OOK VROUWEN PRIESTER? JAZEKER!header

Responsive image

BEGIN

REDEN GENOEG

TEGEN DE PAUS?

DEBAT

MENU

Nederlands/Vlaams Deutsch Francais English language Spanish language Portuguese language Catalan Chinese Czech Malayalam Finnish Igbo
Japanese Korean Romanian Malay language Norwegian Swedish Polish Swahili Chichewa Tagalog Urdu
------------------------------------------------------------------------------------
Vrouwen handelen reeds als ‘andere Christus’

Vrouwen handelen reeds als ‘andere Christus’

Als aangenomen kinderen van God zijn vrouwen net als mannen beeld van Christus.

Het Woord van God verbindt beide seksen met elkaar, wanneer er sprake is van gelijkenis met God: 'God heeft de mens geschapen naar zijn eigen beeld; hij heeft hem geschapen naar het beeld van God; hij heeft hen geschapen als man en vrouw' (Gen 2, 27). En Paulus zegt dat allen, mannen en vrouwen, zich hebben bekleed met Christus (Gal 2, 27). Hij spreekt over alle christenen, wanneer hij zegt: "Het is ons, die met onverhuld gelaat de glorie van de Heer als in een spiegel aanschouwen gegeven om herschapen te worden tot een steeds heerlijker gelijkenis met Hem, door de Geest van de Heer"(2 Kor 3, 18).

De reden hiervoor is, dat wij in en door Christus aangenomen kinderen zijn geworden van God. "Aan degenen die Hem toch opnamen, heeft Hij (= Christus) het vermogen gegeven kinderen te worden van God" (Joh 1,12). "De Geest zelf bevestigt het getuigenis van onze geest dat wij kinderen zijn van God" (Rom 8,16). Dit wordt gezegd van allen, mannen zowel als vrouwen.

De gelijkheid van mannen en vrouwen berust op het feit dat zij zich in het doopsel beiden gelijkelijk hebben bekleed met Christus

Wanneer we de vraag stellen: Is de relatie van een vrouw met Jezus als de Christus wezenlijk verschillend van de relatie van de man tot Jezus als de Christus geeft de traditie een vrij direct antwoord, zo niet op de wijze van uitvoerige theologische reflectie, dan toch in ieder geval in de praktijk. Het belangrijkste is in dit verband het simpele en voor de hand liggende feit dat vrouwen gedoopt worden, en dat dit sacrament door Christus een bepaalde verhouding tot God in hen tot stand brengt. Wat voor relatie dan wel, en wat zijn de consequenties voor het begrip van de rol van vrouwen in de kerk?

Het is niet zo dat de gelovige door de band met Christus, bezegeld door het doopsel, van Christus een ‘geschenk’ ontvangt, los van de gever, een uitwendige zaak. Men zegt wel, en terecht, dat men door het doopsel vergeving van zonden en rechtvaardiging ontvangt. In het licht van de Nieuwtestamentische opvattingen over het doopsel, blijkt echter dat dergelijke gaven de gedoopte toebehoren door het feit zelf dat hij of zij met Christus is ‘verbonden’, zich met Christus ‘bekleedt’, ‘lidmaat’ van Christus wordt, met Christus ‘is begraven’ enz. Gedoopt zijn betekent: zó verbonden zijn met Christus in de kracht van de Geest dat men deelt in zijn relatie tot de Vader. "God heeft de geest van zijn Zoon in ons hart gezonden, die roept: Abba, Vader!" (Gal 4,6). Daardoor merkte Cyrillus van Jeruzalem op dat de betekenis van het doopsel eenvoudigweg hierin is gelegen dat men deelt in het zoonschap van Christus en in zijn dood, zijn opstanding en zijn macht om het kwade te overwinnen. (Catechetical Oration III, passim).

Deze overwegingen maken duidelijk dat de gewoonte vrouwen te dopen gevolgen heeft voor het probleem van vrouwen die Christus vertegenwoordigen in de Eucharistie. Die gewoonte impliceert niet slechts dat vrouwen ‘gered’ kunnen worden, d.w.z. dat hun zonden vergeven worden of dat zij waardige ontvangers zijn van de heiligmakende genade. Het houdt ook het geloof in dat vrouwen kunnen delen in de identiteit van Jezus als de Christus en dit ook doen, dat zij in hem zijn opgenomen, als in de vertegenwoordiger van het menselijk geslacht, en dat Christus bijgevolg in hen woont. Dus moet je zeggen dat het doopsel de vrouw evenals de man bevestigt in de rol van vertegenwoordiger van Christus – een persoon in wie de realiteit van het Christusleven, van eenheid-met-God symbolisch tot uiting komt. Logisch gevolg is dat de vrouw evenzeer als de man Christus ook kan vertegenwoordigen bij de Eucharistie.

Niemand heeft dit beter uitgelegd dan R.A. Norris.

"Het doopsel houdt dus in dat , vrouwen dezelfde relatie tot God-in-Christus hebben als mannen. Deze relatie maakt niet slechts dat zij het heil ontvangen maar ook dat zij, delend in de identiteit van Christus – namelijk in zijn zoonschap, en dus zijn dienaar zijn, in zijn priesterschap, en in zijn profetische en koninklijk ambt ten opzichte van de wereld. Dat zij niet evenals Christus man zijn of kunnen worden is klaarblijkelijk geen hinderpaal voor deze verhouding of voor het daarbij behorend ambt – en dat terecht, zoals we eerder zagen, want het is Christus’ menszijn, niet zijn man zijn, waardoor hij God-met-ons is. De praktijk van de doop en de christelijke leer versterken elkaar op dit punt."

"Maar wat heeft dit alles te maken met de priesterwijding? Want de priesterwijding is de doop niet. Het is een heel ‘ander’ sacrament, en men mag stellen dat het feit dat vrouwen gedoopt worden in zichzelf niets zegt over hun al of niet gewijd mogen worden…"

" Natuurlijk is de wijding een ‘ander’ sacrament, en het bevestigt iemand niet als lidmaat van Christus wiens zonde is vergeven en die gerechtvaardigd is, maar als iemand die een bijzondere relatie heeft tot de Kerk – een relatie die de bedienaar een sacramenteel persoon maakt die de tegenwoordigheid verbeeldt van het goddelijk Woord waaruit de Kerk leeft. Niettemin dient men zich af te vragen wat er nog meer wordt vereist dan de wijding zelf opdat iemand waarlijk voor de Kerk de sacramentele rol mag vervullen. Wanneer men deze vraag stelt , moet men bedenken dat, hoewel er meer dan één sacrament is, de sacramenten onderling niet verschillen in wat ze ten diepste betekenen, maar wel in de manier waarop en het doel waartoe zij die betekenis hebben. De genade en de waarheid die besloten zijn in het Woord zijn één…"

"Eén vereiste voor de wijding is steeds geweest: de doop,…maar is het feit dat men een man is óók een noodzakelijke voorwaarde voor de wijding? Op dit punt van de wijding van vrouwen is het relevant dat we nog eens goed naar de doop kijken. Het feit dat vrouwen worden gedoopt, dat gedoopte vrouwen ‘in Christus’ zijn en deelhebben aan zijn identiteit, dat zij in die hoedanigheid een lekendienst uitoefenen die met zich meebrengt dat zij ‘beeld zijn van Christus’ en Hem in het oog van de wereld ‘vertegenwoordigen’ – deze feiten veronderstellen dat zij Christus eveneens kunnen ‘vertegenwoordigen’ in de rol van een gewijd individu. Die veronderstelling wordt verder nog versterkt, wanneer men bedenkt dat de identiteit waarin Christus voor de wereld en de Kerk wordt vertegenwoordigd als zijnde hun heil, niet ligt in hun man zijn, maar in het feit dat men als mens drager is van het goddelijk Woord. De Nieuwe Schepping bestaat niet in mannelijkheid, en daarom bestaat er geen reden te veronderstellen dat mannelijkheid vereist wordt om ‘beeld’ (van Christus) te zijn."

"Uiteindelijk komt het dus hierop neer: Is het de Christus van het mysterie van de doop die de wijdeling vertegenwoordigt, of een Christus die in feite anders wordt verstaan en beschreven? De Christus van het mysterie van de doop – de Christus waarin de nieuwe scheppingsorde wordt belichaamd en tot stand gebracht – is er een, waarin man en vrouw, Jood en Griek, slaaf en vrije, delen in eenzelfde identiteit. Bovendien is het deze en geen andere Christus, die de christologische traditie duidelijk verkondigt, door haar nadruk op de integrale en inclusieve mensheid van het Woord. Wanneer men volhoudt dat kerkelijk priesterschap voorbehouden is aan de man, wil het Christus vertegenwoordigen, dan betekent dit dat kerkelijk priesterschap een andere Christus vertegenwoordigt dan de Christus die de andere sacramenten van de Kerk belichamen en verkondigen."

R.A.Norris, ‘The Ordination of Women and the Maleness of the Christ’, The Anglican Theological Review, June 1976; vgl. Feminine in the Church, uitg. door Monica Furlong, SPCK, Londen 1984, pag. 71-85; hier pag. 80-83.

In de bediening van doop en huwelijk handelt de vrouw ‘in persona Christi’.

Het is algemeen aanvaarde sacramentenleer dat de bedienaar van de sacramenten handelt als plaatsbekleder van Christus. Over de geldigheid van de doop stelt de Kerk uitdrukkelijk dat ieder die bij zijn volle verstand is, de juiste bedoeling heeft en de juiste materie en vorm gebruikt, dit sacrament mag toedienen, en dat de bedienaar, hetzij man of vrouw, dan handelt in persona Christi.

"Christus’ eigen kracht is aanwezig in de sacramenten, zodat, wanneer iemand doopt, het werkelijk Christus zelf is die doopt." Vatican II, Sacrosanctum Concilium, § 7.

De bedienaren van het sacrament van het huwelijk zijn de huwelijkspartners zelf. Zoals Pius XII het kort en krachtig uitdrukte in Mystici Corporis: ‘De huwelijkspartners dienen elkaar de genade toe’ (Acta Apostolicae Sedis 35 (1943) pag. 202). Het sacrament van het huwelijk is een voortdurend sacrament. Bijgevolg dienen de echtelieden elkaar, zo lang het huwelijk duurt, de liefde en genade van Christus toe.

"In de sacramenten handelt Christus. Wat het doopsel betreft, kan een heidense vrouw, als ze voldoet aan genoemde voorwaarden, het sacrament toedienen, en in dat geval handelt zij in persona Christi, het is Christus die doopt. In het huwelijk blijven de vrouw en de man als echtgenoten bedienaren van sacramentele genade, en in de woorden van St. Augustinus: ‘Wanneer een man trouwt, trouwt Christus; wanneer een vrouw trouwt, is het Christus die trouwt’ (In Iohannis Evangelium VI; PL 35, 1428).

Eric Doyle, ‘The Question of Women Priests and the Argument In Persona Christi’, Irish Theological Quarterly 37 (1984) pag. 212 - 221, hier pag. 215 - 216.

Vertaling Theresia Saers

Klik hier als U onze campagne voor de wijding van vrouwen aktief wilt steunen..

historische overzichten

Vermeld a.u.b. dat dit documentontleend is aan www.womenpriests.org!


This website is maintained by the Wijngaards Institute for Catholic Research.

John Wijngaards Catholic Research

since 11 Jan 2014 . . .

John Wijngaards Catholic Research