OOK VROUWEN PRIESTER? JAZEKER!header

Responsive image

BEGIN

REDEN GENOEG

TEGEN DE PAUS?

DEBAT

MENU

Nederlands/Vlaams Deutsch Francais English language Spanish language Portuguese language Catalan Chinese Czech Malayalam Finnish Igbo
Japanese Korean Romanian Malay language Norwegian Swedish Polish Swahili Chichewa Tagalog Urdu
------------------------------------------------------------------------------------
Het Wetboek van Canoniek Recht, 1983

Het Wetboek van Canoniek Recht, 1983

de juiste uitleg van de overlevering
* bijbelse overlevering
* dynamische overlevering
* latente overlevering
* gerijpte overlevering

Bron: Codex Iuris Canonici, Wetboek van Canoniek Recht, Latijns-Nederlandse Uitgave, in opdracht van de Belgische en de Nederlandse bisschoppenconferentie. Uitgegeven door: Licap c.v., Brussel – GOOI & STICHT, Hilversum in samenwerking met: Butzon en Bercker, Kevelaer, 1987.

Verplichtingen van de christengelovigen ten aanzien van het leergezag

Canon 212, § 1. "Ten aanzien van hetgeen de gewijde Herders, Christus vertegenwoordigend, als geloofsleraren verklaren of als bestuurders van de Kerk bepalen, zijn de christengelovigen, in het besef van hun eigen verantwoordelijkheid, gehouden een christelijke gehoorzaamheid te betonen."

Canon 212, § 2. "De christengelovigen komt het onverminderd toe hun noden, in het bijzonder van geestelijke aard, en hun wensen aan de Herders van de Kerk kenbaar te maken."

Canon 212, § 3 . "Naargelang van de kennis, de deskundigheid en het aanzien dat zij genieten, hebben zij het recht, zelfs ook soms de plicht, hun mening over wat het welzijn van de Kerk aangaat aan de gewijde Herders kenbaar te maken en deze, met behoud van de zuiverheid van geloof en zeden en van de eerbied jegens de Herders, en rekening houdend met het algemeen nut en de waardigheid van de personen, aan de overige christengelovigen bekend te maken."

De academische vrijheid van theologen

Canon 218. "Wie zich toeleggen op de gewijde wetenschappen, genieten een gerechte vrijheid om onderzoek te verrichten alsook om hun mening naar wijs oordeel bekend te maken in zaken waarin zij deskundig zijn, met behoud van de verschuldigde volgzaamheid jegens het leergezag van de Kerk."

Alleen mannen kunnen worden aangesteld als lector of acoliet

Canon 230, §1. "Mannelijke leken die over de door een decreet van de bisschoppenconferentie bepaalde leeftijd en gaven beschikken, kunnen door de voorgeschreven liturgische ritus vast aangesteld worden tot de bediening van lector en van acoliet; deze verlening van bedieningen evenwel brengt voor hen niet het recht met zich mee op een door de Kerk te verschaffen onderhoud of vergoeding."

Opmerking. ‘Aanstelling op een permanente of duurzame basis in deze beide bedieningen is beperkt tot mannen en tot degenen die de leeftijd hebben bereikt zoals bepaald door de bisschoppenconferentie. In de Verenigde Staten is die leeftijd achttien. Een speciale liturgische ritus dient daarbij gevolgd te worden. Aanstelling betekent echter geen wijding. Er zijn geen bisschoppelijke opdrachten nodig om mannelijke leken geldig aan te stellen in deze bedieningen; dit kan geschieden door de bisschop of door de hogere overste van een religieuze orde. Door een aanstelling verkrijgt de bedienaar geen enkele aanspraak op geldelijke ondersteuning van de kerk; hij wordt geen clericus (c. 266, §1).’ CCLTC, p. 167.

‘Een ander probleem waarmee men sinds 1972 te maken heeft gekregen, is dat de aanstelling in deze bedieningen beperkt blijft tot mannen. De grond voor deze beperking is aangevochten gedurende het hele herzieningsproces van de Codex. Het zijn werkelijk lekenbedieningen en zij zijn niet bedoeld als stappen op weg naar de heilige wijdingen; de beperking tot mannen schijnt een niet verantwoorde discriminatie. De beperking is niettemin in de canon gehandhaafd. De praktische moeilijkheid bestaat hierin dat veel van die functies die aangestelde lectoren en acolieten moeten vervullen, reeds toevertrouwd zijn aan vrouwen net zoals aan mannen. Vrouwen zijn gemachtigd de lezingen vóór het evangelie voor te lezen en in sommige landen zoals de Verenigde Staten heeft de bisschoppenconferentie hun toegestaan dit vanaf dezelfde plek binnen het priesterkoor te doen als waar ook het evangelie wordt voorgelezen. Vrouwen zijn in vele bisdommen gemachtigd de communie uit te reiken als buitengewone bedienaren. Wat zou de uitwerking zijn op de gemeenschap wanneer sommigen die deze bedieningen verzorgen zouden worden aangesteld en aan anderen, evenzeer bevoegd en ervaren, de aanstelling onthouden zou worden, enkel en alleen op basis van het geslacht? Het zou de indruk wekken dat de bepalingen van canon 208 over de gelijkheid van alle gedoopten niet wordt nagekomen. ’ CCLTC, p. 168.

Krachtens ‘tijdelijke aanstelling’ kunnen leken, inclusief vrouwen, voorlezer, misdienaar, cantor, commentator, voorganger van gebedsdiensten, en bedienaars van doop en communie zijn

Canon 230, §2. "Leken kunnen krachtens een tijdelijke aanstelling bij liturgische handelingen de taak van lector vervullen; ook kunnen alle leken de taken van commentator, cantor of andere vervullen volgens het recht."

Canon 230, § 3. "Waar de nood van de Kerk dit wenselijk maakt, kunnen bij gebrek aan bedienaren ook leken, al zijn zij geen lector of acoliet, sommige van hun taken waarnemen, namelijk de bediening van het woord uitoefenen, in liturgische gebeden voorgaan, het doopsel toedienen en de heilige Communie uitreiken, volgens de voorschriften van het recht."

‘Met erkenning van de feitelijke praktijk en getrouw aan de mogelijkheden van Sacrosanctum Concilium 29, heeft de Algemene Instructie op het Romeins Missaal (nos. 68-70) erin voorzien dat leken van beider geslacht en zonder canonieke beperking van leeftijd (hoewel zij duidelijk oud genoeg moeten zijn om op passende wijze de bediening te verrichten) sommige van deze diensten vervullen die aangestelde lectoren en acolieten vervullen. Deze nieuwe functies zijn in de voorbereidende documenten van het wetboek geclassificeerd als liturgische diensten; hoewel de canon niet dezelfde terminologie gebruikt kunnen deze diensten nog steeds terecht als ‘ambtelijke functies’ worden aangemerkt." CCLTC, p. 168.

‘Het wetboek van 1917 beperkte de dienstverlening aan het altaar tot mannen (CIC 813). Het herziene wetboek handhaaft deze canon niet; krachtens canon 6, §1 is het niet langer canoniek recht. Niettemin, canon 2 geeft duidelijk aan dat de liturgische wetten van kracht blijven. De bepalingen van de Algemene Instructie op het Romeins Missaal (no. 70) maken het vrouwen mogelijk om aangesteld te worden voor diensten die buiten het priesterkoor vervuld worden. Zij kunnen ook toestemming krijgen om sommige diensten te vervullen die op het priesterkoor thuis horen; voorlezing van de schriftteksten vóór het evangelie is uitdrukkelijk toegestaan (no. 70) en uitreiking van de communie wordt vermeld, waarbij impliciet vrouwen tot het priesterkoor worden toegelaten (no. 68). Hoewel een latere instructie aangaf dat het vrouwen niet geoorloofd was om als misdienaars op te treden, houdt het wetboek niet langer vast aan dit verbod en de kracht van deze latere instructie houdt derhalve op. De bepalingen van de Algemene Instructie op het Romein Missaal dienen te worden geïnterpreteerd in overeenstemming met de situatie van de particuliere kerken.’ CCLTC, p. 168.

De omvang van de onfeilbaarheid in het leergezag

Canon 749, § 1. "Onfeilbaarheid in het leergezag geniet de Paus, wanneer hij, uit hoofde van zijn ambt als opperste Herder en Leraar van alle christengelovigen, wiens taak het is zijn broeders in het geloof te bevestigen, een leer inzake geloof of zeden bij definitieve act als bindend afkondigt."

Canon 749, § 2. "Onfeilbaarheid in het leergezag bezit ook het Bisschoppencollege, wanneer de Bisschoppen het leergezag uitoefenen in een Oecumenisch Concilie vergaderd en, als leraren en rechters in geloof en zeden, voor de gehele Kerk verklaren dat een leer inzake geloof of zeden definitief bindend is; of wanneer zij, over de wereld verspreid, de band van gemeenschap onder elkaar en met de opvolger van Petrus bewarend, samen met deze Paus van Rome zaken van geloof of zeden authentiek lerend, tot een eensgezinde uitspraak komen die definitief bindend is."

Canon 749, § 3. "Geen leer dient als onfeilbaar gedefinieerd beschouwd te worden, tenzij dit duidelijk vaststaat."

Niveaus van aanvaarding van het leergezag

Canon 750. "Met goddelijk en katholiek geloof moet geloofd worden alles wat vervat is in het geschreven of overgeleverd woord van God, namelijk in het ene geloofsgoed dat aan de Kerk toevertrouwd is en dat tegelijk als van Godswege geopenbaard voorgehouden wordt, hetzij door het plechtig leergezag van de Kerk hetzij door het gewoon en universeel leergezag, dat zeker ook door het gemeenschappelijk aanvaarden van de christengelovigen onder leiding van het heilig leergezag tot uiting gebracht wordt; derhalve zijn allen verplicht welke leerstellingen dan ook te mijden die hiermee in strijd zijn."

Canon 752. "Weliswaar geen geloofsinstemming maar wel een religieuze volgzaamheid van verstand en wil moet betracht worden ten overstaan van een leer die hetzij de Paus hetzij het Bisschoppencollege inzake geloof of zeden naar voren brengen, wanneer zij hun authentiek leergezag uitoefenen, ook al hebben zij niet de bedoeling deze bij definitieve act af te kondigen; bijgevolg dienen christengelovigen ervoor te zorgen om te mijden wat met deze leer niet strookt."

Het leergezag van de bisschoppen

Canon 753. "De Bisschoppen die in gemeenschap zijn met het hoofd en de leden van hun College, zijn hetzij ieder afzonderlijk hetzij gezamenlijk in bisschoppenconferenties of particuliere concilies, ook al bezitten zij niet de onfeilbaarheid in hun onderricht, de authentieke leraren en meesters van het geloof voor de aan hun zorg toevertrouwde christengelovigen; de christengelovigen dienen dit authentiek leergezag van hun Bisschoppen met religieuze volgzaamheid te aanvaarden."

Alleen mannen kunnen de heilige wijdingen ontvangen

Canon 1024. "Alleen een gedoopte man ontvangt geldig de heilige wijding."

‘De vraag kan worden gesteld of discriminatie op grond van sekse binnen de kerk gerechtvaardigd wordt zowel vanwege het schriftuurlijke bevel als vanwege de noodzaak voor de kerk om beginselvast in praktijk te brengen wat zij leert indien zij geloofwaardig wil zijn in haar maatschappelijk leergezag.’

‘In een vroegere versie van de lijst van rechten was een canon opgenomen op grond van Gaudium et Spes waar gezegd wordt dat de verplichtingen en rechten die gemeenschappelijk zijn aan alle christenen, toegepast dienen te worden zonder discriminatie op basis van, onder andere, sociale afkomst en sekse. Deze is in de uiteindelijke lijst niet gehandhaafd. Niettemin is er een serieuze poging gedaan in het wetboek van 1983 om vele uitingen van seksuele discriminatie van het vorige wetboek uit te bannen. Bijvoorbeeld, er is niet langer sprake van onderscheid op grond van sekse met betrekking tot het domicilie (c. 104), de overgang naar een andere ritus (c. 112), de voorzichtigheid die clerici in acht moeten nemen om onthouding te bewaren (c. 277, §2), de normen betreffende de biechtstoel (c. 964) of de plaats van huwelijksviering (c. 1115) of uitvaart (c. 1177). In geval van bekeerlingen worden polygame mannen en vrouwen gelijk behandeld (c. 1148, §1). De wet betreffende religieuzen wordt gelijkelijk toegepast op mannen en vrouwen tenzij uit de tekst van de woorden of uit de aard van de zaak iets anders vaststaat (c. 606). De belangrijkste uitzondering is de normering van pauselijke clausuur die alleen van toepassing is op kloosters van monialen (c. 677,. §3). Vrouwen mogen functies hebben bij rechtbanken, zelfs als rechter (c. 1421, §2), kunnen gemachtigd worden om in kerken te preken (c. 766), en kunnen geroepen worden om de pastorale zorg over een parochie uit te oefenen (c. 517, §2).’

‘Het grootste onderscheid in het wetboek ligt niet zozeer tussen mannen en vrouwen als wel vooral tussen clerici en leken. Twee uitzonderingen zijn dat alleen mannelijke leken tot lector of acoliet kunnen worden aangesteld (c. 230, § 1), en dat het huwelijksbeletsel van een ontvoering zich alleen kan voordoen wanneer een man een vrouw ontvoert en niet omgekeerd (c. 1089).’

‘Nog altijd echter geldt de uitsluiting van vrouwen voor wijdingen (c. 1024), en daardoor voor diensten, functies en ambten die beperkt zijn tot clerici. Maar deze brengen niet allemaal de uitoefening van wijdingsmacht mee. Bijvoorbeeld, alleen gewijden kunnen bestuursmacht uitoefenen in de kerk (c. 129, §1), en de functies die deze macht meebrengen zijn beperkt tot clerici (c. 274, §1).’

‘Dit sluit vrouwen niet uit van creatieve, actieve rollen in de kerk. Het zal tijd en inspanning vragen om de nieuwe manier van denken die voor het herziene wetboek karakteristiek is, in te vullen. Maar daarmee is er ook voor iedereen in de kerk royale gelegenheid om na te gaan wat de canons over gelijkheid, verplichtingen en rechten allemaal inhouden. Er is verdere theologische opheldering nodig van de relatie tussen het gewijde ambt en de bestuursmacht, met name vanwege de beperking voor vrouwen om gewijd te kunnen worden. Het moet niettemin worden toegegeven dat de voortgaande discriminatie, zelfs als die gebaseerd is op theologische argumenten, voor velen in de kerk ontmoedigend werkt.’ CCLTC, p. 141.

Lees ook:

Vertaling: Isaac Wüst

Klik hier als U onze campagne voor de wijding van vrouwen aktief wilt steunen..

historische overzichten

Vermeld a.u.b. dat dit documentontleend is aan www.womenpriests.org!


This website is maintained by the Wijngaards Institute for Catholic Research.

John Wijngaards Catholic Research

since 11 Jan 2014 . . .

John Wijngaards Catholic Research