|
|
|---|
Rome beweert dat de vrouw niet tot priester gewijd kan
worden, omdat zij, als vrouw, Christus die een man was, niet kan
verbeelden
'"Sacramentele tekenen, ", aldus
Thomas van Aquino, "vertegenwoordigen wat ze krachtens natuurlijke gelijkenis
betekenen." Dezelfde natuurlijke gelijkenis wordt vereist voor personen als
voor zaken; wanneer de rol van Christus in de Eucharistie sacramenteel moet
worden uitgedrukt, zou de natuurlijke gelijkenis er niet zijn die bestaan moet
tussen Christus en zijn bedienaar, als de rol van Christus niet wordt vervuld
door een man: in zon geval zou het moeilijk zijn om in de bedienaar het
beeld van Christus te zien. Want Christus zelf was en blijft een man '. Inter Insigniores § 7.
Vrouwen zijn
niet minderwaardig
De eerste reden waarom dit argument vals is, is het
feit dat de vooronderstelde filosofie niet juist is. De scholastieken, waar het
document naar verwijst als bron van het argument, stonden een filosofie omtrent
de seksen voor die door geen enkele Christen meer kan worden verdedigd. Voor
Thomas van Aquino is de vrouw niet meer dan een 'incomplete man' en kan daarom
geen 'grootheid' verbeelden. Hieruit besloot Thomas dat zij daarom niet op
Christus kon lijken of zijn 'beeld' zijn. Maar het is toch duidelijk dat een
dergelijke redenering haaks staat op de Schrift, een betere filosofie van de
menselijke waardigheid nog daargelaten.
Lees Thomas eigen teksten.
De vrouwelijke sekse kan geen grootheid
verbeelden.
Het feit dat vrouwen niet gewijd kunnen worden is gebaseerd
op een veronderstelde drievoudige minderwaardigheid van de vrouw.
a.
Vrouwen zijn biologisch gezien minderwaardig. In navolging van
de mening van Aristoteles over de
voortplanting, meende Thomas dat een vrouw geboren wordt door een of ander
defect in het voortplantingsproces. Een vrouw is een onvolkomen
man. De biologisch tweederangs status is ook duidelijk uit het geloof
dat het mannelijk zaad de generatieve kracht bevat.De moeder verschaft alleen een schoot
die het zaad/de foetus voedt. Deze mening was gemeengoed bij
de Vaders.
b. Vrouwen zijn
maatschappelijk gezien minderwaardig. Een vrouw is van nature ondergeschikt
aan de man, omdat de menselijke rede, hoewel tot op zekere hoogte aanwezig bij
zowel man als vrouw, veel sterker is bij de man
.
c. Vrouwen worden geschapen als afhankelijk van de man.
De man is het eerst geschapen. Hoewel man en
vrouw beiden beeld van God zijn wat hun verstandelijke aard betreft,
is de man beeld van God op een speciale
manier.
Thomas stelt dat vrouwen vanwege deze aangeboren defecten geen
grootheid kunnen betekenen en daarom Christus niet kunnen vertegenwoordigen als
gewijde bedienaar.
Conclusie: Aangezien wij weten dat de vrouw absoluut
gelijk is aan de man, zowel biologisch en maatschappelijk als in de
scheppingsorde, is het argument onjuist. Dit argument berust in feite op de
maatschappelijke en culturele vooroordelen van die tijd.
Hier volgt het oordeel van een hedendaagse
theoloog:
Thomas van Aquino was in veel opzichten een wijs man, maar
zelfs hij was een product van zijn tijd. In de Summa Theologiae lezen we
dat "aangezien het voor de vrouwelijke sekse niet mogelijk is grootheid te
betekenen een vrouw verkeert immers in een toestand van onderworpenheid
moeten we concluderen dat ze geen wijdingssacrament kan ontvangen."
Bovendien is de ondergeschiktheid van de vrouw niet te wijten aan
maatschappelijke omstandigheden. Sprekend over de kwestie of slavernij een
beletsel is voor de wijding, schreef Thomas in de Summa dat "sacramentele
tekenen betekenis ontlenen aan hun natuurlijke gelijkheid. Welnu, een vrouw is
van nature ondergeschikt, een slaaf niet." Thomas meende ook dat "er in vrouwen
niet genoeg kracht is om de wellust te weerstaan." Men zou beslist dienen te
twijfelen over het wijden van een schepsel met zo beperkte
begaafdheid.
We kunnen niet oordelen over Thomas van Aquino. Maar we weten
wel beter. We weten dat de vrouw niet van nature minderwaardig is aan de man
(vgl. de apostolische brief, Mulieris dignitatem van Johannes Paulus II,
1988). We weten dat een vrouw evenmin van nature ondergeschikt is als de man.
De bezwaren van Thomas kunnen niet meer worden geciteerd als reden om de vrouw
de wijding te weigeren. Andere redenen die minderwaardigheid inhouden kunnen
dat net zo min. Dergelijk handelen zou haaks staan op ons huidige verstaan van
het goede nieuws van Christus.
Rose Hoover, Consider tradition. The case for women's
ordination, Commonweal 126 no 2 (jan. 29, 1999), pag. 17-20.
Hoover maakt deel uit van de staf van het retraitehuis
het Cenakel in Metairie, Louisiana.
Een symbool
is niet een fysieke gelijkenis
De tweede zwakke plek in de redenering van Thomas is
dat hij natuurlijke gelijkenis (= exacte gelijkenis) ziet als een en hetzelfde
als symbool (= teken met betekenis). Nu kan de sekse van Jezus van belang zijn
in een schilderij dat we van hem maken, maar niet wanneer hij tegenwoordig
gesteld wordt door een sacramenteel teken ofwel een symbool.
- De verwarring is al
duidelijk wanneer Thomas spreekt overde Eucharistie als
teken van Christus lijden. Dat kan wel, maar hij vergelijkt het met
een portret! De Eucharistie is echter geen portret van de Passie. Zij betekent
de Passie op waarlijk symbolische wijze.
- Thomas
wijst nog op een ander symbool: het altaar.
Dit, aldus Thomas, stelt het kruis tegenwoordig. Hier doelt hij op een echt
symbool. Want het kruis boven het altaar lijkt uiteraard meer op het kruis. Het
altaar lijkt niet op een kruis maar symboliseert het kruis, omdat, zoals Brood
en Wijn op het altaar staan, zo hing Christus aan het kruishout.
- Over de priester zegt Thomas: ook de priester
gelijkt op Christus, in wiens persoon en door wiens kracht hij de
consecratiewoorden uitspreekt.
Conclusie: Thomas had moeten
beseffen dat het niet de natuurlijke gelijkenis in de priester is die er toe
doet, maar het offer van Christus. Ook de priester is een symbool,
geen natuurlijke gelijkenis.
Dit zegt Eric Doyle:
Vergelijk eens de volgende teksten:
Summa Theologiae
III, q. 83, art: I, ad 2: Zoals de viering van dit sacrament
een beeld is (imago repraesentiva)van Christus lijden, zo
verbeeldt het altaar het kruis waaraan Christus in zijn eigen vorm en gedaante
is gekruisigd.Thomas maakt duidelijk onderscheid tussen enerzijds imago
repraesentativus en het altaar als repraesentativam van het kruis en
anderzijds Christus offer in propria specie.
Ten tweede, dezelfde
kwestie en hetzelfde artikel, ad 3: Om dezelfde reden is de
priester ook drager van het beeld van Christus (gerit imaginem Christi),
in wiens persoon en door wiens kracht hij de woorden van de consecratie
uitspreekt, zoals we hebben aangetoond. En zodoende zijn priester en
slachtoffer een en dezelfde. De Verklaring wil uit een vergelijking van
ad 3 en ad 2 concluderen dat de priester een man moet zijn. Maar
dit is nu net een conclusie die niet getrokken mag worden uit deze
vergelijking. Immers, als ad 3: gerit imaginem Christi niet
symbolisch verwijst naar Christus middelaarschap, wordt de parallel met
ad 2 belachelijk.
De viering van de eucharistie is het imago repraesentativa van Christus lijden en het altaar stelt het kruis voor. Noch de dubbele consecratie noch het altaar is een fysieke gelijkenis of een fotografische weergave van Christus kruisoffer. Als echte symbolen hebben ze echter een natuurlijke (innerlijke) gelijkenis met datgene wat wordt verbeeld. In de eucharistie is het offer van Christus sacramenteel, het is in genere signi, het is symbolisch. Als dus de priester volgens de Verklaring Christus verbeeldt (gerit imaginem Christi) juist zoals de viering van dit sacrament de verbeelding is van Christus kruis [ Thomas zegt passie] dan kan er geen sprake zijn van een fysieke maar van een natuurlijke gelijkenis, dat wil zeggen een symbolische vertegenwoordiging van Christus de Middelaar. Thomas heeft niet zijn begrip imago in de tekst ad 3 en het een andere betekenis gegeven, zoals de Verklaring schijnt te zeggen; Thomas zegt: Zoals de viering van dit sacrament een beeld is van de Passie van Christus ..En om dezelfde is de priester beeld van Christus . . .
De viering van de Mis is niet een kopie van het Laatste Avondmaal of van Kalvarië. Als de natuurlijke gelijkenis tussen de bedienaar van de eucharistie en Christus formeel te maken had met de mannelijkheid van Christus, dan zou strikt genomen alles in het werk moeten worden gesteld om de priester van nu zo goed mogelijk te laten lijken op ons idee van een Jood uit de eerste eeuw. Dit is niet als spot bedoeld, het is de logische consequentie van het betoog in de Verklaring. Als natuurlijke gelijkenis fysieke gelijkenis betekent, dan dient de priester om het beeld te perfectioneren, zich bij de Mis te kleden zoals een Jood uit de eerste eeuw zich kleedde. De priester echter kleedt zich bij de Mis in een kleding die juist dient om zijn mannelijkheid te verbergen en in zijn menselijkheid zijn bediening als beeld van Christus de Middelaar heel duidelijk te maken. Dus kan wat van de eucharistie wordt gezegd, ook van alle sacramenten worden gezegd:de priester handelt . . . in persona Christi, bekleedt de rol van Christus, wordt zelfs diens eigen beeld wanneer hij de woorden van de consecratie uitspreekt.. Men kan ook van een vrouw die het doopsel toedient zeggen dat ze handeltin persona Christi, dat ze de rol van Christus bekleedt, ja, zijn eigen beeld wordt, wanneer zij de woorden van de doop uitspreekt.
Eric Doyle, The Question of Women Priests and the Argument In Persona Christi, Irish Theological Quarterly 37 (1984) 212 - 221, hier pag. 217 - 218
Vertaling Theresia Saers
|
Klik hier als U onze campagne voor de wijding van vrouwen aktief wilt steunen.. |
Vermeld a.u.b. dat dit documentontleend is aan www.womenpriests.org!

![]() |
In dit boek gaat Hans Wijngaards in op belangrijke historische bronnen, vanaf het begin van het christendom tot het jaar 900. Hij bewijst op overtuigende wijze dat vrouwen de rol van diaken op zich namen en hiertoe ook gewijd werden. Met zijn historische studie levert Wijngaards een belangrijke bijdrage aan het actuele debat over de wijding van vrouwen tot diaken. Klik hier! |