|
|
|---|
Uit INTER
INSIGNIORES:
Nummering van de alineas door John
Wijngaards
24. Nadat deze norm van de kerk en haar gronden in
herinnering zijn gebracht, lijkt het nuttig en gunstig deze norm toe te lichten
door haar gepastheid aan te tonen, wat het eigene van het theologisch denken
is: dat immers alleen mannen tot het ontvangen van de priesterwijding worden
geroepen, staat in nauw verband met de eigen aard van het sacrament en zijn
bijzondere verhouding tot het Christus-mysterie. Het gaat er nu niet om een
overtuigend bewijs te leveren, maar om de leer door een geloofsanalogie te
verhelderen.
25. Het is de constante leer van de kerk, welke het Tweede
Vaticaans Concilie opnieuw en uitvoeriger heeft verkondigd, de
bisschoppensynode van 1971 heeft herhaald en deze Heilige Congregatie voor de
geloofsleer in haar verklaring van 24 juni 1973 nog eens heeft uitgesproken,
dat de bisschop of priester bij de uitoefening van hun ambt niet in eigen
persoon handelen, maar Christus vertegenwoordigen, die door hem handelt: de
priester fungeert waarlijk voor Christus, zoals de heilige Cyprianus reeds
in de derde eeuw schreef.(15) Christus zelf te kunnen representeren, beschouwde
Paulus als het eigene van zijn apostolisch ambt (vgl. 2 Kor. 5, 20;
Gal. 4, 14). Deze vertegenwoordiging van Christus bereikt dan zijn diepste
betekenis en heel bijzondere omvang, als de eucharistische synaxis wordt
gevierd, bron en centrum van de eenheid van de kerk, het offermaal waarin het
volk van God zich aansluit bij het offer van Christus: de priester, die alleen
de macht heeft dit te voltrokken, handelt niet alleen in de kracht die hem door
Christus wordt medegedeeld, maar in de persoon van Christus,(16) wiens taken
hij overneemt, zodat hij zijn gestalte zelf draagt, als hij de woorden van de
consecratie uitspreekt.(17)
26. Het christelijk priesterambt is dus sacramenteel van
aard, de priester is een teken waarvan de bovennatuurlijke werkdadigheid
weliswaar wordt afgeleid van de eenmaal ontvangen wijding, maar een teken dat
zichtbaar moet zijn(18) en waarvan de gelovigen de betekenis gemakkelijk moeten
kunnen onderscheiden.
27. Heel de bedeling van de sacramenten is gegrond in
natuurlijke tekenen die een kracht hebben tot aanduiden, zodat het bij de geest
van de mensen aansluit: de sacramentele tekenen, zoals de heilige Thomas
zegt, maken op grond van een natuurlijke gelijkenis aanschouwelijk.(19)
Dezelfde natuurlijke gelijkenis wordt echter zowel omtrent personen als zaken
vereist: wanneer namelijk het optreden van Christus in de eucharistie
sacramenteel tegenwoordig moet worden gesteld, zou de natuurlijke gelijkenis
die tussen Christus en zijn dienaar vereist is, ontbreken, als zijn taak niet
door een man werd vervuld: anders zou moeilijk in de bedienaar het beeld van
Christus worden waargenomen; aangezien Christus zelf een man was en
blijft.
28. Ongetwijfeld is Christus de eerstgeborene van heel het
menselijk geslacht, evenzeer van vrouwen als van mannen: Hij heeft de eenheid
die door de zonde was verbroken zo hersteld, dat er geen jood noch griek, geen
slaaf noch vrije, geen man noch vrouw meer is, want allen zijn
één in Christus Jezus (vgl. Gal. 3, 28). Niettemin is het
Woord vlees geworden volgens het mannelijk geslacht; dit steunt weliswaar op
een feit dat, laat staan dat het een zekere voortreffelijkheid van de man boven
de vrouw met zich meebrengt, niet van de heilsbedeling kan worden gescheiden;
want het stemt overeen met het geheel van het plan van God zoals het door God
is geopenbaard waarvan het mysterie van het verbond de kern is.
32. Mag men zeggen, dat, daar Christus nu in een hemelse
staat leeft, het van geen belang is, of Hij door een man of een vrouw wordt
vertegenwoordigd, omdat er na de verrijzenis geen sprake meer is van huwen
of ten huwelijk gegeven worden (Mt. 22,30)? Deze woorden betekenen
niet, dat in de eeuwige glorie het onderscheid tussen man en vrouw, dat toch de
eigen identiteit van de persoon bepaalt, wordt opgeheven. Wat evengoed van
Christus moet worden gezegd als van ons. Klaarblijkelijk toch oefent het,
geslachtelijk verschil een grote invloed uit op de menselijke natuur, in elk
geval dieper dan bijvoorbeeld de verschillen van volkeren; deze toch raken de
menselijke persoon niet zo diep als het verschil van geslacht, dat onmiddellijk
betrekking heeft zowel op de communicatie tussen de personen als op de
menselijke voortplanting, en in de bijbelse openbaring wordt toegeschreven aan
een oorspronkelijk wilsbesluit Gods: man en vrouw schiep Hij hen
(Gen. 1, 27).
Voetnoot 16. Vaticanum II, const. Sacrosanctum
Concilium, 4 december 1963, n. 33: ... door de priester, die als
vertegenwoordiger van Christus aan het hoofd staat van de
bijeenkomst... (Katholiek Archief 19 (1964), 518); dogm. const.
Lumen gentium, 21 november 1964, n. 10: De ambtspriester vormt en
bestuurt, door de gewijde macht waarover hij beschikt, het
priesterlijk volk; in de persoon van Christus voltrekt hij het
eucharistisch offer en in naam van geheel het volk draagt hij het op
aan God... (Katholiek Archief 20 (1965), 702); n. 28: Door het
wijdingssacrament gelijkvormig gemaakt met het beeld van Christus, de
hoogste en eeuwige Priester... vervullen zij echter vooral in de
eucharistische eredienst of synaxe, waarbij zij in de persoon van
Christus handelend optreden... (t.z.p., 734); decr. Presbyterorum
ordinis, 7 december 1965, n. 2: ... ze worden door de zalving van de
Heilige Geest met een bijzonder merkteken getekend en zo aan
Christus-Priester gelijkvormig gemaakt, dat zij in de persoon van
Christus, het Hoofd, kunnen optreden (Katholiek Archief 21 (1966),
939); n. 13: als bedienaren van de heilige geheimen stellen de
priesters, met name in het heilig misoffer op bijzondere wijze de
persoon van Christus tegenwoordig (t.z.p., 973); vgl.
bisschoppensynode 1971, Het ambtelijk priesterschap, I, 4 (Archief
van de Kerken 27 (1972), 76-77); Hl. Congregatie voor de geloofsleer,
Verklaring ter bescherming van de katholieke leer over de kerk, 24 juni
1973, n. 6 (Archief van de Kerken 28 (1973), 759-760).
Voetnoot 17. Hl. Thomas, Summ. theol.,
IIIa pars, quaest. 83, art- 1, ad 3um: Men moet
zeggen dat [zoals de viering van dit sacrament een representatief beeld van
zijn kruis is: t.z.p. ad 2um], om dezelfde reden ook de
priester het beeld van Christus opvoert, in wiens persoon en kracht hij
de woorden om te consacreren uitspreekt.
Voetnoot 18. Want omdat het sacrament een teken is,
wordt voor hetgeen in het sacrament wordt bewerkt niet alleen de
zaak vereist, maar ook de berekening van de zaak, zegt de heilige
Thomas duidelijk om de wijding van vrouwen af te wijzen: In IV Sent.,
dist. 25, q. 2, art. 1, quaestiuncula la corp.
Voetnoot 19. Hl. Thomas, In IV Sent., dist. 25, q.
2, art. 2, quaestiuncula la, ad 4um.
Voor de volledige tekst, zie:
INTER INSIGNIORES.
Uit het Commentaar van de
Heilige Congregatie voor de geloofsleer aangaande
de Verklaring Inter Insigniores:
84. Het is zeer verhelderend op te merken, dat de gemeenschappen
ontstaan uit de reformatie die geen moeilijkheden hadden om vrouwen toe te
laten tot het pastorale ambt eerst en vooral de gemeenschappen zijn die de
katholieke leer van het wijdingssacrament hebben verworpen en belijden, dat de
pastor slechts een gedoopte is tussen andere gedoopten, ook als de gegeven
opdracht voorwerp is geweest van een wijding.
85. Daarom suggereert de verklaring, dat we alleen door het wezen
en het karakter van het wijdingssacrament te ontleden de uitleg zullen vinden
van de exclusieve roeping voor mannen tot het priesterschap en het episcopaat.
Deze ontleding kan in drie stellingen worden geschetst: 1) in de bediening van
de sacramenten die het wijdingsmerkteken vragen, handelt de priester niet in
eigen naam (in persona propria), maar in de persoon van Christus (in
persona Christi); 2) deze formule, zoals deze door de traditie
verstaan wordt houdt in, dat de priester een teken is in de zin zoals deze term
wordt begrepen in de sacramentele theologie; 3) juist omdat de priester een
teken van Christus de Verlosser is, moet hij een man zijn en geen vrouw.
87. Op gelijke wijze herhaalt de heilige Cyprianus de heilige
Paulus: 'De priester handelt werkelijk in plaats van Christus'.(44) Maar
theologische reflectie en kerkelijk leven hebben ertoe geleid in de uitoefening
van het ambt de min of meer nauwe banden te onderscheiden die de verschillende
acten hebben met het merkteken van de wijding en te specificeren welke dit
merkteken voor de geldigheid vereisen.
88. Te zeggen 'in de naam en in de plaats van Christus' is echter
niet voldoende om volledig de aard en de band uit te drukken tussen de
bedienaar en Christus zoals dat door de traditie wordt verstaan. De formule
in persona Christi suggereert in feite een betekenis die het dicht
brengt bij de griekse uitdrukking mimêma Christou.(45) Het woord
persona betekent een rol die werd gespeeld in het oude theater, een rol
die met een bepaald masker werd geïdentificeerd. De priester neemt de rol
van Christus op zich, waarbij hij Hem zijn stem en gebaren leent.
89. De heilige Thomas drukt deze opvatting juist uit: dat 'de
priester het beeld van Christus opvoert, in wiens persoon en kracht hij de
woorden om te consacreren uitspreekt.(41) De priester is daarom een
waarachtig teken in de sacramentele zin van het woord. Het zou een zeer
enge visie op de sacramenten zijn, indien men het begrip teken alleen liet
slaan op materiële bestanddelen.
90. Elk sacrament vervult het begrip op een andere manier. De
reeds vermelde tekst van de heilige Bonaventura bevestigt dit zeer duidelijk:
'de gewijde persoon is een teken van de Middelaar Christus'.(47)
91. Ofschoon de heilige Thomas als reden om vrouwen uit te
sluiten de veel besproken reden van de staat van onderdanigheid (status
subiectionis), aangaf, nam hij echter als uitgangspunt het beginsel:
'sacramentele tekenen maken op grond van een natuurlijke gelijkenis
aanschouwelijk',(48) met andere woorden de noodzakelijkheid van deze
'natuurlijke gelijkenis' tussen Christus en de persoon die zijn teken is. En
naar aanleiding nog altijd van hetzelfde punt herinnert de heilige Thomas
eraan: 'want omdat het sacrament een teken is, wordt voor hetgeen in het
sacrament wordt bewerkt niet alleen de zaak vereist, maar ook de betekenis van
de zaak'.(49)
92. Het zou niet overeenkomen met die 'natuurlijke gelijkenis',
met die voor de hand liggende 'betekenis', als de gedachtenis van het avondmaal
door een vrouw werd gesteld, want het gaat met betrekking tot de daden en
woorden van Christus niet om een eenvoudige vertelling, maar om een handeling,
en het teken is daadwerkelijk, omdat Christus tegenwoordig is in zijn bedienaar
die de eucharistie viert, zoals geleerd wordt door het Tweede Vaticaans
Concilie, in navolging van de encycliek Mediator Dei.(50)
93. Het is begrijpelijk, dat degenen die wijdingen van vrouwen
voorstaan verschillende pogingen hebben ondernomen om de waarde van deze
redeneringen te ontkennen. Het is voor de verklaring natuurlijk onmogelijk
geweest en ook niet noodzakelijk in detail alle moeilijkheden te beschouwen die
in dit opzicht konden ontstaan. Sommige van hen zijn echter van belang, in
zover zij gelegenheid bieden om een dieper begrip te verkrijgen van de
traditionele beginselen.
94. Laat ons eens de tegenwerping beschouwen welke soms te berde
wordt gebracht, dat de wijding - het merkteken - en niet het man-zijn de
priester tot de vertegenwoordiger van Christus maakt. Natuurlijk is het het
merkteken, bij de wijding ontvangen, dat de priester in staat stelt de
eucharistie te vieren en boetelingen te verzoenen. Maar het merkteken is
geestelijk en onzichtbaar (res et sacramentum). Op het niveau van het
teken (sacramentum tantum) is het noodzakelijk, dat de priester
tegelijkertijd de oplegging van de handen heeft ontvangen en ook dat hij de rol
van Christus speelt. Daarom eisen de heilige Thomas en de heilige Bonaventura
van het teken, dat het een natuurlijke zinvolheid heeft.
Voetnoot 44. Epist. 63, 14: uitg. Hartel, CSEL t. 3, blz.
713: sacerdos vice Christi vere_fungitur.
Voetnoot 45. Hl. Theodorus Studites, Adversus Iconomachos
cap. 4; PG 99, 593; Epist. lib. 1, 11: PG 99, 945.
Voetnoot 46. Summa Theol., III, q. 83, a. 1, ad
3um.
Voetnoot 47. Boven, noot 32: persona quae ordinatur significat
Christum mediatorem.
Voetnoot 48. In IV Sent., Dist. 25, q. 2 a. 2,
qa 1, ad 4um: signa sacramentalia ex naturali
similitudine repraesentent.
Voetnoot 49. T.z.p. in.corp. quaestiunculae: Quia cum
sacramentum sit signum, in eis quac in sacramento aguntur requiritur
non solum res, sed significatio rei.
Voetnoot 50. Tweede Vaticaans Concilie, constitutie
Sacrosanctum over de liturgie, n. 7 (Katholiek Archief 19 (1964),
508); Pius XII, encycliek Mediator Dei, 20 november 1947, AAS 39
(1947), blz. 528 (Katholiek Archief 2 (1947), 850).
Voor de volledige tekst, zie:
Officieel Commentaar op INTER
INSIGNIORES.
Klik
hier als U onze campagne voor de wijding van vrouwen aktief wilt
steunen..

![]() |
In dit boek gaat Hans Wijngaards in op belangrijke historische bronnen, vanaf het begin van het christendom tot het jaar 900. Hij bewijst op overtuigende wijze dat vrouwen de rol van diaken op zich namen en hiertoe ook gewijd werden. Met zijn historische studie levert Wijngaards een belangrijke bijdrage aan het actuele debat over de wijding van vrouwen tot diaken. Klik hier! |