OOK VROUWEN PRIESTER? JAZEKER!header

Responsive image

BEGIN

REDEN GENOEG

TEGEN DE PAUS?

DEBAT

MENU

Nederlands/Vlaams Deutsch Francais English language Spanish language Portuguese language Catalan Chinese Czech Malayalam Finnish Igbo
Japanese Korean Romanian Malay language Norwegian Swedish Polish Swahili Chichewa Tagalog Urdu
------------------------------------------------------------------------------------
Onvoorwaardelijke trouw en kritische distantie jegens de kerk

Onvoorwaardelijke trouw en kritische distantie jegens de kerk

door Karl Rahner

De invloedrijke Duitse theoloog Karl Rahner (1904-1984) heeft zich enkele jaren vóór zijn dood uitvoerig bezonnen op de persoon van Ignatius, en diens spiritualiteit getoetst op haar actualiteit. Als vorm koos hij daarvoor een gefingeerde toespraak van Ignatius tot zijn hedendaagse volgelingen. Daaruit wordt hier het hoofdstuk overgenomen dat Rahner de titel gaf 'Kerkelijke gezindheid'.

Ik moet nu ook iets zeggen over mijn kerkelijke gezindheid en over de betekenis daarvan voor jullie tijd. Dat wordt nu eenmaal verwacht en niet ten onrechte. Nu het gaat om de objectieve betekenis van de onderwerpen waarover ik spreek, in al hun verscheidenheid, moet ik heel kort mogen zijn. Als God, Jezus, de navolging van Hem en de kerk, ondanks alle verband dat ertussen bestaat, nu eenmaal verschillende werkelijkheden zijn en daarom ook een verschillend gewicht hebben, dan heb ik in tijd en eeuwigheid niet alleen het recht, maar ook de plicht deze verschillende werkelijkheden werkelijk te onderscheiden naar hun gewicht en hun betekenis. Men noemt mij met nadruk een man van de kerk, Marcuse noemt mij een soldaat van de kerk.

Ik schaam me bepaald niet voor deze kerkelijke gezindheid. Ik wilde met mijn hele bekeerde leven de kerk dienen, met dien verstande dat deze dienst uiteindelijk God en de mensen geldt en niet een instituut dat zichzelf zoekt. De kerk heeft oneindige dimensies, want zij is de gemeenschap van gelovige mensen, die in hoop op weg zijn, die God en hun medemensen liefhebben en die vervuld zijn van de geest van God. Maar — en voor mij is dat vanzelfsprekend — de kerk is ook sociologisch bepaald. Ze is een concrete kerk in onze geschiedenis, een kerk van de instituties, van het menselijke woord, van de tastbare sacramenten, van de bisschoppen, van de paus van Rome, zij is de hiërarchische, rooms-katholieke kerk. En als men mij een man van de kerk noemt en ik dat als iets vanzclfsprekcnds erken, dan bedoelt men juist de kerk in haar tastbare en harde institutionaliteit, de ambtelijke kerk, zoals jullie tegenwoordig zeggen, inclusief de niet bijster vriendelijke bijtoon die dat woord heeft. Ja, ik was deze man van deze kerk. Dat wilde ik zijn. En ik kan eerlijk zeggen, dat dat nooit tot een onoplosbaar conflict is gekomen met het feit, dat ik God volstrekt onmiddellijk had leren kennen in mijn geweten en in mijn mystieke ervaring.

Maar mijn kerkelijke gezindheid wordt totaal verkeerd begrepen, als ze wordt opgevat als het egoïstische, door een fanatieke ideologie beheerste verlangen naar macht, dat wil zegevieren zelfs ten koste van het geweten, of als een zich vereenzelvigen met een systeem dat niet verder wijst dan naar zichzelf. Wij mensen zijn in ons leven allemaal kortzichtig en zondig, en daarom wil ik heus niet beweren, dat ik destijds niet ook her en der mijn bijdrage heb geleverd aan die onechte verbondenheid met de kerk. En als jullie daar zin in hebben, mogen jullie gerust eerlijk en nuchter mijn leven daarop doorlichten. Maar den ding is zeker: mijn kerkelijke gezindheid in haar geheel genomen was toch maar één enkele, zij het voor mij onmisbare factor van mijn wil de zielen te helpen, een wil die slechts dan en in zoverre zijn echte doel bereikt, als die zielen in geloof, hoop en liefde groeien in onmiddellijk contact met God.

Iedere liefde tot de ambtelijke kerk zou afgoderij zijn en deelname aan een verschrikkelijk egoïsme Van een op zichzelf gericht systeem, als ze niet door die wil bezield zou zijn en zich niet daardoor grenzen zou laten stellen. Dat betekent echter ook (en de geschiedenis van mijn mystieke weg getuigt ervan), dat de liefde tot die kerk, hoc onvoorwaardelijk ze in zekere zin ook is, helemaal niet het begin en het einde van mijn existentie (zoals jullie je tegenwoordig uitdrukken) was, maar een afgeleide grootheid, die voortkomt uit een onmiddellijk contact met God en die van daar uit zowel haar gewicht krijgt als haar grenzen en haar heel bepaalde eigen aard.

Om het nog eens een beetje anders te zeggen: door mee te voltrekken dat God zich neigt naar het concrete lichaam van zijn Zoon in de geschiedenis, had ik de kerk lief. En in deze mystieke eenheid — bij alle wezenlijke verschillen tussen beide — van God met de kerk, was en bleef de kerk voor mij transparant naar God toe en bleef zij de concrete vindplaats van mijn onuitsprekelijke relatie met het eeuwige geheim. Dat is de bron van mijn kerkelijke gezindheid, van mijn beoefening van het sacramentele leven, van mijn trouw aan het pausdom, van de kerkelijkheid van mijn zending de zielen te helpen.

Als mijn kerkelijke gezindheid deze en geen andere plaats heeft in de structuur van mijn geestelijk bestaan, dan is ook een kritische opstelling ten opzichte van de concrete ambtelijke kerk kerkelijk. Het is een christen mogelijk zich zo kritisch op te stellen, omdat zijn gezichtspunt niet zonder meer identiek is met dat van de ambtelijke kerk voorzover ze uiterlijk geïnstitutionaliseerd is. Want Christus deelt zichzelf als God ook altijd onmiddellijk mede en de inspiratie die Hij genadevol verleent, wordt, hoezeer zij Hem in de kerk bestendigt en zelf weer behoort tot de kerk als genadegemeenschap, niet zonder meer overgedragen door het kerkelijke apparaat. Die inspiratie kan echt iets zijn waarvan de ambtelijke kerk en haar ambtsdragers iets moeten leren, als zij zich niet schuldig willen maken aan het afwijzen van bewegingen die van de Geest zijn, ook al zijn ze niet van meet af aan officieel kerkelijk goedgekeurd.

Zo'n kritische opstelling ten opzichte van de kerk is, vanuit de kerk gezien, zelf ook weer kerkelijk, want, doordat God zich naar de kerk neigt, blijft deze uiteindelijk steeds open voor en onderworpen aan haar geest, die altijd meer is dan instituut, wet, letterlijke traditie, enzovoort. Natuurlijk zijn door deze verhouding tussen geest en instituut concrete conflicten tussen geïnspireerde christenen en de ambtsdragers van de kerk niet bij voorbaat uit de wereld geholpen. Dergelijke conflicten zullen zich zelfs telkens opnieuw en in verrassend nieuwe gedaanten voordoen, met het gevolg dat er geen pasklare recepten of institutionele procedures zijn om ze te overwinnen.

Uiteindelijk kan een christen er alleen in geloof van overtuigd zijn, dat tot het einde der tijden een absoluut conflict tussen geest en instituut in de kerk principieel niet noodzakelijk is. En hij kan voor zichzelf alleen maar nederig hopen, dat de voorzienigheid van God ook hem niet in een situatie zal brengen waarin een absolute uitspraak van het ambtelijk gezag en een absolute uitspraak van zijn geweten voor hem onverenigbaar zijn en niet meer gelijktijdig te vatten. In ieder geval mag ik stellen dat partiele en beperkte conflicten in de kerk zelf ook weer kerkelijk zijn, zonder dat ik hier concrete recepten hoef te geven om ze te beslechten. Ook is de letterlijke uitvoering van een bevel van bovenaf niet de opperste regel van verbondenheid met de kerk en van kerkelijke gehoorzaamheid. Ik heb ook zelf als algemeen overste van mijn orde niet met die regel geregeerd. Als dit de opperste regel was, dan konden er immers in de kerk helemaal geen conflicten bestaan. Maar ze bestaan, met heiligen en tussen heiligen (te beginnen bij de strijd tussen Petrus en Paulus), en ze mogen er dus zijn.

Er bestaat in de kerk ook geen grondbeginsel, waardoor de overtuigingen en de besluiten van de gelovigen en van de ambtsdragers bij voorbaat zonder wrijving op elkaar aansluiten. De kerk is een kerk van de Geest van de oneindige en onbegrijpelijke God. Diens gelukzalige eenheid kan in deze wereld alleen maar gebroken weerspiegeld worden in het vele en verschillende, dat uiteindelijk alleen in God zelf en in niets anders tot vrede en eenheid komt.

Geloof maar niet, dat bij al mijn kerkelijke gezindheid mij de ervaring bespaard is gebleven van zulke conflicten, of dat ik ze met een onechte verbondenheid met de kerk heb weggedrukt. Ik was geen jabroer van de kerk en van de paus. Ik heb conflicten gehad met ambtsdragers in de kerk in Alcala, in Salamanca, in Parijs, in Venetië, in Rome. In Alcala en Salamanca ben ik door de ambtelijke kerk wekenlang gevangen gezet. In Rome kostte al het geharrewar voor de verdediging van mijn verbondenheid met de kerk mij verschrikkelijk veel tijd en moeite. Toen de eeuwige Vader mij in La Storta beloofde dat Hij mij in Rome goedgunstig zou zijn, was een van de voorstellingen die ik mij van die begunstiging kon maken, de mogelijkheid gekruisigd te worden in het pauselijke Rome. Ik stond te sidderen over al mijn leden, toen Paulus IV tot paus werd gekozen en deze stuurde, toen ik al algemeen overste van een pauselijk goedgekeurde orde was, zijn politie op mij af voor een huiszoeking. Ik verlangde zijn zegen bij mijn sterven, om ook in dat uur, toen ik zonder sacramenten stierf, nogmaals tegenover hem een bescheiden hoffelijk gebaar te maken. Toen Polanco die zegen overbracht, was ik al dood en de reactie van de paus op het bericht van die dood was niet bepaald vriendelijk.

Kort en goed, ik was en bleef trouw aan kerk en paus. Maar ik ben ook vervolgd en gevangen gezet door mannen van de kerk met ambtelijk gezag. De eenheid tussen gehoorzame dienst en kritische distantie tegenover het ambt in de kerk moet in de loop van de geschiedenis telkens opnieuw gerealiseerd worden zonder een eens voor al geldende en alles oplossende regel, maar het lukt ook telkens weer. En je herinnert je dat het over het geheel genomen telkens weer vergezeld ging van zulke conflicten. Je moet goed toekijken, voor je in de geschiedenis van de orde kunt zien waar aanhankelijkheid aan kerk en paus lof of blaam verdienen. Een heilige Pius V sprak deze orde toe zonder begrip voor wat ze eigenlijk was. In de zogenaamde gcna-dcstrijd was de orde met haar theologie in Rome in het defensief, en kon ze nog maar juist voorkomen dat ze veroordeeld werd. Voor haar moraaltheologie moest de orde vechten tegen een verbond tussen Innocentius IX en de eigen algemeen overste van de orde, Gonzalez. In de zeventiende en achttiende eeuw hebben jullie de ritenstrijd verloren tegen pausen, die nu eenmaal meer ophadden met orthodoxe voorzichtigheid dan met creatieve moed. De opheffing van de orde in 1773 door Clemens XIV onder pressie van de Bourbons was ook niet direct een heldenstukje van pauselijke wijsheid en dapperheid, hoeveel verklaringen van bezonken wijsheid van de historici je er ook voor geeft: de tekst van de breve van opheffing was werkelijk schandalig, de gevangenneming van de algemeen overste van de orde, pater Ricci, door de paus was mensonwaardig (tegenwoordig zou je Amnesty International in het geweer roepen) en de Bourbons werden kort nadien weggevaagd door de revolutie, dus had de paus hun even tevoren ook wel een beetje meer weerstand kunnen bieden. De heilige Pius X stond op het punt de algemeen overste van de orde, 'pater Wernz, af te zetten, omdat deze hem nog altijd te weinig integralistisch was.

Je zou zeker nog meer voorbeelden kunnen noemen van kritische distantie tussen ambtelijke kerk en orde. Eigenlijk zou je zelfs moeten beweren, dat dergelijke conflicten iets heel vanzelfspreckends hebben voor een orde die afziet van hoge ambten als bisschop en kardinaal, en die zich dus eigenlijk principieel distantieert van het ambt in de kerk (dat ze overigens natuurlijk beaamt en respecteert). In feite echter is de eigenlijke betekenis van dit afzien van die kerkelijke waardigheden weer gedeeltelijk teniet gedaan, doordat in de orde het bekleden van andere kerkelijke ambten vaste regel is geworden.

Met dat al kun je natuurlijk allerminst beweren, dat zich in de loop van de lange geschiedenis van die orde van mij niet telkens weer concreet identificaties hebben voorgedaan tussen ambt en orde, waar juist een kritische distantie en een legitiem verzet meer op hun plaats geweest waren. En het spreekt vanzelf, dat deze orde ook telkens weer de historische schuld op zich heeft geladen tegen de geest van de kerk het instituut te verdedigen met zijn kortzichtigheid en zijn traagheid en onbeweeglijkheid in de theologie, in de zielzorg, in het recht enzovoort.

Maar in principe blijft het waar, dat onvoorwaardelijke trouw aan de institutionele kerk en kritische distantie ten opzichte van haar in de spiritualiteit van mij en mijn volgelingen echt mogelijk zijn, en dat beide in het ware wezen van de kerk een werkelijk recht van bestaan hebben.

Jullie hoeven je daarom nu niet zonder meer te schamen, als een Paulus VI niet bepaald erg tevreden was met jullie tweeendertigste Algemene Vergadering. Bij Pius V en Sixtus V, die jullie pijnlijke veranderingen in de constituties wilden opdringen, was het veel erger. Ik heb het niet over de enkelingen onder jullie. Daar zijn vast wel een paar wonderlijke figuren bij van wie je niet meer precies weet, waarom ze nog jezuïet zijn. Maar over het geheel genomen zijn jullie ook vandaag nog trouw aan kerk en paus, zoals ik het was, en daar horen ook conflicten bij.

Vertaling Mirjam Bonné

Klik hier als U onze campagne voor de wijding van vrouwen aktief wilt steunen..

historische overzichten


Join us  .  .  .  !

Als je je geroepen voelt priester te worden, sluit je aan bij ‘CIRCLES’!

‘Circles’ heeft een speciaal ‘forum’ en ‘chatroom’ opzij gezet voor vrouwen die zich geroepen weten tot het priesterambt, om elkaar wederzijdse steun te geven.

Join us  .  .  .  !

Vermeld a.u.b. dat dit documentontleend is aan www.womenpriests.org!


This website is maintained by the Wijngaards Institute for Catholic Research.

John Wijngaards Catholic Research

since 11 Jan 2014 . . .

John Wijngaards Catholic Research