|
de juiste uitleg van de
overlevering

* bijbelse overlevering
* dynamische overlevering
* latente overlevering
* gerijpte overlevering
§ 9. " De heilige Traditie en de heilige Schrift zijn derhalve
nauw met elkaar verbonden, en staan niet los van elkaar. Want daar ze beide
ontspringen aan dezelfde goddelijke bron, vloeien ze op een bepaalde manier
samen en en hebben hetzelfde doel. De heilige Schrift is Gods Woord,
neergeschreven onder de adem van de Heilige Geest. En de Traditie geeft heel
Gods Woord door, hetwelk werd toevertrouwd aan de apostelen door Christus, de
Heer en door de Heilige Geest. Zij geeft het door aan de opvolgers van de
apostelen zodat die het, verlicht door de Geest van waarheid, trouw kunnen
bewaren, verklaren en overal verspreiden door hun prediking. Zodoende ontleent
de kerk haar zekerheid omtrent alle geopenbaarde waarheid aan de Schrift
alleen. Hieruit volgt dat zowel de Schrift als de Traditie moeten worden
aanvaard en geëerd met gelijke gevoelens van toewijding en
respect."
§ 10. "De heilige Traditie en de heilige Schrift vormen tezamen
een enkel heilig onderpand van het Woord van God, dat aan de kerk is
toevertrouwd. Door zich hieraan te houden blijft het hele heilige volk,
verenigd met zijn herders, altijd trouw aan de leer van de apostelen, aan de
broederlijke liefde, het breken van het brood en het gebed (vgl. Hand 2:42
Grieks). Terwijl men het geloof dat ons is doorgegeven bewaart, beleeft en
belijdt, zal er dus een opmerkelijke harmonie bestaan tussen de bisschoppen en
de gelovigen."
Dei Verbum. Dogmatische Constitutie over de
Goddelijke Openbaring nr 9 - 10, in The Conciliar and Post-Conciliar
Documents, uitg.A.FLANNERY, Dominican Publications, Dublin 1975, pag. 755.
Zie het hele hoofdstuk hier.
Om geldig te zijn moet de Traditie gebaseerd zijn op de Schrift.
Let wel: een traditie wordt niet schriftuurlijk enkel en alleen doordat
kerkvaders, theologen of het leergezag van de kerk een of andere
schriftuurtekst aanhalen. Om geldig te zijn moet het gebruik van de Schrift
legitiem zijn. Dit wil zeggen dat alleen die geschreven bronnen geldige
bronnen zijn voor de traditie, die de Schrift gebruiken volgens de betekenis
die de geïnspireerde schrijvers bedoelen.
De geïnspireerde
betekenis van de Schrift wordt vastgesteld door rekening te houden
met:
* de letterlijke
betekenis bedoeld door de auteur;
* de stijlfiguren die de
auteur gebruikt;
* de reikwijdte die de auteur aan de
tekst wilde geven ;
* mogelijke beperkingen zoals rationalisaties in de
tekst.
De ervaringen uit het verleden van de kerk verschaffen uitstekend
materiaal om dit principe te illustreren. Ik zal me hier concentreren op twee
voorbeelden: het feit dat de kerk gedurende negen eeuwen niet de juiste
traditie wist te onderscheiden met betrekking tot de slavernij, en de bewering
van de kerk dat alleen Katholieken konden worden gered. In beide gevallen was
een van de voornaamste oorzaken van de foutieve traditie een
verkeerde interpretatie van de Schrift.
- De test case van de slavernij.
- De test case van geen heil buiten de
Kerk
- Het voortschrijdende verstaan van de Schrift in
de geschiedenis van de Kerk leidt tot een besef van wat Christus werkelijk
bewoog .
Het gebruik van de
Schrift in de zogenaamde traditie ten gunste van de
slavernij.
Ofschoon vele pausen de uitwassen van de internationale slavenhandel
veroordeelden, bekrachtigde het officiële leergezag van de kerk de
legitimiteit van slavernij als zodanig tot aan Paus Leo XIII in 1888!
Ziehier enkele van de feiten, ingekort vanwege ruimtegebrek:
- het plaatselijke Concilie te Gangra in Klein Azië, 362 na Chr.,
excommuniceerde ieder die een slaaf zei dat hij zijn meester moest minachten
ofwel zijn dienst verlaten;
- hetzelfde decreet wordt onder Paus Martinus I in Concilie herhaald in
het jaar 650 na Chr.;
- Het negende Concilie van Toledo veroordeelde de kinderen van
priesters in 650 na Chr. tot slavernij;
- De Synode van Melfi onder Paus Urbanus II in 1089 veroordeelde de
vrouwen van priesters tot slavernij;
- Het Derde Concilie van Lateranen van 1179 veroordeelde degenen die de
Mohammedanen hielpen tot slavernij;
- De legitimiteit van slavernij werd vastgelegd in het officiële
Corpus Iuris Canonici, gebaseerd op het Decretum Gratiani, dat sinds
Paus Gregorius IX de officiële wet van de Kerk werd in 1226;
- in 1454, machtigde Paus Nicholaas V in de bull Romanus
Pontifex de koning van Portugal alle Mohammedanen en heidenen die zijn
legers konden onderwerpen tot slaaf te maken;
- hoewel bepaalde latere pausen, zoals ik reeds opmerkte, de uitwassen
van de slavernij veroordeelden, veroordeelden zij niet de slavernij als
zodanig;
- het is een feit dat het Heilig Officie in Rome 20 June 1866 nog
verklaarde: "Slavernij als zodanig is in het geheel niet strijdig met de
natuurwet en de goddelijke wet, en er kunnen verschillende terechte gronden
voor slavernij zijn en hiernaar wordt verwezen door erkende theologen en
commentatoren van de gewijde canons.... Het is niet in strijd met de
natuurwet en de goddelijke wet dat een slaaf wordt verkocht, gekocht,
uitgewisseld of weggegeven".
Meer hierover in: J.F.MAXWELL, The Development of
Catholic Doctrine Concerning Slavery, World Jurist 11 (1969-70)
pag.147-192 en 291-324.
Let wel: het Heilig Officie verklaarde in 1866 dat slavernij niet
in strijd was met de goddelijke wet. In theologische termen betekent dit:
slavernij is overeenkomstig de geïnspireerde betekenis van de Schrift.
Onder de bijbelse bewijsstukken voor de legitimiteit van de traditie
vinden we de volgende Schriftteksten:
1. Het gebruik van teksten uit het Oude Testament
Het Oude Testament houdt het instituut van slavernij voor doodnormaal.
Vgl. bijvoorbeeld Sirach 33,25-30.
Israëlieten kunnen door andere Israëlieten tot slaaf gemaakt
worden als straf voor diefstal (Ex 22,3), om schulden af te betalen (Ex 31,2-6;
Lv 25,39), doordat een vreemdeling hem te koop aanbiedt (Lv 25,47-55), en door
de verkoop van een dochter door haar vader (Ex 21,7-11). Dit soort teksten
werden het bronmateriaal waarop kerkelijke rechtsgeleerden en theologen de vier
gerechtvaardigde gronden voor slavernij baseerden (zie de
tekst van het Heilig Officie hierboven): krijgsgevangenschap, wettige
veroordeling, koop en verkoop en geboorte (het kind van een slavin is een
slaaf!).
Commentaar: Paulus had duidelijk aangetoond dat de Oude Wet
niet meer gold. Het beginsel van de gelijkheid in Christus van Jood en Griek,
slaaf en vrije, man en vrouw, was klaar en duidelijk verkondigd.
Gal 3,28.
Deze argumenten zijn
daarom ongeldig!
2. Het gebruik van evangelieteksten
Stel, iemand van jullie heeft een slaaf die ploegt of het vee
hoedt. Zal hij hem, als hij thuiskomt van het land, zeggen: Kom meteen
aan tafel?
Nee, hij zal hem veeleer zeggen: Maak het eten voor
mij klaar, omgord je en bedien me, en als ik klaar ben met eten en drinken, dan
kun jij gaan eten en drinken.
Hij bedankt de slaaf toch niet omdat hij
heeft gedaan wat hem werd opgedragen?
Zo moeten ook jullie zeggen, als je
alles hebt gedaan wat je werd opgedragen: Wij zijn maar slaven, we hebben
gedaan wat we moesten doen.
Lc 17,7-10; zie ook Mt 10,24-25; 13,27-28;
18,25; enz.
Sommige kerkvaders, theologen en pausen hebben dergelijke
evangelieteksten gebruikt om te bewijzen dat slavernij door God gewild is. Zij
zeiden dat Jezus zelf de slavernij accepteerde. Jezus geeft voorbeelden van
slavernij die tonen dat hij de ondergeschiktheid van slaven doodgewoon vond.
Bovendien bewonderde hij de dienst van onderdanige en nederige slaven. Daarom
is iets moois dat niet strijdig is met de wil van God!
Commentaar: Jezus heeft het voorbeeld van de slavernij alleen maar
aangehaald om iets te verduidelijken. Hij heeft
de slavernij niet afgeschaft, net zo min als hij de sociale afhankelijkheid
van de vrouw afschafte, maar het is niet legitiem om uit deze teksten te
concluderen dat hij de slavernij een goede zaak vond. Dit volgt uit de
stijlfiguur waarvan hij gebruik maakt,
evenals uit datgene wat hij bedoelde te
zeggen.
3. Het gebruik van de Brieven uit het Nieuwe Testament
Slaven,wees in alles gehoorzaam aan je aardse heren, niet als
ogendienaren om mensen te behagen, maar in eenvoud van hart, met ontzag voor de
Heer.
Wat jullie ook doen, doe het van harte, alsof het voor de Heer was en
niet voor mensen.
Kol 3,22-25; zie ook Ef 6,5-9; Tit 2,9-10; 1 Pe
2,18-20.
Deze teksten werden gebruikt als bewijs dat de Apostelen de praktijk van
slavernij goedkeurden. De theologen bleven dit soort argumenten herhalen tot
ver in de negentiende eeuw. Het leidde hen tot een stellige overtuiging:
Het staat vast als een geloofskwestie dat de slavernij waarin een man
zijn meester dient als slaaf, geheel wettig is.
Dit kan worden afgeleid uit de Heilige Schrift.
Tekst uit een standaardwerk: LEANDER, Questiones Morales Theologicae,
Lyon 1692; Deel 8, De Quarto Decalogi Precepto, Tract.IV, Disp. I, Q.3.
Commentaar: dit argument is ongeldig, omdat in deze zogenaamde
huishoudcodes de auteurs van deze brieven spreken over de situatie
van hun toehoorders op dat moment (waarop slavernij een gegeven was). Algemene
beginselen omtrent slavernij afleiden uit deze teksten misbruikt hun
bedoeling.
Les: In onze tijd erkent de Kerk, inclusief het Magisterium, dat
slavernij indruist tegen de menselijke grondrechten en indruist tegen de
bedoelingen van God (Vaticanum II, Gaudium et Spes, nr 29).
Uit deze erkenning kan men de volgende conclusies trekken:
- De zogenaamde traditie waarvan men meende dat zij
slavernij goedkeurde en waarop het Magisterium zijn rechtvaardiging van
slavernij baseerde, maakte in werkelijkheid geen deel uit van de ware Traditie
doorgegeven vanaf Christus.
- De zogenaamde traditie, waarvan men beweerde dat zij
schriftuurlijk was (zie het Heilig Officie in 1866: ("slavernij is niet
strijdig met de wet van God") blijkt niet afgeleid te kunnen worden uit de
Schrift. De bijbelteksten werden ten onrechte aangehaald. De uitleg ervan ging
verder dan de geïnspireerde schrijvers bedoelden.
- De ware Traditie die van Christus en de apostelen komt, is gelegen in
het beginsel van de fundamentele gelijkheid van allen, vastgelegd in
de universele doop van Christus, die
gelijkelijk van toepassing is op mannen en vrouwen, slaven en vrijen, zoals
uitdrukkelijk geleerd wordt door Paulus.
- Alleen deze geldige Traditie was waarlijk
bijbels!
Het gebruik van de
Schrift in de zogenaamde traditie dat er geen heil is buiten de
Kerk.
In ieder geval tot 1854 was de officiële leer van de kerk dat er
buiten de Kerk geen heil was. Hier volgen enkele beweringen van het
Magisterium:
- In een geloofsbelijdenis, voorgeschreven door Paus Innocentius III in
1208 lezen we: "Wij geloven dat niemand gered kan worden buiten de ene, heilige
Rooms Katholieke Kerk" (Enchiridion Symbolorum, Denzinger (= afgekort
Denz) nr 423).
- In het Vierde Concilie van Lateranen van 1215: "Er is
één universele Kerk van gelovigen en buiten deze is er voor
niemand heil." (Denz. 430).
- Bonifatius VIII verklaarde plechtig in zijn Bull Unam Sanctam
van 1302: "Wij verklaren, wij roepen uit, wij bepalen dat het voor het heil
absoluut noodzakelijk is dat ieder menselijk wezen ondergeschikt is aan de
Romeinse Opperherder" (Denz. 468).
- Het Concilie van Florence, in 1442, under Pope Eugene IV: "(De
Heilige Roomse Kerk) gelooft ten stelligste, belijdt en predikt, dat niemand
die buiten de Katholieke Kerk blijft, niet slechts heidenen maar ook Joden,
ketters of scheurmakers, deel kan hebben aan het eeuwige leven; maar zij zullen
gaan naar het eeuwigdurende vuur, bereid voor de Duivel en zijn
engelen (Mt. 25:41), tenzij zij voor het einde van hun leven in de Kerk
worden opgenomen. Want eenheid met het lichaam van Christus is zó
belangrijk dat de sacramenten van de Kerk slechts hulp bieden aan degenen die
in haar blijven, en vasten, aalmoezen en andere vrome werken en oefeningen van
een strijdbaar Christelijk leven dragen alleen voor hen vrucht. En niemand kan
worden gered, zelfs als hij zijn bloed vergiet voor de naam van Christu, tenzij
hij blijft in de boezem end e eenheid van de Katholieke Kerk." (Denz. 714).
Het gebruik van de Schrift
Door de kerkvaders, de theologen en de pausen was de
traditie hoofdzakelijk gebaseerd op de volgende Schriftuurteksten:
- "Ik zal je de sleutels geven van het koninkrijk der hemelen en wat je
op aarde bindt zal ook in de hemel gebonden zijn, en wat je op aarde ontbindt
zal ook in de hemel ontbonden zijn." (Mt 16,19; zie ook 18,18).
- "Wie tot geloof komt en gedoopt wordt, zal gered worden, maar wie
niet tot geloof komt, zal veroordeeld worden" (Mc 16,16).
Het argument dat werd gegeven was dat deze teksten exclusief zijn in wat
ze vaststellen. Ze schrijven universele macht toe aan de hiërarchie en
maken het doopsel tot het enige middel van heil.
Commentaar: De absolute wijze van spreken is een specifieke
stijlfiguur, de hyperbole, die karakteristiek is voor het Joodse
taalgebruik. Andere voorbeelden zijn: Mt 7,4; 23,24; 5,29; 5,34-35;
24,36; 12,30 (een tegenstelling met Mc 9,40!). Men dient rekening te houden met
deze stijlfiguur .
Bovendien ging
Jezus niet in op de ruimere vraag, hoe deugdzame mensen gered worden in en door
hun eigen godsdienst. De exclusieve uitleg ging verder dan hij
bedoelde.
Les: In de negentiende eeuw begin de Kerk haar leer te wijzigen
en zei dat iemand tot de Kerk kon behoren door begeerte en dat dit
voldoende was voor het heil. Vaticanum II rondde dit proces af door met klem te
stellen dat er heil is buiten de kerk, al degenen die God zoeken met een
zuiver hart (Lumen Gentium 15-17) en dat hun verschillende
religies tot op zekere hoogte ook heilmiddelen zijn (Nostra Aetate, over
de Verhouding tot de niet-Christelijke godsdiensten.
Uit deze erkenning komt men tot de volgende conclusies:
- De zogenaamde traditie, waarvan men dacht dat het heil
slechts beperkt bleef tot Katholieken en waarop het Magisterium zijn
rechtvaardiging van de leer baseerde, maakte in feite in het geheel geen deel
uit van de ware Traditie, die vanaf Christus is doorgegeven.
- De zogenaamde traditie, die schriftuurlijk heette
te zijn, bleek niet schriftuurlijk. De bijbelteksten waren ten onrechte
gebezigd. De uitleg ervan overschreed de geïnspireerde en bedoelde
betekenis.
- De ware Traditie die van Christus en de apostelen afkomstig is, la
besloten in andere Schriftteksten, zoals het respect van Christus voor de
religieuze oprechtheid van de Romeinen (Mt 8,5-13), Samaritanen (Joh 4,7-26; Lc
10,29-37) en Syro-Phoeniciërs (Mt 15,21-28; Mc 7,24-30); en de leer van
Paulus die zegt dat God ieder mens, hetzij Jood of niet-Jood, beoordeelt
volgens hetgeen hun geweten hen gebiedt (Rom 2,6-16).
- Alleen deze geldige Traditie was waarlijk
bijbels!
Aangezien de Schrift en de Traditie één bron van
Openbaring zijn, één enkel onderpand van het Woord van
God (Vaticanum II, De
goddelijke Openbaring nr 9 - 10 ), volgt daaruit dat ze zich
tezamen dienen te ontwikkelen in het geestelijke en theologische bewustzijn van
de Kerk.
- Traditie is niet iets dat bovenop de Schrift komt (in de zin dat zij
apostolische leer doorgeeft die niet in de Schrift te vinden is) maar een
andere manier om de waarheden die vervat zijn in de Schrift door te geven
want de Schrift zelf is "absoluut soeverein".
- Traditie is een proces van hoe een schat tot stand komt, ofwel een
voortschrijdend meditatief groeiproces van de ene generatie na de andere, "de
levende continuïteit van het geloof dat het volk van God doet leven"
een soort midrash [reflecti] of gemara [commentaar].
- Veel Schriftgedeelten betekenen meer voor de Christenen van nu dan
voor hun voorgangers in de eerste eeuwen van het Christendom, vanwege hun
betekenis voor tussenliggende generaties Christenen.
- Traditie is het stapsgewijs groeiend verstaan van de Schrift, dat
meer en meer toeneemt door de eeuwen heen, zonder dat dit meer uit de Schrift
haalt dan er minstens impliciet in te vinden is. See F.F. Bruce, Tradition,
Old and New, Paternoster Press, New York 1970, pag. 167-168.
Yves M.J. Congar, de onbetwiste expert voor wat traditie betreft,
beschrijft het proces als een samenspel tussen de oorspronkelijke woorden en
daden van Christus enerzijds en de voortdurende activiteit van de Geest
anderzijds (Tradition and Traditions, London, Burns & Oates, pag.
338-347). Ik zal zijn gedachten hier samenvatten.
De leerstellige inhoud van de Traditie bestaat in de juiste
interpretatie van de schriftuurlijke openbaring van haar centrale object:
Christus en de verlossing, door hem gebracht. Hoewel Christus de inhoud van de
Schrift uitmaakt , geeft hij ons het verstaan ervan door zijn Heilige Geest.
Het is de Geest die ons in staat stelt te zeggen "Jezus is de Heer" (1 Kor
12,3); de teksten van de Schrift zijn duister totdat we om ze te kunnen
verstaan ons wenden tot de Heer onder de invloed van zijn Heilige Geest (2 Kor
3,12-18). Ongetwijfeld is dat de reden waarom Paulus Timoteüs vermaande
"bewaar de u toevertrouwde schat met de hulp van de heilige Geest die in ons
woont" (2 Tim 1,14).
De Brieven van Paulus en de Handelingen van de Apostelen van Lucas
schrijven het hele leven van de Kerk en haar dienstwerk toe aan de Geest. De
belofte van de gave van de Geest, die onze Heer aan de apostelen deed (Joh
14,18; 14,16; 15,26; 16,12-13) was niet slechts bedoeld voor de Twaalf. In
tegendeel, we hebben redenen te beweren dat deze van toepassing is op de Kerk
van alle eeuwen. Merk op hoe in Joh 14 en 16 het woord "jullie" telkens
terugkeert: Ik geef jullie, ik zend jullie, hij zal jullie leiden, hij zal
jullie doen verstaan. Dit herhaalde "jullie" verwijst zowel naar personen
(de apostelen) als naar de gemeente. In feite werd op Pinksteren de Geest
geschonken aan alle leerlingen, honderd twintig in getal(vgl.. Hand 1,15; vgl.
Lc 24,33: "De elf
en die bij hen waren"). De beloofde Geest is geschonken
aan de aanwezige gemeente; toen nieuwe leden toetraden tot de eerste kerngroep,
en de Kerk, in de loop van de tijd zouden zij op hun beurt de Geest ontvangen
die het lichaam van Christus opbouwt (vgl. 1 Kor 12,13). Waar het op neerkomt
is dat het met de gave van de Geest net is als met de genadebedeling als
geheel: als de gebeurtenis eenmaal heeft plaatsgevonden betreft zij alle
volgende generaties en werkt in hen door.
De rol die de Heilige Geest aldus bekleedt is het present stellen en
verinnerlijken van wat Christus heeft gezegd en gedaan. Een levend geloof in
Christus moet voortaan beleefd worden door opeenvolgende generaties van mensen,
die op verschillende plaatsen naast elkaar bestaan. Het patroon van waarheid en
leven dat eens en voor al is bepaald, en voor alle mensen, moet voor ieder
individu een persoonlijk patroon worden alsmede een gemeenschappelijk patroon
voor ontelbare menigten mensen, die elk voor zich hun eigen individueel leven
leiden in ruimte en tijd. Een persoonlijk zich eigen maken dient plaats te
hebben, niet enkel en alleen door een beslissing door mensen genomen, hetwelk
noch een beginsel van eenheid noch een beginsel van goddelijk leven zou zijn,
maar door een nieuwe daad van God zelf, niet langer zichtbaar geïncarneerd
op een moment van de geschiedenis, maar die zichzelf innerlijk aan ieder en aan
allen meedeelt. Dit is het werk van de Geest
Daar hij Geest is, handelt hij in mensen op geestelijke wijze
zonder hen op wat voor manier dan ook te dwingen. De Schrift karakteriseert
deze tussenkomst door ze te vergelijken met een inwoning, een doordringende
olie, een innerlijke inspiratie, die nauwelijks is te onderscheiden van de
normale werking van onze geest, een besef dat heel alleen in staat is de
diepten te peilen van ons persoonlijk leven (1 Kor 2,10 en volg.). En toch is
hij in alle mensen en werkt van binnenuit om eenheid te brengen en
eensgezindheid. Hij stelt ieder in staat, om volgens zijn of haar eigen aard,
roeping en plaats, de gemeenschap van allen te zoeken en te bevorderen. Zijn
gaven zijn "tot welzijn van allen" (1 Kor 12,7), "tot opbouw van het lichaam
van Christus" (Ef 4,12; vgl. 1 Kor 12,13). Zodoende kan de sensus
fidelium een latente traditie in
zich dragen die later wordt geëxpliciteerd in de Kerk.
De structuur van ons geloof komt voort uit samenvallen van de
geestelijke energie of inspiratie die direct van God komt met de aanvaarding
van de leer die door de Kerk wordt doorgegeven vanaf Christus en de apostelen,
in een lang historisch proces. In ons geloof komen samen een historische
overdracht van het geloofspatroon en een geestelijk gebeuren dat de
Geest tot stand brengt in elk nieuw bewustzijn. Wat op persoonlijk niveau wordt
bewerkt, komt analoog tot stand op kerkelijk niveau, waar de grote Sequentia
sancti Evangelii [= de ontvouwing van het Heilig Evangelie] stap voor stap
moet worden gerealiseerd. De Kerk zelf beseft dit heel goed; zij getuigt
daarvan, zowel in de woorden van de Vaders als van de theologen en in die
bevoorrechte ogenblikken van zelfbewustzijn en gemeenschappelijke
inventarisatie, die we concilies noemen. Het
dynamische aspect in de Tradition
heeft zijn oorsprong dus te danken aan de voortdurende werking van de Heilige
Geest.
Besluit
Om deel uit te maken van de ware Traditie van de Kerk dient een
traditie gebaseerd te zijn op de Schrift. Dit betekent dat zij
gebaseerd moet zijn op een juist verstaan van de geïnspireerde betekenis
van schriftteksten. In de geschiedenis van de Kerk, ging een dergelijk juist
verstaan soms hand in hand met een nieuw besef van belangrijke kwesties. Het
nieuwe en juiste verstaan van de Schrift komt tot stand door de niet aflatende
werkzaamheid van de Heilige Geest in de kerk.
Vertaling: Theresia Saers
Klik
hier als U onze campagne voor de wijding van vrouwen aktief wilt
steunen..
Vermeld a.u.b. dat dit documentontleend is aan www.womenpriests.org!

![]() |
In dit boek gaat Hans Wijngaards in op belangrijke historische bronnen, vanaf het begin van het christendom tot het jaar 900. Hij bewijst op overtuigende wijze dat vrouwen de rol van diaken op zich namen en hiertoe ook gewijd werden. Met zijn historische studie levert Wijngaards een belangrijke bijdrage aan het actuele debat over de wijding van vrouwen tot diaken. Klik hier! |