarende God.

Dat verklaart de ontreddering van talrijke theologen waarvan ik het als mijn plicht beschouwde te getuigen. Die zou minder groot zijn wanneer ze alleen maar uitgenodigd werden wat meer geduld te oefenen en voorzichtiger te zijn binnen een wereldwijde context van feministische eisen die de kerkelijke orde in gevaar kunnen brengen. Mogen wij zo vrij zijn om te denken dat de Paus alleen maar “de gemoederen wilde bedaren” omdat de publieke opinie nog niet zover was, niet onder de geestelijken en evenmin onder de gelovigen, dat zij gewijde vrouwen als priester wilde accepteren en dat men rekening moest houden met het enorm uiteenlopende karakter van de plaatselijke kerken, dat de theologische oplossingen tot rijping moesten komen in de stilte en het trage tempo waarin geschiedkundige werken en bijbelexegese tot stand komen? Ieder redelijk denkend mens zou deze verstandige taal toejuichen. De Nota sluit de weg naar deze oplossing helaas af, wanneer zij al bij voorbaat degenen, die uit deze brief slechts heel voorzichtig lering willen destilleren, officieel wil berispen.

Zijn wij dan zo in het nauw gedreven dat we deze pauselijke bijbeluitleg van de keuze van de Twaalf moeten aanvaarden als de echte interpretatie van de Schrift? Wat de theologen het meest choqueert is het feit dat hier met het werk dat verzet is en nog wordt met de wetenschappelijke tekstverklaring zo weinig rekening wordt gehouden en dat dat werk in de toekomst vaarwel gezegd wordt, - zo merkte een Duitse bisschop onlangs op. Onze protestantse vrienden die minder gewend zijn aan bemoeienissen van het Hoogste Leergezag met theologische arbeid dan de katholieken voelen met pijn in het hart deze door het Gezag opgelegde oplossing als een gebrek aan eerbied zo niet jegens de Schrift zelve dan toch op zijn minst jegens de wijze van interpreteren zoals die algemeen gebruikelijk is.

Een “overpeinzing van de nationale protestantse Kerkenraad in Genève”, van juni j.l., komt met bezwaren tegen deze exegese en met de argumenten welke in een radicaal tegenover gestelde richting wijzen. Aangezien ik geen “pleidooi” vóór of tegen de kwestie van de vrouw in het ambt wilde houden, heb ik mij beperkt tot de argumentatie van de Paus zonder door te dringen tot de kern van de eigenlijke discussie m.b.t. de exegese. Maar alle mensen die op de hoogte zijn van de moeilijkheden en de procedures welke met die exegese gemoeid zijn, weten hoe terughoudend men moet zijn als men zich vragen stelt naar de opvattingen van Jezus over de “Twaalf ”, over het “priesterschap”, of over de toekomstige “inrichting” van de “Kerk”. Degenen die zich met wetenschappelijke bijbelse hermeneutiek bezighouden vrezen danook de dogmatische zelfverzekerdheid waarmee men haastig “voor eens en voor altijd” knopen doorhakt bij zulke complexe en omstreden vraagstukken: voor de bijbelgeleerden vormt het geduldig onderzoek een teken van eerbied voor Gods Woord.

Bij de wetenschappelijke verklaring van de oude bijbelteksten moeten we bovendien rekening houden met de betekenis die bij de hedendaagse lezer wordt opgeroepen door de geheel nieuwe manier van vragen welke hij op die teksten loslaat alsmede met een andere gevoeligheid die zijn manier van lezen daaraan hecht. Binnen de huidige context van vrouwen die hun rechten opeisen, is het nog maar de vraag vanuit welk gezichtspunt het verhaal van de keuze van de Twaalf opgevat zal worden door vrouwen van nu, christelijk of niet, wanneer hen zal worden uitgelegd dat deze oproep hen onherroepelijk links laat liggen. Hoe moeten we verhinderen dat zij dit opvatten als discriminatie op grond van sekse ? Wat ik er vrouwelijke theologen en exegeten over heb horen zeggen laat nauwelijks twijfel bestaan over het antwoord. We moeten erkennen dat de uiteenzetting van Johannes-Paulus II m.b.t. de vrouwen, in navolging trouwens van Paulus VI, edelmoedig en warm is vol van een gevoel van achting dat zeker niet geveinsd is.

Maar wanneer men de roeping van de vrouwen in de Kerk verheerlijkt, wanneer men hen uitnodigt om daarin taken te vervullen, wanneer men hen dank betuigt voor de diensten welke zij aan die Kerk bewijzen, - diensten zonder welke, dat weten wij maar al te goed, een groot aantal christelijke gemeenschappen in zouden storten – en wanneer zij dan eens aanbieden taken te vervullen die in nog hoger aanzien staan, omdat er niet meer genoeg mannen zijn om het op te knappen en hen op spijtige toon geantwoord wordt dat, ondanks de schreeuwende behoefte die wij aan hen hebben, de Kerk niet het mandaat heeft gekregen om hen daartoe te verzoeken: hoe verbeeldt men zich dan dat deze woorden anders opgevat zouden worden dan als een weigering van de mannen om de voorrechten die zij door toedoen van de Heer bezitten met de vrouw te delen? Hoe lovender en meelevender de uiteenzetting wordt des te minder verhult zij de weigering om de daad bij het woord te voegen en des te duidelijker onthult zij de machtsspelletjes waarbij men zich verschuilt achter het feit dat Jezus hier met geen woord over gerept heeft.

De theologen voelen zich verantwoordelijk voor wat de Kerk te zeggen heeft aan de gelovigen en aan de wereld: men vraagt hen hier rekenschap van af te leggen. Zij zijn dan ook diep geschokt wanneer ze er niet in slagen zich naar de gewetensvolle gelovigen toe solidair te verklaren. Vandaar de ontreddering waarvan deze bladzijden de weerklank vormen. Het Hoogste Leergezag van haar kant houdt hen maar wat graag verantwoordelijk, maar in een ander opzicht: omdat zij hun onenigheden en wanklanken ten overstaan van de gelovigen en de openbare mening uitdragen, zijn zij degenen die de dossiers, die gesloten hadden moeten blijven, weer openen. Zolang de taal van de theologen vrij en kritisch blijft slaat deze mogelijkerwijs een brug tussen het verhaal van de Kerk en het huidige denken, waar de gelovigen baat bij hebben. Wanneer de bevlogenheid van deze taal zou doven of op een laag putje zou komen te staan, omdat de ruimte voor een zekere vrijheid binnen de Kerk gekrompen zou zijn zou er een groot gevaar bestaan dat de Kerk tot een sekte verwordt: een gesloten en verstikkende gemeenschap. Dit is het risico van voortijdig gesloten discussies. Ik heb uitsluitend tegen dit risico willen pleiten ten gunste van het aanzien van de theologie.

J. Moingt sj

Vertaald naar het Nederlands door


This website is maintained by the Wijngaards Institute for Catholic Research.

John Wijngaards Catholic Research

since 11 Jan 2014 . . .

John Wijngaards Catholic Research

Vermeld a.u.b. dat dit document ontleend is aan www.womenpriests.org!