OOK VROUWEN PRIESTER? JAZEKER!header

Responsive image

BEGIN

REDEN GENOEG

TEGEN DE PAUS?

DEBAT

MENU

Nederlands/Vlaams Deutsch Francais English language Spanish language Portuguese language Catalan Chinese Czech Malayalam Finnish Igbo
Japanese Korean Romanian Malay language Norwegian Swedish Polish Swahili Chichewa Tagalog Urdu
------------------------------------------------------------------------------------
Vrijheid van spreken in de Kerk

"I would want to be a priest"

Vrijheid van spreken in de Kerk

door Alain Woodrow

Uit The Tablet, 30 juni 1998, pag. 841 - 843.

Overgenomen van het Internet met permissie van The Tablet. Adres: 1 King Street Cloisters, Clifton Walk, London W6 0QZ UK. Tel: 44-20-8748 8484; fax: 44-20-8748 1550; email: thetablet@the tablet.co.uk.

Het Tweede Vaticaans Concilie erkende dat leken in de Kerk mee zouden moeten kunnen spreken al naargelang hun bevoegdheid. Op een onlangs in Parijs gehouden conferentie bleek dat dit niet gebeurt. De correspondent in Parijs van The Tablet woonde de conferentie bij en zette er de Tien Geboden van de journalist uiteen.

Het Dominicanenklooster Sainte Marie de la Tourette in l’Arbresle, bij Lyon, beroemd om de controversiële architectuur, ontworpen door Le Corbusier, was in de vroege vijftiger jaren bedoeld als huisvesting voor 100 novicen. Vandaag de dag wonen er permanent niet meer dan 17 broeders, waarvan de meeste de 40 ruim gepasseerd zijn. In plaats van het gebouw te verkopen, waar men eerst veel voor voelde, besloten de Dominicanen het open te stellen voor de hedendaagse maatschappij. Vier studiecentra (Centre Thomas More, Centre Albert le Grand, Espace Barthélémy de Las Casas en Espace Spiritual) trekken jaarlijks honderden deelnemers (3,200 buitenlandse architecten bezochten La Tourette alleen al in 1994) en dit opvallende voorbeeld van moderne religieuze architectuur kan weer vele jaren mee.

"Vrijheid van spreken in de Kerk" was het thema dat men had gekozen voor een van de sessies, die vorige maand zijn georganiseerd door het Albert the Great Centrum. De drie voornaamste sprekers zouden zijn: Bisschop Jacques Gaillot, voormalig bisschop van Evreux; Christian Duquoc OP, een Franse theoloog, en Daniel Cadrin OP, de Canadese assistent van Fr Timothy Radcliffe, de Engelse Algemene Overste van de Dominicanen in Rome.

Duquoc gaf twee indrukwekkende lezingen vanuit theologisch en historisch oogpunt. Hij zette uiteen hoe het groeiende conflict tussen het centrum (Rome) en de periferie (de lokale Kerken) verscherpt wordt door de heersende cultuur in de Westerse maatschappij, waar gezag gezien wordt als een belemmering voor de vrijheid, en de overheersende denktrant niet meer gelooft in "absolute" waarheid.

Het beletsel voor vrije meningsuiting komt volgens Duquoc voort uit het bureaucratisch functioneren van het Romeins gezag, waarvan het belangrijkste doel is zelfhandhaving van het systeem. De lokale hiërarchieën en synodes dienen niet meer als bemiddelaar tussen de Romeinse Curie en individuele christenen. Minderheden worden genegeerd en de lekengelovigen, die vurig gehoopt hadden dat het Tweede Vaticaans Concilie een meer democratische wijze van gezagsuitoefening zou brengen, bemerken nu dat zij totaal zijn uitgesloten van alle beslissingen op het gebied van geloof, discipline of pastorale zaken.

Fr Duquoc maakte duidelijk dat de "conciliaire omwenteling" meer lijkt op een mythe dan op realiteit. De verwachting was dat de Katholieke Kerk haar deuren zou openen voor de moderne wereld, voor de andere christelijke Kerken, voor andere religies, voor een pluriformiteit van Derde Wereld theologieën, en een nieuw tijdperk van vrijheid zou inluiden. De hard werkelijkheid is de stabiliteit van de Kerk als institutie en terugkeer naar een gecentraliseerd bestuurssysteem dat alles voor het zeggen heeft. De schuldige is Vaticanum II zelf, zo opperde Duquoc, want het bood de nieuwe visie op de Kerk als ‘volk van God’ maar verschafte de middelen niet om de visie te realiseren of het instituut te hervormen. "Het Concilie deed niets anders dan zijn nieuwe wijn schenken in oude zakken", zo luidde het wrange commentaar van Duquoc, "en we hebben gezien wat ervan terecht is gekomen."

Dat is niets nieuws, voegde hij eraan toe. De hele geschiedenis door hadden we de ene keer autoritaire en de andere keer liberale pausen. In 1075 bijvoorbeeld beweerde Paus Gregorius VII dat hij de absolute macht had , zowel op tijdelijk als op geestelijk gebied, en dat alleen een paus een vorst kon afzetten of een bisschop. Maar dit proces van centraliseren is versneld door het feit van de alomtegenwoordigheid van de paus (dankzij de televisie), de persoonlijkheidscultus van charismatisch, universeel leider, zijn alleenrecht om bisschoppen te benoemen, de toename van het aantal documenten uit Rome (pauselijke encyclieken dateren van de zestiende eeuw) en de buitensporige rol die werd toegekend aan Kardinaal Ratzinger, de prefect van de Congregatie voor de Voortplanting van het Geloof. De fout ligt vaak evenzeer bij de periferie als bij het centrum: als Rome zo vaak tussenbeide komt, is dat doordat lokale Kerken een bemiddelaar hebben gezocht voor hun onenigheden. Het gevolg is dat ze een bureaucratisch bestuur hebben van "experts", waarbij de lokale hiërarchieën louter en alleen dienen als doorgeefluik van de officiële leer van het centraal gezag.

Deze tendens staat in scherpe tegenstelling tot de cultuur van de westerse democratieën. Hier is gewetensvrijheid het ultieme goed, dat beschermd dient te worden door een staat waarvan de wetten zijn bepaald om de individuele vrijheid te waarborgen (mijn vrijheid eindigt waar die van jou begint), en die, in tegenstelling tot de nazistische of communistische ideologieën, weigert een ultieme "betekenis" toe te kennen aan het leven. Westerse democratieën geven geen antwoord op existentiële vragen (Wie ben ik? Wat moet ik doen?) zij verschaffen slechts een klimaat van tolerantie (voor hen de opperste deugd) voor de vrije uitoefening van de privé opvattingen van hun burgers.

Het hedendaagse denken kent twee verschillende manieren: een wetenschappelijke (de aarde draait om de zon), die heel streng is en geen tegenspraak duldt, en een vrije, subjectieve wijze, waar alles, filosofie, politiek, economie, moraal bevraagd mag worden. Alles is "waarschijnlijk" maar niet zeker, en daarom open voor discussie. Het geloof zelf is een van de vele meningen. Deze situatie is onbevredigend voor een Kerk die "getuigt van een woord dat gesproken is door een Ander", een zekere Jezus, die gezegd heeft "Ik ben de Weg, de Waarheid en het Leven". De Kerk verbiedt haar leden hun eigen geloof te bepalen in een democratisch debat dat een open einde heeft.

De tweede spreker, Fr Daniel Cadrin, betoogde dat het goed zou zijn als wij terugkeerden naar groter evenwichtigheid tussen de drie "stemmen van de kerk", omschreven door Kardinaal Newman: die van de leiding (traditie), die van de theologie (de rede) en die van de pastorale ervaring (de leken). "We zijn getuige van een verbale inflatie van de eerste stem, die van de Curie, die zich het gezag heeft aangematigd", zei Cadrin. "De tweede stem, die van de theologen, wordt te vaak het zwijgen opgelegd, terwijl zij vrijheid van onderzoek zouden moeten hebben en pluralisme op het gebied van de leer. De derde stem, die van de leken, heeft geen erkend forum waarin zij hun mening kunnen geven. De beloften van Vaticanum II zijn niet vervuld."

Op zijn reizen door de wereld als assistent van de Algemene Overste van de Dominicanen, heeft Fr Cadrin de Kerk aan het werk gezien op een aantal nieuwe manieren, van basisgemeenschappen en experimentele groepen tot pastorale raden en vrouwelijke bedieningen. "De Kerk is van een situatie waarin mannelijke clerici het voor het zeggen hadden overgegaan naar een waarin veel basisstructuren worden geleid door mannelijke en vrouwelijke leken", aldus Fr. Cadrin, die vervolgens een Canadese parochie beschreef die geleid wordt door een vrouw die preekt en doopt.

Tenslotte beschreef hij verschillende modellen die men tegenwoordig in de Kerk bezig ziet. Daar waren de traditionele zichtbare gemeenschappen met een hiërarchisch bestuur, dat een machtsmonopolie had, en het bureaucratische systeem, gebaseerd op effectiviteit, profijt en het tellen van koppen, er waren ook sekteachtige gemeenschappen, spontaan ontstaan rond een charismatisch leider, vaak in conflict met de maatschappij: liberale, humanistische christelijke netwerken ten dienste van de maatschappij, en groepen die inwerkten op de maatschappij en voortdurend veranderden. "We moeten niet al te snel deze voorzichtige experimenten vastleggen in canonieke wetten", besloot Fr Cadrin, "maar ze zich vrijelijk laten ontwikkelen om de Katholieke Kerk de gelegenheid te geven te worden tot een meer democratisch instituut."

Bisschop Gaillot, die enkele weken tevoren had bevestigd dat hij zou deelnemen, besloot mee te gaan met de Greenpeace expeditie naar de Stille Zuidzee, aan boord van de Rainbow Warrior II, in protest tegen het besluit van President Jacques Chirac om kernproeven te hervatten in Mururoa. Halverwege de sessie faxte hij een boodschap vanaf de luchthaven van Roissy, ten noorden van Parijs: "Ben terug in Frankrijk, ben er morgen wel". De 100 deelnemers (tweemaal het gebruikelijke aantal) waarvan velen speciaal naar het symposium gekomen waren om de afgezette bisschop te horen, waren dolgelukkig, maar de volgende morgen werd hun hoop de bodem ingeslagen door een tweede laconiek bericht, "Sorry, maar ik kan niet komen, omdat ik voor de televisie moet optreden."

Bij afwezigheid van Bisschop Gaillot vroeg men mij op de laatste dag het gat te vullen en te spreken over mijn ervaring van 20 jaar "het vrije woord" in de Kerk als religieus correspondent van Le Monde. Ik opperde dat Gaillot’s "ontrouw" door zijn fascinatie voor de media, met mijn thema had te maken – een opmerking die zowel protestgejoel als uitbundige toejuichingen veroorzaakte – zette ik uiteen hoe ik een voortdurend – en verloren – strijd had gevoerd met de hiërarchie om de officiële Kerk duidelijk te maken dat de behoefte aan religieuze informatie precies hetzelfde behandeld diende te worden als ieder ander onderwerp in de landelijke "wereldlijke " pers. De bisschoppen beschouwen de media als een propagandakans, om "de boodschap te prediken", en ze zien de onafhankelijke journalist als een bedreiging, in het beste geval een welwillende bemoeial, in het slechtste een gevaarlijke vijand. Ik heb de ervaring die ik in mijn beroep heb opgedaan samengevat in mijn eigen "Tien geboden van de religieuze verslaggever".

1. Onafhankelijkheid. Religieuze journalisten spreken in de wereldlijke media niet voor het kerkelijk instituut en nog veel minder als "apostelen van de waarheid". Daar heeft de Kerk de eigen publicaties voor. Ze zijn zelfs geen neutrale bemiddelaars tussen de religies en hun publiek. Ze zijn onafhankelijke, professionele journalisten met een eigen verstand.

2. Competentie. Ze worden niet beoordeeld op hun strijdbaarheid of hun missie-ijver, maar op hun bekwaamheid op hun zelfgekozen terrein, evenals politieke of wetenschappelijke correspondenten op het hunne. Volgens bepaalde kerkmensen moet een religieus journalist lid van een Kerk zijn om die van binnenuit te begrijpen. Maar dit houdt in dat men communist moet zijn om te kunnen schrijven over de Communistische Partij, of Moonie om te kunnen schrijven over de sekte van de Moonies. En het andere uiterste: bepaalde kerkleiders zien liever journalisten die "theologisch analfabeet" zijn en eenvoudigweg de boodschap overbrengen zonder commentaar. Wat de hiërarchie nog het ergste vindt is een ontwikkelde en welbespraakte journalist (vaak een oud-seminarist of ex-priester) die zijn onderwerp kent. Men moet bekwaam zijn om kerkjargon en de cryptische taal van veel Romeinse teksten te vertalen in woorden die voor de gemiddelde lezer begrijpelijk zijn.

3. Openheid. Net als alle autoritaire en ondemocratische instellingen is de Kerk dol op geheimzinnigheid. Waar zij de deugd preekt en beweert een "volmaakte gemeenschap" te zijn, geeft zij niet graag haar fouten toe. Ze heeft eerst kortgeleden haar financiële verslagen gepubliceerd (daarvandaan de gevestigde mythe over de rijkdom van het Vaticaan) en ze versluiert nog steeds de werking van de Curie (de benoeming van bisschoppen, de geheime berechting van theologen). De journalist heeft de plicht deze taboes te doorbreken in het belang van de Kerk zelf. Zo werden bijvoorbeeld de recente verhalen over pedofiele priesters stilgehouden door de autoriteiten. In Frankrijk is een lange strijd om de Franse bisschoppen te overreden meer van hun jaarlijkse zittingen open te stellen voor de pers mislukt: zij zijn teruggekeerd tot hun voormalige praktijk om al hun bijeenkomsten privé te houden.

4. Waarheidsgetrouwheid. Het argument dat men aanvoert om geheimhouding te rechtvaardigen is dat de Kerk haar vuile was niet publiekelijk moet wassen. Maar dit houdt in dat het wasgoed helemaal niet gewassen wordt. Het is de plicht van de pers de waarheid te publiceren over een instituut dat zichzelf "een expert in humaniteit" noemt. Het wordt journalisten vaak verweten dat zij de nadruk leggen op de negatieve aspecten van de Kerk in plaats van haar lof te zingen. Maar het ligt in de aard van de media dat ze zich bezig houden met het buitengewone: met de bruggen die instorten, niet met bruggen die stand houden, met priesters die huwen, niet met degenen die trouw blijven aan hun geloften, met bisschoppen die vóór contraceptie zijn of voor de wijding van de vrouw, niet met degenen die het officiële standpunt huldigen. Wanneer journalisten een controversiële zinsnede plukken uit een preek, worden zij ervan beschuldigd "de waarheid te verdraaien" , mar een krant, die slechts beperkte ruimte meldt uiteraard de opmerking die eruit springt bij een tekst vol vrome gemeenplaatsen.

5. Vrijheid. "Het vrije woord" dat de journalist voor zich opeist - zowel wat betreft het kerkelijk instituut als de redacteur van de krant of de televisiebaas – is geen persoonlijk privilege maar een noodzakelijk middel om het werk te kunnen doen, namelijk het blootleggen van de waarheid, hoe onaangenaam ook ten opzichte van de een of andere pressiegroep, of die nu politiek is, financieel of religieus. De media vormen de ‘Vierde macht’, onmisbaar in elke democratie om tegenwicht te leveren tegen de misbruiken van de andere drie (uitvoerende, wetgevende en rechterlijke macht). We zouden niets hebben geweten van de verdachte financiële transacties van Bisschop Marcinkus of van de geheime macht van Opus Dei in het Vaticaan, als daar niet de vasthoudendheid was geweest van het journalistieke speurwerk.

6. Respect voor de media. Bepaalde kerkleiders, zoals Johannes Paulus II, Kardinaal Lustiger of Jacques Gaillot, hebben de massamedia leren hanteren zodat ze er het meeste voordeel van hadden, maar de meeste vertegenwoordigers van de Kerk hebben geen idee van de eisen en de restricties die de media opleggen. Het moet duidelijk zijn dat de televisie een vergrootglas is (en een glas dat vervormt), dat een nieuwsbulletin maar een paar seconden kan besteden aan een gegeven onderwerp. Dat mag dan jammer zijn, maar het is een van de spelregels. Toch produceren bisschoppen lange en gedetailleerde verklaringen die onbruikbaar zijn op televisie. Daarom zou het goed zijn dat bisschoppen en andere kerkleiders zouden leren hoe ze met de media moeten omgaan, en waarom de religieuze correspondent een noodzakelijke bemiddelaar is tussen de Kerk en de publieke opinie.

7. Eerlijkheid. Een journalist is noodzakelijkerwijze geconditioneerd door leeftijd, sekse, opvoeding, achtergrond, politieke en godsdienstige opinies. Men moet rekening houden met deze vooroordelen en die corrigeren. Eerlijkheid houdt in dat men een feit verifieert, een gebeurtenis plaats in zijn historische en geopolitieke context, dat men zoveel getuigen ondervraagt als mogelijk is. Wanneer men bijvoorbeeld een pauselijk document presenteert, dient men feit en commentaar gescheiden te houden. Het document moet eerlijk en feitelijk worden samengevat, en de persoonlijke analyse van de journalist apart worden aangeboden. "Feiten zijn heilig, commentaar is vrij" is een axioma dat vaak wordt aangehaald door de oprichter van Le Monde, Hubert BeuveMéry.

8.Billijkheid. Men moet zorgen dat alle christelijke kerken en andere religies aan bod komen. . In Frankrijk is de Islam met zijn drie miljoen leden, na de Katholieke Kerk die het toneel beheerst, de tweede grootste religie. Religieuze verslaggeving moet alle uitingen insluiten, van de nieuwe cultussen tot New Age, en mag de groeiende rol van de religie in vele van de huidige etnische conflicten niet vergeten.

9. Gelijke behandeling. Deze billijkheid tegenover alle religies moet ook getoond worden ten opzichte van allen die worden gemarginaliseerd en verworpen door de Kerk. Een onafhankelijke krant moet spreekbuis zijn van de machteloze en zwijgende leden van de maatschappij. Ze moet plaats vrijmaken voor de minderheidsgroepen in de Kerk, de protestbewegingen, de theoloog die het zwijgen kreeg opgelegd, de afgezette bisschop. Hoe meer de Katholieke Kerk een enkel geluid wil opleggen, des te meer moet de pers het vrije debat aanmoedigen.

10. Bescheidenheid. Een krant als Le Monde is een morele autoriteit die grote macht uitoefent in de maatschappij en in staat is mensen te maken en te breken. De bekoring is groot om deze macht onzorgvuldig te gebruiken en te gaan lijden aan zelfoverschatting. Religieuze journalisten vormen geen leergezag naast de Kerk. En daarom moet men weten wanneer men zich met een gracieuze buiging dient terug te trekken.

Alain Woodrow


This website is maintained by the Wijngaards Institute for Catholic Research.

John Wijngaards Catholic Research

since 11 Jan 2014 . . .

John Wijngaards Catholic Research

Vermeld a.u.b. dat dit documentontleend is aan www.womenpriests.org!