OOK VROUWEN PRIESTER? JAZEKER!header

Responsive image

BEGIN

REDEN GENOEG

TEGEN DE PAUS?

DEBAT

MENU

Nederlands/Vlaams Deutsch Francais English language Spanish language Portuguese language Catalan Chinese Czech Malayalam Finnish Igbo
Japanese Korean Romanian Malay language Norwegian Swedish Polish Swahili Chichewa Tagalog Urdu
------------------------------------------------------------------------------------
Gehoorzaamheid, een deugd waar vraagtekens bij geplaatst mogen worden

Gehoorzaamheid, een deugd waar vraagtekens bij geplaatst mogen worden

door Marie Louise Uhr

Na een academische carriere als docent biochemie op CCAE (Canadian Council for the Advancement of Education) / Universiteit van Canberra behaalde Marie Louise Uhr een universitair diploma in de godgeleerdheid aan St. Mark's (St. Mark's National Theological Centre); dit artikel begon zijn leven als een essay voor dat diploma. Marie Louise Uhr was de stichter van de groep 'Ordination of Catholic Women (Wijding van Katholieke Vrouwen) en was van 1993 tot 2000 de drijvende kracht achter de groep. Deze spant zich in voor de wijding van vrouwen voor een vernieuwd priesterlijk ambt in de Katholieke Kerk.

Het paper werd gepubliceerd in St. Mark's Review 173 (1998), blz. 3-9. Het wordt hier heruitgegeven met toestemming van de auteur (gegeven op 14 mei 2001) die helaas kort daarna kwam te overlijden.

Noot van de vertaler: Voor de Bijbelcitaten heb ik vooral gebruik gemaakt van De (online) Nieuwe Bijbelvertaling van het Nederlands Bijbelgenootschap (http://www.biblija.net/biblija.cgi?m=&id18=1&pos=0&set=18&lang=nl).

Inleiding

Mijn bemoeienis met de vraag van gehoorzaamheid als een primaire christelijke deugd begon na de beslissingen van de kerkleiding over de wijding vrouwen in de katholieke Kerk. Ik ben niet van plan om hier verder in te gaan op dit onderwerp. Wel wil ik hier aan de orde wil stellen dat een christelijke theologie die een gehoorzame Christus preekt en gehoorzaamheid hooghoudt als een belangrijke deugd, geleid heeft tot autoritaire en hiërarchische kerkstructuren. Deze hebben kerkleden aangemoedigd om gehoorzaamheid te blijven zien als primaire respons op opdrachten van kerkelijke zowel als burgerlijke autoriteiten, eerder dan gewetensvolle inzicht. (1) Ik wil ook aan de orde stellen dat dit rampzalige gevolgen heeft gehad voor brede segmenten van de maatschappij. In lijn hiermee wil ik stilstaan bij de theologie, meer bepaald de christologie, van de gehoorzaamheid. Ik wil verder nog stilstaan bij een aantal van de sociale en theologische problemen die uit deze christologie voortkomen, bij Schriftuurlijke funderingen die het hebben van een afwijkende mening rechtvaardigen en ongehoorzaamheid legitimeren. Tenslotte wil ik stilstaan bij de mogelijkheden van een meer door de Geest geleide democratische kerk.

De theologie van de gehoorzaamheid

De joodse godsdienst en de godsdiensten die daaruit voortkomen, zijn godsdiensten van het woord van God, dat gehoord en gehoorzaamd moet worden. (2) Volgens hedendaagse definities is gehoorzaamheid 'de daad of de praktijk van plichtsgetrouw of onderwerpend zich voegen naar'. (Macquarie Dictionary 1981) of 'zich onderwerpen aan de wil van een hoger gestelde, doen wat iemand is opgedragen' (Shorter Oxfort Dictionary 1970). Zowel in het Engels als in het Hebreeuws en Grieks is het belang van 'horen' in de idee 'gehoorzamen' duidelijk terug te vinden. We vinden ze in veel van de gebruikte woorden die duidelijk van de stam 'horen' zijn afgeleid. (3) Bovendien duiden ook andere woorden dan 'gehoorzamen/gehoorzaam/gehoorzaamheid op de idee dat opdrachten en de wil van een ander uitgevoerd moet worden en moeten die woorden nader beschouwd worden. Het boek Exodus verhaalt luid en duidelijke van 'de roep van de Heer aan Mozes: ga…, vertel…, sta op…' en de vrijheid van de Israëlieten hing af van de vraag of Mozes het woord van God hoorde en gehoorzaamde. In de woestijn sprak God tot Mozes en de Israëlieten: 'Ik ben de Heer, uw God, U zult geen andere Goden hebben naast mij. U zult niet…, u zult…, u zult niet…' (Ex 20,1-17; Deut 5,1-22). De gevolgen waren helder: gehoorzaamheid brengt zegeningen en ongehoorzaamheid vervloekingen (Deut 28). De bevrijdende band van Jahweh (4) verzekerde dat, als mensen naar Hem luisterden en Zijn wil deden, Hij de God van de Israëlieten zou zijn en de Israëlieten het volk van God..

Het Hebreeuwse volk stemde daarmee in in het 'verhaal van zijn oorsprong'. Daarin begint het relaas van hun relatie met hun God met een verhaal over de ongehoorzaamheid die maakte dat heel de mensheid lijdt. Adam en Eva waren ongehoorzaam; om die reden werden ze vervloekt. Maar God zegende de Israëlieten en koos uit heel de mensheid hen uit om het uitverkoren volk te worden, omdat Abraham, hun voorvader, een man was van gehoorzaamheid. Toen God Abram opdroeg om 'weg te trekken uit uw land, uw familie te verlaten en ook uw naaste verwanten te verlaten ….. en ik zal van u een grote volk maken…' (Gen 12,1-3), vertrok Abram. Toen Sarai tegen de kinderloze Abram zei: 'Je moet maar met mijn slavin slapen; misschien kan ik door haar kinderen krijgen' (Gen 16,2), gehoorzaamde Abram. Later, toen Sarai - nu Sarah - tegen Abram - nu Abraham - zei': 'Jaag die slavin en haar zoon weg' (Gen 21,10), legde Abraham kalm brood en water en hun zoon Ismaël op Hagars schouder en 'stuurde haar weg' (Gen 21,14). Het lijkt voor Abraham niet van belang of Hagar en zijn zoon deze rampspoed zouden overleven; wat wel van belang was, was dat hij 'eerst en vooral gehoorzaam was aan Gods gebod' (5). Daarna kwam de grote proef van zijn gehoorzaamheid, de opdracht van Godswege om zijn 'geliefde zoon', Isaac te doden. Abraham maakte aanstalten om te gehoorzamen.

Het stuitende verhaal van het vastbinden van Isaac, zoals het wordt verteld in Genesis 22,1-19, schreeuwt erom, afgezwakte te worden en de mensen in de twintigste eeuw die het hebben geïnterpreteerd, hebben inderdaad manieren gezocht om het af te zwakken. Er zijn er die het verhaal lezen als gaat het om God die mensenoffers verbiedt.(6) Anderen, zoals Von Rad en navolgers, zien het onderwerp echt als een geloofsissue. Wat God op proef stelt, is Abrahams geloof in Gods belofte om door Abraham een volk te doen ontstaan. Abraham vertrouwt erop dat God dit kan, zelfs als Isaac ter dood wordt gebracht. (7) Maar de tekst, zo argumenteert Levenson overtuigend, biedt daar niet de ruimte voor. (8) Zowel aan Abraham als aan Isaac (Gen 22,15-18; Gen 26,1-5) wordt het duidelijk gemaakt: Jahweh eiste gehoorzaamheid, en dat gaat zover dat hij beproeft of Abraham bereid is 'de geliefde zoon' te doden. Ook is het de gehoorzaamheid die God beloont met zijn verbond. Levinson geeft het navolgende commentaar:

Abrahams bereidheid om het angstaanjagende gebod strikt op te volgen, kan al dan niet het geloof aantonen in de belofte die in Isaac plechtig is vastgelegd, maar laat zeker en ten voeten uit zien dat hij gehoorzaamheid aan God stelt boven die aan alle andere denkbare concurrenten. (9)

Ik laat het aan taalhistorici om stil te staan bij de veranderende betekenis van woorden die tegenwoordig vertaald worden met gehoorzaamheid. Wat die gehoorzaamheid ook betekende voor het joodse volk en los van de mate waarin die betekenis verschilde van de huidige betekenis, juist deze tekst krijgt een centrale plaats in de christelijke liturgie en theologie van vandaag en ik houd me juist bezig met het begrip zoals het vandaag de dag wordt gebruikt.

Die overtuiging van de joden, dat het primaire antwoord aan God is het luisteren naar het Woord van God en het gehoorzamen daaraan, kreeg onvermijdelijk een centrale plaats in het denken van joodse schrijvers van het Nieuwe Testament, zoals Paulus, die probeerden Jezus' leven en dood te begrijpen. Ook hier weer is het nodig om verder te kijken dan naar het directe gebruik van 'gehoorzamen, gehoorzaam, gehoorzaamheid.' Longenecker vermeldt, dat het concept gehoorzaamheid veel meer centraal staat in het vroege christendom dan het directe gebruik van 'gehoorzamen, gehoorzaam, gehoorzaamheid' in het Nieuwe Testament doet vermoeden. (10) Het vierde evangelie bijvoorbeeld kan die woorden dan wel niet gebruiken; het spreekt wel duidelijk van de Zoon die was gezonden om de wil van de vader te doen (Johannes 3,17+34; 4,:34; 5,23+24+30+36+37; 6,29+38+39+57; 7,16+18+29; 8,16+18+26+29+ 42; 9,4; 10,36; 11,42; 12,44+45+49; 13,20; 14,24; 15,21; 16,5; 17,3+8+18+21+23+25; 20,21). Een twintigste-eeuwse christologie laat geen twijfels bestaan over de centrale plaats van gehoorzaamheid in het verlossingswerk van Jezus, zoals dat is geïnterpreteerd vanuit soortgelijke teksten uit het Johannesevangelie als de bovenstaande.

De Zoon is de persoon die zichzelf zonder voorbehoud onderwerpt aan gehoorzaamheid aan God. Zodoende is hij geheel en al transparant voor God; zijn gehoorzaamheid is de vorm waarin God substantieel aanwezig is. Gehoorzaamheid, bewerkstelligd en voortgebracht door God zelf, is de historische modus van het bestaan en van het zichtbaar maken van het goddelijke Zoonschap. In zijn gehoorzaamheid is Jezus de bevestiging van Gods natuur.(11)

Als nu de Zoon van God zelf eerst en vooral gehoorzaam is, welk recht hebben wij dan om niet te gehoorzamen?

Voor Paulus en derhalve voor veel latere christologie en liturgie, staan de verhalen van de ongehoorzaamheid van Adam (en Eva) en de gehoorzaamheid van Abraham en Isaac centraal voor de ontwikkeling van zijn christologie. Voor Paulus is de gehoorzaamheid van Jezus de overwinning van de hele nasleep van de ongehoorzaamheid van Adam (Rom 5,18-20). Die gehoorzaamheid van Jezus maakte ons kinderen van Abraham (Gal 3,14,29) Daarenboven krijgt het verhaal van Abraham en Isaac een nieuwe duiding, doordat Abraham, de vader, die bereid is zijn geliefde zoon te offeren, een icoon wordt van God die zijn enige zoon, Jezus, offert. Jezus wordt dan een bereidwillige Isaac, die in vrijheid zichzelf opoffert aan het gebod van zijn Vader. Op die manier ontwikkelt Paulus een christologie waarin de relatie van Jezus met God er een is van een gehoorzame zoon met zijn Vader. Dit gehoorzame zoonschap is de wezenlijke rode draad door zijn leven en dood (vgl. Fil 2,6-10). (12) Jezus viel de genade van God te beurt omdat hij 'de gestalte aannam van een slaaf … en gehoorzaam werd tot in de dood.' (Fil 1,7-8) In de slavernijcultuur waarin dit werd geschreven, was gehoorzaamheid de voornaamste deugd, het wezenlijke kenmerk en het allerhoogste ethische vereiste van de slaaf. (13)

Als Jezus gezien wordt als het toonbeeld van gehoorzaamheid en onderwerping, dan moeten zijn volgelingen, willen ze zijn als Christus, onderworpen en gehoorzaam zijn. Paulus schrijft over christelijke gehoorzaamheid aan Christus (2 Kor 10,5-6), aan Paulus, aan het evangelie (Rom 10:16; Gal 2:14; Gal 5:7), aan autoriteiten en over de 'gehoorzaamheid van het geloof' (Rom 1:5; 16:26). Kittel noemt dat 'het bekronende concept van gehoorzaamheid die bestaat uit geloof en van geloof dat bestaat uit gehoorzaamheid. (14) Als God volmaakte gehoorzaamheid eiste van zijn Zoon, moeten Christenen, willen ze zijn als Christus, gehoorzaam zijn aan God als kinderen van God. En niet alleen aan God. Ze moeten gehoorzaam zijn aan hun leraren in het geloof, zoals Paulus, aan hetgeen het evangelie leert - en aan allen die in autoriteit over hen gesteld zijn. In Romeinen 13,1-2 schrijft Paulus: 'Iedereen moet het gezag van de overheid erkennen, want er is geen gezag dat niet van God komt; ook het huidige gezag is door God ingesteld. Wie zich tegen dit gezag verzet, verzet zich dus tegen een instelling van God, en wie dat doet, roept over zichzelf zijn veroordeling af. Al was het waarschijnlijk onvermijdelijk dat de vroege christenen de sociale en politieke modellen om hen heen gebruikten om hun eigen gemeenschapsstructuren op te zetten, betekende de ontwikkeling van een hiërarchische structuur door de vroege kerk, dat in de kerkgemeenschap net als in de maatschappij de kleine minderheid macht had over de grote meerderheid. Bovendien; omdat het gezag van God kwam, was weerstand bieden of ongehoorzaam zijn aan de staat of de kerk gelijk aan weestand bieden of ongehoorzaam zijn aan God. De macht van het gezag is heilige macht en moet gehoorzaamd worden. De vroege christenen gaven de Romeinse huishoudelijke gedragscodes een goddelijke bekrachtiging mee door hun eigen concept van gehoorzaamheid. Van nu af aan draagt de stem van het huiselijke gezag het gewicht van de stem van God. Christelijke vrouwen moeten hun echtgenoten gehoorzamen, christelijke kinderen moeten hun ouders gehoorzamen (en anderen die in gezag over hen gesteld zijn) en christelijke slaven moeten hun meesters gehoorzamen (Ef 6:1-5; kol 3:20-22; 1 Petr 3:6).

Theologische adepten bouwden voort op deze aanzetten bij Paulus en Johannes en integreerden de idee van Christus als de gehoorzame in hun begrijpen van de drie-ene natuur van God. De christoligieën van voor het concilie van Nicea waren gebaseerd op het Paulijnse verstaan van Christus als de gehoorzame Zoon die de wil van zijn Vader doet en het verstaan door Johannes van Jezus als gezonden door de Vader. Die beide concepten leggen de nadruk op de onderschikking van Jezus aan de Vader: Hij is degene die gezonden is, en 'de zoon die gezonden is, is lager dan de Vader die zendt.'(15) Deze vorm van subordinationisme kende een algemene consensus tot halverwege de vierde eeuw. Gezien de sterke Schriftuurlijke basis en de heilshistorisch-cosmologische achtergrond, had men er geen oog voor dat deze ook een ontologisch subordinationisme tot gevolg had: men zag eerder een procesmatige of economische onderschikking van de Zoon aan de Vader (16). Hier ligt dan ook precies het onderscheid met het Arianisme. De strijd tegen het Arianisme had tot doel om alle subordinatietheologieën het hoofd te bieden. Alhoewel het Cappadocische schema van emanatie - waarin alles door de Zoon en in de heilige Geest uit de Vader voortkomt - gezien kan worden als een in stand houden van een patroon van onderschikking, was het doel van de Cappadociërs exact het tegenovergestelde. Gregorius van Nazianze zette een eerste stap om het Koningschap van de Vader te vervangen door 'een koningschap dat niet aan één persoon was gebonden. Dit koningschap werd bepaald door gelijke waardigheid van nature, wilsovereenstemming, eenzelvigheid van beweging…' (17) Om deze gelijkheid mogelijk te maken, werd de gehoorzaamheid van Jezus gezien als de daad uit vrije wil van de Zoon. (18) De Drie-eenheid was het gedeelde leven van gelijke personen: Vader, Zoon en Geest zijn gelijkwaardig God. (19) God is personen in relatie tot elkaar zonder onderschikking, zonder ongelijkheid. Maar de idee van het koningschap van de Vader-God was nog dominant, zoals LaCugna heeft geïllustreerd met haar gedetailleerde studies van de ontwikkeling - en de nederlaag - van de Trinitarisch theologie. Omdat de theologie zich meer bezig hield met Gods innerlijk leven eerder dan met de daden van God in de geschiedenis, 'kon zij de idee omarmen van een God-Koning die over de wereld regeert. Een wereld die onderworpen is aan Gods wil.' (20) Eén Vader-God regeerde in de hemel en, tegen de tijd van de troonsbestijging van paus Leo I in Rome, regeerde, zeker in de optiek van het westen, één bisschop op aarde.(21) Het was de triomf van een patriarchale God.

Een dergelijke theologie was onvermijdelijk van invloed op de ontwikkeling van maatschappelijke structuren en menselijke relaties. De manier waarop groeiende kloosterordes de idee van de gehoorzaamheid belangrijk vonden voor hun levenswijze, is hier een illustratie van, maar zij is ook van belang voor alle latere christenen. De regel van Benedictus heeft dit in een codex vastgelegd. Door de nadruk op de gehoorzame Christus als model voor een christelijk leven benadrukte Benedictus de deugd van gehoorzaamheid: anderen gehoorzamen, ongeacht wat er verlangd wordt, is het gedrag dat op Christus lijkt. 'Deze zielen' schreef Benedictus over zijn monniken in het vijfde hoofdstuk van zijn Regel, 'spoeden zich, omwille van de heilige dienstbaarheid waaraan zij hun eed hebben gegeven, … om ieder gebod van een meerdere te gehoorzamen als ware het een gebod van God.' (22). Het is zonneklaar hoe gehoorzaamheid aan anderen werd beleefd als Gods wil en in een maatschappij paste die zich volgens feodale lijnen ontwikkelde, met Romeinse gezagsbegrippen en heldere bevelslijnen. Het is intrigerend om te zien hoe lang dit geduurd heeft. Van de geschriften van Benedictus tot die van een twintigste-eeuwse Jezuïet vinden we dezelfde nadruk op gehoorzaamheid: onze gehoorzaamheid moet zijn als die van Christus die zich 'aan zijn Vader onderwierp door de bemiddeling van deze geschapen wereld;... wij zijn enkel onderworpen aan de goddelijke personen, maar als god zijn gezag doorgeeft aan een menselijke persoon, dan moeten we God gehoorzamen door die menselijke persoon te gehoorzamen.'(23) Op gelijke wijze beschrijft Moloney gehoorzaamheid als behoort het tot 'het hart zelf van een christelijk leven.' (24) Christelijke gehoorzaamheid is een kopie van de gehoorzaamheid van Jezus die 'zichzelf zag als aan de God van Israel verbonden in de zin van een gehoorzame en liefhebbende zoon.'(25) Terwijl de gehoorzaamheid van religieuzen met nadruk werd gezien als hun speciale gelofte, werd die toch niet gezien als fundamenteel verschillend van de gehoorzaamheid van alle christenen. Zeker niet omdat de spiritualiteit van religieuzen voor alle gelovigen het model werd van hun spiritualiteit.

Maar het echte grote leermiddel is de liturgie geweest. Eeuwenlang heeft de liturgie het belang tot uitdrukking gebracht van het verhaal van de gehoorzame Abraham en de bereidwilige Isaac en heeft zij de nadruk gelegd op Jezus als de gehoorzame zoon. Van de Syrische liturgie aan het eind van de vierde eeuw tot de katholieke eucharistische gebeden van vandaag, bidden we God de zojuist geconsacreerde brood en wijn te aanvaarden 'zoals hij het offer heeft aanvaard van onze aartsvader Abraham'. (26) In Eucharistisch Gebed IV bidden we voor de 'man' die 'u ongehoorzaam was en uw vriendschap verloor'. De tweede Orde van de Anglicaanse Heilige Communie spreekt in Dankgebed 2 van Christus, die 'gehoorzaamheid aan u leerde in alle dingen'. In de Prefatie van Dankgebed 4 'offerde Christus zijn leven aan u in volmaakte gehoorzaamheid'. Voor de plechtige liturgische feesten van de passie en de dood van Christus heeft de kerk 'gehoorzaamheid'-teksten gekozen uit Filipenzen, Genesis en Hebreeën. Op Palmzondag lezen we Filpenzen 2,6-10, waarbij de verzen 8 en 9 gebruikt worden in de acclamatie na het evangelie. Op Goede Vrijdag, wordt Hebreeën 4,14-16 verbonden aan Hebreeën 5,7-9. Hier wordt gesproken over 'Jezus die leerde te gehoorzamen door te lijden.' De prachtige liturgie van de Paaswake pakt uit om ons de geschiedenis van ons heil te vertelen. Ze begint met het scheppingsverhaal van Genesis en laat hierop het vastbinden van Isaac door Abraham volgen. De katholieke Prefatie VII van de zondagen door het jaar geeft in het kort de centrale plaats weer van het gehoorzaamheidsconcept. Deze looft God omwille van 'uw genadegaven, verloren door de ongehoorzaamheid, die nu hersteld worden door de gehoorzaamheid van uw Zoon.'

Het is dus niet verrassend dat met deze theologische en liturgische ruggensteun, gehoorzaamheid aan gezag, speciaal aan het kerkelijk gezag, een centrale plaats heeft gekregen in het postreformatorische christendom. In de katholieke kerk getuigen pauselijke geschriften uit de 19e en 20e eeuw telkens weer, dat voor de leken gehoorzaamheid het juiste en gepaste antwoord is op om het even welk pauselijk gebod, terwijl de hervormde theologie de gehoorzaamheid aan het woord van God, als gegeven in de Schrift, benadrukt heeft. Beiden zien gehoorzaamheid als fundament van het christelijk leven.

Enkele gevolgen van het scheppen van een gehoorzame maatschappij

Desalniettemin is het tegen het einde van de twintigste eeuw bepaaldelijk onmogelijk om het kwaad te weg te moffelen dat is berokkend door diegenen die eenvoudigweg de instructies van autoriteiten gehoorzaamden, inclusief die autoriteiten die regeerden in de naam van God. Eerder moeten we ons in een wereld na de Inquisitie en na de Holocaust, afvragen of het mogelijk is gehoorzaamheid als een deugd te zien, ongeacht wie de bevelen geeft. Voor een uitputtende analyse van deze hele vraag zou het nodig zijn om in te gaan op de Verlichting in de 17e en 18e eeuw, met haar nadruk op vrijheid en gelijkheid en de opgang van het individualisme. Ook zou het nodig zijn in te gaan op de hermeneutiek van de 'meesters van het wantrouwen', Marx, Nietzsche en Freud, op de komst van de moderne theorie van de psychoanalyse, en op vragen die op tafel gelegd zijn door het postmodernisme, enz.. Al deze ontwikkelingen maakten het hele concept van gehoorzaamheid voor veel mensen een heel moeilijk concept. We kunnen hier enkel een beperkte analyse maken van de vragen die concept gehoorzaamheid oproept.

De angst en het trauma van de oorlog mogen zeer bijgedragen hebben aan de vernietigende gehoorzaamheid die tijdens de Neurenbergse processen zichtbaar is geworden. Toch suggereren experimenten van Stanley Milgram dat de oorzaken veel dieper liggen. Zijn experimenten zetten de kracht in het volle licht die het gezag uitoefent op de meeste mensen in onze maatschappij, zelfs wanneer dat gezag instructies geeft die, als ze uitgevoerd worden, ervoor zouden zorgen dat een ander pijn wordt aangedaan. (27) De opzet van de experimenten was verre van koosjer en om die reden zijn ze ernstig gekritiseerd; ze identificeerden gezag met gezagsmisbruik. (28) Toch stellen deze experimenten kritische onderwerpen aan de orde. Vrijwilligers werd gevraagd om een verbale associatieproef af te nemen met een 'leerling', een toneelspeler die in staat was om te reageren alsof hij pijn leed. De 'leerling' had draden aan zijn lijf verbonden, waarbij de vrijwilliger geloofde, dat hij een schok zou krijgen steeds wanneer de vrijwilliger op een knop drukte. De vrijwilliger werd opgedragen steeds een schok toe te dienen als de 'leerling' een verkeerd antwoord gaf en de ernst van de schok iedere keer op te voeren. De resultaten toonden aan dat, op bevel van een gezaghebbend figuur, de meeste mensen bereid waren pijn to te brengen aan een ander menselijk wezen, ook al wees hun commentaar erop dat zulk gedrag niet strookte met hun basale morele principes.

Slechts weinig mensen weigerden resoluut om een schok toe te dienen. Klaarblijkelijk kent men weinig verantwoordelijkheidsgevoel voor het goede of andere karakter van de daden, maar heeft men eerder een gevoel van verantwoording aan het gezag. Dit gedrag wordt gebruikelijkerwijs geassocieerd met termen als loyaliteit, plicht, discipline. (29) Ongehoorzaam zijn was moeilijk. Milgram trok de conclusie dat de weg naar ongehoorzaamheid 'een moeilijk pad is, dat slechts een minderheid van de mensen tot het eind kunnen volgen… De daad van ongehoorzaam zijn verlangt het mobiliseren van innerlijke vermogens en vooronderstelt ook, dat die vermogens hoger ontwikkeld zijn in de richting van de beoogde actie dan het niveau van innerlijke betrokkenheid, hoger dan louter beschaafde wisseling van woorden. Maar de psychische impact is aanzienlijk.' (30) Hier zijn twee waarnemingen zeer belangrijk. Eerstens de macht die autoriteiten, inclusief het gezag van de kerk, hebben, wanneer zij gehoorzaamheid vragen. Tweedes de grote moeite die leden van de kerk waarschijnlijk hebben om ongehoorzaamheid als reële optie te zien.

Als het zo is, dat wij sterk geconditioneerd zijn om autoriteiten te gehoorzamen, of ze nu goede of slechte bedoelingen hebben, dan is een onderzoek geboden naar de rol die de christelijke nadruk op gehoorzaamheid heeft gespeeld. In het Nieuwe Testament heeft Paulus strikte opdrachten gegeven om te gehoorzamen, opdrachten die de kerk zoveel eeuwen lang heeft gedefinieerd als onderdeel van het niet veranderende en onveranderlijke woord van God. Deze opdrachten hebben verschrikkelijke gevolgen gehad voor vrouwen, kinderen, slaven, en alle mensen die onder gezag zijn gesteld. Honderden jaren lang hebben vrouwen geleefd onder 'goddelijk gezag' dat hen opdroeg hun man in alles te gehoorzamen. Onderrichtingen van pausen zoals die van Pius XI in zijn encycliek 'Casti Connubii' (1931) legden er een zware nadruk op. Gehoorzaamheid maakte deel uit van de kernwoorden van de huwelijksgeloften, waarin vrouwen hun man beloofden om hem te gehoorzamen - en dat was niet wederkerig. De onuitgesproken ellende van ontelbare levens komt pas hedentendage echt aan de oppervlakte. En al zijn, onder invloed van de feministische beweging, de trouwgelofte veranderd, dan nog worden teksten als Efesiers 5,21-32 en Colossenzen 3,12-21 in de liturgie gebeden en gepredikt als woord van God, teksten die onderwerping van vrouwen en kinderen eisen. (31) Bovendien hebben generaties kinderen, vooral meisjes, het geloof ingeprent gekregen, dat goed zijn gelijk is aan gehoorzaam zijn. (32)

Boven op het gebruik van Paulijnse teksten is ook de christelijke trinitaire theologie gebruikt om onderschikking en gehoorzaamheid te onderrichten. Het normstellende beeld van God, waarvan de wortels terug gaan naar Ignatius van Antiochië, is dat van een Koninklijke Vader-God met een ondergeschikte en gehoorzame Zoon. Het Arianisme is dan wel officieel verslagen door de Cappadociërs, dit christologische model is men wel blijven gebruiken om te stipuleren, dat onderschikking en gehoorzaamheid aan autoriteiten wezenlijk bij het christendom hoort. Het gaat hier om het christologische model gebaseerd op het denken van Paulus en Johannes over Christus als gehoorzame Zoon van de vader. Een dergelijke trinitaire theologie is eeuwenlang gebruikt om de onderschikking van vrouwen te rechtvaardigen, door eraan vast te houden 'dat de man in relatie tot de vrouw staat zoals God de Vader tot God de Zoon, evenwaardig in waardigheid, maar als Initiatiefnemer tegenover de Beantwoorder. De vrouw die een positie bekleedt die analoog is aan de Tweede Persoon van de Heilige Drie-eenheid, wordt op die manier gekarakteriseerd vanuit haar beantwoorden, onderwerping, gehoorzaamheid.'(33)

Bovendien heeft deze theologie van de koning-God ruimte geboden aan de schepping van de verknipte theologieen van de genoegdoening, met een tirannieke vader-koning die de verschrikkelijke dood van zijn gehoorzame zoon eiste, alvorens deze kon worden verzoend met de mensheid. In deze genoegdoeningstheologie, is de dood van Christus niet alleen een dood die gewild is door de Vader, maar is het een dood, gepaard aan groot lijden, die wordt verlangd door een juridische en autoritaire Vader. Als gevolg daarvan wordt het beeld van de perfecte christen er een van een mens die alles uitvoert wat De Vader (De Autoriteit) opdraagt, ongeacht het lijden dat daar het gevolg van is. Het is het beeld van een God die, zoals Abraham, de wil heeft om zijn 'geliefde zoon' te doden, een autoritaire God, die bevelen geeft, zelfs doodsbevelen.

Wanneer kerkelijke autoriteiten het gezag van deze God aanvaarden, dan stelt zich de vraag in hoeverre beelden van een god-koning die onderdanen regeert en een vader-god die de dood van zijn zoon eist, in hoeverre deze beelden de manier hebben beïnvloed waarop die autoriteiten hun gezag uitoefenen? De maatschappij begint er nu pas achter te komen wat de gevolgen zijn van het geweld en het misbruik dat door de clerus is gepleegd. En evenzeer door leraren, echtgenoten ouders; allemaal vanuit het geloof dat ze het door God gegeven recht hadden - zelfs de plicht - om bevelen te geven. Kerkelijke autoriteiten moeten publiekelijk het verschrikkelijke kwaad erkennen dat gepleegd is en dat nog altijd wordt gepleegd, door autoriteiten, inclusief kerkelijke autoriteiten, die gehoorzaamheid eisen en Bijbelteksten en theologie gebruiken om dit te ondersteunen. Noch Schrift, noch autoriteiten kunnen blindelings worden gehoorzaamd. Het kan best verstandig zijn kleine kinderen te leren hun ouders te gehoorzamen, maar ze moeten ook leren dat aan sommige opdrachten geen gehoor gegeven mag worden.

Dorothé Sölle heeft de prangende vragen gesteld. Eerst in 1970: 'Is het echt mogelijk, in de werkelijkheid van het dagelijks leven, om onderscheid te maken tussen de gehoorzaamheid die we God verschuldigd zijn en die gehoorzaamheid aan mensen die we kunnen weigeren en met goede reden zouden moeten weigeren? (34) Vervolgens daagde ze, in 1984, iedereen uit die nog geloofde dat gehoorzaamheid het essentiële antwoord blijft aan God, ook al zou deze niet meer kunnen worden aanvaard als het primaire antwoord aan aardse autoriteiten. En dan meteen ook de nog moeilijkere vraag: 'Kan iemand tegenover God een houding wensen en ontwikkelen die hij of zij kritiseert als het om mensen gaat in hun houding tegenover andere mensen en menselijke instellingen'? (35)

Een gezonde kerk heeft afwijkende meningen en ongehoorzaamheid nodig:

Een autoritaire nadruk op gehoorzaamheid lijkt gebaseerd op een antropologie waarin menselijke wezens voornamelijk gezien worden als individuen met een machtswil die beteugeld moet worden. Daardoor wordt trots een zonde die mensen voortdurend parten speelt en wordt gehoorzaamheid de weg naar deugdzaamheid. Gehoorzaamheid, zelfontkenning en een ethiek van zelfopoffering krijgen een centrale plaats in de menselijke waardigheid. En toch schreef Valerie Saiving meer dan 30 jaar geleden al dat zelfopoffering alleen maar zinvol is als er een zelf is om op te offeren. (36) Feministische en bevrijdingstheologen hebben er de vinger op gelegd dat een gebrek aan zelfgevoel eerder dan trots vandaag de dag wereldwijd noodlottig is voor de meeste arme vrouwen en mannen. Een meer humanitaire religie 'zou zelfrealisatie een deugd maken en het weerstand bieden aan groei een doodzonde.'(37)

Diegenen die vandaag de religieuze waarde van het woord gehoorzaamheid trachten veilig te stellen, kunnen er niet omheen de betekenis ervan te reconstrueren. Dat is het prijskaartje dat daaraan hangt. Ze gaan terug naar de Latijnse oorsprong van het woord, naar 'horen'. Ze stellen vast dat gehoorzaamheid 'horen' betekent. Ze raadplegen elkaar, wijden er beschouwingen aan en vervolgens komen ze misschien tot een gemeenschappelijk besluit omtrent wat het best is voor de gemeenschap. Bijvoorbeeld vor Schmitz:

Gehoorzaamheid is luisteren naar de roep van God in onze eigen harten: het is de innerlijke autoriteit van onszelf volgen, zoals die wordt gevoeld, uitgedrukt en geopenbaard in de gemeenschap… Christus gehoorzamen, mijn bisschop gehoorzamen, God gehoorzamen - ze wortelen allemaal in het trouw zijn aan wie ik ben in het beeld van God. (38)

Of Joan Chittister, voor wie echte gehoorzaamheid altijd klaar staat om te dienen, maar wel onafhankelijk van en kritisch tegenover elke structuur die er kritiekloos een claim op legt. (39) Andere geleerden proberen het probleem te omzeilen door te spreken over gehoorzaamheid die op inzicht berust of 'radicale' gehoorzaamheid, maar bewust inzicht en radicaliteit laten ruimte voor spontaneïteit en die kan het concept gehoorzaamheid niet langer omarmen. (40) Wij kunnen niet, zoals Alice in Wonderland, spelen met de betekenis van woorden. Het woord heeft een duidelijke betekenis en het is eenvoudigweg niet 'besluiten nemen in gemeenschap' of een 'kritische keuze van actie' of 'gewetensvolle oordeelkundigheid'. De betekenis is, zoals eerder al aangehaald, onderworpen zijn aan de wil van een hoger geplaatste, doen wat iemand is opgedragen'. Misschien zouden we beter kunnen toegeven dat hetgeen waarover auteurs als Schmitz en Chittister discussiëren niet gehoorzaamheid is, maar eerder kritisch, volwassen besluiten nemen of vrijelijk verkozen dienstbaarheid en dat zulke responses van hogere waarde zijn dan die van gehoorzaamheid.

Ik beweer dan dat kerkelijke autoriteiten niet alleen kritiek moeten horen op hun regelgeving, zoals die over de wijding van vrouwen, ze moeten ook vraagtekens plaatsen bij fundamentele aannames over de deugd van gehoorzaamheid. Omwille van de gezondheid van zowel de kerk als de theologische gemeenschap is het noodzakelijk vragen te stellen bij de theologische fundering van besluiten die door het gezag van de katholieke kerk zijn genomen. Dit is door Kennedy helder beargumenteerd. (41) De vooronderstelling op de korrel nemen dat gehoorzaamheid (of het nu is aan God of aan uitspraken van de kerk) fundamenteel deel uitmaakt van christelijke identiteit, is al even onontbeerlijk voor de gezondheid van onze kerk. Bovendien is dat duidelijk in harmonie met onze Schriftuurlijke traditie

In de joodse geschriften vinden we de verhalen over publieke helden van het Joodse Volk, zoals de gehoorzame Abraham, zij aan zij met enkele korte verhalen over ongehoorzame vrouwen, zoals de vroedvrouwen Sifra en Pua (Ex 1 en 2) en dat van koningin Wasti. (Esther 1,12)

Daar komt nog bij dat Israëls profeten zich keer op keer uitspraken tegen het heersende gezag. Ze verhieven hun stem tegen de koning die misbruik maakte van zijn machtsmonopolie en tegen het misbruik door priesters van het monopolie op het heilige. Toen onder Salomon de tempel de plek werd van Gods heiligheid en de priesters de bewakers, de behoeders en uiteindelijk de poortwachters werden van de heiligheid, waren het de priesters die uitmaakten wie toegang had, zoals de kerkelijke autoriteiten tegenwoordig bepalen wie toegang heeft tot het priesterschap. (42) Uiteindelijk bleken noch het koningschap noch de priesters zonder eigenbelang met macht om te kunnen gaan. Vandaar dat de priesters, evenzeer als het de koningen, het mikpunt werden van kritiek door de profeten vanwege het machtsmisbruik en het gebrek aan mededogen (e.g., Micha 6:2-8; Hosea 6:6; Amos 4:1-5; Jer 23:1). Voor autoriteiten is het pure noodzaak dat ze kritisch bevraagd worden.

Jezus zelf was de grote profeet van de afwijkende mening, de grote uitdager van het heersende gezag. Hij doorbrak het taboe van vrouw en seksualiteit en dat van de (on-)reinheid van vrouwen (Mt 9:18-22; Mk 5:25-34; Lk 8:43-48); ging theologische discussies aan met een vrouw (Joh 4:1-42); deelde de tafel met verschoppelingen (Mt 9:10). Hij lichtte niet de hand met de Wet, maar legde er wel nadruk op dat zelfs religieuze wetten er waren tot heil van de mensheid. Hij was daarom bereid de heiliging van de sabbat te doorbreken als dat nodig was (Mt 15:1-10; Mk 12:38-40). Hij krenkte mensen en bracht ze in verlegenheid door de manier waarop hij omging met de regels over reinheid, vasten en de sabbat en leverde radicale kritiek op veel traditionele godsdienstige praktijken. Tijdens zijn leven heeft hij geen groepering van leerlingen gesticht om het koninkrijk van God te beheren, maar riep de mensen op Hem te volgen en anderen uit te nodigen voor dezelfde reis (43) Bij de uiteindelijke zendingsopdracht aan ons na de verrijzenis - zoals we die vinden in het evangelie van Mattheus - worden de leerlingen uitgezonden om te onderrichten wat ze geleerd hebben. Welnu, de reactie op onderrichten is niet gehoorzamen; we mogen hopen dat dat leren is.

Van gehoorzame leken tot van Geest vervuld Volk van God

Als we er van afzien om gehoorzaamheid als eerste van alle deugden te zien, zouden we de drie-eenheid van God kunnen her-bevestigen, zouden we opnieuw de nadruk kunnen leggen op de van Geest vervulde Christus van de Synoptici en zouden we een van Geest vervulde kerk nieuw leven kunnen inblazen.

De God van Jezus Christus, die alle machtsstructuren uitdaagt, raakt uit beeld door de aanwezigheid van machtige autoritaire structuren die onderwerping en gehoorzaamheid eisen. Een hernieuwde nadruk op een theologie van de Drie-eenheid, met God die opnieuw gekend wordt als (drie) gelijke en liefhebbende personen die tot elkaar in relatie staan, die hernieuwde nadruk zou het niet alleen mogelijk maken dat wij God als liefde aanroepen, maar zou het ook mogelijk maken dat de drie-eenheid model staat voor 'een gemeenschap vrij van overheersing'(44), dus waarin alle (personen) zowel geven als nemen. Hoe kan een christelijke gemeenschap die zich erop laat voorstaan het beeld te zijn van deze drie-ene God, kerken en gemeenschappen stichten van ongelijke mensen, van overheersing en beheersing? Als de kerk werkelijk een Drie-eenheid zou vereren van gelijke personen die in een relatie van liefde met elkaar zijn verbonden, zou zij dan een gelaagde kerk in het leven kunnen roepen, opgelegd door een hiërarchie die profetische kritiek monddood maakt?

Als we afzien van de nadruk op Jezus als de gehoorzame Christus, zou de wederopstanding mogelijk worden van een Geest-christologie, welke Jezus viert als een voluit levende, goddelijk, omdat hij als mens vervuld was van de Geest van God. Wanneer we Jezus zien als de Christus wiens Geest alle mensen de macht geeft, niet om te overheersen maar om hen tot leven te wekken, zouden we een kerk kunnen scheppen van mensen die in gemeenschap leven, eerder dan een hiërarchische kerk waarin enkelen over velen macht uitoefenen.

Mensen die voelen dat de aanwezigheid van de heilige Geest hun de macht geeft om de officiële kerk uit te dagen werden door Karl Rahner aangespoord om zeer moedig te zijn en te aanvaarden dat de Geest hen gaven en verantwoordelijkheden zou kunnen toebedelen omwille van de hele kerk. Hij riep hen op ermee op te houden zich te verbergen achter een comfortabele gehoorzaamheid en zich stoutmoedig uit te spreken voor wat zij als waarachtig beschouwen: 'Want dit kan de waarheid zijn van de Geest van God.' (45)

De Geest des Heren verlangt niet minder dan dat. Dit is geen gehoorzamen aan specifieke geboden; het is trouw aan de Geest van God in ons midden. Deze trouw is het waartoe God ons oproept, om volledig onszelf te zijn. Om dit te bereiken, moeten we luisteren naar heel wat meer in het leven dan gehoorzaamheid aan autoriteiten. We moeten luisteren naar de Geest. We moeten luisteren naar het leven. We moeten luisteren naar elkaar.

Vertaling: Ben Bongaards

Verwijzingen

1. Als leider van een groep die de wijding van vrouwen bevecht, heb ik een aantal (meestal anonieme) brieven gekregen waarin we werden beticht van ongehoorzaamheid. De schrijvers lijken het onnodig te vinden dat ze zelf nadenken over de redenen die wij hebben voor ons standpunt. Het is nogal simpel om ons te vertellen dat we ongehoorzaam zijn: ze willen eigenlijk zeggen dat we het toppunt zijn van kwaadaardigheid.

2. Gerhard Kittel‘akouw, akoh, eiz-, ep-, parakouw, parakoh, upakouw, upakoh, uphkooz’in Kittel G W.B. ed., Theologisch woordenboek van het Nieuwe Testament, volume 1(Grand Rapids Michigan: Eerdmans Publishing Co, 1965) 216-225; p 218.

3. Het Engelse woord ‘obedience’ komt uit het Latijn, Ob = naar ... toe, tegen, op de richting van; audire = horen. De Griekse woorden die als ‘gehoorzamen, gehoorzaamheid, gehoorzaam’ worden vertaald (obey, obedience, obedient in Engelse vertalingen als de NRSV (New Revised Standard Version)), zijn ook gebaseerd op ‘horen’. Dus, akoh, in Rom 10:16, Heb 4:2 and Jn 12:38; eisakouw voor verhoorde gebeden, in Lk 1:13, Mt 6:7; Ac 10:31, Heb 4:7; and epakouw in 2 Cor 6:2 voor het luisteren van God. Vergelijkbaar wordt upakou..in Ef 6,1-5, Col 3,:20 en 22; 1 Pet 3,6 gebruikt voor kinderen of vrouwen of slaven die hun vader, echtgenoot of meerster gehoorzamen en zo is ook het verwante upakoozin Filipenzen gebruikt om de gehoorzame Jezus aan te duiden, en door Paulus om hen aan te duiden die hem moeten gehoorzamenpeiqarcew is also translated in English as obedience, and derivatives are used by Paul in Gal 5:7 ‘obeying the truth’, by the author of Titus in describing obedience to state authority, and in Acts 5:29 ‘we must obey God rather than any human authority’.

4. Walter Brüggemann, Interpretation and Obedience: From faithful reading to Faithful Living (Minneapolis: Fortress Press, 1991), p 145.

5. Jon D. Levenson, The Death and Resurrection of the Beloved Son. The transformation of Child Sacrifice in Judaism and Christianity (New Haven and London:Yale University Press, 1993), p 105.

6. Ibid. p 362. Levinson onderzoekt de analyse van Wather Eichrodt die de tekst zo interpreteert dat zij Abraham duidelijk maakt dat van nu af aan God niet meer het doden van de eerstgeboren zoon toestaat. Zulk een gebod moet begrepen worden als een gruwelijke pervertering van de godsdienst (NB Eichrodt verwijst naar de eerstgeborene en commentatoren zien over het hoofd dat Isaac niet de eerstgeborene maar de lievelingszoon is en dat Abraham al Ismaël had geofferd). Zie ook: Marsha Wilfong, ‘Genesis 22, 1-18’ Interpretation 45 (1991) pp 393-397.

7. Ibid., p 396.

8. Levenson, The Death and Resurrection of the Beloved Son, pp 125-142.

9. Ibid., p 126.

10. Richard N. Longenecker, ‘The Obedience of Christ in the Theology of the Early Church,’ in R.T. Banks (ed.), Reconciliation and Hope. New Testament essays on Atonement and Eschatology Presented to L. L. Morris on his 60th birthday (Grand Rapids Michigan: W B Eerdmans Publishing Company, 1974), pp 142-152 at p 142.

11. Walter Kasper, Jesus The Christ (London: Burns and Oates, 1976), p 166 (hier leg ik de nadruk).

12. Zie bijvoorbeeld Brendan Byrne SJ, ‘The Letter to the Philippians’ in R. E. Brown, J. A. Fitzmyer en R. E. Murphy (uitgevers), The New Jerome Biblical Commentary (London: Geoffrey Chapman, 1990), p 795; Edward Schillebeeckx, Christ: The Experience of Jesus as Lord (New York: Crossroad, 1989), pp 169-177.

13. Men kan zich afvragen hoe christelijke slaven hiernaar geluisterd hebben. Bracht het hoop op bevrijding door Christus? Of leidde de gebruikelijke acceptatie van slavernij onder christenen noodzakelijkerwijs tot de conclusie, dat Jezus vrije keuze voor slavernij hem op een of andere manier onderscheidde van die slaven zelf die geen keuze hadden? Dit punt is zorgvuldig overdacht door Sheila Briggs in haar essay ‘Can an Enslaved God liberate? (Kan een tot slaaf gemaakte God bevrijden?) hermeneutic reflections on Philippians 2:6-11,’ Semeia 47 (1989), pp 137-153.

14. Kittel, Theological Dictionary, 220.

15. Catherine Mowry LaCugna, God For Us. The Trinity and Christian Life. (HarperSanFrancisco, 1991), p 23.

16. Ibid., p 24.

17. Geciteerd in Catherine Mowry LaCugna, ‘God in Communion with Us’ in LaCugna (ed.), Freeing Theology: The Essentials of Theology in Feminist Perspective (New York: HarperCollins, 1993), pp 83-114 at p 87.

18. Longenecker, ‘The obedience of Christ in the Theology of the Early Church,’ p 151.

19. LaCugna, ‘God in Communion with Us,’ p 87.

20. Ibid., p 93.

21. Zie bijvoorbeeld Leo, Serm. LXXXII.1-3 waarin hij spreekt over het ‘hoofd van de wereld zijn’. Gedrukt in Creeds, Councils and controversies. Documents illustrating the history of the Church AD 337-461, (uitgever) J Stevenson, herzien en voorzien van toegevoegde documenten door W. H. C. Frend (London: SPCK 1991), p 327. SPCK = Society for Promoting Christian Knowledge)

22. Anthony C. Meisel & M. L. del Mastro, The Rule of St Benedict, (Garden City New York: Image Books, Doubleday and Company Inc, 1975), at pp 54, 55.

23. Ladislas Orsy S.J., Open to the Spirit: Religious Life after Vatican II (London: Geoffrey Chapman 1968), p 132.

24. Francis J Moloney SBD, A Life of Promise, Poverty Chastity Obedience (Homebush: St Paul Publications, 1985), p 119.

25. Ibid., p 133.

26. Gregory Dix, The Shape of the Liturgy (Westminster: Dacre Press, 1943), p 556. Ook Eucharistisch Gebed I.

27. Stanley Milgram, Obedience to Authority (New York: Harper Colophon Books, 1974).

28. E. D. Watt, Authority (London and Canberra: Croom Helm, 1982), pp 22-25.

29. Milgram, Obedience to Authority, p 146.

30. Ibid., p 163.

31. Marie Louise Uhr, ‘The Portrayal of Women in the Lectionary,’ St Mark’s Review 135 (1988), pp 22-5.

32. Voor een kind op een Australische meisjesschool was goed zijn hetzelfde als gehoorzaam zijn; gehoorzaam, oplettend en beleefd waren woorden waarmee uitstekend gedrag werd uitgedrukt. We wisten dat goed zijn hetzelfde was als doen wat er gezegd werd. Ter vergelijking: een rapportkaart van een tweedegraads Studente op een kloosterschool in de VS begon in 1959 met een beoordeling van ‘Burgerschap, karakter en gezondheid, een lijst van zeven prestatie-indicatoren (in het jargon van de negentiger jaren) waarvan de allereerste was: ‘gehoorzaamheid’. Een studente kreeg een punt voor haar gedrag in elk van de zeven gebieden. Onder ‘gehoorzaamheid’ kreeg de jonge studente een punt al naar gelang ze al dan niet op een plezierige manier de regels en voorschriften gehoorzaamde, zowel van de kerk als van de school; of ze op de juiste tijd op de juiste plek is; of ze bereidwillig is om te werken, of ze haar werk op tijd klaar krijgt’ (P. Ezekiel-Moor, persoonlijke communicatie). Moed en Volharding stonden aanmerkelijk lager op de lijst dan Gehoorzaamheid.

33. Geciteeerd in LaCugna, God for Us, pp268-9.

34. Dorothee Soelle, Beyond Mere Obedience (New York: Pilgrim press, 1982), (trans.) Lawrence W.Denef, p.20.

35. Dorothee Soelle, The Strength of the Weak: Toward a Christian Feminist Identity (Philadelphia: The Westminster Press, 1984), p 109.

36. Valerie Saiving ‘The Human Situation: A Feminine view’ in C.P.Christ & J.Plaskow (uitgevers), Womanspirit Rising (San Francisco: Harper & Row, 1979), pp 25-42.

37. Soelle The Strength of the Weak 110.

38. Barbara Schmitz, ‘A Feminist reworking of Obedience,’ Daughters of Sarah 17 (1991), p 22.

39. Joan Chittister, osb, The fire in these ashes. A Spirituality of contemporary religious life (Kansas City: Sheed & Ward, 1995), p 129.

40. Soelle, Beyond Mere Obedience, p 63.

41. Philip Kennedy, ‘Catholic Theologians and the Ordination of Women,’ The Allen review 15 (1996), pp 9-14.

42. Brueggemann, Interpretation and Obedience, p 187.

43. Moloney, A Life of Promise, p 160.

44. Jürgen Moltmann, The Trinity and the Kingdom of God, (London: SCM Press, 1981), p 202.

45. Karl Rahner in Geffrey B Kelly (uitgever), Karl Rahner, theologian of the graced search for meaning (Minneapolis: Fortress Press, 1992), p 249.



This website is maintained by the Wijngaards Institute for Catholic Research.

John Wijngaards Catholic Research

since 11 Jan 2014 . . .

John Wijngaards Catholic Research

Please, credit this document
as published by www.womenpriests.org!