|
|
|---|
Uit INTER
INSIGNIORES:
Nummering van de alineas door John
Wijngaards
38. Soms wordt er gezegd, of verspreid in boeken en
tijdschriften geschreven, dat er vrouwen zijn die roeping tot het priesterschap
in zich voelen. Dit soort neiging, hoe edel en begrijpelijk ook, is niet
voldoende voor een echte roeping: want deze kan niet worden herleid tot een
zuivere neiging van de geest welke slechts subjectief zou blijven. Want, omdat
het priesterschap een bijzonder ambt is waarvoor de kerk de zorg en bewaring
ontving, moet voor de roeping daartoe het gezag en zelfs het vertrouwen van de
kerk worden verkregen, omdat dit er een essentieel onderdeel van is, want
Christus koos die Hijzelf wilde (Mc. 3, 13). Van de andere kant is er de
algemene roeping van alle gedoopten om het koninklijk priesterschap uit te
oefenen door hun leven aan God op te offeren en tot eer van God getuigenis af
te leggen.
39. Vrouwen die verklaren het ambtelijk priesterschap na te
streven, worden weliswaar gedreven door het verlangen Christus en de kerk te
dienen. Het is ook niet verwonderlijk, dat zij, zich eenmaal ervan bewust
geworden, dat zij in de maatschappij sinds lang gediscrimineerd zijn, ertoe
komen het ambtelijk priesterschap voor zich te verlangen. Men mag echter niet
vergeten, dat de priesterlijke staat niet onder de rechten van de menselijk
persoon valt, maar afhangt van de economie van het mysterie van Christus en de
kerk. Men kan het priesterambt niet nastreven alsof het een promotie zou
inhouden tot een hogere maatschappelijke waardigheid; geen enkele louter
menselijke, hetzij maatschappelijke of persoonlijke, vooruitgang is op zich in
staal deze toelating te verlenen, omdat de staat hiervan geheel anders
is.
40. Rest ons nog onder de belangrijkste stellingen van de
christelijke belijdenis dieper door te denken over de echte gelijkheid van de
gedoopten, welke geen eenvormigheid is, omdat de kerk een lichaam is dat met
een verscheidenheid van ledematen is toegerust, waarin ieder lidmaat zijn eigen
taak wordt toegewezen. De taken die dus onderscheiden en niet verward moeten
worden, begunstigen geen verheffing van de een boven de ander en geven geen
aanleiding tot naijver. Het ene betere charisma waarnaar iemand kan en moet
streven, is de liefde (vgl. 1 Kor. 12-13). De grootsten in het rijk der
hemelen zijn niet de ambtsdragers, maar de heiligen.
Voor de volledige tekst, zie:
INTER INSIGNIORES.
Uit het Commentaar van de
Heilige Congregatie voor de geloofsleer aangaande
de Verklaring Inter Insigniores:
107. A vocation within the Church does not consist solely or
primarily in the fact that one manifests the desire for a mission or feels
attracted by an inner compulsion. Even if this spontaneous step is made and
even if one believes one has heard as it were a call in the depths of
ones soul, the vocation is authentic only from the moment that it is
authenticated by the external call of the Church. The Holv Office recalled this
truth in its 1912 letter to the bishop of Aire to put an end to the Lahitton
controversy.(53) Christ chose those he wanted (Mk 3:13).
108. Since the ministerial priesthood is something to which
the Lord calls expressly and gratuitously, it cannot be claimed as a right, any
more by men than by women. Archbishop Bernardins declaration of October
1975 contained the sound judgment: It would be a mistake . . . to reduce
the question of the ordination of women to one of injustice, as is done at
times. It would be correct to do this only if ordination were a God-given right
of every individual; only if somehow ones human potential could not be
fulfilied without it. In fact, however, no one, male or female, can claim a
right to ordination. And, since the episcopal and priestly office
is basically a ministry of service, ordination in no way completes
ones humanity.(54)
Voor de volledige tekst, zie:
Officieel Commentaar op INTER
INSIGNIORES.
Klik
hier als U onze campagne voor de wijding van vrouwen aktief wilt
steunen..

![]() |
In dit boek gaat Hans Wijngaards in op belangrijke historische bronnen, vanaf het begin van het christendom tot het jaar 900. Hij bewijst op overtuigende wijze dat vrouwen de rol van diaken op zich namen en hiertoe ook gewijd werden. Met zijn historische studie levert Wijngaards een belangrijke bijdrage aan het actuele debat over de wijding van vrouwen tot diaken. Klik hier! |