|
|
|---|
door Karl Rahner
De invloedrijke Duitse theoloog Karl
Rahner (1904-1984) heeft zich enkele jaren vóór zijn dood
uitvoerig bezonnen op de persoon van Ignatius, en diens spiritualiteit getoetst
op haar actualiteit. Als vorm koos hij daarvoor een gefingeerde toespraak van
Ignatius tot zijn hedendaagse volgelingen. Daaruit wordt hier het hoofdstuk
overgenomen dat Rahner de titel gaf 'Kerkelijke
gezindheid'.
Ik moet nu ook iets zeggen over mijn kerkelijke gezindheid en over de
betekenis daarvan voor jullie tijd. Dat wordt nu eenmaal verwacht en niet ten
onrechte. Nu het gaat om de objectieve betekenis van de onderwerpen waarover ik
spreek, in al hun verscheidenheid, moet ik heel kort mogen zijn. Als God,
Jezus, de navolging van Hem en de kerk, ondanks alle verband dat ertussen
bestaat, nu eenmaal verschillende werkelijkheden zijn en daarom ook een
verschillend gewicht hebben, dan heb ik in tijd en eeuwigheid niet alleen het
recht, maar ook de plicht deze verschillende werkelijkheden werkelijk te
onderscheiden naar hun gewicht en hun betekenis. Men noemt mij met nadruk een
man van de kerk, Marcuse noemt mij een soldaat van de kerk.
Ik schaam me bepaald niet voor deze kerkelijke gezindheid. Ik wilde met
mijn hele bekeerde leven de kerk dienen, met dien verstande dat deze dienst
uiteindelijk God en de mensen geldt en niet een instituut dat zichzelf zoekt.
De kerk heeft oneindige dimensies, want zij is de gemeenschap van gelovige
mensen, die in hoop op weg zijn, die God en hun medemensen liefhebben en die
vervuld zijn van de geest van God. Maar en voor mij is dat
vanzelfsprekend de kerk is ook sociologisch bepaald. Ze is een concrete
kerk in onze geschiedenis, een kerk van de instituties, van het menselijke
woord, van de tastbare sacramenten, van de bisschoppen, van de paus van Rome,
zij is de hiërarchische, rooms-katholieke kerk. En als men mij een man van
de kerk noemt en ik dat als iets vanzclfsprekcnds erken, dan bedoelt men juist
de kerk in haar tastbare en harde institutionaliteit, de ambtelijke kerk, zoals
jullie tegenwoordig zeggen, inclusief de niet bijster vriendelijke bijtoon die
dat woord heeft. Ja, ik was deze man van deze kerk. Dat wilde ik zijn. En ik
kan eerlijk zeggen, dat dat nooit tot een onoplosbaar conflict is gekomen met
het feit, dat ik God volstrekt onmiddellijk had leren kennen in mijn geweten en
in mijn mystieke ervaring.
Maar mijn kerkelijke gezindheid wordt totaal verkeerd begrepen, als ze
wordt opgevat als het egoïstische, door een fanatieke ideologie beheerste
verlangen naar macht, dat wil zegevieren zelfs ten koste van het geweten, of
als een zich vereenzelvigen met een systeem dat niet verder wijst dan naar
zichzelf. Wij mensen zijn in ons leven allemaal kortzichtig en zondig, en
daarom wil ik heus niet beweren, dat ik destijds niet ook her en der mijn
bijdrage heb geleverd aan die onechte verbondenheid met de kerk. En als jullie
daar zin in hebben, mogen jullie gerust eerlijk en nuchter mijn leven daarop
doorlichten. Maar den ding is zeker: mijn kerkelijke gezindheid in haar geheel
genomen was toch maar één enkele, zij het voor mij onmisbare
factor van mijn wil de zielen te helpen, een wil die slechts dan en in zoverre
zijn echte doel bereikt, als die zielen in geloof, hoop en liefde groeien in
onmiddellijk contact met God.
Iedere liefde tot de ambtelijke kerk zou afgoderij zijn en deelname aan
een verschrikkelijk egoïsme Van een op zichzelf gericht systeem, als ze
niet door die wil bezield zou zijn en zich niet daardoor grenzen zou laten
stellen. Dat betekent echter ook (en de geschiedenis van mijn mystieke weg
getuigt ervan), dat de liefde tot die kerk, hoc onvoorwaardelijk ze in zekere
zin ook is, helemaal niet het begin en het einde van mijn existentie (zoals
jullie je tegenwoordig uitdrukken) was, maar een afgeleide grootheid, die
voortkomt uit een onmiddellijk contact met God en die van daar uit zowel haar
gewicht krijgt als haar grenzen en haar heel bepaalde eigen aard.
Om het nog eens een beetje anders te zeggen: door mee te voltrekken dat
God zich neigt naar het concrete lichaam van zijn Zoon in de geschiedenis, had
ik de kerk lief. En in deze mystieke eenheid bij alle wezenlijke
verschillen tussen beide van God met de kerk, was en bleef de kerk voor
mij transparant naar God toe en bleef zij de concrete vindplaats van mijn
onuitsprekelijke relatie met het eeuwige geheim. Dat is de bron van mijn
kerkelijke gezindheid, van mijn beoefening van het sacramentele leven, van mijn
trouw aan het pausdom, van de kerkelijkheid van mijn zending de zielen te
helpen.
Als mijn kerkelijke gezindheid deze en geen andere plaats heeft in de
structuur van mijn geestelijk bestaan, dan is ook een kritische opstelling ten
opzichte van de concrete ambtelijke kerk kerkelijk. Het is een christen
mogelijk zich zo kritisch op te stellen, omdat zijn gezichtspunt niet zonder
meer identiek is met dat van de ambtelijke kerk voorzover ze uiterlijk
geïnstitutionaliseerd is. Want Christus deelt zichzelf als God ook altijd
onmiddellijk mede en de inspiratie die Hij genadevol verleent, wordt, hoezeer
zij Hem in de kerk bestendigt en zelf weer behoort tot de kerk als
genadegemeenschap, niet zonder meer overgedragen door het kerkelijke apparaat.
Die inspiratie kan echt iets zijn waarvan de ambtelijke kerk en haar
ambtsdragers iets moeten leren, als zij zich niet schuldig willen maken aan het
afwijzen van bewegingen die van de Geest zijn, ook al zijn ze niet van meet af
aan officieel kerkelijk goedgekeurd.
Zo'n kritische opstelling ten opzichte van de kerk is, vanuit de kerk
gezien, zelf ook weer kerkelijk, want, doordat God zich naar de kerk neigt,
blijft deze uiteindelijk steeds open voor en onderworpen aan haar geest, die
altijd meer is dan instituut, wet, letterlijke traditie, enzovoort. Natuurlijk
zijn door deze verhouding tussen geest en instituut concrete conflicten tussen
geïnspireerde christenen en de ambtsdragers van de kerk niet bij voorbaat
uit de wereld geholpen. Dergelijke conflicten zullen zich zelfs telkens opnieuw
en in verrassend nieuwe gedaanten voordoen, met het gevolg dat er geen pasklare
recepten of institutionele procedures zijn om ze te overwinnen.
Uiteindelijk kan een christen er alleen in geloof van overtuigd zijn,
dat tot het einde der tijden een absoluut conflict tussen geest en instituut in
de kerk principieel niet noodzakelijk is. En hij kan voor zichzelf alleen maar
nederig hopen, dat de voorzienigheid van God ook hem niet in een situatie zal
brengen waarin een absolute uitspraak van het ambtelijk gezag en een absolute
uitspraak van zijn geweten voor hem onverenigbaar zijn en niet meer
gelijktijdig te vatten. In ieder geval mag ik stellen dat partiele en beperkte
conflicten in de kerk zelf ook weer kerkelijk zijn, zonder dat ik hier concrete
recepten hoef te geven om ze te beslechten. Ook is de letterlijke uitvoering
van een bevel van bovenaf niet de opperste regel van verbondenheid met de kerk
en van kerkelijke gehoorzaamheid. Ik heb ook zelf als algemeen overste van mijn
orde niet met die regel geregeerd. Als dit de opperste regel was, dan konden er
immers in de kerk helemaal geen conflicten bestaan. Maar ze bestaan, met
heiligen en tussen heiligen (te beginnen bij de strijd tussen Petrus en
Paulus), en ze mogen er dus zijn.
Er bestaat in de kerk ook geen grondbeginsel, waardoor de overtuigingen
en de besluiten van de gelovigen en van de ambtsdragers bij voorbaat zonder
wrijving op elkaar aansluiten. De kerk is een kerk van de Geest van de
oneindige en onbegrijpelijke God. Diens gelukzalige eenheid kan in deze wereld
alleen maar gebroken weerspiegeld worden in het vele en verschillende, dat
uiteindelijk alleen in God zelf en in niets anders tot vrede en eenheid
komt.
Geloof maar niet, dat bij al mijn kerkelijke gezindheid mij de ervaring
bespaard is gebleven van zulke conflicten, of dat ik ze met een onechte
verbondenheid met de kerk heb weggedrukt. Ik was geen jabroer van de kerk en
van de paus. Ik heb conflicten gehad met ambtsdragers in de kerk in Alcala, in
Salamanca, in Parijs, in Venetië, in Rome. In Alcala en Salamanca ben ik
door de ambtelijke kerk wekenlang gevangen gezet. In Rome kostte al het
geharrewar voor de verdediging van mijn verbondenheid met de kerk mij
verschrikkelijk veel tijd en moeite. Toen de eeuwige Vader mij in La Storta
beloofde dat Hij mij in Rome goedgunstig zou zijn, was een van de
voorstellingen die ik mij van die begunstiging kon maken, de mogelijkheid
gekruisigd te worden in het pauselijke Rome. Ik stond te sidderen over al mijn
leden, toen Paulus IV tot paus werd gekozen en deze stuurde, toen ik al
algemeen overste van een pauselijk goedgekeurde orde was, zijn politie op mij
af voor een huiszoeking. Ik verlangde zijn zegen bij mijn sterven, om ook in
dat uur, toen ik zonder sacramenten stierf, nogmaals tegenover hem een
bescheiden hoffelijk gebaar te maken. Toen Polanco die zegen overbracht, was ik
al dood en de reactie van de paus op het bericht van die dood was niet bepaald
vriendelijk.
Kort en goed, ik was en bleef trouw aan kerk en paus. Maar ik ben ook
vervolgd en gevangen gezet door mannen van de kerk met ambtelijk gezag. De
eenheid tussen gehoorzame dienst en kritische distantie tegenover het ambt in
de kerk moet in de loop van de geschiedenis telkens opnieuw gerealiseerd worden
zonder een eens voor al geldende en alles oplossende regel, maar het lukt ook
telkens weer. En je herinnert je dat het over het geheel genomen telkens weer
vergezeld ging van zulke conflicten. Je moet goed toekijken, voor je in de
geschiedenis van de orde kunt zien waar aanhankelijkheid aan kerk en paus lof
of blaam verdienen. Een heilige Pius V sprak deze orde toe zonder begrip voor
wat ze eigenlijk was. In de zogenaamde gcna-dcstrijd was de orde met haar
theologie in Rome in het defensief, en kon ze nog maar juist voorkomen dat ze
veroordeeld werd. Voor haar moraaltheologie moest de orde vechten tegen een
verbond tussen Innocentius IX en de eigen algemeen overste van de orde,
Gonzalez. In de zeventiende en achttiende eeuw hebben jullie de ritenstrijd
verloren tegen pausen, die nu eenmaal meer ophadden met orthodoxe
voorzichtigheid dan met creatieve moed. De opheffing van de orde in 1773 door
Clemens XIV onder pressie van de Bourbons was ook niet direct een heldenstukje
van pauselijke wijsheid en dapperheid, hoeveel verklaringen van bezonken
wijsheid van de historici je er ook voor geeft: de tekst van de breve van
opheffing was werkelijk schandalig, de gevangenneming van de algemeen overste
van de orde, pater Ricci, door de paus was mensonwaardig (tegenwoordig zou je
Amnesty International in het geweer roepen) en de Bourbons werden kort nadien
weggevaagd door de revolutie, dus had de paus hun even tevoren ook wel een
beetje meer weerstand kunnen bieden. De heilige Pius X stond op het punt de
algemeen overste van de orde, 'pater Wernz, af te zetten, omdat deze hem nog
altijd te weinig integralistisch was.
Je zou zeker nog meer voorbeelden kunnen noemen van kritische distantie
tussen ambtelijke kerk en orde. Eigenlijk zou je zelfs moeten beweren, dat
dergelijke conflicten iets heel vanzelfspreckends hebben voor een orde die
afziet van hoge ambten als bisschop en kardinaal, en die zich dus eigenlijk
principieel distantieert van het ambt in de kerk (dat ze overigens natuurlijk
beaamt en respecteert). In feite echter is de eigenlijke betekenis van dit
afzien van die kerkelijke waardigheden weer gedeeltelijk teniet gedaan, doordat
in de orde het bekleden van andere kerkelijke ambten vaste regel is
geworden.
Met dat al kun je natuurlijk allerminst beweren, dat zich in de loop van
de lange geschiedenis van die orde van mij niet telkens weer concreet
identificaties hebben voorgedaan tussen ambt en orde, waar juist een kritische
distantie en een legitiem verzet meer op hun plaats geweest waren. En het
spreekt vanzelf, dat deze orde ook telkens weer de historische schuld op zich
heeft geladen tegen de geest van de kerk het instituut te verdedigen met zijn
kortzichtigheid en zijn traagheid en onbeweeglijkheid in de theologie, in de
zielzorg, in het recht enzovoort.
Maar in principe blijft het waar, dat onvoorwaardelijke trouw aan de
institutionele kerk en kritische distantie ten opzichte van haar in de
spiritualiteit van mij en mijn volgelingen echt mogelijk zijn, en dat beide in
het ware wezen van de kerk een werkelijk recht van bestaan hebben.
Jullie hoeven je daarom nu niet zonder meer te schamen, als een Paulus
VI niet bepaald erg tevreden was met jullie tweeendertigste Algemene
Vergadering. Bij Pius V en Sixtus V, die jullie pijnlijke veranderingen in de
constituties wilden opdringen, was het veel erger. Ik heb het niet over de
enkelingen onder jullie. Daar zijn vast wel een paar wonderlijke figuren bij
van wie je niet meer precies weet, waarom ze nog jezuïet zijn. Maar over
het geheel genomen zijn jullie ook vandaag nog trouw aan kerk en paus, zoals ik
het was, en daar horen ook conflicten bij.
Vertaling Mirjam Bonné
Klik
hier als U onze campagne voor de wijding van vrouwen aktief wilt
steunen..
Als je je geroepen voelt priester te
worden, sluit je aan bij CIRCLES!
Circles heeft een speciaal forum en
chatroom opzij gezet voor vrouwen die zich geroepen weten tot het
priesterambt, om elkaar wederzijdse steun te geven.
Vermeld a.u.b. dat dit documentontleend is aan www.womenpriests.org!

![]() |
In dit boek gaat Hans Wijngaards in op belangrijke historische bronnen, vanaf het begin van het christendom tot het jaar 900. Hij bewijst op overtuigende wijze dat vrouwen de rol van diaken op zich namen en hiertoe ook gewijd werden. Met zijn historische studie levert Wijngaards een belangrijke bijdrage aan het actuele debat over de wijding van vrouwen tot diaken. Klik hier! |