|
|
|---|
Als aangenomen kinderen van God zijn vrouwen net als
mannen beeld van Christus.
Het Woord van God verbindt beide seksen met elkaar, wanneer er sprake is
van gelijkenis met God: 'God heeft de mens geschapen naar zijn eigen beeld; hij
heeft hem geschapen naar het beeld van God; hij heeft hen geschapen als man en
vrouw' (Gen 2, 27). En Paulus zegt dat allen, mannen en vrouwen, zich hebben
bekleed met Christus (Gal 2, 27). Hij spreekt over alle christenen, wanneer hij
zegt: "Het is ons, die met onverhuld gelaat de glorie van de Heer als in een
spiegel aanschouwen gegeven om herschapen te worden tot een steeds heerlijker
gelijkenis met Hem, door de Geest van de Heer"(2 Kor 3, 18).
De reden hiervoor is, dat wij in en door Christus aangenomen kinderen
zijn geworden van God. "Aan degenen die Hem toch opnamen, heeft Hij (=
Christus) het vermogen gegeven kinderen te worden van God" (Joh 1,12). "De
Geest zelf bevestigt het getuigenis van onze geest dat wij kinderen zijn van
God" (Rom 8,16). Dit wordt gezegd van allen, mannen zowel als vrouwen.
De gelijkheid van mannen en vrouwen berust op het feit
dat zij zich in het doopsel beiden gelijkelijk hebben bekleed met Christus
Wanneer we de vraag stellen: Is de relatie van een vrouw met Jezus
als de Christus wezenlijk verschillend van de relatie van de man tot Jezus als
de Christus geeft de traditie een vrij direct antwoord, zo niet op de wijze
van uitvoerige theologische reflectie, dan toch in ieder geval in de praktijk.
Het belangrijkste is in dit verband het simpele en voor de hand liggende feit
dat vrouwen gedoopt worden, en dat dit sacrament door Christus een bepaalde
verhouding tot God in hen tot stand brengt. Wat voor relatie dan wel, en wat
zijn de consequenties voor het begrip van de rol van vrouwen in de kerk?
Het is niet zo dat de gelovige door de band met Christus, bezegeld door
het doopsel, van Christus een geschenk ontvangt, los van de gever,
een uitwendige zaak. Men zegt wel, en terecht, dat men door het doopsel
vergeving van zonden en rechtvaardiging ontvangt. In het licht van de
Nieuwtestamentische opvattingen over het doopsel, blijkt echter dat dergelijke
gaven de gedoopte toebehoren door het feit zelf dat hij of zij met Christus
is verbonden, zich met Christus bekleedt,
lidmaat van Christus wordt, met Christus is begraven
enz. Gedoopt zijn betekent: zó verbonden zijn met Christus in de
kracht van de Geest dat men deelt in zijn relatie tot de Vader. "God heeft de
geest van zijn Zoon in ons hart gezonden, die roept: Abba, Vader!" (Gal 4,6).
Daardoor merkte Cyrillus van Jeruzalem op dat de betekenis van het doopsel
eenvoudigweg hierin is gelegen dat men deelt in het zoonschap van Christus en
in zijn dood, zijn opstanding en zijn macht om het kwade te overwinnen.
(Catechetical Oration III, passim).
Deze overwegingen maken duidelijk dat de gewoonte vrouwen te dopen
gevolgen heeft voor het probleem van vrouwen die Christus vertegenwoordigen in
de Eucharistie. Die gewoonte impliceert niet slechts dat vrouwen
gered kunnen worden, d.w.z. dat hun zonden vergeven worden of dat
zij waardige ontvangers zijn van de heiligmakende genade. Het houdt ook het
geloof in dat vrouwen kunnen delen in de identiteit van Jezus als de
Christus en dit ook doen, dat zij in hem zijn opgenomen, als in de
vertegenwoordiger van het menselijk geslacht, en dat Christus bijgevolg in hen
woont. Dus moet je zeggen dat het doopsel de vrouw evenals de man bevestigt in
de rol van vertegenwoordiger van Christus een persoon in wie de
realiteit van het Christusleven, van eenheid-met-God symbolisch tot uiting
komt. Logisch gevolg is dat de vrouw evenzeer als de man Christus ook kan
vertegenwoordigen bij de Eucharistie.
Niemand heeft dit beter uitgelegd dan R.A. Norris.
"Het doopsel houdt dus in dat , vrouwen dezelfde relatie tot
God-in-Christus hebben als mannen. Deze relatie maakt niet slechts dat zij
het heil ontvangen maar ook dat zij, delend in de identiteit van Christus
namelijk in zijn zoonschap, en dus zijn dienaar zijn, in zijn
priesterschap, en in zijn profetische en koninklijk ambt ten opzichte van de
wereld. Dat zij niet evenals Christus man zijn of kunnen worden is
klaarblijkelijk geen hinderpaal voor deze verhouding of voor het daarbij
behorend ambt en dat terecht, zoals we eerder zagen, want het is
Christus menszijn, niet zijn man zijn, waardoor hij God-met-ons is. De
praktijk van de doop en de christelijke leer versterken elkaar op dit punt."
"Maar wat heeft dit alles te maken met de priesterwijding? Want de
priesterwijding is de doop niet. Het is een heel ander sacrament,
en men mag stellen dat het feit dat vrouwen gedoopt worden in zichzelf niets
zegt over hun al of niet gewijd mogen worden
"
" Natuurlijk is de wijding een ander sacrament, en het
bevestigt iemand niet als lidmaat van Christus wiens zonde is vergeven en die
gerechtvaardigd is, maar als iemand die een bijzondere relatie heeft tot de
Kerk een relatie die de bedienaar een sacramenteel persoon maakt
die de tegenwoordigheid verbeeldt van het goddelijk Woord waaruit de Kerk
leeft. Niettemin dient men zich af te vragen wat er nog meer wordt vereist dan
de wijding zelf opdat iemand waarlijk voor de Kerk de sacramentele rol mag
vervullen. Wanneer men deze vraag stelt , moet men bedenken dat, hoewel er meer
dan één sacrament is, de sacramenten onderling niet verschillen
in wat ze ten diepste betekenen, maar wel in de manier waarop en het
doel waartoe zij die betekenis hebben. De genade en de waarheid die
besloten zijn in het Woord zijn één
"
"Eén vereiste voor de wijding is steeds geweest: de
doop,
maar is het feit dat men een man is óók een
noodzakelijke voorwaarde voor de wijding? Op dit punt van de wijding van
vrouwen is het relevant dat we nog eens goed naar de doop kijken. Het feit dat
vrouwen worden gedoopt, dat gedoopte vrouwen in Christus zijn en
deelhebben aan zijn identiteit, dat zij in die hoedanigheid een lekendienst
uitoefenen die met zich meebrengt dat zij beeld zijn van Christus
en Hem in het oog van de wereld vertegenwoordigen deze
feiten veronderstellen dat zij Christus eveneens kunnen
vertegenwoordigen in de rol van een gewijd individu. Die
veronderstelling wordt verder nog versterkt, wanneer men bedenkt dat de
identiteit waarin Christus voor de wereld en de Kerk wordt vertegenwoordigd als
zijnde hun heil, niet ligt in hun man zijn, maar in het feit dat men als mens
drager is van het goddelijk Woord. De Nieuwe Schepping bestaat niet in
mannelijkheid, en daarom bestaat er geen reden te veronderstellen dat
mannelijkheid vereist wordt om beeld (van Christus) te
zijn."
"Uiteindelijk komt het dus hierop neer: Is het de Christus van het
mysterie van de doop die de wijdeling vertegenwoordigt, of een Christus die in
feite anders wordt verstaan en beschreven? De Christus van het mysterie van
de doop de Christus waarin de nieuwe scheppingsorde wordt belichaamd en
tot stand gebracht is er een, waarin man en vrouw, Jood en Griek, slaaf
en vrije, delen in eenzelfde identiteit. Bovendien is het deze en geen andere
Christus, die de christologische traditie duidelijk verkondigt, door haar
nadruk op de integrale en inclusieve mensheid van het Woord. Wanneer men
volhoudt dat kerkelijk priesterschap voorbehouden is aan de man, wil het
Christus vertegenwoordigen, dan betekent dit dat kerkelijk priesterschap een
andere Christus vertegenwoordigt dan de Christus die de andere sacramenten van
de Kerk belichamen en verkondigen."
R.A.Norris, The Ordination of Women and the Maleness of
the Christ, The Anglican Theological Review, June 1976; vgl.
Feminine in the Church, uitg. door Monica Furlong, SPCK, Londen 1984,
pag. 71-85; hier pag. 80-83.
In de bediening van doop en huwelijk handelt de vrouw
in persona Christi.
Het is algemeen aanvaarde sacramentenleer dat de bedienaar van de
sacramenten handelt als plaatsbekleder van Christus. Over de geldigheid van de
doop stelt de Kerk uitdrukkelijk dat ieder die bij zijn volle verstand is, de
juiste bedoeling heeft en de juiste materie en vorm gebruikt, dit sacrament mag
toedienen, en dat de bedienaar, hetzij man of vrouw, dan handelt in persona
Christi.
"Christus eigen kracht is aanwezig in de sacramenten, zodat,
wanneer iemand doopt, het werkelijk Christus zelf is die doopt." Vatican II,
Sacrosanctum Concilium, § 7.
De bedienaren van het sacrament van het huwelijk zijn de
huwelijkspartners zelf. Zoals Pius XII het kort en krachtig uitdrukte in
Mystici Corporis: De huwelijkspartners dienen elkaar de genade
toe (Acta Apostolicae Sedis 35 (1943) pag. 202). Het sacrament van
het huwelijk is een voortdurend sacrament. Bijgevolg dienen de echtelieden
elkaar, zo lang het huwelijk duurt, de liefde en genade van Christus toe.
"In de sacramenten handelt Christus. Wat het doopsel betreft, kan een
heidense vrouw, als ze voldoet aan genoemde voorwaarden, het sacrament
toedienen, en in dat geval handelt zij in persona Christi, het is
Christus die doopt. In het huwelijk blijven de vrouw en de man als echtgenoten
bedienaren van sacramentele genade, en in de woorden van St. Augustinus:
Wanneer een man trouwt, trouwt Christus; wanneer een vrouw trouwt, is het
Christus die trouwt (In Iohannis Evangelium VI; PL 35, 1428).
Eric Doyle, The Question of Women Priests and the Argument In
Persona Christi, Irish Theological Quarterly 37 (1984) pag.
212 - 221, hier pag. 215 - 216.
Vertaling Theresia Saers
Klik
hier als U onze campagne voor de wijding van vrouwen aktief wilt
steunen..
Vermeld a.u.b. dat dit documentontleend is aan www.womenpriests.org!

![]() |
In dit boek gaat Hans Wijngaards in op belangrijke historische bronnen, vanaf het begin van het christendom tot het jaar 900. Hij bewijst op overtuigende wijze dat vrouwen de rol van diaken op zich namen en hiertoe ook gewijd werden. Met zijn historische studie levert Wijngaards een belangrijke bijdrage aan het actuele debat over de wijding van vrouwen tot diaken. Klik hier! |